Over ‘theologisch geformuleerde/gefundeerde’ opvoedkunde gesproken…

Hoeveel opvoeders in het geloof in Christus u ook zult hebben, u hebt maar één vader. Door Christus Jezus ben ik uw vader geworden, omdat ik u het Evangelie heb gebracht.
( De apostel Paulus tot de Korintiërs in 1 Korintiërs 4 vers 15).

Geciteerd 1: De waarschuwing van Heldring voor een overmatig, misschien moeten we zeggen een ziekelijk zondebesef was gebaseerd op de praktijk. Zowel op Steenbeek als op Talitha en Bethel had hij gezien waartoe lijdelijkheid van de ultra-orthodoxie kon leiden, gezien hoe meer dan één meisje geestelijk misvormd was geworden door hyperorthodoxe ouders die hun kinderen veel te eenzijdige leerstellingen over de uitverkiezing (die in bepaalde kringen als sjibbolet voor rechtzinnigheid gold) hadden bijgebracht. Het ergerlijke hierbij was dat deze ouders soms bovendien hun vrome leer aan een zedeloze levenswandel paarden; meer dan één schokkend voorbeeld wordt gegeven.
Geciteerd 2: De opvoeder – in wie naast wijsheid en liefde een scherp geweten en een helder oog voor onderscheiding van goed en kwaad onontbeerlijk zijn – moet zich steeds bewust blijven van de gebrokenheid van de mens, ook in het hart van het kind. Niettemin is radicale verandering en vernieuwing, in christelijke wedergeboorte, ook bij het kind mogelijk.

Opgemerkt 1: We kunnen bij deze woorden, ook gezien de achtergrond van deze (professionele) opvoeders/opvoedkundigen, toch zeker een vergelijk maken met de Farizeeën en Schriftgeleerden in Jezus dagen. Deze laatsten waren door allerlei soort van gelukkige omstandigheden terecht gekomen in de selecte groep van theologen/pedagogen/volksleiders die met hun theologische kennis neerzagen op ‘de schare die de wet niet kent’, ‘Vervloekt (verdoemt, niet wedergeboren) zijn zij!’. Maar we kunnen lezen dat de Here Jezus juist oog had voor die schare en met ontferming over hen bewogen was en dat Hij zich fel keerde tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën met hun hoogmoedige ‘Joodse theologie’ waarover zij ook in hun geschriften schreven.

Opgemerkt 2: Wij dienen goed te beseffen hoe eenvoudig het Evangelie in haar centrale boodschap is (1) en hoe zij juist door eenvoudigen en zwakken en zondaren begrepen werd en kan en zal worden, tenminste wanneer zij niet voortdurend door indrukwekkende theologen en kerkleiders weersproken en tegen gewerkt wordt. Bedenk dat onze Heer Jezus Christus geen enkele keer gebruik heeft gemaakt – tenzij corrigerend – van de toen beschikbare theologische geschriften – zoals die o.a. beschikbaar waren in de school van Gamaliël – en dat Hij Zijn discipelen ook niet verwezen heeft naar een (door Hem of anderen) aangelegde bibliotheek. En ook de apostelen hebben ons geen bibliotheek aanbevolen of nagelaten, behalve dan de toen al erkende Schriften (‘de Wet en de Profeten’, het Oude Testament) en de door hen geschreven evangeliën en brieven en het boek Handelingen. Daar hadden en hebben onder de leiding en het werk van de heilige Geest de gemeenten (blijkbaar) genoeg aan!

Opgemerkt 3: Wat de voorgangers/theologen in de gemeenten/kerken van de ‘nadere reformatie’ hun leden hebben onthouden is de troost van Zondag 1, zoals die hun met en door hun Doop al bezegeld was. Die mensen moesten op basis van wat ‘overblijfselen van het beeld Gods in den mensch’, die overblijfselen eerst in eigen kracht zien uit te bouwen tot een zodanig ‘gode welgevallig’ leven, dat de in hun gemeenten/kerken dienstdoende theologen (waaronder pedagogen) ‘de eerste kiemen (of meer) van hun wedergeboorte’ konden waarnemen, om dan gebruik te maken van door ‘God gegeven uurtjes’ (en dat was dus als regel buiten de gewone kerkdiensten/samenkomsten om het geval) waarin ‘de grote waarheid der wedergeboorte met klem en kracht verkondigd kan worden’.

Opgemerkt 4: In de kerken van de ‘nadere reformatie’ wordt kinderen en ouderen de troost van Zondag 1 eerst afgenomen en ook het broodnodige deelnemen aan het Avondmaal wordt hen ontzegd. En dan vindt men het vreemd en heeft men er een hoog oordeel over dat er bij die zwakke en zondige en minder gefortuneerde mensen allerlei zonden voortwoekeren en niet weerstaan worden. Zeker weten dat de felle verwijtende en de oordeel aanzeggende woorden van Jezus ook nu dergelijke voorgangers/theologen – die de kleine en zwakke schapen van hun Heer niet werkelijk voeden en weiden maar alleen de vette schapen het groene gras en het heldere water gunnen – even goed en even hard (be)treffen als de Schriftgeleerden en Farizeeën indertijd! (2)

(1) Op de Pinksterdag in Jeruzalem waarbij de heilige Geest werd uitgestort op de discipelen was één preek voldoende om een grote schare tot bekering te brengen en te dopen en Filippus had aan één verkondiging genoeg om de ‘Moorman’ te dopen en hem zijn weg met blijdschap te laten vervolgen, in Filippi hadden de gevangen bewaarder ‘en zijn huis’ genoeg aan de middernachtelijke verkondiging van Paulus en Silas om zich gewillig door hen te laten dopen en zich te voegen bij de daar al aanwezige gemeente en in Korinthe had Paulus zoveel bekeerlingen dat hij daar geen tijd had om al die mensen te dopen. In Athene was een afwijzing van eerst nog tot luisteren bereidwillige wijsgeren voldoende reden voor Paulus om geen verdere pogingen te doen om hen alsnog tot bekering te brengen…
(2) Bedenk dat het toenmalige ‘Godsvolk’ ook heel veel moeite had met deze felle toon en verwijten van onze Heer richting de ‘theologische elite’ van die dagen. IJverden zij niet voor het dienen van God onder het volk door hun onderwijs en voorbeeldig gedrag (ook op de straten en de pleinen) en hadden zij het niet voor elkaar gekregen dat de Romeinse overheden hen gunstig gezind waren. Hielden zij niet het besef levend dat onder de overheersing van de Romeinen en het Grieks wijsgerig denken het Joods verlangen naar het herstel van een onafhankelijk Israël, dat door de komst van de Messias gerealiseerd zou worden, niet mocht verminderen.

Het verbaast me dat u zich zo snel hebt afgewend van hem die u door de genade van Christus heeft geroepen en dat u zich tot een ander evangelie hebt gekeerd. Er is geen ander evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. Wanneer iemand iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel – vervloekt is hij!’ (De apostel Paulus tot de Galaten, aan wie hij het evangelie ‘van Jezus en Die gekruisigd voor ogen geschilderd had’, in Galaten 1 de verzen 8-9).

Zie ook:De kinderen tot Christus leiden…

Bron citaat: Ecclesia (nr 15/16 – juli 2021) – ‘Pedagogiek in de Betuwe (II) – De opvoedkundige ideeën van Ottho Gerhard Heldring en andere opvoeders en opvoedsters van de Heldringgestichten in Zetten)‘ – door dr. O.W. Dublois, Berkenwoude.

Bron afbeelding: DailyVerses-net

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

‘Mijn kind, wees sterk door de genade van Jezus Christus’…

Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij
in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.
’ (Uit Matteüs 18 vers 3)

Worden als de kinderen

Geciteerd: Ze zeggen dat kinderen Gods Woord niet kunnen horen, omdat ze nog niet tot hun verstand zijn gekomen. En als Gods Woord niet gehoord wordt, kan er geen geloof zijn, Romeinen 10:17: ‘Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.
Vertel me eens, is dat christelijk gepraat, om zo naar ons eigen goeddunken over Gods werken te oordelen? De kinderen zijn nog niet tot verstand gekomen en daarom kunnen ze niet geloven? En wat nu als jij door dit verstand het geloof zou kwijtraken en de kinderen door hun gebrek aan verstand tot geloof zouden komen?
Vertel eens, wat voor goeds doet het verstand voor het geloof en Gods Woord? Is het niet het verstand dat het geloof en Gods Woord het meeste weerstaat, zodat niemand door het verstand tot geloof kan komen of Gods Woord wil verdragen, tenzij eerst het verstand verblind en bespot wordt?
De mens moet aan het verstand afsterven en als een dwaas worden, ja, hij moet zo onverstandig en dwaas worden als een klein kind, wil hij gelovig kunnen worden en Gods genade ontvangen, zoals Christus in Mattheüs 18:3 zegt: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.’ Hoe vaak houdt Christus ons niet voor dat we kinderen en dwazen moeten worden en veroordeelt Hij het verstand!
Maarten Luther: WA 17.II, 84-85

Opgemerkt 1: Begrijpen we nu waarom Maarten Luther geen dikke theologische/dogmatische boeken (zoals de Institutie van Johannes Calvijn) heeft willen schrijven en waarom de Augsburgse Confessie, die hij opstelde in samenwerking met Philipp Melanchton meer gericht was op het bewerken en bewaren van de eenheid met de Rooms Katholieke kerk van die dagen, dan dat daarmee eens en voorgoed de nieuwe (?) leer moest worden vastgelegd en gewaarborgd in de (nieuwe) kerken.
Eenvoudige, betrouwbare verkondiging van Gods Woord in de taal van de hoorders en de Bijbel weer in de gezinnen, dát zag Luther als middel om de heilige Geest Zijn werk te kunnen laten doen in de harten van de gelovigen. En die wens om Gods Woord zo te mogen verkondigen en zo te mogen horen, die werd aangewakkerd door het optreden en werk van Maarten Luther en dat ook mee door zijn geschriften, die overal in Europa gretig aftrek vonden en drukkers reden gaven om zijn werk ijverig te vermenigvuldigen.
De jonge Calvijn heeft dat begonnen werk van de Geest willen bespoedigen door het schrijven van zijn werk “Institutie’. Maar dat was jeugdige zelfoverschatting! Dit werk was mee een belangrijke oorzaak dat er binnen de Reformatie door dit werk ‘wijs’ geworden (felle) calvinisten het werk van de Geest ter hand namen en daarmee veroorzaakten dat zowel Rooms Katholieke als Duits/Lutherse mensen een afkeer ontwikkelden tegen de reformatorische gehaaste ‘vernieuwingslust’ en bepaalde (snel) door te voeren reformatorische vernieuwingen (kerken zonder beelden bijvoorbeeld) en dat vanwege het optreden van (bepaalde leiders van) deze ‘groepering(en)’ en zich keerden tegen het werk van de (zeker!) nodige doorgaande reformatie van de kerken in Europa.

Opgemerkt 2: Toch moeten we dit niet zozeer vooral Johannes Calvijn zelf kwalijk nemen. Het zou wel beter (meer naar Gods Woord) geweest zijn wanneer hij zijn praktische inzichten (o.a. de kerkenraad als ‘hoogste orgaan’* binnen de gemeenten/kerken) eerst als voorganger in praktijk had gebracht (dus zonder eerdere publicatie van zijn ‘alomvattende’ Institutie, want dat boek kwam veel te veel tegemoet aan de intellectuele behoeften en bevrediging daarvan bij de ‘leidinggevenden’ – en de mogelijkheden die zo’n ‘alomvattend’ theologisch werk geeft om je daarmee boven anderen te verheffen in plaats van er werkelijk dienstbaar mee te willen en kunnen zijn! – en, zoals Luther in dit citaat hierboven aangeeft, is dat ‘verstandswerk’ eerder een bron van hoogmoed en ‘opgeblazenheid’ dan dat het de onderlinge liefde bevordert. Dat laat de kerkgeschiedenis in diverse verwikkelingen binnen de reformatie-welgezinde kerken al heel kort na de reformatie ons (helaas!) wel zien…

* En dat ‘hoogste orgaan’ moet zelf ook niet hiërarchisch geïnterpreteerd worden! Alleen Gods Woord – en het door Gods Woord gevormde geweten – dient daar te worden gevolgd.

BijMijn kind wees sterk…’ Zie 2 Timoteüs 2 de verzen 1-13.

Bron citaat: checkluther-com – Citaat Zondag 1 augustus 2021 – Luther Heritage Foundation (Veenendaal)

Kennis maakt opgeblazen, maar liefde sticht. Indien iemand zich inbeeldt enige kennis verworven te hebben, dan heeft hij nog niet leren kennen, zoals het behoort.‘ (Uit 1 Korintiërs 8 de verzen 1-2)

Bron afbeelding: Closer Day By Day

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

De kinderen tot Christus leiden…

Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn,” maar jullie maken er een rovershol van! Toen kwamen er in de tempel blinden en verlamden naar Hem toe, en Hij genas hen. De hogepriesters en de Schriftgeleerden zagen welke wonderen Hij verrichtte en hoorden de kinderen in de tempel “Hosanna voor de Zoon van David” roepen, en ze waren hoogst verontwaardigd. Ze gingen Hem vragen: “Hoort u wat ze zeggen?: En Jezus antwoordde hun: “Jazeker! Hebt u dan nooit gelezen: Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt U zich een loflied laten zingen”? Zo liet Hij hen staan, en Hij ging de stad uit naar Bethanië, waar Hij de nacht doorbracht.‘ (Uit Matteüs 21 de verzen 14-17)

Geciteerd: Maar eenstemmig was de idee dat alle pedagogiek (dus alle opvoeding – AJ), al het christelijk onderwijs, de ziel van het kind moet leiden tot Christus.

Opgemerkt 1: Kinderen die in de gemeente van Jezus Christus ontvangen en geboren worden krijgen bij de Doop samen met de ouders en gemeente te horen en te zien dat ook dit kind (al) door God de Vader in Christus is aangenomen en onder Zijn hoede en dus onder het werk van de heilige Geest is gesteld, namelijk zoals Hij met het Woord in de gemeente en dus ook in de gezinnen met hun kinderen nieuw leven wekkend (wederbarend) aan het werk is bij/in ieder van hen.

Opgemerkt 2: De ouders (en andere opvoeders) zullen zich dus afvragen of zij dit met woord en daad beleden hebben, namelijk dat hun kinderen in de gemeente en bij hen thuis onder dit wederbarende werk van de Geest geplaatst zijn en leven en of zij hen die heerlijke plaats in de kudde van Jezus Christus door het geloof ook steeds gegund en daadwerkelijk gegeven hebben.

Opgemerkt 3: Er is geen heerlijker en vrijer leven dan het samenleven in de vrijheid waar Christus ons als gemeente gesteld heeft. We hoeven helemaal geen onderzoek te doen naar de ‘genade-staat’ van onszelf en onze kinderen, maar we mogen elke dag leven als Gods kinderen, die weten dat onze Drie-enige God met Vaderlijke ontferming over ons/hen bewogen is. Dat is niet alleen thuis het geval, maar natuurlijk ook in de samenkomsten van de gemeente en op school en in het maatschappelijk leven.

Opgemerkt 4: Het enige wat we dus te doen hebben gekregen, dat is leven als dankbare kinderen van God. En dat doen we door persoonlijk en in de gezinnen ook steeds weer met elkaar de dag te beginnen met lof- en dankzegging, met Bijbellezen en gebed en door het bijwonen van de samenkomsten van de gemeente op zondag met daarbij ook het gelovig gebruik van de Sacramenten.

Opgemerkt 5: Wanneer we zo leven, dan ontdekken niet de ouders of andere opvoeders (door hun (Bijbelse)opvoedkunde), maar dan ontdekt de heilige Geest ‘gaandeweg’ de kinderen aan hun zonden en gebreken. Dat we daarvan op aan kunnen dat weten we uit Gods Woord. Wanneer de kinderen met de ouders de Psalmen meebidden (door ze aan tafel aan te horen of te lezen), dan leren ze al om te vragen om aan hun zonden ontdekt te worden (Psalm 19 en 139 bijv.), en zij zullen dat hun leven lang mogen doen – net als ook hun ouders en andere opvoeders dat hun leven lang hebben te doen. Ouders en opvoeders hebben dus maar een heel beperkte taak, die vooral bestaat uit het de kinderen voorgaan in het geloof, en dat door zelf uit het geloof te leven.

Opgemerkt slot: Christen-ouders hebben dus (!) geen boeken over opvoedkunde en/of een pedagogische opleiding of opleiders nodig, maar zij mogen iedere dag bidden om hulp en wijsheid van de heilige Geest om als liefhebbende ouders en kinderen te leven met God en met elkaar. Zo kinderlijk eenvoudig heeft God het voor ons gemaakt en wil Hij het ook elke dag weer voor ons weer laten zijn!
Maar wat heeft het toch veel aan die van God geschonken eenvoud ontbroken en heeft men het zicht daarop verduisterd door allerlei mensenwijsheid hoger te achten dan het eenvoudige onderwijs van Gods Woord!

Leestip: De (lopende) serie meditaties in Ecclesia ‘Toch een goed verhaal‘ van drs. H.J. Lam, Werkendam.

NB. Lees ook mijn antwoorden n.a.v. reacties op dit bericht: reactie (I), reactie (II) en (III)

Bron citaat: Ecclesia (nr 15/16 – juli 2021) – ‘Pedagogiek in de Betuwe (II) – De opvoedkundige ideeën van Ottho Gerhard Heldring en andere opvoeders en opvoedsters van de Heldringgestichten in Zetten)‘ – door dr. O.W. Dublois, Berkenwoude.

Kinderen, ik schrijf u dus dat u de Vader kent. Ouderen, u schrijf ik: u kent Hem die er is vanaf het begin. Jongeren, u schrijf ik want u bent sterk*, het Woord van God blijft in u, en u hebt het kwaad overwonnen.*‘ (Uit 1 Johannes 2 vers 14)
* Zie 1 Johannes 2 vers 27 en in Christus is en hebben ook zij/wij de boze overwonnen.

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on Jesus loves me!)

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

De rechtszaak tegen Jezus…

Wee jullie, Schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie bouwen grafmonumenten voor de profeten en versieren de graven van de rechtvaardigen, en jullie zeggen: “Als wij geleefd hadden in de tijd van onze voorouders, zouden wij ons niet zoals zij schuldig hebben gemaakt aan de moord op de profeten.” Daarmee erkennen jullie zelf dat jullie kinderen zijn van hen die de profeten vermoord hebben. Maak de maat van jullie voorouders maar vol! Slangen zijn jullie, adderengebroed, hoe denken jullie te ontkomen aan een veroordeling tot de Gehenna?‘ (Uit Matteüs 23 de verzen 29-33)

Geciteerd 1: Een duidelijk voorbeeld van de huichelarij – waar Jezus op doelde en voor waarschuwde (1) – vinden we in het proces tegen Jezus. De Joodse leiders lieten daar zelf valse getuigen optreden, dwars tegen Gods gebod in, maar wel in de overtuiging dat ze God dienden. Alleen het feit dat er geen twee getuigen waren die exact dezelfde verklaringen aflegden, verhinderde dat Jezus op grond van hún valse aanklachten werd veroordeeld.

Het Sanhedrin vormde de hoogste Joodse rechtbank. Toch liet men zonder gewetensbezwaar valse getuigen optreden. Die valse getuigen waren vooraf al door de Joodse leiders gerekruteerd. Want waar haal je ze anders midden in de nacht zo gauw vandaan! Waarom kon men zonder gewetensbezwaar van valse getuigen gebruik maken? Omdat men zo in overeenstemming bleef met de rabbijnse regels met bepalingen tot valse profeten, volksverleiders en afvalpredikers. Volgens deze regels werden zulke figuren buiten de normale rechtsregels geplaatst. Het optreden tegen over hen was dus niet aan normale rechtsregels gebonden. De enige regel die ten aanzien van hen gold, was: hen te pakken krijgen en uitschakelen en onschadelijk maken.

Jezus was voor de Joodse leiders zo’n figuur. Hij moest en zou veroordeeld worden. De manier waarop deed er niet (meer) toe, want het doel heiligde de middelen. Daarom werden er t.a.v. hem allerlei rechtsregels opzij geschoven (bijv. het verbod om ’s nachts te vergaderen en het verbod om een proces op een en dezelfde dag te beginnen en af te sluiten) en kon men zonder gewetensbezwaar valse getuigen laten optreden. Door dat te doen schond men voor eigen besef de eigen rechtsorde niet. Men hield zich aan de officiële regels die zeiden dat ketters rechteloos waren. De huichelachtigheid daarvan ligt dus niet in een gebrek aan subjectieve eerlijkheid, maar in een algemene praktijk die Gods gebod uitschakelt (en waarbij men zich toch ‘gedekt’ voelt/weet – AJ).

Helaas heeft in de kerkgeschiedenis de huichelarij van het Sanhedrin maar al te vaak school gemaakt. Een heel bekend voorbeeld ervan is de geschiedenis van Johannes Hus, de Praagse reformator. Toen hij in 1414 met vrijgeleide van koning Sigismund in Konstanz aankwam om zich voor het concilie te verantwoorden, werd hij prompt gevangen genomen en ter dood gebracht – na een schijnproces. (2) Men had de koning er namelijk van overtuigd, dat hij een belofte die hij aan een ketter gegeven had, niet hoefde te houden.

Zo is de kerkgeschiedenis vol voorbeelden van grote en kleine kerkelijke vergaderingen die zonder problemen de normale rechtsregels en vaak zelfs de meest elementaire Bijbelse gegevens aan de kant schuiven om een tegenstander (een al of niet vermeende ketter) klein te krijgen. In een dergelijke sfeer krijgt ook het vals getuigenis volop zijn kans. En waar laster en leugen en de onbetrouwbaarheid en het struikelen van het recht om zich heen grijpen, gaat het ware leven dood en wordt het verstikt. Dat is geen wonder, want het is de sfeer van de hel. Dergelijke praktijken zijn afkomstig van de duivel. Hij is immers een leugenaar, de vader van alle leugens. Als hij liegt spreekt hij naar zijn aard. Hij is een mensen- (en huwelijks-) moorder van den beginne (zie Genesis 3 vers 12, Johannes 8 vers 44). Leugen leidt tot moord. Waar de leugen heerst en het leven stempelt, worden mensen gewurgd. Daar stikken ze. Daar valt geen adem meer te halen, vaak in de letterlijke zin van het woord.*

* Verbanning, brandstapel, strop, executie.

(1) Geciteerd 2: Deze vorm van huichelarij is alleen te ontdekken in het licht van de Schrift. Het is een typische kerkzonde. Alleen in de kerk komt het voor dat de naaste veroordeeld en uitgerangeerd wordt als gevolg van de vroomheid van zijn verdrukkers. Paulus sleepte de gelovigen uit hun huizen, mishandelde hen, gooide hen in de gevangenis en getuigde tegen hen, niet omdat hij zo’n doortrapt karakter had of een sadist was, maar omdat hij zo serieus en vroom was. Iemand kan met heel z’n bestaan en optreden dwars tegen God in liegen en tegen Zijn waarheid ingaan, terwijl zo iemand er van overtuigd is God – en vooral ook het ‘Godsvolk’ – een dienst te bewijzen. (Zie ook Johannes 11 de verzen 49-50)

(2) Geciteerd 3: In 1409 werd Hus geëxcommuniceerd door aartsbisschop Zbynek van Praag, maar ingrijpender was het Grote Anathema dat (tegen)paus Johannes XXIII in 1412 uitsprak. Het Anathema was in feite een dwingende banvloek. Onder dreiging van excommunicatie werden bewoners van Praag en omstreken opgedragen om Hus overal te mijden, in openbare en besloten plekken, hem vlees en drinken te onthouden, niets van hem te kopen of aan hem te verkopen, hem alle gastvrijheid te weigeren.
Het enige dat het Grote Anathema niet kon afdwingen was gevangenneming – iets dat koning Wenceslaus ook pertinent weigerde. Maar onder de omstandigheden kon Hus weinig anders doen dan Praag verlaten. Hij bleef prediken en kwam ook geregeld voor korte verblijven terug naar Praag. Maar de situatie moest op een hoger niveau worden uitgespeeld. De gelegenheid werd Hus aangereikt door Wenceslaus’ broer Sigismund, Rooms koning en keizer van het Duitse Rijk, die Hus een vrijgeleide – de salvus conductus – beloofde als hij zou getuigen voor het Concilie van Konstanz.
Keizer Sigismund greep niet in toen het Concilie Jan Hus tot dood op de brandstapel veroordeelde – een vonnis dat op 6 juli 1415 werd voltrokken.

Bron citaat 1+2: Gij geheel anders – Bijbelse richtlijnen voor een Christelijk leven‘ – M.R. van den Berg (Tweede druk, 1982, Buijten en Schipperheijn – Amsterdam)
De citaten zijn uit hoofdstuk 12 ‘Gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste‘ en daarvan geheel paragraaf e (geciteerd 1) en het slot van d (geciteerd 2).

Bron citaat 3: Wikipedia

Het is een blijk van genade als iemand, doordat zijn aandacht op God gericht is, in staat is onverdiend leed te verdragen. ‘ (Uit 1 Petrus 2 vers 19)

Bron afbeelding: Michelle Lesley – Living Stones

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Dietrich Bonhoeffer: Over kruisdragen gesproken…

Genade vóór het gericht…

Uit Navolging: Over ons kruisdragen (N.a.v. Markus 8 : 31-38)
Zo wordt de christen tot drager van zonde en schuld voor andere mensen. Hij zou daaronder bezwijken, wanneer hij  niet zelf gedragen werd door Hem die alle zonden droeg. Zo echter kan hij in de kracht van het lijden van Christus de zonden die op hem neerkomen, overwinnen, doordat hij ze vergeeft. De christen wordt tot lastdrager: ‘Draagt elkanders lasten; zo zult gij de wet van Christus vervullen’ (Galaten 6 vers 2).
Zoals Christus onze last draagt, zo moeten wij de last van de broeders dragen; de wet van Christus, die vervuld moet worden, is het kruisdragen. De last van de broeder die ik te dragen heb, is niet alleen zijn uiterlijk lot, zijn ka­rakter en aanleg, maar is in de meest eigenlijke zin zijn zonde. Ik kan die niet anders dragen dan doordat ik hem die vergeef, in de kracht van het kruis van Christus, die ik deelachtig ben geworden. 
Zo plaatst de oproep van Jezus tot kruisdragen elke volgeling in de gemeenschap van de zonden-vergeving. Zonden-vergeving is het lijden van Christus, dat ons bevolen wordt. Het is ieder christen opgelegd. Hoe zal de discipel echter weten, wat zijn kruis is? Hij zal het ont­vangen, wanneer hij komt tot de navolging van de lijdende Heer, hij zal in de gemeenschap met Jezus zijn kruis leren kennen.

Uit Navolging: Over elkaar oordelen (N.a.v. Matteüs 7 : 1-12)
Bij het oordelen treden we de ander tegemoet in een observeren en overdenken dat afstand schept. De liefde laat echter daartoe geen ruimte en geen tijd. De ander kan voor wie liefheeft nooit voorwerp van beschouwend toekijken zijn, maar hij is te allen tijde de levende aanspraak op mijn liefde en mijn dienst.

Uit “Gemeenschapsleven”
Is ook niet daar waar zonde en misverstand het gemeenschapsleven moeilijk maken, de zondige broeder toch altijd nog de broeder met wie ik gemeenschappelijk onder het Woord van Christus sta? En is zijn zonde voor mij niet telkens een nieuwe aanleiding ervoor te danken, dat wij samen onder de ene, vergevende liefde van God in Jezus Christus leven mogen? Wordt op deze manier niet juist het moment van grote teleurstelling in de broeder ontzaglijk heilzaam voor mijzelf, omdat het mij grondig leert, dat wij beiden toch nooit van eigen woorden en daden kunnen leven, maar alleen van het ene Woord en de ene Daad, die ons waarachtig verenigt: namelijk van de vergeving van de zonden in Jezus Christus?

Uit “De broeder” (N.a.v. Matteüs 5 : 21-26)
Het is nog tijd van de genade, want er is ons nog een broeder ge­geven, nog zijn wij ‘met hem op weg’. Vóór ons staat het gericht. Nog kunnen wij de broeder ter wille zijn, nog kunnen wij de schuld betalen aan hem, wiens schuldenaar wij geworden zijn. Maar het uur komt, dat wij zullen vervallen aan de rechter. Dan is het te laat, dan gelden recht en straf tot de laatste schuld betaald is. Begrijpen we het, dat voor de discipelen van Jezus de broeder niet tot wet, maar tot genade gemaakt is? Het is genade, de broeder ter wille te mogen zijn, hem recht te doen wedervaren, het is genade, dat wij ons met de broeder kunnen verzoenen. De broeder is onze genade voor het ge­richt.

Bron afbeelding: Plough Publishing House

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Wat ‘evangelisten’ niet al bereiken kunnen*… (II)

* Met hun ‘ervarings-evangelie/theologie’…

Geciteerd 1: (…) Door de grote afstand zien ze plotseling hoe alles hier beneden een geheel vormt. Geen boom, geen mens, geen wolk staat op zichzelf. Dat diepe besef van de aardse verwevenheid maakt dat veel ruimtevaarders zich bij terugkomst van hun missie gaan inzetten voor het behoud en de versterking van ons ecosysteem.
Branson zegt met zijn plannen voor ruimtetoerisme zo veel mogelijk mensen die ervaring te willen bieden. Maar het is zeer de vraag of vier minuten zweven op tachtig kilometer hoogte een overzichtseffect oplevert. Onderzoek naar het effect wijst uit dat een enkele keer kijken niet genoeg is voor een langdurige impact. Bovendien speelt niet alleen het uitzicht een rol, maar ook de grote afstand en de complete afzondering. Dat ligt dus wat genuanceerder dan Branson het doet voorkomen.

Geciteerd 2: Ook Bezos en Musk framen hun plannen graag als filantropische ondernemingen. Ze weten donders goed dat ruimtevaart drijft op grote verhalen. Raketbrandstof is een mengeling van kerosine en mythevorming, schreef de Deense godsdienstwetenschapper Thore Bjørnvig. Het is aan ons om die verhalen door te prikken, te zien wat er overblijft als de lucht is ontsnapt.

Opgemerkt 1: De overeenkomst van ambities en doelen van Amerikaanse ‘evangelisten’ met wat deze ‘ruimte-evangelisten’ zich voor ogen stellen en ook zelf ervaren hebben is treffend. En ook de hier gegeven ‘broodnodige’ relativering er van!

Opgemerkt 2: Omdat God geen roem aan mensen geeft/laat – dat kunnen mensen echt niet aan, zowel de ‘helden’ als ook hun ‘volgelingen’ niet! – waren de apostelen mensen die zo’n beetje ‘de laagste plaats kregen toegewezen’ in de gemeenten, terwijl anderen al bezig waren om zich daar als ‘koningen’ te doen gelden en vereren (zie het leerzame 1 Korintiërs 4!).

Opgemerkt 2: We mogen God wel op onze knieën danken dat Hij Paulus geen succes gaf met zijn rede/verkondiging in Athene! Stel je voor dat hij daar een grote aanhang had gekregen, mee onder de wijsgeren… Wat een verkeerd beeld van de kracht van en de zegen op Paulus verkondiging hadden we dan gekregen. En zelfs ondanks dat wisten en weten latere gelovigen zich tot ‘koningen’ te maken en durven ze hun succes (o.a. zichtbaar in de groei van hun aanhangers en groei van gemeenten) toe te schrijven aan ‘hun aanpak’ en vormen ze daarmee een geduchte concurrent van het ‘gewone kerkelijk leven’ – dat is het gewone samenleven in en van gemeenten, van mensen/gemeenten/kerken dus die zich door het geloof met elkaar verbonden weten en daarom ook geen concurrentieslag met elkaar aangaan.

NB. Onder ‘ervarings-evangelie/theologie’ schaar ik ook de opvatting van mensen die menen dat gemeenten geleid dienen te worden met ‘managers-skills’ (denk o.a. aan Bill Hybels ‘missie’).

Aanvullend: Ons geloof heeft de regelmaat nodig van Bijbellezen en gebed en kerkgang. Dat is en wordt ook onderuit gehaald door mannendagen en -weekenden, conferenties, EO-jongerendagen en godsdienstige jeugdkampen. In het verleden kregen kerkenraden te maken – zelfs in de jaren zeventig al hadden kerkenraden én gemeenten, ook in onze gemeente van Rijswijk, daar al last mee/van! – met op dergelijke dagen/weekenden ‘opgeladen’ jongeren die de gemeente graag wilde komen vertellen hoe ze het – in hun ogen ingezonken – gemeenteleven een oppepper konden geven. Ze mochten indertijd op een gemeente vergadering komen ‘stoom afblazen’. Mijn ouders hielpen ons kinderen om door zulke ‘opgeblazenheid’ heen te kijken!

Bron citaat: deStandaard (via Blendle) – ‘De ruimte is te belangrijk om aan cowboys over te laten‘ – door Marjolein Heemstra

Zie ook: Wat ‘evangelisten’ niet al bereiken kunnen… (I)

Bron afbeelding: Rob Speight’s BlogWillow Creek’s Leadership Strategy

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Wat ‘evangelisten’ niet al bereiken kunnen*… (I)

* ‘The universe is the limit’…

Geciteerd: Het zijn mannen die meer gemeen hebben dan hun kleur, levensfase en torenhoge ambitie. Als jongetjes lazen ze grotendeels dezelfde sciencefictionboeken. Als jongemannen waren ze stuk voor stuk buitenbeentjes; ze zijn geobsedeerd door raketten en willen, boven alles, winnen. Met miljoenen fans, miljarden dollars om te investeren en deals met grote ruimtevaartorganisaties zijn ze inmiddels beeldbepalend voor de ruimtevaart. (1)
Mij doen ze denken aan de Amerikaanse evangelisten die ooit de kolonisten op pad stuurden om zich met Gods zegen het land van een ander toe te eigenen. Het zit hem in de nadruk op een uitverkoren volk, op een nieuwe wereld waarin we verlossing zullen vinden. Toen waren het prairies, nu zijn het planeten.

Geciteerd 2: Hun taalgebruik verraadt een wereldbeeld. De ruimte noemen ze een ‘frontier’, een plek om te ‘koloniseren’, zoals ooit het Wilde Westen. Steeds als ik dat lees, struikel ik erover. Koloniseren. Alsof dat woord niet zucht onder de last van het verleden. Als onze taal bepaalt hoe we naar de wereld, en dus ook naar de ruimte kijken, moeten we zorgvuldig zijn met onze woorden. Waarom niet ‘bezoeken’ in plaats van ‘koloniseren’? Ook voor frontier is vast een minder beladen term te vinden. Mijn voorstel: the unknown, maar ik vermoed dat die term te nederig stemt.

Opgemerkt: Wat er waar is van ‘Amerikaanse evangelisten’ die kolonisten voor zich uit stuurden om land te veroveren, daar wil ik het hier niet over hebben, maar dat na de kolonisatie (Beter: verovering?) van Amerika, Amerikaanse evangelisten landen en werelddelen probeerden te ‘herkoloniseren’ dat staat buiten kijf. Billy Graham’s bezoeken aan Nederland geven daar een voorbeeld van, maar we kunnen ook denken aan Amerikaanse ‘evangelisten’ als Bill Hybels, Rick Warren en ook een John Piper, Tim Keller…

(1) De ruimte mag niet de speeltuin van de interplanetaire adel worden, schrijft Marjolijn van Heemstra. Er zijn regels nodig.

Bron citaat: deStandaard (via Blendle) – ‘De ruimte is te belangrijk om aan cowboys over te laten‘ – door Marjolein Heemstra

Bron afbeelding: Twitter (ruimtevaart hashtag)

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Toch een voetstuk nodig…

Geciteerd: Lieve God, U maakt het al te grof. Doe het toch netjes en zet de kinderen, die kleine dwazen, niet zo op een voetstuk! Waar hebt U dat bevolen en geleerd, dat een dwaas kindje de voorkeur krijgt boven een wijs iemand? Hoe kan onze Heere God met Zijn oordeel en Zijn gerechtigheid bestaan, die Paulus zozeer prijst: ‘Gods gerechtigheid, Gods gerechtigheid’? Is dat gerechtigheid, dat U de verstandigen verwerpt en de dwazen aanneemt? Wat hier staat, betekent: ‘Geloof Gods Woord en geef je gevangen!’ Onze Heere God heeft zuiverder gedachten dan wij mensen. Hij moet ons daarom bevrijden van grove zonden (…). Hij moet grove takken en spanen van ons weghakken, voordat hij zulke kinderen en dwazen van ons maakt.

Opgemerkt: God plaatst de kinderen en eenvoudigen (zwakken) in de gemeente op een ‘voetstuk’ en wel om hen op ooghoogte van ons (de bedoelde ‘wijzen en verstandigen’*) te brengen, zodat we hen voluit als broeders en zusters zullen zien en aanvaarden, en zelfs als degenen die ons voorgaan in het geloof!

* Die bukken niet gauw/graag naar een ander, laat staan dat ze hen de voeten wassen…

NB. Denk hierbij niet alleen aan de jonge kinderen uit Psalm 8 en Matteüs 21 de verzen 15-17, maar ook aan de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus en aan Paulus woorden in 1 Korintiërs 12 de verzen 23-27 en die van Jakobus in 2 de verzen 5-13 en 4 de verzen 5-12 en 5 de verzen 1-6.

Bron citaat: checkluther-com – Meditatie/citaat van 17 juli 2021 – Luther Heritage Foundation (Veenendaal)

Bron afbeelding: EO Visie (Bijbelstudie over hoe kinderen Gods eer vertellen)

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Dopen in een zondige wereld en kerk…

Geciteerd 1: De stroming van de donatisten stelde in de vierde eeuw dat de geldigheid van de doop afhangt van de persoon die het sacrament bedient.* Augustinus keerde zich tegen deze visie: „De wettigheid van de doop hangt niet af van de bedienaar ervan, maar van de instelling van Christus. De heiligheid van de doop wordt niet door de onheiligheid van de dienaar te niet gedaan, want de mens doopt niet, maar Christus doopt.”

Geciteerd 2: Dit bleef de gangbare visie vanaf de middeleeuwen. De reformatoren Luther en Calvijn erkenden dan ook de doop van alle kerken, ook van de Rooms-Katholieke Kerk. Calvijn schrijft in zijn Institutie (Boek 4, hoofdstuk 15.16) dat de waarde van het sacrament niet afgemeten moet worden aan de hand van hem door wie het bediend wordt. „Zoals het er bij een brief die mensen aan elkaar sturen in het geheel niet toe doet wat voor man de bezorger van de brief is, als men het handschrift en het zegel maar voldoende herkent, zo moet het voor ons voldoende zijn de hand en het zegel van onze Heere in Zijn sacramenten te herkennen, wie het dan ook is die ze tot ons brengt.”

Geciteerd 3: Even verderop (Boek 4, hoofdstuk 15.21-22) noemt Calvijn de doop door een vrouw wel een „zonde”, omdat „hierbij een door Christus gegeven regel geschonden is.” Vrouwen mogen zich in de gemeente niet „de positie van een man” aanmeten en leidinggeven, aldus de Geneefse reformator.

Opgemerkt 1: We kunnen beslist stellen dat de bedienaren van de Doop in de Rooms-Katholieke kerk, en in heel wat andere ‘kerk’-gemeenschappen ook, zich niet langs de in en door Gods Woord gewezen weg een positie als bedienaars van het Woord en de Sacramenten hebben verworven (en zich daarin laten gelden en betalen) en dat die positie daarom ook beslist als ‘zondig’ – tegen Gods bedoeling in – moet (!) worden gekenmerkt. We kunnen daarbij toch moeilijk gaan beweren dat als het maar een man is geweest, dat het dan niet uitmaakt. Laten we de regel „Zoals het er bij een brief die mensen aan elkaar sturen in het geheel niet toe doet wat voor man (iemand!) de bezorger van de brief is, als men het handschrift en het zegel maar voldoende herkent, zo moet het voor ons voldoende zijn de hand en het zegel van onze Heere in Zijn sacramenten te herkennen, wie het dan ook is die ze tot ons brengt.” dus maar gewoon volgen en handhaven.

* Het zal dus kunnen gebeuren dat naderhand blijkt dat die ‘waardige persoon/man’ helemaal niet waardig was om de Doop te bedienen… Dan zou een gemeente zomaar met een ongeldige Doop hebben rondgelopen of rondlopen. Onzekerheid troef dus, hoe ‘geweldig’ een voorganger ook mag lijken, wij mensen weten toch maar nooit door welke diep-geheime motieven zo’n man (of vrouw) werd of wordt bewogen. De kerkgeschiedenis (ook recent) geeft er genoeg voorbeelden van…

Opgemerkt 2: Ik las eens dat een baptisten voorganger meende – al durfde hij z’n hand niet voor iedereen in het vuur te steken – dat het merendeel van de leden van de baptisten-gemeenten zich als ‘wedergeboren mensen’ hadden laten dopen en dat dankzij de verkondiging en het pastoraat in zo’n baptisten-gemeente. Uit die woorden blijkt dus al duidelijk hoe feilbaar ons menselijk oordelen is en niet voor niets waarschuwde onze Heer ons al voor dat oordelen (over anderen) en Paulus mocht het ook nog eens heel duidelijk onder woorden brengen namens onze Heer. In feite speelt dat in beide brieven aan de Korintiërs voortdurend een rol en het wordt heel expliciet onder woorden gebracht in 1 Korintiërs 4.

Slot:Maar nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder toezicht – alsof de geschreven letters in de Wet (Torah) onze Meester (Pedagoog) Zelf zijn*want door het geloof en in Christus Jezus bent u allen kinderen van God. U allen die door de Doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed. Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus. En omdat u Christus toebehoort, bent u nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte.‘ (Uit Galaten 3 de verzen 25-29, zie ook Handelingen 2 de verzen 37-42).
* Hij wil en laat Zich wel bedienen door het onderwijs in de Torah en heel de Schrift en ook door de Sacramenten!

Bron citaten: RD Kerk & religie – ‘GGiN onderzoeken geldigheid doop door vrouw‘ – door Maarten Stolk

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Prediker – Eén lot treft allen…

‘…de wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis; maar ik bemerkte ook, dat één lot hen allen treft, en ik zei bij mijzelf: Wat een dwaas wedervaart, overkomt ook mij: waartoe ben ik dan zo uitermate wijs geweest. Toen sprak ik bij mijzelf, dat ook dit ijdelheid is.‘ (Uit Prediker 2 de verzen 14-15)

Geciteerd: De gedachte van de gemeenschappelijkheid van het ijdele leven vinden we in Prediker bij herhaling, telkens in ander verband en andere nuancering. In 2 vers 14b wordt deze gemeenschappelijkheid opgevat als fataal voor de waarde en het voordeel van de wijsheid. Het is wel waar dat de wijze ogen in zijn hoofd heeft en dat de dwaas in verblinding en duisternis zijn levenswandel volbrengt, maar – en nu komt de tweede afwijzer even in de lijn van de eerste, de man van het grootse experiment – wat koop ik daarvoor?

De tweede wijze ontkent zeer nadrukkelijk, dat wijsheid het leven schenkt. Wellicht komt hij in de loop van de discussie tot een andere mening; dat weten we niet met zekerheid. Zijn waardering voor de wijsheid en zijn erkenning van haar voordeel worden wel zeer bedenkelijk, als we hem horen zeggen: ‘Maar ik merkte op, dat één lot hen allen treft, en ik zei bij mijzelf’ – hier neemt de reflectie een verkeerde wending – ‘Wat de dwaas overkomt, overkomt ook mij.’ (1)

En bepaald dwaas (goddeloos) in de ware zin, zoals we die leren kennen in de wijsheidsboeken, klinkt zijn conclusie: ‘Waartoe ben ik dan zo uitermate wijs geweest?‘ Hier komt de afwijzer duidelijk als afwijzer van het leven en de levenswijsheid openbaar. Wel wandelt de wijze in het licht en de dwaas in de duisternis, maar dat levert niets op, omdat één en hetzelfde lot hen allen treft.

De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat de conclusie van de tweede afwijzer in vers 15b het einde van de rede betekent. In dat geval zijn de woorden ‘Toen sprak ik bij mijzelf dat ook dit ijdelheid is‘ een afsluiting en moeten we aannemen, dat met vers 16 een andere spreker het woord neemt, mogelijk dezelfde die 1 vers 11 heeft gezegd. We laten uiteraard deze vraag onbeslist.
Onze opvatting dat 2 vers 12-23 een geheel is, dat door één spreker gezegd zal zijn, is voor bestrijding vatbaar, en we houden ons dan ook aan onze opvatting met erkenning van haar niet bepaalde graad van onzekerheid.

Het behoort tot de aard van het uit de Schrift gevoede geweten, dat het doet erkennen: wij weten veel niét, wellicht weten we méér niet dan wèl. De erkenning van en het inzicht in het niet-weten is een kostbare zaak. Meer dan één theologie is dodelijk gestruikeld door gemis van deze erkenning en dit inzicht, Maar de conclusie van de tweede afwijzer gaat veel te ver: hij concludeert uit de beperktheid van zijn gezichtseinder – zelf heeft hij grotendeels die einder zo beperkt gemáákt – tot bekrompenheid van wereld en menszijn. Hij stelt ons de voor hem retorische vraag: is wijsheid niet ook een ijdele zaak?

(Wordt vervolgd!)

Toen mijn hart verbitterd was,
En ik in mijn nieren geprikkeld werd,
toen was ik een grote dwaas en zonder verstand,
ik was een redeloos dier bij U.
Nochtans zal ik bestendig bij U zijn,
Gij hebt mij bij de rechterhand gevat;
Gij zult mij leiden door Uw raad,
en daarna mijn in heerlijkheid opnemen
.
(Uit Psalm 73 de verzen 21-24)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: SlidePlayer (True devotion)










Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen