‘Rituelen die het heil bemiddelen, werden verdacht’…

Er kwamen een paar mannen met een verlamde op een draagbed, die ze naar binnen wilden brengen om hem voor Jezus neer te leggen. Maar ze zagen geen kans om door de mensenmassa heen te komen, en dus gingen ze het dak op en lieten hem op het bed door een opening in het tegeldak naar beneden zakken tot vlak voor Jezus. Toen Hij hún geloof zag – van de vier vrienden of toch ook van de verlamde? (1) – zei Hij tegen de verlamde: “Jouw zonden zijn je vergeven.”‘ (Uit Lukas 5 uit de verzen 1-26 : 18-20, het verhaal is ook te lezen in Marcus 2 : 1-12)

Geciteerd 1: Genezing is volgens haar (Miranda Klaver*) een teken, een glimp van Gods koninkrijk dat nog moet komen. Geen gesloten systeem van oorzaak en gevolg. Denk vooral niet: ik bid, dus genees ik, en als ik niet genees, ligt dat aan mij. Dan had ik misschien te weinig geloof, een onbeleden zonde … Dat leidt tot een tragisch godsbeeld, zegt Klaver. (…) Naar een gebedsgenezer zou Klaver zelf nooit gaan, denkt ze. Met ziekenzalving heeft ze geen moeite. Ze vertelt over een vrouw die voor een zwaar medisch traject stond, en zei: ‘Ik geloof niet dat ik genezen word, daar heb ik het geloof niet voor. Maar bid voor mij, nu ik het zelf niet kan.’
* Godsdienstsocioloog aan de VU en kenner van de evangelische wereld.

Geciteerd 2: Op Witte donderdag had Luther in een preek over de juiste voorbereiding op het Avondmaal een grondprincipe uitgesproken dat veel aandacht kreeg: ‘Zoveel zul je ontvangen als je gelooft te ontvangen… Het geloof alleen is de beste en enige voorwaarde, omdat het niet op onze krachten of werken (of rituelen) bouwt, maar op het absoluut zuivere en bestendige woord van Christus: ‘Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijn. (…) Luther heeft niet alleen voor Zwingli in Zürich, maar voor zijn hele tijdperk de religieuze grondvragen geformuleerd en ook beantwoord. Het geloof bevrijdt van de ondraaglijke last die bestaat uit dwang van binnen en van buiten. (2)
Luther laat op zijn ‘geloofsprincipe’ in zijn preek nog een voor velen van ons vreemde zin volgen, die – als gevolg van de betekenis van de eerste zin – nauwelijks aandacht heeft gekregen. Wanneer het geloof u/jou ontbreekt, grijp dan het laatste reddingsanker (of laat het je in de handen duwen – AJ). Laat je als dopeling, als een kind (dat zichzelf niet redden kan, als een verlamde) naar de kerk dragen en spreek dan zonder (of nog met – AJ) angst tot Christus onze Heer: ‘Ik ben onwaardig, ik verlaat me echter op het geloof van de kerk – of (beter: AJ) op het geloof van mijn broeders en zusters. Hoe het ook met mij gesteld is, o Heer, ik moet gehoorzaam zijn aan Uw kerk (gemeente), die mij – op grond van Uw Woord (AJ) – gebied ter communie te gaan (geen dopeling kan/mag zichzelf uitsluiten, dat komt hem of haar en ook zijn broeders en zusters niet toe!). Als het zo moet, dan betuig ik op deze manier (toch) mijn gehoorzaamheid. En dan, zo vervolgt Luther, besef en geloof dan vast en zeker dat je niet onwaardig naar het Avondmaal gaat. Christus zal jou de gehoorzaamheid die je aan de kerk (in de gemeente) bewezen hebt, toerekenen als geloofsgehoorzaamheid. Het geloof van de kerk – Christus’ gemeente, waar je ook een lidmaat van bent – zal jou volwassene, net zo min in de steek laten ‘als het kleine kind (of medevolwassene) dat op geloof van een ander (ouders of huisgenoot) gedoopt en gered wordt.’
Dit ‘vreemde geloof’, dat is de stevige brug tussen de kinderdoop (en huisgenotendoop) en de aanwezigheid van Christus in brood en wijn. De sacramenten zijn alleen in het geloof heilzaam en nuttig, ze zijn echter ook zonder geloof waar.
Dit ‘vreemde geloof’ scheidt Luther niet alleen van Zwingli en zijn aanhangers, maar ook van zijn eigen erfgenamen. Het moderne Protestantisme legt wel de nadruk op het geloof als de vervulling van de eigen persoonlijkheid, maar de gedachte aan het ‘vreemde geloof’ buiten de persoon om ligt in deze tijd allesbehalve voor de hand.

Geciteerd slot: De winst van de (toenmalige) Avondmaalsstrijd (1-3 oktober 1529 in Marburg) mag niet veronachtzaamd worden. Het geloof in Gods Woord is onontbeerlijk. Het doorbreekt echter de geestelijke-psychologische beperking tot de innerlijkheid van het vrome genot. De betekenis van deze ontgrenzing is nu juist dat de duivel, kenner van de ziel en vijand van het lichaam (!), tegengesproken wordt. Hij kan de psyche binnendringen en haar totaal beheersen en ook de gelovige Christen zo in zichzelf laten kromgroeien en in de analyse van zichzelf misvormen dat hij twijfelt aan (een genadig) God en aan de wereld. Een ding kan de boze echter niet: Hij kan niet aanwezig zijn in het vlees. De oproep van de instellingswoorden van het Avondmaal trekt de mens uit het vangnet van de zelfanalyse.

(1) Het is heel goed mogelijk dat de verlamde er ‘weinig heil’ in zag en tegensputterde, doe maar geen moeite voor mij (en dat later nog weer toen hij van de mensenmenigte voor dat huis hoorde en zelf ook zag, maar dat het geloof en het aandringen van z’n vrienden uiteindelijk de doorslag gaf en hij zich toch tot voor Jezus liet dragen.
(2) Denk aan de woorden verlossende woorden van onze Heer tot de verlamde en de verontwaardiging van de Schriftgeleerden en Farizeeën.

Opgemerkt: Bovenstaande Bijbelgedeelte citaten (2 en slot) zijn wel heel toepasselijk op de geloofsstrijd die ik heb moeten voeren en de hulp die nodig was om mij los te maken uit het ‘vangnet van de zelfanalyse’. Stel je nu eens voor, dat de vrienden van de verlamde, wat later na die woorden van Jezus en na zijn genezing niet blij en dankbaar meer waren samen met hem – ondenkbaar toch?! Of toch niet?** Maar dat is mij wel overkomen!
** Mogelijk werden ze even later jaloers op de gezonde en sterke benen die de verlamde nu weer had (terwijl aan de benen van hen nog wel wat mankeerden, pijnlijke spataders oid) en hij had toch maar persoonlijk uit de mond van Jezus vergeving van zonden ontvangen, terwijl hij toch wel wat op z’n kerfstok had. Eigenlijk best onverdiend en zelfs onverdraaglijk achteraf bezien…

Zie ook: ‘Recht doen aan Gods Woord én aan de geschiedenis van de kerk…

Bron citaat 1: ND Geloof -‘Zijn christenen werkelijk eeuwenlang gebedsgenezing vergeten? ‘Zoek God niet alleen in het spectaculaire’’ – door Dick Schinkelshoek.
Bron citaat 2 en slot: ‘Luther – mens tussen God en duivel – Heiko A. Oberman (1930-2001, hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en in Tucson (VS)).

Daarom zeg ik je: “haar zonden zijn haar vergeven, al waren het er vele, want ze heeft veel liefde betoond; maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde.” Toen zei Hij tegen haar: “Jouw zonden zijn je vergeven.” Zijn tafelgenoten dachten bij zichzelf: Wie is Hij dat Hij zelfs zonden vergeeft? Hij zei tegen de vrouw: ‘Jouw geloof heeft je gered; ga in vrede“.’ (uit Lukas 7 uit de verzen 36-50 : 47-50)

Bron afbeelding: Facebook

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Recht doen aan Gods Woord én aan de geschiedenis van de kerk…

Broeders en zusters, ik smeek jullie, wees zoals ik, want ik ben zoals jullie. Jullie hebben mij nooit enig kwaad gedaan (of een kwaad hart toegedragen). Herinneren jullie je niet de eerste keer dat ik jullie het Evangelie heb verkondigd? Ik kwam bij jullie toen ik ziek was, en alhoewel mijn ziekte jullie er alle aanleiding toe gaf, hebben jullie mij toch niet veracht of verstoten. Jullie hebben mij in jullie midden opgenomen als een engel van God, als Christus Jezus Zelf. Toen prezen jullie je nog gelukkig (vanwege jullie redding). Wat is daar nog van over? Ik kan van jullie getuigen dat jullie zelfs jullie eigen ogen zouden hebben uitgerukt om ze mij te geven. Ben ik dan ineens jullie vijand geworden, omdat ik jullie de waarheid zeg?‘ (Uit Galaten 4 uit de verzen 12-20 : 12-16)

Geciteerd 1: In de Vroege Kerk was gebed voor de zieken zelfs een kerntaak. Ziekte hoorde bij de kwade machten, die Christus had overwonnen. In de middeleeuwen verschoof – met het laatste sacrament – de nadruk van genezing naar voorbereiding op de dood.

De Reformatie nam daar afstand van. Rituelen die het heil bemiddelen, werden verdacht: het moest om het Woord draaien. Ook raakte lichamelijke genezing steeds verder op de achtergrond: het ging om de ziel.

Zonde, schuld en vergeving kwamen centraal te staan.

Opgemerkt: Misschien zijn bovenstaande woorden over ‘De Reformatie’ waar voor de ontwikkelingen binnen de kerken van de ‘nadere reformatie’, maar ze zijn zeker niet waar voor de ‘Luther reformatie’, die ons weer terugbracht bij het luisteren naar heel Gods Woord in de samenkomsten van de gemeente en daarmee kwam ook het gewone concrete lichamelijke mensenleven (w.o. onze seksualiteit) weer in beeld als gave van God waarvan wij goede beheerders dienen te zijn.

Geciteerd 2: Voor Luther is vergeestelijking, het streven naar het ‘hogere’, juist het ‘on-wezen’ van het Christendom. De rechtvaardige vergeestelijkt zich niet in het geloof, maar lééft uit het geloof., en dit leven (en daarmee ook de seksuele lusten en seksuele aantrekkingskracht) is door God geschapen en bedoeld. Om de eerste regel van de geloofsbelijdenis te kunnen funderen is de ervaring van een mensenleven noodzakelijk: ‘Wat bedoel je’, vraagt hij in de Grote Catechismus, met het woord ‘Ik geloof in God de Vader, Almachtige, Schepper…?’ Antwoord: ‘Dat bedoel en geloof ik dat ik schepsel van God ben, dat betekent dat Hij mij gegeven heeft en onophoudelijk onderhoudt lichaam, ziel en leven, ledematen klein en groot, alle zinnen (!), inzicht en verstand…’
Ook deze ondubbelzinnige belijdenis ontkwam (helaas!) niet aan toespitsing op inzicht en verstand. Het zinnelijke werd samen met de zinnen als onbelangrijk weggestreept. De adel van de mens is hoog verheven boven de nederige schepping van God – boven eten, drinken, kleding, voedsel, vrouw en kind. Niet alleen de nieuwe leek, maar ook de door de cultuur gevormde burger van de Verlichting ontpopte zich als de oude monnik. In die monnik ziet Luther de duivel aan het werk. ‘Wie zich schaamt voor huwelijk en seksualiteit, schaamt zich er ook voor dat hij/zij mens is, dat was Luthers afscheid van de gewoonte om lichaam, zinnen en zinnelijkheid in een kwaad daglicht te stellen.
(…) Men behoeft zich slechts te houden aan het geschrift van Luther ‘Wider den falsch genannten geistlichen Stand’ (1522) om te kunnen vaststellen dat de Reformator zich er niet voor schaamt om ondubbelzinnig over de gezonde oerkracht van de lust te spreken.
(…) Wat tegenwoordig als ‘traditionele rolverdeling’ overgeleverd en gekritiseerd wordt, is eerder afkomstig uit de Middeleeuwen en heeft zich ondanks Luther nog lang kunnen handhaven in grote delen van Europa. Hij beschouwde het niet als onmanlijk wanneer een vader de luiers wast en een bed opmaakt. Dan spotten de mensen wel, maar God lacht (vriendelijk, vrolijk) samen met alle engelen en creaturen’. En omgekeerd vertrouwt hij aan zijn vrouw met een gerust hart het beheer van de financiën en het bezit toe. Zelfs wanneer mannen kinderen konden baren dan nog zou de wereld zonder vrouwen ten ondergaan, want zij weten heel goed ‘te bewaren en te sparen’ – en daarop berusten politiek en staat!

‘Rituelen die het heil bemiddelen, werden verdacht’…

Geciteerd: God heeft de doop ingesteld en bevolen – daaruit alleen al kan afgeleid worden, dat het geen ‘lichtvaardige zaak’ is, ‘zoals het aantrekken van een nieuwe rode jas’. Gods eigen werk wordt voltrokken door de hand van de mens, want er wordt gedoopt in de naam van God, in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest. Op dat moment wordt een onuitsprekelijke schat ontvangen, namelijk de verlsosing van zonden, dood en duivel’. (…) God geeft houvast door datgene wat lijflijk is en door de zintuigen waargenomen kan worden. (…) De ‘onnozele’ natuur (of het rationele verstand) kan (wil) het niet begrijpen. Enkel en alleen dankzij de doop kan zij de aanvechting en het verstand tegenspreken: Ik zal zalig worden aan lichaam en ziel. (…) Nauw verbonden met de doop is de boete. Zij is daarom geen afzonderlijk sacrament, ze bewerkt geen herstel van de verloren genade van de doop, maar ze is terugkeer tot de doop en toewending naar het begin dat God gemaakt heeft! (…) De kinderdoop is het rijke sacrament voor lege handen. Niet pas aan het sterfbed geldt het woord: ‘Wij zijn bedelaars, dat is waar‘. Het leven begint ermee.

Zie ook deze blog: ‘Rituelen die het heil bemiddelen, werden verdacht…

Bron citaat 1: ND Geloof -‘Zijn christenen werkelijk eeuwenlang gebedsgenezing vergeten? ‘Zoek God niet alleen in het spectaculaire’’ – door Dick Schinkelshoek.
Bron citaat 2-3: ‘Luther – mens tussen God en duivel – Heiko A. Oberman (1930-2001, hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en in Tucson (VS)).

‘Wees de Rots waarop ik kan wonen,
waar ik altijd weer heen kan gaan.
U hebt mijn redding bevolen,
mijn Rots en mijn Burcht, dat ben U.
(…)
U bent mijn enige hoop,
HEER, mijn God,
van jongs af vertrouw ik op U.
Al vanaf mijn geboorte steun ik op U,
al in de moederschoot was U het die mij droeg,
U wil ik altijd loven.’
(Uit Psalm 71 uit de verzen 1-8 : 3 en 5-6)

Bron afbeelding: Bible Verse Wall Art.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wie heeft het voor het zeggen in ons (levens/kerkelijk) huis?

Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren; en Mijn Vader zal hem/haar liefhebben, en Wij zullen tot hem/haar komen en zullen woning bij hem/haar maken.’ (Uit Johannes 14 uit de verzen 18-26 : 23*)
* Zie hierbij ook Openbaring 3 de verzen 14-23 en dan m.n. vers 20.

Geciteerd: Er zijn twee zaken die de christenen van God ontvangen, zoals Paulus ze ook afzonderlijk noemt ‘genade en gave’ (vgl. Romeinen 5 : 15).
Genade vergeeft de zonde, maakt troost en vrede in het geweten en zet de mensen over in het ‘Rijk van Gods genade en waarheid’, zoals het Genaderijk genoemd wordt in de psalm: ‘Zijn genade en waarheid regeren machtig over ons tot in eeuwigheid’ (vgl. Psalm 117).
De gave echter, of het geschenk, is dat de Heilige Geest in de mens nieuwe gedachten, een nieuwe zin, troost, kracht, ja een volkomen nieuw hart en een nieuw leven geeft. Dat bedoelt Hij nu in de tekst, waar Hij zegt: ‘Wij zullen woning bij hem/haar maken.’ (1a)
Dit moet (!) volgen op de genade en de liefde van God, dat het hart van de mens nu een troon en stoel van de hoge Majesteit wordt, hoger en beter (2) dan de (door de zonde en de boze aangetaste) aarde/wereld/mensdom, zoals Paulus zegt: ‘De tempel van God is heilig, en jullie zijn (zelf) die tempel’ (vgl. 1 Korintiërs 3 : 17). En: ‘Jullie (als gemeente) zijn de tempel van de levende God, zoals God zegt: Ik zal in hen wonen en in hen wandelen’ (vgl. 2 Korintiërs 6 : 16). (1b)

(1a) Bedenk hierbij dat gezegd wordt dat man en vrouw door het huwelijk tot ‘één vlees/lichaam’ (onafscheidelijk, niet meer te scheiden geheel) geworden zijn volgens Gods Woord – zie o.a. Matteüs 19 : 4-6.
(1b) Bedenk hierbij dat we als gemeente ook één lichaam vormen (met Christus als ons Hoofd) en daarmee een onverbrekelijke eenheid. Door onze Doop werden we ‘ingelijfd’ en aan het Avondmaal mogen we die gezamenlijke gemeenschap met/aan het lichaam van Christus met elkaar (oud én jong) vieren en verkondigen wij daar de dood van onze Heer – aan elkaar, dat die – Zijn kruisdood – voor ons allen, ook voor mij, nodig was/is – totdat Hij komt.
(2) Bedenk wel dat wij dat ‘hoger en beter’ hier en nu ontvangen en ‘uitdragen’ (verkondigen) in de ‘vernederde gestalte’ van onze Heer, zoals (bijvoorbeeld) Petrus dat beschrijft in 1 Petrus 2 : 20-25 en Paulus in 2 Korintiërs 6 : 4-13.

Leestip: Efeziërs 4 : 25-32 en 5 : 13-20.

Bron citaat: ‘Vrees niet, geloof alleen’ – Meditatie van 7 augustus – Den Hertog uitgeverij (2019)

Maak (daarom, vanwege die eenheid) Gods Heilige Geest niet bedroefd, want Hij is het stempel waarmee jullie (door de Doop) gemerkt zijn voor de dag van de verlossing. Laat (daarom) alle wrok en drift en boosheid varen, alle geschreeuw (gescheld) en gevloek en alle kwaadaardigheid (jegens elkaar). Wees goed voor elkaar en vol medeleven; vergeef elkaar zoals God jullie in Christus vergeven heeft.’ (Uit Efeziërs 4 de verzen 25-32 : 30-32)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Het ‘(dienst)werk van het Godsvolk’ gesproken…

‘Sommigen doen het weliswaar uit afgunst en rivaliteit (1), maar anderen verkondigen Christus vanuit en met goede motieven en bedoelingen.’ (…) ‘Maar wat doet het er eigenlijk toe – die verachting en benadeling van mijn persoon -, dat Christus – ook door hen – verkondigd wordt dáár verheug ik me over.’ (Uit Filippenzen uit de verzen 12-21 : 15 en 18)

Jullie die zo verstandig zijn, verdragen dwazen* (onder jullie voorgangers en ‘geestelijke leiders’) toch met het grootste gemak [=zonder verzet (2)]. Tenslotte verdragen jullie het ook dat jullie worden getiranniseerd: namelijk doordat jullie toestaan dat men jullie (financieel) uitzuigt, onderwerpt (met geestelijke redeneringen en jullie leren vragen/verlangen ‘om/naar meer’ dan wat jullie ‘om niet’ geschonken is en wordt), zich – geestelijk! (3) – boven jullie verheft en (daarmee) beledigt.’ (Uit 2 Korintiërs 11 uit de verzen 16-21 : 19-20)

* Dwazen zijn in Gods Woord mensen die meer met mensen en hun oordeel en veroordeling rekening houden dan met God, Die toch alle mensenharten kent en doorgrondt (o.a. Psalm 19 : 13-15 en Psalm 139 : 1-6 en 23-24)

Geciteerd: Paulus schrijft aan de leden van Christus’ gemeente in Filippi waar hij blij van wordt: dat het Evangelie voortgang (en ingang) vindt. Hij heeft daar wel bedenkingen bij; sommigen laten blijken dat ze Paulus niet (meer) hoeven. Zijn ze jaloers op wat hij heeft mogen bereiken? Zien ze hem – vanwege hun eerzucht en geldingsdrang – als een concurrent? Paulus staat daarboven – Nee! Paulus kent zichzelf en weet van de hoogmoed en geldingsdrang bij zichzelf! (4) – en daarom kan hij het opbrengen – Nee! Paulus leeft in ootmoed door de kracht van de Heilige Geest – en (Bijbels) nuchter vaststellen dat de Blijde Boodschap ondanks allerlei menselijke ‘ruis’ de wereld in gaat. Dat stemt hem tot dankbaarheid en blijdschap. Hij concentreert zich – door Gods genade – op Jezus Christus en zoekt niet zichzelf.
De zondagse eredienst (5) is voor ons een kans om Paulus’ verwondering te delen met elkaar (6). Liturgie betekent letterlijk: werk van het volk (7). Maak er (dáár???) werk van en bid voor jouw voorganger.

(1) Of ook vanwege financieel gewin, waarvoor ik hen en jullie gewaarschuwd heb en dat ook zal blijven doen (zie o.a. 2 Korintiërs 2 : 17 en Galaten 4 : 17).
(2) Onze Heer en later de apostelen hebben zich tegen het leiderschap in het Israël van hun dagen in Jeruzalem (m.n. de Farizeeën en Schriftgeleerden en hoge priesters, in Jeruzalem verenigd in het Sanhedrin) verzet en we weten wel wat hen dit gekost heeft.
(3) We horen in de vier evangeliën en in het boek Handelingen genoeg over dat geestelijk zich verheffen boven medegelovigen. Zie/lees ook het vandaag (maandag 3 augustus 2026) toegezonden Luthercitaat met woorden n.a.v. de biddende Farizeeër en tollenaar.
(4) Die geldingsdrang en dat je boven een ander verheffen dat moest ook bij hem nog beteugeld worden: lees het na in 2 Korintiërs 12 : 6-10.
(5) Laten we de zondag maar zien en benoemen als ‘Góds dienst aan ons’ (dus daar juist niet: ‘de godsdienst aan óns’), want juist dáár wil Hij aan ons werken door Woord en Geest en het gezamenlijk gebed dat ten bate van iedereen en voor ieder te horen wordt uitgesproken door een voorganger of oudste. En laat ook een voorganger/oudste het gebedsonderwijs van onze Heer daarbij ter harte nemen (zie o.a. Matteüs 6 : 7-8 vv, Lukas 7 : 1-13) en dat van Paulus (zie m.n. 1 Timoteüs 2 : 1-8).
(6) Laten we ons idd verwonderen wanneer het Evangelie ons onderwezen wordt in de zondagse samenkomst, waar wij toch eerst en vooral samenkomen om samen te luisteren naar wat de Geest – niet onze (ingehuurde) voorgangers en/of organisatoren – tot de gemeente waartoe wij behoren (dooplid van zijn) te zeggen heeft. En wel om ons te laten toerusten tot het christelijk samenleven als gemeente in de dagelijkse praktijk (dus direct na de zondagse ‘eredienst’ op zondag en verder alle dagen in ‘de rest’ van de week) en dus als toerusting die nodig is voor het vervullen van onze ‘ware eredienst’ (zie respectievelijk 1 Korintiërs 12 en Romeinen 12).

Bron citaat (bewerkt!): Dag in dag uit 2026 – Meditatie van maandag 3 augustus – Leger des heils | Ark Media

Hij (!) heeft ons geschikt gemaakt (!) om het Nieuwe Verbond te dienen: niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van Zijn Geest. Want de letter doodt (de wet brengt ons het leven niet, maar veroordeelt!), maar de Geest maak levend.’ (Uit 2 Korintiërs 3 uit de verzen 1-6 : 6)

Bron afbeelding: BiblePortal

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Met de genegenheid van Christus’…

‘Ik bid dat jullie liefde steeds meer aan inzicht en fijnzinnigheid zal winnen.
(Uit Filippenzen 1 uit de verzen 7-11 : 9)

Geciteerd: Aandacht voor iemand die gevangen zit (of verbannen is) kan nadelig en zelfs gevaarlijk zijn wanneer je door de overheid – of van ‘hogerhand’ in een kerkelijke gemeente bijv. (1) – in de gaten wordt gehouden en desnoods vervolgt. De gemeente in Filippi en Paulus onder vinden het aan den lijve. Gelukkig brengt dat geen verwijdering tussen hen. Integendeel de band wordt juist sterker (anders dan in Korinthe en Galatië, lees zijn brieven aan die gemeenten!). Paulus verlangt naar hen met ‘de genegenheid van Christus’ – en bij hem was het t.a.v. de gemeente in Korinthe en Galatië trouwens niet anders (2).
Wij moesten die uitdrukking (en de praktijk ervan!) maar overnemen, temeer omdat die genegenheid ook voorbede inhoudt. Laten wij voor en met elkaar bidden dat onze liefde (!) zal winnen aan inzicht en fijngevoeligheid. (3)

(1) Paulus liet zich door zulke mensen niet intimideren blijkt (o.a.) wel uit zijn woorden in Galaten 2 : 1-14.
(2) Dat blijkt wel (o.m.) uit zijn woorden in 2 Korintiërs 6 : 11-13 en Galaten 4 : 12-20.
(3) Ook het op de ‘juiste manier’ voor elkaar bidden vraagt om ‘de genegenheid van Christus‘ en om inzicht en fijngevoeligheid. Om dat laatste bidden (voor jezelf) is meer nodig, dan vooral om ‘bekering’ van de ander te bidden. Met het eenvoudige maar diepe ‘Onze Vader’ gebed, bidden wij om ons dagelijks Brood, dat is de liefde en de wijsheid én de vergevingsgezindheid van onze Heer Jezus Christus door de kracht van de Heilige Geest – Lees hierbij 1 KorintIërs 4 : 19-21 en lees voor ‘stok’ (vers 21) maar ‘Herdersstaf’, de vermanende (!) woorden van het Evangelie!

Bron citaat: Dag in dag uit 2025 (!) – Meditatie van 2 augustus – Leger des Heils | Ark Media

Dan zullen jullie op de dag van Christus zuiver en onberispelijk zijn, vol van de vruchten van de gerechtigheid, die jullie danken aan Jezus Christus (4), tot lof en eer van God.’ (Uit Filippenzen 1 : 7-11 : 10b-11)

(4) Dus niet aan de woorden van de apostel, niet aan de inzet van voorgangers of alles wat maar georganiseerd kan worden om ons tot geloven en daden (vruchten!) van het geloof te brengen, maar aan onze levende Heer Jezus Christus, die één is met de Vader en de Heilige Geest en dus ook onze almachtige God is.

Bron afbeelding: Bible Inspirations

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Christelijk geloven en Christelijk Avondmaal vieren…

Dit is het Brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan zal eten en niet sterven.’ (Uit Johannes 6 uit de verzen 25-51 : 50)

Geciteerd 1: Als wij dit Brood eten, doen wij de wil van onze hemelse Vader, die geen andere is, dan dat wij in de Zoon geloven. Christus zegt Zelf in dit Evangelie: “Dit is de wil van Hem, Die Mij gezonden heeft, dat wie de Zoon ziet en in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft (vgl. Johannes 6 : 40). Dus het is duidelijk, wie in dit Hemelbrood gelooft, in deze Christus, in dit vlees en bloed, waarvan Hij hier spreekt, die neemt Hij ook als de Zijne aan. Die mens heeft reeds de wil van God gedaan, en heeft van dit hemelbrood gegeten. Over dit geestelijk Avondmaal van het geloof spreekt het hele Nieuwe Testament en bijzonder hier in het Evangelie van Johannes.
Wanneer wij deze woorden van Christus goed ter harte zouden nemen, zouden zij ons tot troost en vreugde zijn. Je ontvangt deze troost en vreugde alleen als je dit Brood, dat uit de hemel gekomen is, de Heere Christus, door het geloof eet, namelijk als je gelooft dat Hij onze Verlosser en Zaligmaker is. Daarom wil ik jullie hierbij vragen en tegelijk waarschuwen, dat we dit woord niet zullen toepassen op het Avondmaal, want wie het op die manier uitlegt, doet het Evangelie geweld aan. Er is in dit Evangelie geen letter die het Avondmaal bedoelt. Waarom zou toch Christus hier aan het Avondmaal denken, terwijl het nog niet was ingesteld. Op die manier spreekt ook het hele hoofdstuk, waaruit dit Evangelie genomen is, over niets anders dan over het geestelijk eten van het Brood, namelijk over het geloof.

Dus altijd wanneer jullie dit brood eten en uit de beker drinken, verkondigen jullie de dood van de Heer, totdat Hij komt.’ (Uit 1 Korintiërs 11 uit de verzen 17-34 : 26)

Geciteerd 2: Over het geestelijk Avondmaal van het geloof (zie eerste citaat) spreekt het hele Nieuwe Testament en bijzonder hier in het Evangelie van Johannes. Het zichtbare en tastbare Avondmaal [dat we vieren in de samenkomsten van de/een gemeente] is een testament en een verzekering [of bevestiging] van dit ware Avondmaal, waarmee wij ons geloof – in gemeenschap met onze Heer en met elkaar, het is een ‘Lichaamsmaaltijd’, een maaltijd ten bate van het hele Lichaam, de gedoopte gemeente, waar ook wij gelovig dooplid van zijn, dus een concrete lokale gemeente (AJ) – zullen versterken en ervan verzekerd zullen zijn dat dit lichaam en bloed, dat wij in het sacrament ontvangen, ons [door doop en geloof, Romeinen 6] van zonde, dood, duivel en alle ongeluk heeft gered.

Alleen, jullie komen niet samen om de maaltijd van de Heer te vieren. Van wat jullie hebben meegebracht eten jullie alleen zelf – samen met ‘partijgenoten’ (zie vers 18-19!) – zodat de een niets te eten (en drinken) heeft en misschien zelfs niet welkom is – terwijl een ander (al) dronken is. Hebben jullie dan geen eigen huis (of gelegenheden) waar jullie – met vrienden en kennissen uit eigen kring of ‘partij’ (1) – kunnen eten en drinken? Of verachten jullie de gemeente van God en willen jullie de armen onder jullie vernederen (1).’ (…) ‘Daarom maakt iemand die op onwaardige manier het Avondmaal viert en op onwaardige manier van het brood eet en uit de beker drinkt – namelijk niet in het besef het een ‘Lichaamsmaaltijd’ betreft -, zich schuldig tegenover het lichaam en bloed van de Heer.’ (…) ‘Daarom, broeders en zusters, weest gastvrij voor elkaar wanneer jullie samenkomen voor de maaltijd. Laat daarom (ook) iedereen zichzelf eerst toetsen voordat hij of zij van het brood eet en uit de beker drinkt, want wie eet of drinkt maar niet beseft dat het bij deze maaltijd om het lichaam van de Heer gaat, roept veroordeling af over zichzelf.’ (Uit 1 Korintiërs 11 uit de verzen 1-34 : 20-22 en 27)

(1) Lees hierbij ook 1 Korintiërs 12 : 12-27 en Jakobus 2 : 1-13!

Opgemerkt: Vanwege bovenstaande woorden en Schriftgedeelten waarnaar verwezen wordt, zal het ons toch duidelijk zijn dat het vieren van het Avondmaal thuishoort in een lokale gemeente, waar men elkaar kent en waar men met elkaar meeleeft en waar men elkaar – zo nodig – ook kan en wil vermanen en terechtwijzen (zie Kolossenzen 3 : 12-17 m.n. vers 16).

Bron citaten: ‘Vrees niet, geloof alleen’ – Uit meditaties van 29-31 juli – Samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Den Hertog uitgeverij (2019).

Bron afbeelding: Facebook

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Gaat het om ‘theologisch’ of om ‘Pastoraal’ geschoolde predikanten?

De Boodschap van het Evangelie is betrouwbaar (1) en verdient onze volledige instemming. Hiervoor zwoegen en strijden wij, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God (2), Die de Redder is van alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen.’ (Uit 1 Timoteüs 4 uit de verzen 8-16 : 9-10)

Geciteerd: De Gereformeerde Bond bepleit dat een predikant een academische vorming zal krijgen. Dat is in de gereformeerde kerken in ons land altijd de lijn geweest. Niet voor niets richtte de Reformatie overal universiteiten op. De argumentatie daarbij is dat kennis van de grondtalen van de Bijbel onmisbaar is voor een gedegen Bijbelse prediking. Daarnaast is academisch denkniveau vereist voor de hermeneutische, systematisch-theologische en filosofische vragen. Het academische niveau kenmerkt zich door een wetenschappelijke, analytische en kritische benadering. Het draait om het zelfstandig verwerven van complexe kennis, het doorgronden van theorieën en het blootleggen van de structuren erachter. Dit is ook nu essentieel binnen de complexiteit van kerk-zijn in een seculiere cultuur.

Bovenstaande stelt de Gereformeerde Bond vanuit bezorgdheid over de zeggingskracht van theologie en prediking in een complexe tijd.

Tegelijk ziet de GB dat de kerk verlangt om onder voorwaarden ook hbo-opgeleide predikant-pastores toe te laten tot het ambt. Dit verlangen is onder andere ingegeven vanwege een toenemend predikantentekort. Hun roeping, bevoegdheid en plaats in de kerk respecteert de GB ten volle. Wel blijft voor ons de academisch gevormde predikant de norm. Voor hbo-opgeleide predikanten zien wij verdere theologische vorming en voortgaande studie om een academisch gevormde predikant te worden als een noodzakelijk onderdeel van hun ambtsuitoefening.

Denk daarbij aan de vele broeders die in het verleden vanuit een niet-academische achtergrond werden geroepen, maar die zich vervolgens met grote inzet toelegden op verdere studie en zo uitgroeiden tot theologisch breed gevormde dienaren van het Woord.

We willen dan ook oproepen om in de consideraties aan te geven dat verdere scholing van hbo-geschoolde predikant-pastores geen optie is, maar een wezenlijke verplichting die uit de ernst van de bediening zelf voortvloeit. En in de opleiding is de GB bereid om mee te denken en verantwoordelijkheid te nemen bij de aanstelling van docenten.

(1) Lees hierbij ook Paulus’ woorden aan Titus in Titus 3 : 4-8.
(2) Zie Kolossenznen 1 : 12-23, Hebreeën 1 : 1-2 : en 4 : 12-13.

Opgemerkt 1: De eerste vraag die bij mij opkomt is: Zien we de Bijbel als een boek vol Pastoraat – voor de ‘eenvoudige(n)’, w.o. ook de voorgangers/predikanten zich mogen en dienen te rekenen – waarbij onze Goede Herder van elke voorganger (m/v) vraagt om daarmee ‘Zijn lammeren’ (Zijn kudde) te hoeden onder de altijd weer af te bidden leiding van de Heilige Geest of als een (moeilijk) boek vol theologie dat zo zuiver mogelijk aan de gemeente – waarvan hij/zij een dienaar is geworden (of van de kerk door/bij wie hij in dienst is genomen) – moet worden voorgehouden om ‘ongelukken’ te voorkomen. De eerste zienswijze vraagt van een (toekomstig) ambtsdrager eerst en vooral geloof (vertrouwen in God en Zijn Woord), de tweede eerst en vooral kennis (van o.a. de grondtalen). Welke opvatting door het optreden/onderwijs van onze Heer, zoals ons dat is doorgegeven in de vier evangeliën en ook in de brieven van de apostelen ons geleerd wordt, is voor mij geen vraag, maar een weet!

Opgemerkt 2: Toen wij – de latere NGK-gemeenten – in de jaren zestig ‘op straat gezet’ of ‘de deur gewezen’ waren, toen verkeerden wij in de unieke situatie van een (gereformeerde/reformatorische) kerkgemeenschap in Nederland zonder naam en zonder pretenties (en zonder groot getal). We hadden geen grote (vroegere of toentertijd huidige) ‘mannen van naam’ (een dr. Abraham Kuyper, een prof. Schilder, een prof. Kamphuis, maar ook geen Augustinus, Calvijn of Luther) waarop we ons konden of wilden beroepen of die we naar voren konden schuiven als de beste vertegenwoordigers van onze ‘eigen’ kerkgemeenschap. We waren niet meer dan een – in de ogen van mensen ‘armzalig – ‘overblijfsel’ na de vele kerkscheuringen in kerken van de reformatie cq de gereformeerde kerken in Nederland. De voorgangers van dit ‘overblijfsel’ hebben zich toen moeten bezinnen over hoe verder te gaan met elkaar als kerkgemeenschap (ook onder welke naam en met welke kerkorde) en hoe binnen dit ‘overblijfsel’ nog weer predikanten op te leiden. Het in 1976 opgerichte Nederlands Gereformeerd Seminarie heeft de taak van predikanten opleiden op zich willen nemen en zich daarover ook verantwoord binnen dat ‘overblijfsel’. Het beste is dat (m.i.) nog (weer eens) verwoord in een uitgave (getiteld ‘Om het profetische Woord’) vanwege het 25-jarig bestaan (in 2001) van dit seminarie en wel door mijn oom ds. J.C. Janse (1918-2003) in een bijdrage getiteld ‘Dingen die eerst gezegd moeten worden’. Wil (m.n.) de genoemde bijdrage van harte ter lezing en overdenking aanbevelen bij de bezinning die gaande is m.b.t. het opleiden en aanstellen (en verdere studieverplichtingen) van HBO-predikanten binnen de Gereformeerde Bond.

Opgemerkt slot: Het is in de eerste jaren van de door de inbreng van Maarten Luther in Duitsland in gang gezette reformatie van de RK toch eerder/meer het verlangen geweest om (juist ook) RK-pastores, die de reformatie toegedaan waren in hun parochies het (nieuw ontdekte) Evangelie te laten verkondigen, liever dan door hen te vervangen door (universitair) geschoolde predikanten, die opgeleid waren in de leer van de reformatie aan ‘door de Reformatie opgerichte universiteiten’.
Zie hierbij deze blog-serie: ‘Apostolische wijsheid en geduld versus dwepers en drijvers… (VII)‘.
NB. De link verwijst naar nummer VII van deze serie Lees ook de voorafgaande en nog volgende delen van deze blogserie voor een duidelijk(er) beeld van wat er speelde in die tijd.

> Lees hierbij ook nog deze blog met woorden van prof. dr. K.J. Popma: ‘Elke gelovige een exegeet bij de gratie Gods…’

Bron citaat: De Waarheidsvriend – ‘GB-advies aan kerkenraden: Doe mee aan consideraties rond hbo-predikant‘ – door Reinald Molenaar (hoofdredacteur).

Draag dit alles – wat je van mij gehoord hebt, maar ook al thuis je moeder en grootmoeder tot voorbeeld hebt gehad (3) – over in je onderricht. Sta niemand toe dat hij/zij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerziet, maar wees voor de gelovigen een voorbeeld in wat je zegt, in je levenswijze (4), in liefde, geloof en zuiverheid (5). In afwachting van mijn komst moet je je toeleggen op het voorlezen uit de Schrift (OT!), op de prediking en het onderricht.’ (Uit 1 Timoteüs 4 uit de verzen 11-16 : 11-13)

(3) Zie 2 Timoteüs 1 : 5.
(4) Zie 2 Korintiërs 1 : 12-14, 6 : 1-13 en 1 Tessalonicenzen 2 : 3-12.
(5) zuiverheid van motieven – zie bij (3) genoemde Schriftgedeelten).

Bron afbeelding: Bible teachings for young evangelists and pastors

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De van God gegeven middelen geannexeerd… (I)

Toen de ark van het Verbond met de HEER in het legerkamp kwam, barstten alle Israëlieten uit in luid gejuich, zodat de aarde ervan dreunde.’ (Uit Samuël 4 uit de verzen 1-22 : 5)

Geciteerd 1: In zijn boek Weapons of Worship gaat voormalig aanbiddingsleider Rick Pidcock in op de inhoud van de liederen. Hij karakteriseert die als een ‘viering van hiërarchie’: ‘Veel hedendaagse aanbiddingsmuziek gaat over dat Jezus de grootste is, de hoogste die boven iedereen uittorent. De taal zet Jezus neer met imperiale terminologie: de hoogste heerser, getroond boven alle andere machten. En vervolgens nodigt het aanbidders uit om zichzelf voor te stellen in dat koninkrijk.’
Bijna de hele top 25 in de aanbiddingsindustrie van de afgelopen vijftien jaar is geschreven, geproduceerd en grootgemaakt door megakerken en muzikanten die behoren tot of gelieerd zijn aan de New Apostolic Reformation (NAR), een christelijke, maar ook zeer politieke Amerikaanse stroming die gelooft dat zij door God zijn gekozen om over de wereld te heersen door alle invloedsferen van de samenleving te domineren.

Geciteerd 2: Tomlin maakt deel uit van een nauw verweven netwerk van christelijke aanbiddingsmuzikanten die constant samenwerken, samen optreden, vaak onder de vlag van Amerikaanse megakerken. Chris Tomlin is dan ook niet de enige christelijke muzikant die zich liet inlijven door MAGA. Al sinds Trumps eerste presidentstermijn worden christelijke muzikanten uitgenodigd in het Witte Huis en in de Oval Office. Inmiddels faciliteert minister van Oorlog Pete Hegseth maandelijks een worship en gebedsdienst in het Pentagon, waar christelijke aanbiddingsmuziek steevast onderdeel van is.

Geciteerd 3: Een (ongelovige) collega journalist luisterde het liefst naar ‘Our God is an Awesome God,’ een knaller van de Amerikaanse christelijke aanbiddingsmuzikant Michael W. Smith uit het jaar 2000. Ik (de schrijfster) had het als middelbare scholier grijsgedraaid op mijn slaapkamer. Voor mij was die muziek toen gekoppeld aan eerbied voor God, dus dat lijntje coke erbij zag ik niet een-twee-drie voor me.
Nu, vijftien jaar later, denk ik: natuurlijk gaan een lijntje coke en christelijke hits geweldig samen. Het geeft je het gevoel dat het machtigste wezen van het hele universum aan jouw kant staat. ‘Our God is an awesome God, he reigns from heaven above with wisdom, power, and love, our God is an awesome God.’ Denk daar een aanzwellend strijkorkest bij, met een veelkoppig achtergrondkoor en je kunt even geloven dat je de nieuwe Joris Luyendijk bent, ja.

Geciteerd slot: Ik herinner me nog het gevoel, toen ik in het Gelredome in 2007 als 18-jarige ‘Our God is an Awesome God’ stond te zingen met tienduizenden medegelovigen tijdens een liveconcert. Met Michael W. Smith op de vleugel, het orkest, dat achtergrondkoor, overal om mij heen handen in de lucht, wuivende lampjes, betraande wangen. Het was één emotioneel crescendo, het gevoel dat wij allemaal één waren en dat wij allemaal De Waarheid hadden gevonden. Alsof Gods aanwezigheid over ons heen lag als een deken. Het voelde veilig, liefdevol, machtig, verenigend. Gezegend door God zelf.

> Lees dit artikel als eye-opener in z’n geheel: ‘Christelijke powersongs uit mijn jeugd nu een politiek wapen geworden

Bron citaten: De Correspondent – ‘De christelijke powersongs uit mijn jeugd zijn een politiek wapen geworden’ – door Rinke Verkerk (Correspondent Omstanders)

Bij de afbeelding: Een videoboodschap van Donald Trump tijdens de Let Us Worship-bijeenkomst op de National Mall in Washington D.C., 11 september 2021. Het evenement werd georganiseerd door Sean Feucht, die als voormalig aanbiddingsleider bij Bethel Church nauw verbonden is met de NAR.

Bron afbeelding: Anna Moneymaker/Getty

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over ‘de kerk’ en haar/onze lichaamsgebreken…

Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze Redder, de Heer Jezus Christus. Met de kracht waarmee Hij in staat is alles aan Zich te onderwerpen, zal Hij ons armzalig lichaam gelijk maken aan Zijn verheerlijkt lichaam.’ (Uit Filippenzen 3 uit de verzen 12-21 : 20-21)

Geciteerd: in het scheppingsverhaal lezen we dat God de mens geformeerd heeft uit het stof van de aarde… en dat Hij de vrouw gebouwd heeft uit de rib, die Hij van Adam genomen had. Ook lezen wij, dat God zag al wat Hij gemaakt had, en zie het was zeer goed.
Wie nu in onze tijd zou beweren, dat als wij voor het aangezicht van onze God verschijnen (in gebeden of in de samenkomsten), ons lichaam eigenlijk bij God buiten beschouwing wordt gelaten, die laat een stuk schepping los. God zou dan niets meer van doen willen hebben met wat Hij toen heeft gemaakt en geprezen als zeer goed. God ziet – als wij voor Zijn aangezicht verschijnen – wel degelijk ons lichamelijk vóór Hem komen. Hij ziet ons lichamelijk aan de tafel van het Heilig Avondmaal. Hij ziet ons iedere zondag in de kerk zó als we daar lichamelijk aanwezig zijn.
Ook met het oog op onze lichamelijke gebreken en ellendigheden mogen wij wel zeggen: Als Hij met ons in het gericht wil treden (1) en vraagt , hoe wij aan de dood en verderfelijkheid onderworpen zijn geraakt (2), terwijl Hij ons toch zeer goed had gemaakt, dan is onze verzuchting: Wie zal bestaan voor Uw aangezicht. Wie is waardig om voor hem te verschijnen? (3) Wie zal voor Gods rechterstoel kunnen verschijnen zonder verschrikking? Niet één.
Christus heeft onze zonden in Zijn lichaam gedragen (1 Petrus 2 : 24). Petrus had zelf gezien, hoe de striemen van de geseling in het lichaam van de Heer werden geslagen. Hij had zelf voor ogen gezien wat de profeet Jesaja had voorzegd: ‘Door Zijn striemen is ons genezing geworden.’ In Zijn lichamelijk bestaan heeft Hij geleden (Kolossenzen 1 : 22). En dat gaat ook ons lichaam aan. Het is opdat ons vernederd lichaam, dat we nu hebben, met alle kwalen en gebreken veranderd zal worden en gelijkvormig zal gemaakt worden aan Zijn heerlijk lichaam (Filippenzen 3 : 21).
Als Hij dan tot ons zegt: Neem, eet, want dit is Mijn lichaam, dat voor jullie gebroken wordt – dan zullen wij dat aangrijpen in het geloof en dat eten met heel onze ziel [=heel ons menszijn, ons lichamelijk én geestelijk bestaan], opdat wij gevoed en gelaafd mogen worden door de Heilige Geest met Zijn hemels lichaam tot het eeuwige leven, dat wij ook naar het lichaam zullen ontvangen en beleven. Wij zullen daar nu reeds mee beginnen, in beginsel, in hoop… uitziende naar onze volkomen verlossing.
En God ziet nauwlettend toe, wat wij met onze ‘leden’, die leden zijn van Christus en tempels van de Heilige Geest, zullen doen en hoe wij ons, ook lichamelijk, voor hem gedragen als wij voor Hem verschijnen in de samenkomsten van de gemeente en elders.
Wie dit begrijpt, die zal ook geen moeite hebben met Gods rechten en inzettingen aan Israël, zoals we die lezen in Leviticus 21, waar de HEER wil geheiligd worden, ook in het lichaam van de priesters en waar Hij de gebrekkige uitsluit van de priesterdienst. Een blinde, een kreupele, een man die boven of onder de maat was, en mensen met dergelijke opvallende lichaamsgebreken, mochten die dienst niet waarnemen. Wel mochten zij met de priesters mee eten van het heilige en het wordt later als een bijzondere genade geprofeteerd, dat de heidenen en gebrekkigen, die de HEER aanroepen, ook mochten komen in de tempel voor de HEER en door Hem zullen worden aangenomen.
Men leze de ontroerende profetie van Jesaja 56 : 3-7. ‘De vreemdeling zeggen niet: “Ik ben van Gods volk gescheiden” en de ontmande zegge niet: “Ik ben een dorre boom.” Want als zij vasthouden aan Mijn Verbond, dan zal Ik hen een plaats geven in Mijn huis.’ Een betere plaats dan het afvallige Godsvolk dat er wel mocht komen… ‘en hun offers zullen Mij aangenaam wezen.’
Immers, de volkomen Priester – de naar het lichaam verheerlijkte Heere in de hemel is hun Borg, hun Advocaat. De priester-zonder-gebreken in de Oud-Testamentische tempel was maar een schaduw van Hem. In Hem ziet God ons, ook met onze lichamelijke gebreken, in Zijn huis, als hadden wij ze niet! Wat een troost voor allen, die de verzuchting kennen van de verlossing van het lichaam (Romeinen 8 : 23).

(1) Psalm 130, tweede vers, Oude Berijming.
(2) Zie Zondag 2 vraag en antwoord 7 en 8 waar (vroeger) bijna jaarlijks over gepreekt werd in de tweede dienst.
(3) Zie Openbaring 5.

Bron citaat: Boek ‘De kerk’ – door A. Janse – Drukkerij Hasekamp Schiedam 1953.

> Zie ook deze blog: ‘Over ‘de kerk’ in het Oude en Nieuwe Testament…

Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. En dat niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat wij kinderen van God zijn, de verlossing van ons sterfelijk bestaan. In deze hoop zijn wij gered.‘ (Uit Romeinen 8 uit de verzen 18-26 : 22-24a)

Bron afbeelding: GirlFriendsOfGod

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over ‘de kerk’ in het Oude én Nieuwe Testament…

‘Nee, ze keken reikhalzend uit naar een beter Vaderland: het hemelse …’
(Uit Hebreeën 11 uit de verzen 13-16 : 16a)

Geciteerd 1: Het woord ‘kerk’ komt in de Bijbel niet eens voor. Wel de ‘Gemeente’, het Lichaam van Christus. Toch vinden sommige kerkmensen dat Joden zich moeten bekeren tot de kerk. Denk ik, tot welke kerk?

Opgemerkt: Mijn grootvader schreef in zijn boek ‘De kerk’ (1953): ‘De kerk’ (van het OT) heeft altijd vreemd gestaan tegenover de mensen van deze wereld, tegenover de cultuurbouwers (!), die het erop toelegden om deze wereld te maken tot de enige en blijvende en uiteindelijk zegepralende wereld – terwijl de zonde en de ongerechtigheid tegen God werden gehandhaafd. De kinderen van Seth, die in de dagen van Enos als kerk tezamen kwamen, stonden vreemd tegenover Kaïns stad en Kaïns cultuur.
Henoch stond vreemd tegenover zijn afvallige tijdgenoten, die de kerk verlieten en de wereld liefhadden. De wereld haatte hem dan ook en God nam hem weg omdat zij hem wilden doden.
Noach bouwde door het geloof een ark. En niemand voegde zich bij hem. Hoe vreemd zal de ontwerper van dat reuzenschip, dat de kerk en alle levende ziel zou bewaren, hebben gestaan tegenover zijn scheepsbouwers en tegenover zijn hele geslacht.
En zo is het voortgegaan (in de ‘kerkgeschiedenis’ van het OT).
God heeft dat vreemd zijn in de wereld nog versterkt door Abraham te doen wonen als vreemdeling in Kanaän. Daar was de kerk zeer bijzonder in vreemdelingschap.
Een man op jaren met een groot vermogen, maar kinderloos, zwervende als een vreemdeling in Kanaän, dát was het begin van een hele periode van de ‘kerk’-geschiedenis, waarin God grote wonderen van genade zou doen aan Zijn volk.
Door het geloof heeft Abraham in gehoorzaamheid de bevelen van de HEER opgevolgd. Hij bleef daar vreemdeling – want hij zocht een Vaderland, dat niet van deze wereld is – hij zocht het ‘Zaad van God’ – hij zocht het rijk van Christus – hij zocht de (eenzame) kerk van Christus, de schare die niemand tellen kan, hij zocht de vervulling (!) van de belofte van God – die historisch eerst zou brengen het volk Israël – en uit dat volk de Christus en in de Christus de kerk van het Nieuwe Testament – Hij zocht het Sion van alle eeuwen (Psalm 87), de kerk van Christus, het hemelse Jeruzalem, de Bruid van het Lam. Dát was het hemelse Kanaän, waarvan de belofte van het aardse Kanaän een schaduw (!) was.
Abram was vreemdeling, omdat hij bij die kerk thuis was. En zo zijn alle ware gelovigen vreemd in deze wereld, omdat zij levend lidmaat zijn van de kerk der eeuwen. Jullie zijn niet van de wereld, zei onze Heer tegen Zijn discipelen en dat geldt ook voor ons.
De kerk is vreemd, omdat het Nieuwe Jeruzalem van hemelse oorsprong is, omdat het neerdaalt van de hemel (zie ook Johannes 3 : 12-13 en 6 : 46-51) – en niet opkomt uit deze aarde.

Bron citaat 1: FB-bericht van Klaas Hoekstra.
Bron citaat 2: Boek ‘De kerk’ – door A. Janse – Drukkerij Hasekamp Schiedam 1953.

Zij allen zijn in het geloof gestorven; wat hun beloofd was zagen ze geen werkelijkheid worden, ze hebben slechts een glimp ervan begroet, en ze zeiden van zichzelf dat zij op aarde leefden als vreemdelingen en gasten. Door zo te spreken lieten ze blijken op doorreis te zijn naar een vaderland. En daarmee bedoelden ze niet het vaderland waaruit ze weggetrokken waren, anders waren ze daarheen wel teruggekeerd. Nee, ze keken reikhalzend uit naar een beter Vaderland: het hemelse. Daarom schaamt God Zich er niet voor hun God genoemd te worden en heeft Hij voor hen een stad gereedgemaakt.’ (Uit Hebreeën 11 de verzen 13-16)

Bron afbeelding: Verse of the Day

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie