Toen het bewijsstuk werd uitgewist…

Hij is door God aangewezen om door Zijn dood het middel tot verzoening te zijn
voor wie gelooft’ (Uit Romeinen 3 : 25-26)

De letter doodt… (III)

Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
(2 Korintiërs 3 : 6)

(…) “We moeten ook begrijpen wat de andere woorden van onze tekst betekenen:‘ maar de Geest maakt levend ’ [2 Korintiërs 3 : 6]. Dit is niets anders dan het heilige Evangelie, een heilzame, reddende prediking en een liefelijk, troostend Woord, dat het verdrietige en mistroostige hart troost en verfrist, het uit de kaken van dood en hel bevrijdt en het de zekere hoop op eeuwig leven geeft in het geloof van Christus.

Wanneer het uur van onze dood komt en het oordeel van God onder ogen moet worden gezien, dan vindt ons hart geen vertrouwen in de werken. Integendeel, zelfs als iemand het beste van alles heeft geleefd, beaamt het de woorden van de apostel Paulus: ‘Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik nog niet gerechtvaardigd.’ [1 Korintiërs 4 : 4].

Deze woorden van Paulus betekenen eenvoudig dat we alle vertrouwen in onszelf of ons leven zullen loslaten, dat we ons ‘eigen ik’ gedood hebben, zodat het hart zegt: ‘Ik ben niet gerechtvaardigd noch gered door en vanwege dit alles’, want ons leven is toch niets anders dan een sterven en verdoemd worden (toch niet anders dan een ‘gestadige dood * zoals beleden wordt in ons gereformeerde Doopformulier).

Maar de Geest grijpt verlossend in en tilt ons op door het geloof van het Evangelie, dat zegt (net zoals St. Bernardus sprak in het uur van zijn dood):

Lieve Heer Jezus, ik weet dat zelfs als ik hier op z’n allerheiligst heb geleefd, ik toch ook altijd weer doemwaardig heb geleefd.’ Maar troost vind ik hierin dat U voor mij stierf en mij besprenkelde met het bloed dat vloeide uit Uw heilige wonden. Ik ben in Uw Naam gedoopt en heb het Woord gehoord, waardoor U mij riep, mij genade en leven schonk en mij vertelde te geloven. Vertrouwend hierop zal ik dit leven verlaten, en dus niet met onzekere en angstige twijfels die me doen zeggen: ‘Wie kan weten welk oordeel God in de hemel over mij zal uitspreken?’

Nee, een christen zou dat laatste nooit moeten zeggen. Aangezien het vonnis over ons werken en leven al lang geleden door de wet werd uitgesproken, waardoor wij allen schuldig en veroordeeld staan voor God. Een christen leeft echter vanuit het genadige oordeel dat God vanuit de hemel boven en tegen het oordeel van de Wet heeft gegeven:

Wie in de Zoon van God gelooft, heeft eeuwig leven’ (Johannes 3 [: 36]).

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 22, S. 227/228 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 79, p. 33/34)

* Met het formulier bidden we voor de kleine kinderen, dat zij de Heere zullen aanhangen met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde. Opdat zij dit leven – toch niet anders dan een gestadige dood – getroost zullen verlaten, en op de grote dag van Christus zonder verschrikken voor Hem gesteld zullen worden. Het is goed om te overwegen, dat de woorden over het leven als een voortdurende dood staan in het verband van het getroost verlaten van het leven en het zonder verschrikken verschijnen voor Christus. Deze dingen hangen met elkaar samen! Het gaat hier over leven uit Christus, en sterven met Hem, en in vrede verschijnen voor Hem. Wel een overstelpende volheid, dacht u niet?
(Bron: Digibron – Kenniscentrum gereformeerde gezindte: Een gestadige dood?)

Zie ook:  ‘De letter doodt I en II

NB. Deze Luther-quotes zijn een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are

(…) 19 Omdat wij nu, broeders, volle vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het ​heiligdom​ door het bloed van ​Jezus, 20 langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees, 21 en omdat wij een grote ​Priester​ hebben over het huis van God, 22 laten wij tot Hem naderen met een waarachtig ​hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons ​hart​ gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met ​rein​ water.* 23 Laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden, want Hij Die het beloofd heeft, is getrouw. 24 En laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot ​liefde​ en goede werken. 25 Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer nu u de grote dag ziet naderen. (Uit Hebreeën 10)

* Zie 1 Petrus 3 : 21-22

Bron afbeelding:  SlideShare

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Een reactie plaatsen

Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (IV)


Laat Uw werk aan Uw dienaren gezien worden, Uw ​glorie​ over hun ​kinderen.
(Psalm 90 : 16)

(…) Mozes bidt om een werk in de toekomst, namelijk dat hij en zijn nakomelingen de liefde van God mogen ervaren. En bestaat die niet in de komst van de Messias en Zijn betaling voor onze zonden? Het voldoen van onze schuld door de Messias is de bron van de zaligheid die de mensen vóór en na Mozes hebben ontvangen.

Bron van eeuwig heil

Luister eens naar de godzalige dichter van Psalm 130: ‘Ik verwacht de HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen. Israël hope op de HEERE, want bij de HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing’ (vers 5-7). Dit is een gebed voor Israël in de tijd dat Mozes al lang overleden is, een gebed om lichamelijk, geestelijk en eeuwig heil. Wordt Israël niet opgeroepen om te letten op de bron van haar zaligheid?

Mozes had Israël geleid, de dienst van de tabernakel was ingesteld, en zijn levenseinde kon verwacht worden. Wat was het dan gepast dat hij zijn geloof in de komende Messias ook in een geschrift naliet! Al de woorden van de tekst krijgen dan de volle nadruk. De menswording van de Messias en de daarmee samenhangende verlossing vormen immers ook één werk. Christus spreekt over Zijn werk: ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen’ (Johannes 17:4).

Het is een uitnemend werk dat in de vorige eeuwen niet is verkondigd aan de heidenen. Het is een goddelijk werk dat alleen door een goddelijke Persoon verricht kan worden. ‘En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij naderen; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE ’ (Jeremia 30:21).

Dit werk werd in het paradijs al beloofd en Mozes wist er ook van. Deze gezaghebbende profeet heeft ervan gesproken en de door hem afgekondigde wetten waren de afbeeldingen ervan.

Het moet u niet vreemd voorkomen dat hij ook in dit gebed als profeet optreedt (vers 1). Het is Uw werk, o Messias, dat U in de eeuwigheid op U genomen hebt en het beloofd hebt aan de voorvaderen, en wij mogen het weten uit Uw beloften. Het werk van U staat tegenover het werk van de satan, die altijd bezig is ons te verleiden om goddeloze werken te doen. Het is een machtig werk dat de almachtige God Zelf heeft uitgevoerd door Zichzelf op te offeren.

Hierdoor zijn Gods heerlįjke eigenschappen aan het licht gebracht, zoals Zijn oneindige kracht, Zijn ondoorgrondelijke wijsheid, Zijn vlekkeloze wijsheid, Zijn weergaloze barmhartigheid en Zijn onkreukbare rechtvaardigheid. Dit werk zal ook de meest heerlijke gevolgen hebben.

Nadat Christus in Zijn vernedering de verzoening tot stand gebracht heeft, is Hij met eer en heerlijkheid gekroond. Zijn rust zal heerlijk zijn en Hij zal de Geest van Zijn heerlijkheid op alle vlees uitstorten. Alle mensen voor wie dit werk is gedaan, zullen Hem hiervoor alle eer en lof toebrengen.

Het wordt al in Psalm 72 gezegd:Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen’ (vers 17).

Het is daarom alleen Zijn Naam, die zij de lof zullen toebrengen. ‘Maar in de HEERE zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad van Israël’ (Jesaja 45 : 25). Dit werk zal erop uitlopen dat zij die verlost zijn, niet in de zonde zullen blijven, maar tot eer van God zullen leven. De Heere zal hun God zijn, en Hij zal Zijn heerlijkheid op hen leggen.

(Wordt vervolgd!)

