Door Gód tot enkelingen gemaakt… (IV)

Wie mij volgt, maar niet haat zijn vader en moeder en vrouw en ​kinderen​ en broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, kan niet mijn ​leerling​ zijn. Wie niet zijn ​kruis​ draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn ​leerling​ zijn. (Lukas 14 : 26-27)

(…) Omdat echter het bedrog, dat ons de waarheid verbergt, gehaat moet worden, daarom moet de directe verhouding tot de natuurlijke feitelijkheden van het leven gehaat worden, ter wille van de Middelaar Jezus Christus.

Waar ook maar een gemeenschap (huwelijk, gezin, familie, gemeente, bedrijf, etc.) ons erin hindert voor Christus een enkeling te zijn, waar ook maar een gemeenschap aanspraak maakt op directheid, daar moet die om Christus’ wil gehaat worden; want iedere directe verhouding is, bewust of niet, haat tegen de Middelaar Christus, ook en juist daar waar ze christelijk verstaan wil worden.

Het is een grote dwaling van de theologie, wanneer ze het Middelaarschap van Jezus tussen God en mens gebruikt om de directe verhouding van het leven daarmee te rechtvaardigen.

Is Christus de Middelaar, zo zegt men, dan heeft Hij daarmee de zonde van al onze directe verhoudingen tot de wereld gedragen en ons daarin gerechtvaardigd. Jezus is onze Middelaar voor God, opdat wij weer met een goed geweten een directe verhouding tot de wereld kunnen hebben, tot de wereld die Christus kruisigde. Daarmee is de liefde tot God met de liefde tot de wereld onder één noemer gebracht.

De breuk met de feitelijkheden van de wereld wordt nu tot een ‘wettisch’ misverstaan van de genade van God, die ons deze breuk juist zou willen besparen. Uit de woorden van Jezus over de haat tegen de directe verhouding wordt nu het vanzelfsprekende, vrolijke ja tot de ‘door God gegeven werkelijkheden’ van deze wereld. Uit de rechtvaardiging van de zondaar ontstaat opnieuw de rechtvaardiging van de zonde.

De door God gegeven werkelijkheden’ bestaan er voor de volgeling van Jezus alleen door Jezus Christus. Wat mij niet door Christus, de mensgewordene, gegeven is, is mij niet door God gegeven. Wat mij niet om Christus’ wil gegeven is, komt niet van God.

De dank voor de gaven van de schepping vindt zijn grond in Jezus Christus; en de bede om genadige bewaring van dit leven geschiedt om der wille van Christus. Waarvoor ik niet kan danken om Christus’ wil, daarvoor mag ik helemaal niet danken, dat wordt mij tot zonde.

(Wordt vervolgd!)

Petrus​ begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd.‘ (Markus 10 : 28)

Zie ook:  Door Gód tot enkelingen gemaakt… (I)(II), (III)

Bron tekst:  Navolging – ‘De navolging en de enkeling‘ – Dietrich Bonhoeffer (Uitgeverij Ten Have, vijfde druk)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Een reactie plaatsen

Door Gód tot enkelingen gemaakt… (III)

Toen ​Jezus​ daar langskwam, keek hij naar boven en zei: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.’’ (Lukas 19 : 5)

(…) De oproep van Jezus, in zoverre die niet als ideaal, maar als woord van de Middelaar wordt verstaan, voltrekt deze voltrokken breuk met de wereld aan mij. Ging het om een afwegen van idealen, zo moest onder alle omstandigheden een schikking gezocht worden, die dan misschien ten gunste van een christelijk ideaal zou kunnen uitvallen, maar toch nooit eenzijdig zou mogen zijn.

Vanuit het standpunt van de idealiteit, vanuit de ‘verantwoordelijkheden’ van het leven, zou het niet te rechtvaardigen zijn, de natuurlijke levensordeningen tegenover een christelijk levensideaal radicaal van hun waarde te beroven. Veeleer zou er zelfs ten gunste van een omgekeerde waardering zeer veel te zeggen zijn – wel te verstaan juist vanuit het standpunt van een christelijke idealiteit, vanuit een christelijke verantwoordelijkheids- of gewetensethiek!

Omdat het echter helemaal niet om idealen, waarderingen en verantwoordelijkheden gaat, maar om voldongen feiten en de erkenning daarvan, dus om de persoon van de Middelaar zelf, die zich tussen ons en de wereld heeft geplaatst, daarom is alleen de breuk met de directe verhouding tot het leven mogelijk, daarom moet de geroepene enkeling worden voor de Middelaar.

De door Jezus geroepene leert dus, dat hij in zijn verhouding tot de wereld in een vergissing geleefd heeft. Deze vergissing heet directheid. Die heeft hem gehinderd in het geloof en in de gehoorzaamheid. Nu weet hij, dat hij zelfs in de nauwste banden van zijn leven, in de band van het bloed aan vader, moeder, aan kinderen, broers en zusters, in de huwelijksliefde, in de historische verantwoordelijkheden geen directe verhouding meer kan hebben.

Er bestaan sedert Jezus voor zijn discipel geen natuurlijke, historische of andere directe verhoudingen die men zou kunnen beleven.

Tussen vader en zoon, man en vrouw; tussen de enkeling en het volk staat Christus, de Middelaar, of zij Hem kunnen erkennen of niet. Er bestaat voor ons geen weg tot de ander dan de weg over Christus, over zijn woord en onze navolging. De directe verhouding is een bedrog.

(Wordt vervolgd!)

Zie ook:  Door Gód tot enkelingen gemaakt… (I), (II), (IV)

(…) Een ander uit Zijn discipelen zei tegen Hem: Heere, sta mij toe dat ik eerst wegga en mijn vader ​begraaf. Maar ​Jezus​ zei tegen hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden ​begraven. (Matteüs 8 : 21-22)

Bron tekst:  Navolging – ‘De navolging en de enkeling‘ – Dietrich Bonhoeffer (Uitgeverij Ten Have, vijfde druk)

Bron afbeelding:  SlideShare (Lessons Learned in The Storms Of Live)

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Een reactie plaatsen

Door God tot enkelingen gemaakt… (II)

Jezus​ zei tegen hem: Als u volmaakt wilt zijn, ga dan heen, verkoop wat u hebt, en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom dan en volg Mij.‘ (Matteüs 19 : 21)

(…) Het is waar: er stelt zich inderdaad iets tussen de door Christus geroepene en de situatie van zijn natuurlijke leven. Maar dat is geen grimmige levensverachter, dat is geen wet van de vroomheid, maar het is het leven en het Evangelie zelf, het is Christus zelf. Hij heeft zich met zijn menswording tussen mij en de situatie van de wereld geplaatst. Ik kan niet meer terug. Hij staat ertussen.

Hij heeft de geroepene elke directheid ten aanzien van deze situatie ontnomen. Hij wil het middel zijn, alles moet alleen door Hem gebeuren. Hij staat niet alleen tussen mij en God, maar daarmee staat Hij juist ook tussen mij en de wereld, tussen mij en de andere mensen en dingen. Hij is de Middelaar, niet alleen tussen God en mens, maar ook tussen mens en mens, tussen mens en werkelijkheid.

Omdat de hele wereld door Hem en tot Hem geschapen is (Johannes 1 : 3; 1 Korintiërs 8 : 6; Hebreeën 1 : 2), daarom is Hij de enige Middelaar in de wereld. Sedert Christus is geen directe verhouding van de mens meer mogelijk, noch ten opzichte van God, noch ten opzichte van de wereld; Christus wil de Middelaar zijn.

Weliswaar bieden zich genoeg goden aan, die de mensen directe toegang verlenen, weliswaar probeert de wereld met alle middelen een directe verhouding ten opzichte van de mens te verkrijgen, maar juist daarin bestaat de vijandschap tegenover Christus, de Middelaar. Goden en wereld willen Christus ontrukken wat Hij hun geroofd heeft, namelijk enig en alleen direct tegenover de mens te staan.

De breuk met de directe verhoudingen van de wereld is niets anders dan het kennen van Christus als de Zoon van God, de Middelaar. Het is nooit een willekeurige daad wanneer een mens zich ter wille van een of ander ideaal losmaakt van de bindingen van de wereld en daarmee een kleiner ideaal ruilt voor een groter. Dat zou dweperij zijn, eigenmachtigheid, ja, zelfs wederom een directe verhouding tot de wereld.

Alleen de erkenning van een voldongen feit, namelijk dat Christus de Middelaar is, scheidt de discipel van Jezus van de wereld van de mensen en van de dingen.

(Wordt vervolgd!)

