Wat ‘evangelisten’ niet al bereiken kunnen*… (II)

* Met hun ‘ervarings-evangelie/theologie’…

Geciteerd 1: (…) Door de grote afstand zien ze plotseling hoe alles hier beneden een geheel vormt. Geen boom, geen mens, geen wolk staat op zichzelf. Dat diepe besef van de aardse verwevenheid maakt dat veel ruimtevaarders zich bij terugkomst van hun missie gaan inzetten voor het behoud en de versterking van ons ecosysteem.
Branson zegt met zijn plannen voor ruimtetoerisme zo veel mogelijk mensen die ervaring te willen bieden. Maar het is zeer de vraag of vier minuten zweven op tachtig kilometer hoogte een overzichtseffect oplevert. Onderzoek naar het effect wijst uit dat een enkele keer kijken niet genoeg is voor een langdurige impact. Bovendien speelt niet alleen het uitzicht een rol, maar ook de grote afstand en de complete afzondering. Dat ligt dus wat genuanceerder dan Branson het doet voorkomen.

Geciteerd 2: Ook Bezos en Musk framen hun plannen graag als filantropische ondernemingen. Ze weten donders goed dat ruimtevaart drijft op grote verhalen. Raketbrandstof is een mengeling van kerosine en mythevorming, schreef de Deense godsdienstwetenschapper Thore Bjørnvig. Het is aan ons om die verhalen door te prikken, te zien wat er overblijft als de lucht is ontsnapt.

Opgemerkt 1: De overeenkomst van ambities en doelen van Amerikaanse ‘evangelisten’ met wat deze ‘ruimte-evangelisten’ zich voor ogen stellen en ook zelf ervaren hebben is treffend. En ook de hier gegeven ‘broodnodige’ relativering er van!

Opgemerkt 2: Omdat God geen roem aan mensen geeft/laat – dat kunnen mensen echt niet aan, zowel de ‘helden’ als ook hun ‘volgelingen’ niet! – waren de apostelen mensen die zo’n beetje ‘de laagste plaats kregen toegewezen’ in de gemeenten, terwijl anderen al bezig waren om zich daar als ‘koningen’ te doen gelden en vereren (zie het leerzame 1 Korintiërs 4!).

Opgemerkt 2: We mogen God wel op onze knieën danken dat Hij Paulus geen succes gaf met zijn rede/verkondiging in Athene! Stel je voor dat hij daar een grote aanhang had gekregen, mee onder de wijsgeren… Wat een verkeerd beeld van de kracht van en de zegen op Paulus verkondiging hadden we dan gekregen. En zelfs ondanks dat wisten en weten latere gelovigen zich tot ‘koningen’ te maken en durven ze hun succes (o.a. zichtbaar in de groei van hun aanhangers en groei van gemeenten) toe te schrijven aan ‘hun aanpak’ en vormen ze daarmee een geduchte concurrent van het ‘gewone kerkelijk leven’ – dat is het gewone samenleven in en van gemeenten, van mensen/gemeenten/kerken dus die zich door het geloof met elkaar verbonden weten en daarom ook geen concurrentieslag met elkaar aangaan.

NB. Onder ‘ervarings-evangelie/theologie’ schaar ik ook de opvatting van mensen die menen dat gemeenten geleid dienen te worden met ‘managers-skills’ (denk o.a. aan Bill Hybels ‘missie’).

Aanvullend: Ons geloof heeft de regelmaat nodig van Bijbellezen en gebed en kerkgang. Dat is en wordt ook onderuit gehaald door mannendagen en -weekenden, conferenties, EO-jongerendagen en godsdienstige jeugdkampen. In het verleden kregen kerkenraden te maken – zelfs in de jaren zeventig al hadden kerkenraden én gemeenten, ook in onze gemeente van Rijswijk, daar al last mee/van! – met op dergelijke dagen/weekenden ‘opgeladen’ jongeren die de gemeente graag wilde komen vertellen hoe ze het – in hun ogen ingezonken – gemeenteleven een oppepper konden geven. Ze mochten indertijd op een gemeente vergadering komen ‘stoom afblazen’. Mijn ouders hielpen ons kinderen om door zulke ‘opgeblazenheid’ heen te kijken!

Bron citaat: deStandaard (via Blendle) – ‘De ruimte is te belangrijk om aan cowboys over te laten‘ – door Marjolein Heemstra

Zie ook: Wat ‘evangelisten’ niet al bereiken kunnen… (I)

Bron afbeelding: Rob Speight’s BlogWillow Creek’s Leadership Strategy

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wat ‘evangelisten’ niet al bereiken kunnen*… (I)

* ‘The universe is the limit’…

Geciteerd: Het zijn mannen die meer gemeen hebben dan hun kleur, levensfase en torenhoge ambitie. Als jongetjes lazen ze grotendeels dezelfde sciencefictionboeken. Als jongemannen waren ze stuk voor stuk buitenbeentjes; ze zijn geobsedeerd door raketten en willen, boven alles, winnen. Met miljoenen fans, miljarden dollars om te investeren en deals met grote ruimtevaartorganisaties zijn ze inmiddels beeldbepalend voor de ruimtevaart. (1)
Mij doen ze denken aan de Amerikaanse evangelisten die ooit de kolonisten op pad stuurden om zich met Gods zegen het land van een ander toe te eigenen. Het zit hem in de nadruk op een uitverkoren volk, op een nieuwe wereld waarin we verlossing zullen vinden. Toen waren het prairies, nu zijn het planeten.