Lees Psalm 90 (NBV)

Zie ook ‘Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (I)‘,  (II) en (III)

Bron tekst:Bid om Gods lieflijkheid over ons‘ preek van Jacobus de Groot (1696-1750) – Reveil-serie No. 560, december 2019 (www.reveilserie.nl)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Een reactie plaatsen

Ze zijn met niets anders geholpen…

Blinden worden ziende en kreupelen kunnen lopen; melaatsen worden gereinigd en doven kunnen horen; doden worden opgewekt en aan armen wordt het ​Evangelie​ verkondigd; (Matteüs 5 : 11)

Blinde ziende maken, en doden opwekken zijn maar heel geringe werken vergeleken bij het Evangelie aan de armen verkondigen. Daarom noemt Christus dit het laatst, als het allergrootste werk onder al Zijn werken.

Het is echter wel opmerkelijk dat Christus zegt dat het Evangelie alleen gepredikt wordt aan de armen. Waarmee Hij dan zonder twijfel bedoelt dat het een prediking is die alleen voor de armen bestémd is. En toch heeft Hij ook gezegd dat het in heel de wereld gepredikt moet worden. Zoals je dat bij Markus kunt lezen: ‘Ga heen in de wereld en predik het Evangelie aan alle creaturen/schepselen’ (vgl. Markus 16 : 15).

Uit dit alles blijkt wel dat iedereen het moet horen, maar… dat er tóch een zeker onderscheid wordt gemaakt. Wat wil Hij dan? De armen die Christus hier bedoelt, zijn zeker niet de bedelaars en arme gebrekkige mensen: de lichamelijk armen. Maar Hij wil dat de geestelijk armen het horen.

Dat zijn mensen die geen tijdelijke goederen meer begeren of liefhebben. Ja, veel meer nog: het zijn de verslagen, verbroken arme zielen [ =mensen] die door de kwaal van hun eigen geweten naar hulp en troost zozeer verlangen en uitzien, dat ze helemaal geen tijdelijk goed of eer meer op het oog hebben. (1)

Zij zijn met niets geholpen, dan alleen wanneer zij maar konden weten dat ze een genadig God hebben.

Maarten Luther: WA 10.1.2, 159, 35-160,7]

(1) Maarten Luther zelf was ook zo iemand. Hij kon niet door de kerkelijke leer en de woorden van ‘collega-theologen’ getroost en tot rust gebracht worden, maar moest het Evangelie uit Gods Woord horen. Hij heeft zichzelf geen rust gegund voordat hij het zelf uit Gods Woord vernomen had. Deze weg heeft God Luther ‘opgelegd’ om zó Gods ‘instrument’ te kunnen zijn bij (de start) van de Reformatie zoals die zich in Europa voltrokken heeft. Die Reformatie was een werk dat ver boven de kracht van een man als Maarten Luther zelf uitging.

Bron tekst:Vrees niet, geloof alleen‘ – Dagboek over het geloof23 januari – Den Hertog, Houten

Bron afbeelding:  Bible Verses on Twitter

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Een reactie plaatsen

Wanneer de Geest ons leven leidt…

(…) 25 Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst. 26 Laten we elkaar niet uit eigenwaan de voet dwars zetten
en elkaar geen kwaad ​hart​ toedragen.
(Uit Galaten 5)

De letter doodt… (I en II)

Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
(2 Korintiërs 3 : 6)

(…) Deze woorden verwerpen op ruwe manier de hoogmoed van de wetsprediking en roemen heel glorieus in de verkondiging van het Evangelie. De apostel heeft beslist ‘hoge moed’ wanneer hij het waagt de Wet aan te vallen en zegt: dat het niet alleen een lege brief is, maar dat daar een prediking van uitgaat die niets anders doet dan doden! Het wordt geen goede en nuttige prediking genoemd, maar verderfelijke (schadelijke) prediking…

Wie zou zó (durven) spreken – wilde hij niet voor een ketter doorgaan die door de hele wereld wordt vervloekt en als een godslasteraar zou worden geëxecuteerd – als de apostel Paulus dit zelf niet had gedaan?

Maar, Paulus zelf moet de Wet of het gebod van God ook prijzen en zeggen dat deze goed en kostbaar is [1 Timoteüs 1: 8] en dat deze niet mag niet worden veracht of verwaarloosd, maar dat ze moet worden bevestigd en vervuld , zodat er geen jota of tittel van vergaan zal. (zoals Christus ook zegt [Matteüs 5 : 18])

Hoe komt het dan dat hij de wet in een kwaad daglicht stelt en zich zo laatdunkend (beledigend) daarover uitlaat en deze in wezen niets anders noemt dan dood en verderf? Welnu, dat is een ‘hoge leer’ die het (natuurlijke) verstand (de rede) niet begrijpt en die de wereld, vooral degenen die daarin heilig en rechtvaardig willen zijn, helemaal niet kan verdragen. Er wordt niets anders gezegd dan dat al onze werken, hoe kostbaar ze ook zijn, niets anders zijn dan dood en verderf.

Wat we zien en beseffen moeten dat is dat de apostel Paulus heel krachtdadig een einde wil maken aan het roemen van de valse leraren en huichelaars en wijzen op wat hun prediking – zelfs op zijn best – is en doet omdat zij alleen de Wet hebben en Christus niet wordt gepredikt of gekend.

Ze zeggen en pochen: ‘Als je op deze manier leeft en je toewijdt aan het onderhouden van de geboden en veel goede werken doet, zul je gered worden.’ Maar dit zijn niets anders dan vruchteloze woorden, zelfs een verderfelijke leer. Als mensen niets anders dan deze leer horen en erop vertrouwen, zullen ze achteraf ontdekken dat er geen troost en leven gezaaid is*, maar alleen twijfel en angst, ja, zelfs dood en vernietiging.

* Zie Galaten 5 : 25 en 6 : 8 en Galaten 5 en 6!

(…) Wanneer een persoon inziet dat hij Gods geboden niet heeft onderhouden, terwijl de wet hem voortdurend voor ogen staat, van hem vraagt zijn schuld te voldoen en hem confronteert met niets anders dan Gods vreselijke toorn en eeuwige verdoemenis, dan moet hij wegzinken in wanhoop over zijn zonden. Dit is onvermijdelijk wanneer mensen niets anders dan de Wet onderwijzen en menen dat ze via die weg naar de hemel zullen gaan.

Een voorbeeld daarvan vinden we in ‘Het leven der Vaderen’ waar het gaat over een beroemde kluizenaar, die meer dan zeventig jaar zeer nauwgezet leefde en die veel discipelen maakte die hem vervolgens imiteerden. Toen hij op zijn sterfbed lag en zijn einde naderde begon hij hevig te beven en verkeerde hij drie volle dagen in grote angst. Zijn discipelen troostten hem en vroegen waarom hij niet kon sterven, hij had toch zo’n heilig leven geleid. Hij antwoordde: “Mijn hele leven heb ik Christus gediend en nauwgezet geleefd, maar Gods tribunaal en gericht is geheel anders dan die van de mens.” [Hier verwijst Luther naar het verslag van Arsenius de Grote (350-ca. 450)]

Deze voortreffelijke man, die zo’n heilig leven geleid had, kende geen ander artikel dan dat ene over het oordeel van God volgens Zijn wet; en daarom had hij niet de troost van het Evangelie van Jezus Christus. Integendeel, wanneer hij lange tijd nauwgezet naar Gods geboden heeft geleefd en meende daardoor gered te worden, dan is daar (op het einde van zijn leven) de wet die hem doodt vanwege zijn eigen werken, zodat hij wel zeggen moet: “Wie weet wat God hierover zal zeggen? Want wie kan voor zijn rechterstoel bestaan?”, etc. Dit berooft hem van de hemel. Wat hij heeft gedaan en hoe hij heeft geleefd, dat alles helpt hem niet, maar dompelt hem alleen maar dieper de dood in, omdat hij de troost van het Evangelie mist.

Terwijl anderen, zoals de moordenaar aan het kruis of de tollenaar [Lukas 23 : 42; 18 : 13], die hun leven in klaarblijkelijke zonden doorbrachten, de troost van het Evangelie – dat wil zeggen de vergeving van zonden in Christus – ontvangen en zij overwinnen daarmee hun zonden en het oordeel van de wet daarover, zodat zij in vrede sterven en door de dood heen het eeuwige leven beërven.*

* Zie ook Matteüs 19 : 16 en Lukas 18 : 18: Meester, wat moet ik doen

Maarten Luther:  Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 22, S 226/227 (vertaling gebruikt: Luthers Works, American Edition, deel 79, p.32/33)

NB. Deze Luther-quotes zijn een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Een reactie plaatsen

Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (III)

Laat Uw werk aan uw knechten openbaar worden,
en Uw heerlijkheid over hun ​kinderen;

(Psalm 90 : 16)

(…)
b. Het is mijn bedoeling uw aandacht vooral te vragen voor het werk dat Mozes noemt aan het einde van zijn gebed; daarin liggen alle verlangens van zijn hart opgesloten.

Wat het niet is

Ik wil beginnen met het aangeven wat het werk niét is.

  • Het gaat niet over het machtige werk van de schepping, omdat dat werk al heeft plaatsgevonden. Het zijn ook niet de werken van Gods regering over alle dingen, de werken van Gods voorzienigheid. Deze werken zijn ook ontzagwekkend en majestueus, en we moeten ze met eerbied beschouwen en God daarin verheerlijken. Deze werken worden echter zowel door de heidenen als door de Israëlieten gezien.
  • Het gaat hier ook niet over het werk van de bescherming van de Kerk tegen aanvallen en bedreigingen en de verlossing daaruit. Het is waar, dat is Gods eigenlijke werk, terwijl daarentegen Zijn oordelen in vergelijking met Zijn goedheid en barmhartigheid een ‘vreemd werk’ genoemd worden.

Wat we tot nu toe genoemd hebben, werkt God in alle tijden. We moeten hier echter denken aan een werk dat aan het nageslacht van de Israëlieten zal geopenbaard worden.

Oprichting van de tabernakel?

Heeft Gods dienaar gebeden om de oprichting en de voltooiing van de tabernakel, en om een gelukkige voortzetting van de dienst die de Levieten verrichten? Er zijn rabbijnen die veronderstellen dat Mozes de tabernakel gezegend heeft nadat ze werd opgericht, en dat hij toen dezelfde woorden gebruikt heeft. Maar ik denk niet dat het werk van de tabernakel bedoeld wordt. De rabbijnen hebben onvoldoende gelet op de kracht van de woorden die hier worden gebruikt. Ik lees hier niet van iets dat mensenhanden gemaakt hebben zoals de tabernakel, maar van Uw werk.

Twee gedachten

Er blijven daarom twee gedachten over.

  • We zullen ons moeten beperken tot de tijd van Mozes of niet lang daarna, de tijd dus dat het volk van Israël in de woestijn ronddwaalde. Het grote werk dat zij tegemoet konden zien, was het brengen van het volk in het land van de belofte. Dit was zeer zeker een werk dat macht en majesteit uitstraalde. Psalm 44 zingt ervan: ‘O God! Wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewerkt in hun dagen, in de dagen van ouds. Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar hen geplant; Gij hebt de volken geplaagd, hen daarentegen doen voortspruiten. Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht van Uw aangezicht, omdat Gij een welbehagen in hen had’ (vers 2-4). Dit zou in de tijd ná Mozes gezien worden door de nakomelingen; de vaders smaakten dit voorrecht niet.

Maar ik ben er niet zeker van dat we nu de volledige betekenis van de tekst hebben verklaard. In vers 17 vinden we de gevolgen van wat in vers 16 wordt gebeden. Mozes bidt om de zoete en aangename bevestiging voor zichzelf en voor de zijnen over het werk van hun handen. Welke gevolgen zijn dat, die Mozes en de Israëlieten van die tijd voor zichzelf mochten verwachten?

Voorkeur

  • Wij denken bij de verklaring van dit werk bij voorkeur aan de komst van de Messias in de wereld. De Borg heeft voor de verlossing van de uitverkoren zondaar* gezorgd door het losgeld te betalen, en dat in plaats van de zondaar zelf. Deze mening vinden we ook bij Luther en veel van zijn belangrijke navolgers. Bij roomse uitleggers, zoals Cajetanus, en ook bij velen van onze latere uitleggers komen we deze mening tegen. Maar hoewel zij ons onderwijs kunnen geven, hun standpunten zijn voor ons geen bewijzen. We zullen moeten letten op de gedachten die achter hun standpunten schuilgaan…
    * Zie 1 Johannes 2 : 2

(Wordt vervolgd!)

Lees Psalm 90 (NBV)

Zie ook ‘Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (I)‘ en (II)

Bron tekst:Bid om Gods lieflijkheid over ons‘ preek van Jacobus de Groot (1696-1750) – Reveil-serie No. 560, december 2019 (www.reveilserie.nl)

Bron afbeelding:  Pinterest endtimeprophecy-net

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Een reactie plaatsen

Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (II)

Laat Uw werk aan uw knechten openbaar worden,
en Uw heerlijkheid over hun ​kinderen;

(Psalm 90 : 16)

(…) Het is geen werk dat al voorbij is, maar het zal plaatsvinden in de tijd die nog komen moet. ‘Laat Uw werk gezien worden’.

Profetie

Deze woorden staan in de toekomende tijd, en daarom kunnen we dit gebed van Mozes ook opvatten als een profetie. Als dienaar van God spreekt hij over dingen die nog moeten gebeuren. Omdat hij ze uitspreekt in een gebed, mogen we ze opvatten als een wens, maar ook als een aankondiging dat het werk zichtbaar zal worden.

En voor wie vraagt Mozes dat ze dit mogen zien? Mozes spreekt over: Uw knechten en hun kinderen. Hiermee bedoelt hij de Israëlieten van alle tijden; het volk dat God uit Egypte verloste en in Zijn dienst had aangenomen, zoals we ook lezen in vers 13. We zouden kunnen denken dat hier de mensen bedoeld worden die in de tijd van Mozes leefden, en met hun kinderen degenen die later in Kanaän zouden wonen. Mozes lijkt hier namelijk een onderscheid te maken met het woordje ons (vers 17).

De kinderen/geslachten ná ons

Bovendien bidt hij om dingen die deze knechten niet meer zouden zien, maar wél hun nakomelingen. De betekenis zal dan zijn: Laat Uw werk aan Uw knechten – dus: hun kinderen – in het beloofde land gezien worden. En dat in een tijd dat alleen zij nog als Gods volk worden beschouwd, en er nog onderscheid is met de heidenen.

Volgens Calvijn geeft Mozes ons hier een voorbeeld dat wij in onze gebeden moeten denken aan de kinderen die ná ons geboren zullen worden. Dit klonk ook door in het verbond met Abraham: ‘En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u’ (Genesis 17 : 7).

Niet uit mensen

En – wij willen niets overslaan – hij gebruikt de woorden over hen. Dit betekent dat het van boven komt. Hij vraagt dus of dit werk op hen mag komen van bovenaf, vanuit de hemel. Als we letten op de kracht van deze woorden en ze alle in hun verband lezen, zullen we op zijn minst moeten vaststellen dat het hier gaat over een uitnemend en heerlijk werk dat in de toekomst zichtbaar zal worden.

Dit werk zal lang ná Mozes’ tijd onder het volk Israël gestalte krijgen, dus vóór hun verwerping, in een tijd dat zij nog van de heidenen onderscheiden zijn en ‘Gods knechten’ genoemd worden. Dit werk komt niet voort uit mensen, maar het is

Een werk uit de hemel verwachten

b. Het is mijn bedoeling uw aandacht vooral te vragen voor het werk dat Mozes noemt aan het einde van zijn gebed; daarin liggen alle verlangens van zijn hart opgesloten…

(Wordt vervolgd!)

Lees Psalm 90 (NBV)

Zie ook ‘Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (I)

Bron tekst:Bid om Gods lieflijkheid over ons‘ preek van Jacobus de Groot (1696-1750) – Reveil-serie No. 560, december 2019 (www.reveilserie.nl)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Een reactie plaatsen

Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (I)

(…) De hele inhoud van deze psalm, zegt Luther, smaakt naar Mozes. Hij was een dienaar van het Oude Testament, de bediening van de dood. Hij sprak heel veel over dood en toorn, maar hij schetste ook met flauwe penseelstreken het werk van de verlossing door Christus. Zijn gebed was net zo krachtig als zijn verkondiging van de wet.

Fundament van aanbidding

In dit gebed legt hij in vers 1 en 2 eerst het fundament, waarop hij met het volk God aanbad. Vervolgens belijdt hij de zware oordelen die nu in de woestijn op het volk van God liggen en hij keurt de rechtvaardigheid van God goed, vers 3-11. Dan volgt het gebed zelf dat door sommigen het ‘onze Vader’ van Mozes genoemd wordt.

Het gebed bestaat uit zes smeekbedes.

  • In de eerste bede (vers 12) vraagt Mozes om goddelijk onderwijs om de dagen op een goede manier te tellen en daarmee een wijs hart te ontvangen.
  • In de tweede bede (vers 13) vraagt hij aan de Heere of Hij de oordelen wil wegnemen.
  • In de derde bede (vers 14) vraagt hij of de Heere hun Zijn grote goedheid wil tonen door hen vanuit de woestijn in het beloofde land te brengen.
  • In vers 15 (de vierde bede) vraagt Mozes om blijdschap voor hun hart, waardoor zij zich in God en in Zijn zegeningen mogen verheugen.
  • Maar in vers 16 (de vijfde bede) wendt hij zich tot de Amen, de trouwe en waarachtige God. Alle zegeningen waarmee Mozes zichzelf en Israël zegende, of beter gezegd, waarvoor hij bad, moeten van deze God komen als de Bron van al het licht en geestelijk geluk.
  • In de zesde bede, vers 17, vraagt hij om de zegenrijke gevolgen en de liefelijke tekenen van de goddelijke gunst over al het werk van hem en van het volk.

We letten er nu op:

1. tot Wie Mozes zich richt in dit gebed; en vervolgens
2. op de inhoud van dit gebed.

1. Mozes richt zich in zijn gebed tot de Heere, de drie-enige God, en in het bijzonder tot de Zoon van God, Die hem bij het braambos ontmoette als de Engel des Heeren. Mozes bidt Hem of Hij Zijn heerlijke werk wil laten zien aan Zijn knechten en aan hun kinderen.

a. We zullen eerst de letterlijke betekenis en de kracht daarvan nagaan.
b. Vervolgens zullen we zien hoe dit geestelijk kan worden toegepast.

a. Wat de letterlijke betekenis betreft: het gaat hier over Uw werk en Uw heerlijkheid. Er is een oneindig onderscheid tussen het werk van de Heere en ons werk. De werken van God zijn groot en talrijk.

Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen (schepsels)’ (Psalm 104 : 24)

Het gaat hier echter niet over al de werken van God, maar over een buitengewoon, een uit-nemend en een heerlijk werk. In de grondtaal wordt een woord gebruikt dat het werk van Gods genade aangeeft.

Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gericht. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij’ (Deuteronomium 32:4).

Het is ook een werk dat in het bijzonder in Gods Kerk plaatsvindt.

HEERE! Toen ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; gedenk in de toorn aan het ontfermen’ (Habakuk 3 : 2).

De tekst noemt naast het werk ook de heerlijkheid van God. Als er twee zelfstandige naamwoorden worden samengevoegd, heeft het laatste dikwijls de functie van een bijvoeglijk naamwoord. Dit zien we bijvoorbeeld in de uitdrukking: beeld en gelijkenis; het is een beeld dat erop lijkt. Zo ook hier: werk en heerlijkheid betekenen samen:

Een heerlijk werk

  • Mozes wil dat het gezien wordt. Er worden hier twee werkwoorden samengevoegd die aangeven dat er een zichtbare verschijning is. Iedereen kan die duidelijk zien en dat veroorzaakt in hun hart een diepe ontroering.
  • Mozes verlangt ernaar dat God dit heerlijke werk op zo’n manier uitvoert dat de hele wereld het ziet en het met de grootste eerbied een plaats geeft in hun hart.
  • Mozes bidt dat zijn volk een verlicht verstand mag ontvangen, zodat zij daarin tot hun blijdschap en troost de hand van God bemerken.

Lees Psalm 90 (NBV)

(Wordt vervolgd!)

Zie ook:  Psalm 90 – Het ‘Onze Vader’ van Mozes… (II)

Bron tekst:Bid om Gods lieflijkheid over ons‘ preek van Jacobus de Groot (1696-1750) – Reveil-serie No. 560, december 2019 (www.reveilserie.nl)

Bron afbeelding:  Heartlight

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Een reactie plaatsen