Toen de jongeman dit woord gehoord had, ging hij bedroefd weg, want hij had veel bezittingen.‘ (Matteüs 19 : 22)

Zie ook:  Door Gód tot enkelingen gemaakt… (I), (III), (IV)

Bron tekst:  Navolging – ‘De navolging en de enkeling‘ – Dietrich Bonhoeffer (Uitgeverij Ten Have, vijfde druk)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Een reactie plaatsen

Door Gód tot enkelingen gemaakt… (I)

Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en ​kinderen​ en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn ​leerling​ zijn. Wie niet zijn ​kruis​ draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn ​leerling​ zijn. (Lukas 14 : 26-27)

De oproep van Jezus tot navolging maakt de discipel tot enkeling. Of hij wil of niet, hij moet een beslissing nemen, hij moet alléén een beslissing nemen. Het is geen eigen keus, enkeling te willen zijn, maar Christus maakt de geroepene tot enkeling. Ieder is alléén geroepen. Hij moet alléén volgen.

In de vrees voor dit alleen zijn zoekt de mens bescherming bij de mensen en dingen om hem heen. Hij ontdekt opeens al zijn verantwoordelijkheden en klemt zich daaraan vast. Daardoor gedekt wil hij zijn beslissing nemen, maar hij wil niet alleen tegenover Jezus staan, moeten beslissen met de blik alleen op Hem.

Maar vader noch moeder, vrouw noch kind, volk noch geschiedenis, dekken de geroepene in dit uur. Christus wil de mens eenzaam maken, hij mag niets zien dan Degene die hem riep.

In de oproep van Jezus is de breuk met de natuurlijke situatie waarin de mens leeft, reeds voltrokken. Niet de navolger voltrekt die, maar Christus zelf heeft hem reeds voltrokken, wanneer Hij roept.* Christus heeft de mens uit de directe verhouding tot de wereld losgemaakt en in de directe verhouding tot Hemzelf gesteld.

Geen mens kan Christus volgen, zonder dat hij de reeds voltrokken breuk erkent en beaamt. Niet de willekeur van een eigengereid leven, maar Christus zelf leidt de discipel zo tot de breuk.

Waarom moet dat zo zijn? Waarom bestaat er geen ongebroken ernaar toe groeien, een langzaam, heiligend voortschrijden uit de natuurlijke ordeningen naar de gemeenschap met Christus?

Wat voor een ergerlijke macht stelt zich hier tussen de mensen en de van God gegeven ordeningen van zijn natuurlijk leven? Is deze breuk niet een wettisch méthodisme? Is dat niet die grimmige verachting van Gods goede gaven, die niets te doen heeft met de vrijheid van de christen?

(Wordt vervolgd!)

* Opgemerkt AJ:  En die roep van Hem en het voltrekken van die breuk valt reeds volkomen serieus te nemen bij het dopen van onze kinderen!

Zie ook:  Door Gód tot enkelingen gemaakt… (II), (III), (IV)

Bron tekst:  Navolging – ‘De navolging en de enkeling‘ – Dietrich Bonhoeffer (Uitgeverij Ten Have, vijfde druk)

Bron afbeelding:  DailyVerses-net

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Een reactie plaatsen

Johannes de Doper bleef naar Jezus (ver)wijzen…

Want Johannes is gekomen, noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft de duivel. De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren.‘ (Uit Mattheüs 11 : 18-19)
Lezen: Mattheüs 11 : 1-19, tekstvers voor meditatie: vers 6

Johannes de Doper kon zeggen, ik heb ook gevast en streng geleefd, als de werken konden helpen, zouden die mij zeker geholpen hebben. Want Johannes heeft aan de buitenkant te zien zelfs een heiliger leven geleid dan Christus, Die op een bed geslapen heeft, met mensen omging, wijn gedronken en vlees gegeten heeft. Johannes heeft in de woestijn zich op het aller-armzaligst met water, honing en sprinkhanen in het leven gehouden.

En toch zegt Johannes: ‘Een hard leven helpt niets, daardoor zal ik niet in de hemel komen, maar van de vergeving van zonden moet ik het hebben.’ Daarom roept hij: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld draagt! Dit is de prediking van Johannes, die altijd en alleen naar Christus wijst, opdat iedereen God de Heere zou leren kennen, als een genadige God, Die de zonden vergeeft!

De vergeving van zonden is de inhoud van al onze gebeden tot God! Heere, ga niet in het gericht met mij, ik kan onmogelijk met mijn werken voor U bestaan. Ik wil wel graag tegen de zonde waken en godsdienstig zijn, maar daarmee ben ik niet geholpen. Dat alleen helpt mij – wat U de heilige Johannes hebt bevolen te verkondigen – dat wij door de vergeving van zonden moeten zalig worden.

~~~

Bent u het die komen zou, of moeten wij een ander verwachten?‘ (Matteüs 11 : 3b)
Lezen Matteüs 11 : 2-10; 14-28

Geen twijfel mogelijk…

Wanneer we putten uit oude bronnen, leren we dat in het Evangelie beslissend zijn de lijnen die de heilige Geest trekt van Johannes naar Jezus en niet andersom! Dat het hier niet gaat om de persoon van Johannes, maar om diens ambt. Zijn hele ambtsbediening kenmerkt zich namelijk door tot zijn discipelen en het volk te zeggen: ‘Ik ben de Bruidegom niet. Ik ben zijn vriend‘ (Johannes 3). Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt.‘ Bij Hem moet je zijn om van je zonde af te komen. Laat je door Hem overtuigen en wees niet langer ongelovig. (Zie Johannes 20 : 27)

Blijkbaar zijn er nog steeds leerlingen van Johannes die de boodschap van hun meester niet goed hebben begrepen. In vers 3 lezen we: ‘… verwachten wij.. / en niet ‘ik’! Hun voorstellingen van de Messias en Zijn optreden kloppen niet met wat er allemaal gebeurt. Volgens de Doper zou de beloofde Koning krachtig optreden, het kaf van het koren scheiden, onvruchtbare bomen omhakken, in vuur en oordeel zou God komen. Eindelijk zal er worden rechtgesproken en gedaan. Gods Gezalfde stelt orde op zaken. Allen die Gods Geboden vertrappen, die geen boodschap hebben aan het liefhebben van God en de naaste, worden als dode ranken weggesnoeid en in het vuur geworpen. Het juk van Rome én dat van de religieuze leiders wordt stukgebroken.

Maar... dat gebeurt niet! Althans niet zoals deze leerlingen van de Doper maar ook veel anderen zich dat hebben voorgesteld.

Wat men ziet, is dat niet koning Herodes achter de tralies terechtkomt, maar Johannes, de wegbereider van Koning Jezus. Maar, wat had hij dan op zijn geweten? Zijn innige relatie met het Lam van God en zijn directe oproep – ook aan het adres van koning Herodes – ‘Bekeer u!‘ Geboeid wordt hij afgevoerd naar de kerker. Als dit het lot is van de voorbode van de Koning,hoe zal het dan met de Koning Zelf gaan? Daar wringt de schoen bij deze leerlingen van Johannes!

Natuurlijk hebben de leerlingen van Johannes – de profeet mocht blijkbaar bezoek ontvangen – dit met hun meester besproken. Johannes leert hun dan voor de zoveelste keer de les; Je moet bij JEZUS zijn en niet bij mij! ‘Zie, het Lam van God!‘ Laat Hij je maar onderwijzen en leer van Hem en kom mij dan vertellen wat de Koning heeft gezegd.

Lukas schrijft dat ‘het Woord geschiedt in de dagen van‘ de keizer te Rome, van Pilatus in Judea, van Herodes en diens broers, van de hogepriesters Annas en Kajafas. Gods Woord gaat in vervulling. De HEERE regeert! Toen en ook nu, A.D. 2020. ‘In de dagen van .. / Vul de namen maar in van leiders in de Kerk en in de wereld. Vandaag.

De boodschap die Jezus meegeeft voor Johannes kende de profeet ook goed: woorden van Jesaja worden waar. Tekenen van de Messias worden zichtbaar: ‘De Geest van de HEERE Heere is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft.‘ Houd je aan het Woord, aan de profetie, al zou je er niets van zien dan het tegendeel. Maar er is veel te zien: Jezus citeert Jesaja in de opsomming van de tekenen van het Koninkrijk der hemelen. ‘… wat u hoort en zieť  (vs.4). Zelfs doden worden opgewekt.

(Wordt vervolgd in het volgende nummer van Ecclesia)

Citaat 1: Maarten Luther: Am Tage St. Johannes des Täufers, 1532, vgl. WA 52, 651, 14-34
Citaat 2: Ecclesia nr 6 – maart 2020 – ‘Meditatie ‘Lijdenstijd’ 2020′ – van dr. M. Verduin (Zeist)

En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en ​Jezus​ ​Christus, Die U gezonden hebt.‘ (Johannes 17 : 3)

Bron afbeelding:  StudentDeVos-com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Een reactie plaatsen

Tot de dood ons scheidt…

U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf.  (Matteüs 22 : 37-39)

God ziet in ons (wanneer wij tot Hem gaan in gebed) niet alleen de genade aan, maar ook de waarheid (ter verduidelijking: Johannes 4 : 23, 24), dat is rechtschapen zijn, zoals de wet dat eist. Johannes zegt dat Christus vol van genade en waarheid is, en door Hem ook in ons genade en waarheid is geworden (vgl. Johannes 1 : 14-17).

Dit is een genade die Mozes of de wet ons niet kan geven. (1) In het Rijk der vergeving en genade wordt ons vergeven dat we de wet niet volkomen houden, terwijl we dat toch moesten doen. De wet wordt (echter) niet zó opgeheven door de genade, dat ook de waarheid zal worden nagelaten, zodat je nu God en de naaste niet meer in waarheid zou liefhebben.

Deze liefde ontvangen wij door de heilige Geest, Die in ons een nieuwe vlam en een nieuw vuur ontsteekt: namelijk de liefde en de lust tot al Gods geboden. Dat zal hier in het Rijke der genade beginnen en doorgaan tot aan de jongste dag, wanneer het niet meer genade of vergeving zal zijn, maar alles puur waarheid en volkomen gehoorzaamheid.

Hier in dit leven blijft het echter zo dat God altijd schenkt, vergeeft, verdraagt en onze gebreken door de vingers ziet, totdat wij begraven worden.

(1) Lees in de brief aan de Hebreeën (m.n. 8-10) hoe de wet (Thora, ‘de boeken van Mozes’) slechts een voorafschaduwing gaf van alles wat nog komen zou (Hebreeën 10 : 1-18).

Maarten Luther:  WA 45, 149, 33 – 150,22
Bron meditatie: ‘Vrees niet, geloof alleen – Dagboek over het geloof

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Een reactie plaatsen

De eenvoud van onze roeping… (I)

Ik bid u dan vader! Dat u hem zendt tot mijns vaders huis; want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit betuigt, opdat zij niet komen in deze plaats van pijniging.‘ (Lukas 16 : 27-28)

Wie God gezonden heeft…

Citaat 1: Alsof hij zeggen wilde: ‘Als het dan wezen moet dat ik verloren en verdoemd moet zijn en Lazarus zalig en eeuwige blijdschap moet hebben…, zendt dan toch Lazarus tot mijn broeders. Want daar tussen Lazarus en hen is nog geen kloof gevestigd. Zij zijn nog niet hier in deze plaats van de eeuwige pijn, zoals ik ben. Daarom zendt Lazarus tot het huis van mijn vader en laat mijn broeders prediken en aanzeggen dat ik hier in de hel moet branden, opdat zij zich bekeren en zalig worden.’ Dat is nog eens een vrome verdoemde, die anderen de verdoemenis en de pijn waarin hijzelf is niet gunt! Echter, dit is niet daarom geschreven omdat de verdoemden zo gezind zouden zijn, maar omdat Christus de mensen zo eenvoudig mogelijk heeft willen waarschuwen voor de zondige gierigheid en overdaad, want het is zeker de gierigheid en de mammon geweest die hem daar gebracht hebben.

(…) ‘Willen zij Mozes en de profeten niet horen,’ zegt Jezus,
willen zij Gods Woord verachten – terwijl zij weten dat het Gods Woord is –
dan zullen zij zeker ook niet naar de doden horen.

~~~

En voorbijgaande zag Hij Levi, de zoon van Alpheüs, bij het tolhuis zitten, en Hij sprak tot hem, zeggende: Volg Mij. En hij stond op en volgde Hem’ (Markus. 2 : 14).

De gehoorzame daad als antwoord op Gods roepstem…

Citaat 2: De oproep klinkt en zonder meer volgt de gehoorzame daad van de geroepene. Het antwoord van de discipel is niet een uitgesproken belijdenis van geloof aan Jezus, maar een gehoorzaam handelen. Hoe is deze onmiddellijke correspondentie van roep en gehoorzamen mogelijk? Die is in hoge mate een ergernis voor het natuurlijk verstand; dat moet zich beijveren deze harde opeenvolging te scheiden, er moet iets tussenkomen, er moet iets verklaard worden. Er moet in ieder geval een verbindingsschakel gevonden worden, een psychologische, een historische. Men stelt de dwaze vraag of de tollenaar Jezus niet al vroeger gekend heeft en daarom bereid is geweest zijn roepstem te volgen. Maar juist daarover zwijgt de tekst hardnekkig; er is hem juist alles gelegen aan de volkomen directe correspondentie van oproep en daad. Psychologische motiveringen voor de vrome beslissingen van een mens interesseren hem niet. Waarom niet? Omdat er maar één geldige motivering bestaat voor deze correspondentie van oproep en daad: Jezus Christus zelf. Hij is het die roept. Daarom volgt de tollenaar. Deze ontmoeting geeft getuigenis van de onvoorwaardelijke, directe en onverklaarbare autoriteit van Jezus.

Niets gaat hieraan vooraf en er volgt niets anders dan
het gehoorzamen van de geroepene.

Dat Jezus de Christus is, geeft hem volmacht te roepen en op zijn woord gehoorzaamheid te verlangen. Jezus roept op tot navolging, niet als leraar en voorbeeld, maar als de Christus, de Zoon Gods. Zo wordt in deze korte tekst Jezus Christus en zijn aanspraak op de mens verkondigd, verder niets. Geen lof treft de discipel, (ook niet) zijn radicaal christendom. De blik mag niet op hem vallen, maar alleen op Hem die roept, op Zijn volmacht. Er is ook geen weg tot het geloof, tot de navolging gewezen, er is geen andere weg tot geloof dan gehoorzaamheid aan de roep van Jezus.

~~ ~

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderft, maar het eeuwige leven heeft.‘ (Johannes 3 : 16)

Gehoorzaam aannemen van het ons verkondigde Woord
dat onbedrieglijk is…

Citaat 3: Wie dit gelooft, wordt zalig. Want dit Geschenk is immers zo groot dat het dood, zonde en alle ongeluk wegneemt, zoals een druppeltje water verdwijnt als je het in een grote vuuroven laat vallen. Zo spoedig als de zondaar Christus aanraakt – en Christus door het geloof aangegrepen wordt – zijn de zonden weg en verdwenen, zoals een strohalmpje in een groot vuur verbrandt of een zandkorreltje verdwijnt in de diepte van de zee. Zo lief heeft God de wereld gehad…, zijn levende woorden die in goud geschreven staan. O God, geef toch dat wij ze ook echt met ons hart verstaan mogen! Want wie ze gehoord heeft, die zal door geen duivel, zonde of dood meer verschrikt worden, maar met een vast vertrouwen zeggen: ‘Ik ben onbevreesd, want ik heb de Zoon van God, Die God mij uit liefde geschonken heeft.

Dat moet waar zijn, want het staat in Gods Woord, in het heilig Evangelie. Uw Woord,
o Heere, en Uw Zoon Jezus zullen mij niet bedriegen.

Hierop wil ik steunen en vertrouwen. O God, als mijn geloof zwak is, geef mij genade, dat ik Uw Woord (nog) vaster geloven mag, want anders kan ik met dit grote Geschenk en deze grote Liefde niets doen.’

(Wordt vervolgd)

Vervolg:  ‘De eenvoud van onze roeping…(slot)’ – Over de roeping van Zacheüs en die van de rijke jongeling.

Bron citaat 1: Nachträge zu den Predigten des Jahres 1534, vgl. WA 41, 759, 24 – 760, 12 – Maarten Luther  (Meditatie checkluther-com*)
Bron citaat 2: Hoofdstuk ‘De oproep tot navolging’ in het boek ‘Navolging’ van Dietrich Bonhoeffer.
Bron citaat 3: Predigten des Jahres 1535, vgl. WA 41, 299, 24-31 – Maarten Luther – (Meditatie checkluther-com**)

* zaterdag 7 en zondag  8 maart,  ** vrijdag 6 maart 2020 – Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek bij de Bijbel (uitg. Den Hertog, Houten)

Bron afbeelding:  Zazzle-co-nz

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Een reactie plaatsen