Geciteerd 2: Hun taalgebruik verraadt een wereldbeeld. De ruimte noemen ze een ‘frontier’, een plek om te ‘koloniseren’, zoals ooit het Wilde Westen. Steeds als ik dat lees, struikel ik erover. Koloniseren. Alsof dat woord niet zucht onder de last van het verleden. Als onze taal bepaalt hoe we naar de wereld, en dus ook naar de ruimte kijken, moeten we zorgvuldig zijn met onze woorden. Waarom niet ‘bezoeken’ in plaats van ‘koloniseren’? Ook voor frontier is vast een minder beladen term te vinden. Mijn voorstel: the unknown, maar ik vermoed dat die term te nederig stemt.

Opgemerkt: Wat er waar is van ‘Amerikaanse evangelisten’ die kolonisten voor zich uit stuurden om land te veroveren, daar wil ik het hier niet over hebben, maar dat na de kolonisatie (Beter: verovering?) van Amerika, Amerikaanse evangelisten landen en werelddelen probeerden te ‘herkoloniseren’ dat staat buiten kijf. Billy Graham’s bezoeken aan Nederland geven daar een voorbeeld van, maar we kunnen ook denken aan Amerikaanse ‘evangelisten’ als Bill Hybels, Rick Warren en ook een John Piper, Tim Keller…

(1) De ruimte mag niet de speeltuin van de interplanetaire adel worden, schrijft Marjolijn van Heemstra. Er zijn regels nodig.

Bron citaat: deStandaard (via Blendle) – ‘De ruimte is te belangrijk om aan cowboys over te laten‘ – door Marjolein Heemstra

Bron afbeelding: Twitter (ruimtevaart hashtag)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Toch een voetstuk nodig…

Geciteerd: Lieve God, U maakt het al te grof. Doe het toch netjes en zet de kinderen, die kleine dwazen, niet zo op een voetstuk! Waar hebt U dat bevolen en geleerd, dat een dwaas kindje de voorkeur krijgt boven een wijs iemand? Hoe kan onze Heere God met Zijn oordeel en Zijn gerechtigheid bestaan, die Paulus zozeer prijst: ‘Gods gerechtigheid, Gods gerechtigheid’? Is dat gerechtigheid, dat U de verstandigen verwerpt en de dwazen aanneemt? Wat hier staat, betekent: ‘Geloof Gods Woord en geef je gevangen!’ Onze Heere God heeft zuiverder gedachten dan wij mensen. Hij moet ons daarom bevrijden van grove zonden (…). Hij moet grove takken en spanen van ons weghakken, voordat hij zulke kinderen en dwazen van ons maakt.

Opgemerkt: God plaatst de kinderen en eenvoudigen (zwakken) in de gemeente op een ‘voetstuk’ en wel om hen op ooghoogte van ons (de bedoelde ‘wijzen en verstandigen’*) te brengen, zodat we hen voluit als broeders en zusters zullen zien en aanvaarden, en zelfs als degenen die ons voorgaan in het geloof!

* Die bukken niet gauw/graag naar een ander, laat staan dat ze hen de voeten wassen…

NB. Denk hierbij niet alleen aan de jonge kinderen uit Psalm 8 en Matteüs 21 de verzen 15-17, maar ook aan de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus en aan Paulus woorden in 1 Korintiërs 12 de verzen 23-27 en die van Jakobus in 2 de verzen 5-13 en 4 de verzen 5-12 en 5 de verzen 1-6.

Bron citaat: checkluther-com – Meditatie/citaat van 17 juli 2021 – Luther Heritage Foundation (Veenendaal)

Bron afbeelding: EO Visie (Bijbelstudie over hoe kinderen Gods eer vertellen)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Dopen in een zondige wereld en kerk…

Geciteerd 1: De stroming van de donatisten stelde in de vierde eeuw dat de geldigheid van de doop afhangt van de persoon die het sacrament bedient.* Augustinus keerde zich tegen deze visie: „De wettigheid van de doop hangt niet af van de bedienaar ervan, maar van de instelling van Christus. De heiligheid van de doop wordt niet door de onheiligheid van de dienaar te niet gedaan, want de mens doopt niet, maar Christus doopt.”

Geciteerd 2: Dit bleef de gangbare visie vanaf de middeleeuwen. De reformatoren Luther en Calvijn erkenden dan ook de doop van alle kerken, ook van de Rooms-Katholieke Kerk. Calvijn schrijft in zijn Institutie (Boek 4, hoofdstuk 15.16) dat de waarde van het sacrament niet afgemeten moet worden aan de hand van hem door wie het bediend wordt. „Zoals het er bij een brief die mensen aan elkaar sturen in het geheel niet toe doet wat voor man de bezorger van de brief is, als men het handschrift en het zegel maar voldoende herkent, zo moet het voor ons voldoende zijn de hand en het zegel van onze Heere in Zijn sacramenten te herkennen, wie het dan ook is die ze tot ons brengt.”

Geciteerd 3: Even verderop (Boek 4, hoofdstuk 15.21-22) noemt Calvijn de doop door een vrouw wel een „zonde”, omdat „hierbij een door Christus gegeven regel geschonden is.” Vrouwen mogen zich in de gemeente niet „de positie van een man” aanmeten en leidinggeven, aldus de Geneefse reformator.

Opgemerkt 1: We kunnen beslist stellen dat de bedienaren van de Doop in de Rooms-Katholieke kerk, en in heel wat andere ‘kerk’-gemeenschappen ook, zich niet langs de in en door Gods Woord gewezen weg een positie als bedienaars van het Woord en de Sacramenten hebben verworven (en zich daarin laten gelden en betalen) en dat die positie daarom ook beslist als ‘zondig’ – tegen Gods bedoeling in – moet (!) worden gekenmerkt. We kunnen daarbij toch moeilijk gaan beweren dat als het maar een man is geweest, dat het dan niet uitmaakt. Laten we de regel „Zoals het er bij een brief die mensen aan elkaar sturen in het geheel niet toe doet wat voor man (iemand!) de bezorger van de brief is, als men het handschrift en het zegel maar voldoende herkent, zo moet het voor ons voldoende zijn de hand en het zegel van onze Heere in Zijn sacramenten te herkennen, wie het dan ook is die ze tot ons brengt.” dus maar gewoon volgen en handhaven.

* Het zal dus kunnen gebeuren dat naderhand blijkt dat die ‘waardige persoon/man’ helemaal niet waardig was om de Doop te bedienen… Dan zou een gemeente zomaar met een ongeldige Doop hebben rondgelopen of rondlopen. Onzekerheid troef dus, hoe ‘geweldig’ een voorganger ook mag lijken, wij mensen weten toch maar nooit door welke diep-geheime motieven zo’n man (of vrouw) werd of wordt bewogen. De kerkgeschiedenis (ook recent) geeft er genoeg voorbeelden van…

Opgemerkt 2: Ik las eens dat een baptisten voorganger meende – al durfde hij z’n hand niet voor iedereen in het vuur te steken – dat het merendeel van de leden van de baptisten-gemeenten zich als ‘wedergeboren mensen’ hadden laten dopen en dat dankzij de verkondiging en het pastoraat in zo’n baptisten-gemeente. Uit die woorden blijkt dus al duidelijk hoe feilbaar ons menselijk oordelen is en niet voor niets waarschuwde onze Heer ons al voor dat oordelen (over anderen) en Paulus mocht het ook nog eens heel duidelijk onder woorden brengen namens onze Heer. In feite speelt dat in beide brieven aan de Korintiërs voortdurend een rol en het wordt heel expliciet onder woorden gebracht in 1 Korintiërs 4.

Slot:Maar nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder toezicht – alsof de geschreven letters in de Wet (Torah) onze Meester (Pedagoog) Zelf zijn*want door het geloof en in Christus Jezus bent u allen kinderen van God. U allen die door de Doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed. Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus. En omdat u Christus toebehoort, bent u nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte.‘ (Uit Galaten 3 de verzen 25-29, zie ook Handelingen 2 de verzen 37-42).
* Hij wil en laat Zich wel bedienen door het onderwijs in de Torah en heel de Schrift en ook door de Sacramenten!

Bron citaten: RD Kerk & religie – ‘GGiN onderzoeken geldigheid doop door vrouw‘ – door Maarten Stolk

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker – Eén lot treft allen…

‘…de wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis; maar ik bemerkte ook, dat één lot hen allen treft, en ik zei bij mijzelf: Wat een dwaas wedervaart, overkomt ook mij: waartoe ben ik dan zo uitermate wijs geweest. Toen sprak ik bij mijzelf, dat ook dit ijdelheid is.‘ (Uit Prediker 2 de verzen 14-15)

Geciteerd: De gedachte van de gemeenschappelijkheid van het ijdele leven vinden we in Prediker bij herhaling, telkens in ander verband en andere nuancering. In 2 vers 14b wordt deze gemeenschappelijkheid opgevat als fataal voor de waarde en het voordeel van de wijsheid. Het is wel waar dat de wijze ogen in zijn hoofd heeft en dat de dwaas in verblinding en duisternis zijn levenswandel volbrengt, maar – en nu komt de tweede afwijzer even in de lijn van de eerste, de man van het grootse experiment – wat koop ik daarvoor?

De tweede wijze ontkent zeer nadrukkelijk, dat wijsheid het leven schenkt. Wellicht komt hij in de loop van de discussie tot een andere mening; dat weten we niet met zekerheid. Zijn waardering voor de wijsheid en zijn erkenning van haar voordeel worden wel zeer bedenkelijk, als we hem horen zeggen: ‘Maar ik merkte op, dat één lot hen allen treft, en ik zei bij mijzelf’ – hier neemt de reflectie een verkeerde wending – ‘Wat de dwaas overkomt, overkomt ook mij.’ (1)

En bepaald dwaas (goddeloos) in de ware zin, zoals we die leren kennen in de wijsheidsboeken, klinkt zijn conclusie: ‘Waartoe ben ik dan zo uitermate wijs geweest?‘ Hier komt de afwijzer duidelijk als afwijzer van het leven en de levenswijsheid openbaar. Wel wandelt de wijze in het licht en de dwaas in de duisternis, maar dat levert niets op, omdat één en hetzelfde lot hen allen treft.

De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat de conclusie van de tweede afwijzer in vers 15b het einde van de rede betekent. In dat geval zijn de woorden ‘Toen sprak ik bij mijzelf dat ook dit ijdelheid is‘ een afsluiting en moeten we aannemen, dat met vers 16 een andere spreker het woord neemt, mogelijk dezelfde die 1 vers 11 heeft gezegd. We laten uiteraard deze vraag onbeslist.
Onze opvatting dat 2 vers 12-23 een geheel is, dat door één spreker gezegd zal zijn, is voor bestrijding vatbaar, en we houden ons dan ook aan onze opvatting met erkenning van haar niet bepaalde graad van onzekerheid.

Het behoort tot de aard van het uit de Schrift gevoede geweten, dat het doet erkennen: wij weten veel niét, wellicht weten we méér niet dan wèl. De erkenning van en het inzicht in het niet-weten is een kostbare zaak. Meer dan één theologie is dodelijk gestruikeld door gemis van deze erkenning en dit inzicht, Maar de conclusie van de tweede afwijzer gaat veel te ver: hij concludeert uit de beperktheid van zijn gezichtseinder – zelf heeft hij grotendeels die einder zo beperkt gemáákt – tot bekrompenheid van wereld en menszijn. Hij stelt ons de voor hem retorische vraag: is wijsheid niet ook een ijdele zaak?

(Wordt vervolgd!)

Toen mijn hart verbitterd was,
En ik in mijn nieren geprikkeld werd,
toen was ik een grote dwaas en zonder verstand,
ik was een redeloos dier bij U.
Nochtans zal ik bestendig bij U zijn,
Gij hebt mij bij de rechterhand gevat;
Gij zult mij leiden door Uw raad,
en daarna mijn in heerlijkheid opnemen
.
(Uit Psalm 73 de verzen 21-24)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: SlidePlayer (True devotion)










Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker – Spreken over tijd en toeval…

‘…want tijd en toeval treffen hen allen‘ (Uit Prediker 9 de verzen 11-12 vers 11b)

Toeval een ‘heersende macht’?

Geciteerd 1: Het lijkt vergeefse moeite, de spreker van 9 ver 11v te ‘redden’ door in plaats van ‘tijd en toeval’ te lezen ‘tijd en lot’ en dit dan begrijpelijk te maken door het te verklaren als ‘een voor ieder bepaald lot dat hem op een bestemde tijd treft’. Want de spreker van 9 vers 11v is duidelijk een ander (1) dan de vorige: 9 de verzen 7v, 9 en 10 hebben een zeker optimisme gemeen, in verschillende mate, als in een afdalende reeks.

De spreker van 9 vers 11 wil alle optimisme afwijzen, zijn rede behoort tot de somberste van geheel het boek. Heeft 9 vers 10 nog gezegd, dat er in het dodenrijk geen wijsheid is, 9 vers 11 ontkent de aanwezigheid (effect, nut) van wijsheid geheel en al, en komt zo in de lijn van de spreker in 6 de verzen 7-9 en 11v en in die van 8 vers 16v. Maar hij gaat iets verder door de invoering van de belijdenis, dat het toeval een heersende macht is ‘onder de zon’.

Deze woorden grenzen aan Godloochening. We worden ook hier getroffen door de overmaat aan voorbeelden: dat niet de snelsten de wedloop winnen; noch de sterksten de strijd winnen; noch de wijzen het broodkunnen verdienen (de afwijzing van het nut van de wijsheid is typerend); noch de schranderen de rijkdom; noch de verstandigen populair worden.
De spreker noemt vijf voorbeelden; hij is niet tevreden met de betuiging, dat alle mensen moeten sterven, vgl. 3 vers 20, 9 de verzen 1-6; hij ziet ijdelheid in de overmacht van het toeval, waardoor geheel het leven zinloos wordt. Hij wijst elk spoor van optimisme en levensvreugde, hoe sober ook, beslist af.

De mens als gedupeerde van het lot…

Tijd en toeval treffen hen allen; en ook kent de mens zijn tijd niet‘. Niet alleen kent de mens zijn toekomst niet, zoals gezegd is in 3 vers 22, 6 vers 12 en 8 vers 16v, maar hij kan ook zijn eigen tijd en zijn eigen situatie niet beoordelen. Ook hier wordt de klacht tot aanklacht, zoals in 8 vers 11 en 9 vers 3. De mensen worden in hun bestaan vergeleken met de dieren, en zo volgt de spreker van 9 vers 11v die van 3 vers 18-22. Maar de strekking hiervan is anders: de mensen zijn als vissen of vogels die verraderlijk gevangen worden. Het lot, ‘tijd en toeval’, laten je er altijd in lopen. De mens is een gedupeerde van het lot. Deze passage behoort wel tot de duidelijkst onvrome van het boek Prediker. De mensenkinderen worden verstrikt.

Die woorden klinken als in het vreemde gedicht: ‘Ge brengt de mens het leven in, en laat de sukkel schuldig worden, dan laat ge hem over aan de pijn, want elke schuld moet gewroken worden.’ We zullen niet heel ver mistasten, als we de rede van 9 vers 11v goddeloos noemen. Evenals de vissen in het verraderlijke net en de vogels in het klapnet gevangen worden, zo worden de mensenkinderen verstrikt in de tijd van het kwaad. Maar deze aanklacht is de spreker zo nog niet zwaar genoeg; hij voegt eraan toe: als dit hen plotseling overvalt. Het kwaad komt onverwacht, het verstrikt de mens, het is verraderlijk als een net, en het overvalt de mens plotseling.

Hebben we hier ook te doen met een typering van het mensenleven van een volk dat overheerst en onderdrukt wordt? Zo ja, dan is dit een weer andere klacht dan die over de nutteloosheid van het zwoegen (harde werken). Het is namelijk de klacht over het onheil dat verraderlijk overvalt, verstrikt, plotseling, kwaadaardig.

(Wordt vervolgd!)

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Geciteerd 2: Wij geloven dat die goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, deze niet heeft laten varen, noch aan het geval (toeval) of de fortuin (lot) overgegeven, maar ze naar Zijn heiligen wil alzo stiert (bestuurt) en regeert, dat in deze wereld niets geschiedt zonder Zijn ordinantie (wil en inbreng); hoewel nochtans God noch auteur is, noch schuld heeft van de zonde die er geschiedt. Want Zijn macht en goedheid is zo groot en onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk Zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddelozen onrechtvaardig handelen. En aangaande hetgeen Hij doet boven het begrip van het menselijke verstand, dat willen wij niet curieuselijk (te nieuwsgierig) onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan; maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied de rechtvaardige oordelen van God*, die ons verborgen zijn; ons tevreden houdende dat wij leerjongeren van Christus zijn, om alleen te leren hetgeen Hij ons aanwijst in Zijn Woord, zonder deze grenzen te overtreden. Deze lering geeft ons een onuitsprekelijke troost, als wij door haar geleerd worden dat ons niets bij geval overkomen kan, maar door de beschikking van onzen goedertieren hemelse Vader, Die voor ons waakt met een Vaderlijke zorg, houdende alle schepselen onder Zijn heerschappij, alzo dat niet één haar van ons hoofd (want die zijn alle geteld) , ook niet één musje op de aarde vallen kan zonder den wil van onze Vader. Waarop wij ons verlaten, wetende dat Hij de duivelen in toom houdt en al onze vijanden, die ons zonder Zijn toelating en wil niet schaden kunnen. En hierin verwerpen wij de verdoemelijke dwaling der Epicureeën, dewelke zeggen dat Zich God nergens mede bemoeit en alle dingen bij geval laat geschieden.

Bron citaat 2: Nederlandse geloofsbelijdenis, artikel 13 ‘Van de voorzienigheid Gods en regering aller dingen.

* Zie eventueel hierbij: Prediker: Spreken over vergankelijkheid en zinloosheid… (I), (II) en (III)

Zie ook:

Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader die zich over ons ontfermt, de God die ons altijd troost en ons in al onze ellende moed geeft, zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende moed kunnen geven.‘ (Uit 2 Korintiërs 1 de verzen 3-4)

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on JESUS CHRIST GOD)









Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Wie God vreest… (II)

De wijsheid geeft de wijze meer macht dan tien machthebbers in een stad bezitten
(Uit Prediker 7 vers 19).

Elk spoor van pessimisme uitgebannen…

Geciteerd 1: De Spreuk over de macht van de wijsheid wordt gezegd door iemand, die het volkomen met de vorige spreker eens is. ‘De wijsheid geeft de wijze meer macht dan tien machthebbers in een stad bezitten.‘ Het is een glorieuze spreuk, en een waarin elk spoor van pessimisme is uitgebannen. Ze is georiënteerd aan de levenswandel in de wijsheid van Gods Verbond: iets beters en krachtigers is er niet.

Politieke macht en geldbezit ver te boven…

Zoals de wijsheid van God geprezen werd in 7 vers 11 en 12, zo ook hier: de wijsheid overtreft de politieke macht, is even reëel als zij, maar gaat haar ver te boven; zoals de wijsheid het geldbezit ver te boven gaat en even reëel is als dat.

Juichende toon…

Er klinkt een juichende toon in deze spreuk, het grijpen naar wat bij mensen onmogelijk is en mogelijk bij God. Dat iemand in zijn gebrokenheid zó durft roemen in de Here, is onbegrijpelijk. Het gaat hier over kracht van God die in menselijke zwakheid volbracht wordt. En over de macht van hem die in het geloof durft zeggen: Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.

Vrees en kleingeloof…

Geciteerd 2: In 7 vers 20 neemt iemand het woord, die de kloeke geloofstaal van de vorige spreker te bar vindt: hij wil de aandacht niet gevestigd houden op God Die de zwakken machtig maakt, maar hij gaat ‘naar zijn eigen vlees (menselijke natuur) kijken’, zoals Petrus die acht gaf op de wind en de golven en dáárdoor ging zinken. In 7 vers 20 komt vrees en kleingeloof aan het woord, een kleingeloof dat zich als nuchterheid aandient, maar in feite niet veel vertrouwen heeft in de kracht van Gods hulp en werk.

Onwezenlijk ideaal…

De wijsheid die macht en zelfs overmacht heeft, is volgens de spreuk van 7 vers 20 een onwezenlijk ideaal. Niemand is immers zó rechtvaardig dat hij goed doet zonder te zondigen. Dat is een waarheid als een koe, en het doet hier hoegenaamd niet ter zake; erger nog: het is de remming van het geloof door ongeloof, en dan is de akelige resultante het kleingeloof, dat bepaalt niet àlles gelooft wat God belooft, maar een slag om de arm houdt.

Menselijke activiteit en gave van God…

Het geloof is menselijke activiteit en het is een gave van God. De spreuk 7 vers 20 erkent alleen de zwakheid van de menselijke activiteit, ontkent het karakter van gave van God, en ziet daardoor ook de menselijkheid van het geloof niet meer.

(Wordt vervolgd!)

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook: Prediker: Wie God vreest…(I)

Hoeveel beter is het wijsheid te verwerven dan goud, hoezeer is inzicht te verkiezen
boven zilver.
‘ (Uit Spreuken 16 vers 16)

Bron afbeelding: Heartlight








Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Spreken over vergankelijkheid en zinloosheid…(III)

Wat is, was er reeds lang, en wat zijn zal, is reeds lang geweest; en God zoekt weer op,
wat voorbij gegaan is.
‘ (Uit Prediker 3 vers 15)

Geciteerd: Het slot van 3 vers 15 geeft een belijdenis, een duidelijk en lichtgevend woord van God, waardoor het gericht over het ijdele ook duidelijk wordt gemaakt. De vorige sprekers hebben geen onderscheid gezien tussen het voorbijgaan en de vergankelijkheid. In 3 vers 11 heeft de kritische spreker daaraan herinnerd. Spreek niet zoveel kwaad van de tijd, want God heeft alle dingen recht gemaakt op zijn tijd: dus die tijd is niet de schuldige. Maar nu voegt hij daaraan toe, dat men niet voor de vergankelijkheid moet buigen als voor een afgod. De vergankelijkheid is er zeker, reëel. Maar God zoekt weer altijd weer op wat voorbijgegaan is: Hij zoekt alle ijdele dagen weer op.

Ze bestaan voor Hem in onaantastbaarheid. We vinden zo een tweeledigheid in het ijdele: het is als een gericht over de schepping gekomen, die aan de ijdelheid onderworpen is, maar alles wat nu die ijdel en welhaast nietig geworden mensen doen, dat wordt door God serieus genomen: ook elk ijdel woord. Elk gedachteloos gezegd woord, alle tot routine verworden werk, ieder mechanisch geworden gedragspatroon, God zoekt ze alle weer op, ook als ze in de tijd zijn voorbijgegaan, ook als ze in dit voorbijgaan onder Gods gericht vergankelijkheid zullen blijken te zijn. De ijdelheid van ‘alles’ komt voort uit een gericht Gods, maar God richt ook ‘alles’ wat de ijdelheid in zich bevat.

Want de verijdeling heeft haar grens. Ze is geen oppermachtige nietigheid. God heeft in zijn richtend woord de gevallen mens verijdeld, maar tegelijk houdt Hij hem vast, hij valt niet uit Gods hand. En dit vasthouden Gods wordt wordt in het slot van 3 vers 15 getekend als ‘weer opzoeken’. Dezelfde rusteloze daadwerkelijkheid Gods die beleden was in 3 vers 11Hij legt de eeuw in hun hart’, wordt hier aangeduid met ‘God zoekt weer op wat voorbijgegaan is‘.

God zoekt weer op wat voorbijgegaan is‘: Het is een wonderlijke spreuk, in de vreze des Heren. We zouden kunnen vragen: Hoe is dat ooit mogelijk? Maar die vraag komt niet uit wijsheid voort, vgl 7 vers 10. Het mag onze aandacht niet ontgaan, dat de Bijbelse leer inzake de vreze des Heren ook op de Christus wordt toegepast. In Efeziërs 5 vers 21 lezen we van ‘de vreze van Christus‘: ‘Weest elkaar onderdanig in de vreze van Christus‘.

De Statenvertaling heeft nog, naar een reeds zeer oude variant, ‘in de vreze Gods‘; en we kunnen begrijpen wat er gebeurd is: een overschrijver heeft de uitdrukking ‘in de vreze van Christus‘ vreemd gevonden – ze is zeldzaam maar onmisbaar – en heeft ervan gemaakt ‘in de vreze Gods’. Het is een geluk dat we deze (onverantwoorde en in de grond ongelovige) wijziging nog hebben kunnen achterhalen.

Dat ‘achterhalen’ heeft ook ditvoordeel onder de zon‘, dat we het verband kunnen zien tussen de vreze des Heren en het werk van Christus. Er zijn niet veel plaatsen in het boek Prediker, die een ietwat aanwijsbare messiaanse aanduiding bevatten; daarvoor wordt er door de samensprekenden teveel gezwoegd. Maar de spreker van 3 vers 11 en 14v geeft zulke aanduidingen, en opnieuw en helderder vinden we ze in hoofdstuk 7.

(Wordt vervolgd!)

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

En indien u Hem als Vader aanroept, Die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandel dan in vreze de tijd van uw vreemdelingschap, wetende dat u niet met ijdele dingen, zilver of goud bent vrijgekocht van uw ijdele wandel, die (u) van de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam. Hij was tevoren gekend, vóór de grondlegging van de wereld, maar Hij is bij het einde der tijden geopenbaard ter wille van u.‘ (Uit 1 Petrus 1 de verzen 17-20)

Bron afbeelding: SlidePlayer (A Living Hope to Live In)








Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker – Spreken over vergankelijkheid en zinloosheid…(II)

Wat is, was er reeds lang, en wat zijn zal, is reeds lang geweest; en God zoekt weer op,
wat voorbij gegaan is.
‘ (Uit Prediker 3 vers 15)

Ten bate van de mens…

Geciteerd: Nadat de spreker in 3 vers 14 drie onderwerpen in nauwe samenhang heeft genoemd gaat hij verder, en doet daarbij blijken, welk een radicale kritiek hij oefent op de manier waarop zowel de gespreksopener als de drie afwijzers (1, 1a) gesproken hebben over het ijdele. Zijn drie samenhangende onderwerpen vragen speciale aandacht voor de duurzaamheid en de onaantastbaarheid van het ‘ijdele leven’, en voor het feit dat God deze duurzaamheid stelt ten bate van de mens, die onder dit gericht zijn ijdele leven moet leven.

Begrenzing van het ijdele…

Het is dezelfde toon als die in 3 vers 11 gehoord werd: God heeft alle dingen recht gemaakt op zijn tijd, en Hij heeft de mens de eeuw in het hart gelegd. Daardoor is die mens ondanks en in zijn ijdelheid en vergankelijkheid duurzaam en onaantastbaar. Want wat God doet is ‘eeuwig’, in die eigenaardige betekenis, die filologisch niet is vast te leggen. Ze betreft niet een lange duur, maar sluit die ook niet uit. Ze betreft de begrenzing van het ijdele en ontkent zijn oppermacht, maar ze loochent de realiteit van ijdelheid, vergankelijkheid en zinarmoede niet. *

Vreze des Heren centraal…

Wat God doet kan niet spoorloos verdwijnen, omdat Hij het vasthoudt ook in Zijn gericht. Aan wat Hij doet is niets toe te voegen en ook niets af te doen; het is onaantastbaar. En Hij doet dat opdat men vreze voor Zijn aangezicht. Wat de vreze des Heren betekent was in deze kring niet onbekend, maar het leeft centraal in de vertogen van de eerste spreker en de drie afwijzers. (1a) De spreker van 3 vers 11 en 3 vers 14v herinnert de samensprekenden er aan, dat de vreze des Heren volkomen serieus genomen dient te worden, ook waar ze niet meer zo wordt erkent.

De goede zin van het ijdele…

In de Bijbelse gedachte van de vreze des Heren ligt zowel de vertrouwelijkheid van kinderen, die vrezen hun Vader te vertoornen omdat ze Zijn liefde weten, alsook de verre en straks nabije dreiging die een miskende en beledigde liefde brengen zal. In ‘opdat men vreze voor Zijn aangezicht‘ ligt niet alleen de begrenzing van het ijdele opgesloten, maar ook de goede zin van het ijdele als ‘werktuig in Gods hand’.

Ook in de Qohèleth-gemeenschap niet gepeild…

Dit wordt in 3 vers 15 nader uitgewerkt en daarbij ook toegepast op wat tot nog toe als bijdrage aan het gesprek geleverd is. Straks zal blijken, dat men in de Qohèleth-gemeenschap ook 3 vers 14v niet heeft gepeild. Maar in de verzen 3 vers 14 en 15, met name in het laatste, is de spreker duidelijker en makkelijker te begrijpen dan in 3 vers 11. Hij heeft pijnlijk gemerkt dat men hem niet begrepen heeft, en hij doet een tweede poging, die intenser indringt in het gehalte van wat gezegd is.

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.
(1a) Zie Prediker 1 de verzen 3-11 (van de ‘gespreks-opener’), 2 de verzen 1-11 (de ‘eerste spreker/afwijzer’), 2 de verzen 12-23 (de ‘tweede spreker/afwijzer’ ) en 2 de verzen 24-26 (de derde ‘afwijzing/afwijzer/spreker’).

*Toch is wat wij verkondigen wijsheid voor wie volwassen is in het geloof. Het is echter niet de wijsheid van deze wereld en haar machthebbers (van ‘deze eeuw’, NBG), die ten onder zullen gaan. Waar wij over spreken is Gods verborgen en geheime wijsheid, een wijsheid waarover God voor alle tijden (‘van eeuwigheid’, NBG) besloten heeft dat wij door haar zouden delen in Zijn luister.‘ (Uit 1 Korintiërs 2 de verzen 6-7)
NB. Ook de wijsheid van de ‘heersende wetenschap’ zal ‘ten onder gaan’!

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: SlideShare (Illumination by the Holy Spirit)







Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Hoe Doop en Avondmaal ontvangen en vieren…

Geciteerd 1: Dat God Zijn Heilige Geest aan de gedoopte kinderen geeft, weten we uit de grote gaven van de heiligen die in de kerk geleefd (en de kinderdoop ontvangen) hebben. En als Christus verder zegt: ‘Doopt allen’ (Matteüs 28 : 19), dan noemt Hij daarbij niet de leeftijd. Hier komt de besnijdenis bij, die dezelfde belofte als de doop heeft. De wederdopers argumenteren dat je niet gedoopt kunt worden als je niet je geloof belijdt. Dat bewijzen ze aan de hand van Cornelius (Handelingen 10) en zo maken ze van het bijzondere het algemene. Maar dit voorbeeld bewijst niets. En Petrus heeft Cornelius niet vanwege zijn geloof gedoopt, maar vanwege de rechtvaardiging door Christus en vanwege Zijn Woord en het bevel van God. Als alleen die mensen gedoopt mochten worden van wie zeker is dat ze geloven, zou niemand gedoopt kunnen worden. En als ik vanwege mijn geloof gedoopt zou zijn, dan zou het geloof groter zijn dan het Woord en het bevel van Christus, waarmee Hij de doop beveelt.

Opgemerkt vooraf (bij ‘Geciteerd 2‘): Wie uit Gods Woord heeft leren begrijpen wat ‘leven van Genade’ is, die gaat geen ‘waardigheidsonderzoek’ doen voorafgaand aan het Avondmaal, maar die beseft – gelovig! – dat hij of zij alleen maar onwaardig aan het Avondmaal kan deelnemen! Toen de Here Jezus het Avondmaal ging vieren/instellen voor Zijn discipelen (en Zijn volgelingen) toen heeft Hij hen ten voorbeeld eerst de voeten gewassen en daarbij zei Hij ook: wie gebaad hebben zijn reeds geheel rein. Toch wilde Jezus hen de voeten wassen en later zouden de discipelen Hem hebben te volgen in dat de elkaar (de ander) de voeten wassen. Deze reiniging was zelfs nog zo noodzakelijk, dat Jezus tegen Petrus zei: wanneer ik nu je voeten niet was, dan heb je geen deel aan Mij. Jezus wilde toen Zelf die reiniging voltrekken, maar later mochten Zijn discipelen en wij die reiniging de ander bezorgen, namelijk door die ander zijn of haar schuld jegens ons te vergeven. Dat is heel nederig en vernederend werk! Toch zullen wij dat hebben te doen. Wij zullen die ander (in liefde, de liefde ‘gelooft alles’) hebben te zien als ‘geheel rein’ (vanwege de Doop), maar door de omstandigheden van het leven zullen we (en dus ‘die ander’) toch voeten hebben, die erom vragen gereinigd te worden. Jezus heeft ons getoond dat Hij zich er niet te goed en te groot voor achtte. Zelfs Judas mocht meedoen, alhoewel Jezus wel opmerkte, dat er één was die niet geheel rein was. Maar dat wist Hij alleen, Hij vroeg geen oordeel van Zijn discipelen over hem (Judas) of over elkaar! (Wel goed om te lezen/horen dat geen van de discipelen toen zei: nou, dat zal/kan ik natuurlijk niet zijn!)

Geciteerd 2: Tijdens zijn catechese brengt Kohlbrugge ook de nodiging tot het Avondmaal ter sprake. (…) Tijden die gesprekken met de catechisanten stelt hij de volgende vragen: Komt men tot het heilig Avondmaal gedwongen of genodigd? Wie mogen tot de tafel des Heeren komen? Van welke uitdrukking bedien ik mij, wanneer ik tot het heilig Avondmaal nodig?

Opgemerkt 2: Kohlbrugge bedient zich van de Duitse term ‘albern’, wat ik hier wil weergeven met woorden als: verslagenheid, schuldbewust, zich niet gunst-waardig, maar strafwaardig weten (m.n. dit laatste).

Geciteerd 3: Wanneer iemand aan de tafel des Heeren komt, dan kan zo iemand vrezen dat hij of zij het Avondmaal onwaardig zou kunnen gebruiken. Daar is ook zeker reden voor; want we horen: ‘Wie onwaardig van dit brood eet, en van deze beker drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, doordat hij niet onderscheidt het lichaam des Heeren.’ Wanneer hij nu bang is, en hij komt toch aan de tafel, – wat is hij op zichzelf beschouwd? De catechisanten antwoordden dan: ‘albern’.
Kohlbrugge: Juist, ‘albern’, want hij zegt bij zichzelf: ‘Slagen heb ik verdiend; die mij echter roept, is Jezus: Die zegt, dat ik toch komen mag’. Geweten en wet zeggen: ‘Je bent ‘albern’ (strafwaardig), ‘je eet het Avondmaal tot een oordeel’. De ziel waagt het echter, tot de maaltijd waartoe zij genodigd is, te komen, want de Heere Jezus zegt het. –
Vraag: Waarin bestaat de waardigheid, die de Heer Jezus van ons eist? Antwoord: Dat wij onszelf zo beschouwen, als wij zijn, over onze zonden berouw en smart gevoelen, maar al onze hoop op Christus stellen.

Opgemerkt 3: Kohlbrugge verwoorde het (formulier) gebed bij het Avondmaal zo, dat het door een waarachtig geloof ingelijfd worden benadrukt wordt, hij kiest ervoor om juist de volkomenheid van de vereniging met Christus te beklemtonen en onderstreept met de door hem gekozen woorden nog eens de woorden uit het formulier: ‘alzo zullen allen die door het waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn’. Die gemeenschap met Christus wordt iedere keer vernieuwd (beter: opnieuw bevestigd! – AJ) door het Avondmaal.

Bron citaat 1: checkluther-com – Meditatie 9 juli 2021 – Luther Heritage Foundation (Veenendaal)

Bron citaten 2-3: Ecclesia nr 12 – juni 2021 – ‘De Avondmaalspraktijk in de Niederlándsich-Reformierte Gemeinde (IV, slot)‘- door H. Boele, Hendrik-Ido-Ambacht

Bron afbeelding: Simple Living – Creative Learning

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie