De wapenrusting van de Kerk…

De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.
(Psalm 23 : 1)

Van dr. Maarten Luther (1536)
Op een avond na gebed aan de eettafel uiteengezet.

Psalm 23 (25)

U nodigt mij aan tafel voor het oog van de vijand, u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over
‘ (Psalm 23 vers 5)

Geciteerd: Hoe kan het dat de christenheid, die zo zwak is, toch bestand is tegen de listen en tirannie van de duivel en ook die van de wereld? De Heer is haar Herder; daarom ontbreekt het aan niets. Hij voedt en herstelt hen geestelijk en lichamelijk; Hij houdt hen op de goede weg; Hij geeft hen ook Zijn stok en Zijn staf als een zwaard. Dit zwaard wordt echter door hen niet met de hand gehanteerd, maar met de mond. Hiermee worden niet alleen de treurenden getroost, maar daarmee wordt ook de duivel en al zijn apostelen op de vlucht gejaagd, hoe sluw en doortrapt ze zich ook mogen gedragen en verdedigen.

Bovendien heeft de Heer voor hen een tafel of paaslam gereed gemaakt en bereid, en dat om hun vijanden volledig te vernietigen als ze hevig woeden, tegen haar knarsetanden, gek worden, krankzinnig, en razen en tieren, en al hún hulpmiddelen, vakmanschap, kracht en macht tegen hen inzetten. Toch kan de dierbare bruid van Christus aan de tafel van haar Heer gaan zitten, van het paaslam eten, van het frisse water drinken, gelukkig zijn en zingen: “De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.” Dit zijn de haar gegeven wapens, waarmee ze tot nu toe al haar vijanden heeft verslagen en overwonnen. 

Hiermee behoudt ze ook zeker de overwinning tot aan de dag van het oordeel. Hoe meer de duivel en de wereld haar treiteren, tiranniseren en martelen, hoe beter het haar vergaat. Ten bate van haar loutering en groei overkomt haar vervolging, lijden en sterven. Daarom heeft een van de oudvaders gezegd: “Het bloed van de martelaren is zaad.” Waar er één wordt geëxecuteerd, staan honderd anderen op. Van deze wonderbaarlijke overwinning zingen verschillende psalmen; bijvoorbeeld de negende, de tiende en er zijn er meer.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 51, S. 271 ev (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 12, p. 147 ev)

Opgemerkt AJ: De wapenrusting van de Kerk is dus niet haar (machtige) theologie (die kan zeker gemist worden!) of haar gemeenschappelijk en goed georganiseerd (missionaire of cultuur scheppende) streven en zelfs eenstemmigheid onder christenen mag er niet toe worden gerekend. De Kerk is aangewezen op het Woord en de Sacramenten en de eenvoudige trouwe voortgaande bediening daarvan onder de leiding van de heilige Geest, om Wiens leiding altijd weer nederig en eerbiedig gebeden wordt.

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Wel contact niet verbonden met elkaar?

Want hoewel ik lijfelijk niet aanwezig ben, ben ik in de geest wel bij u, en ik zie met vreugde hoe hecht u met elkaar verbonden bent en hoe onwrikbaar uw geloof in Christus is.‘ (Uit Kolossenzen 2 vers 5)

Geciteerd 1: En ineens had Acharya tijd om na te denken. ‘In de politieke omgeving van Washington geeft niemand zichzelf die ruimte’, vertelt hij in het boek. ‘Het draait om neurotisch op je telefoon kijken, je mail checken – het schaadt je vindingrijkheid.’

Geciteerd 2: In A World Without Email schrijft computerwetenschapper Cal Newport over de horror die e-mail is geworden – Acharya is een van de mensen die hij in het boek opvoert. Heb je een kantoorbaan, dan herken je vast het gevoel dat je de hele tijd verbonden moet zijn, via e-mail en telefoon maar ook via chatdiensten zoals Slack en WhatsApp. Veel levens zijn één grote inbox geworden.

Geciteerd 3: E-mail en andere online berichten, schrijft Newport, laten zien wat wij ten diepste zijn – namelijk: sociale wezens. De mens is succesvol als soort, omdat we het vermogen hebben verbinding te maken met elkaar en in grote groepen samen te werken.

Geciteerd 4: Daarom blijft er vaak iets knagen als je je inbox uitgespeeld hebt. Je was wel verbonden, maar had je ook contact?

Bron citaat: De Correspondent – ‘Weg met e-mail!’ – door Sanne Blauw (Correspondent Ontcijferen)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Calvinist ‘in hart en nieren’?

Want al hadt gij tienduizend leermeesters in Christus, zo hebt gij toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld.* (Uit 1 Korintiërs 4 vers 15)

Geciteerd 1: Ds. Baan (…) stelde dat hij zich „toch ook een rascalvinist voelt.” Volgens hem komen de zaken van heilsfeit en heilsvrucht voortdurend terug in de ”Institutie” van Calvijn. „Ik was blij de conclusie te kunnen trekken dat ik dat ook bij Luther, tot mijn grote verrassing, terugvond.”

Geciteerd 2: Prof. Selderhuis, die het gesprek leidde: „Uw antwoord dat u een rascalvinist bent, zal in ieder geval voor veel kijkers thuis een geruststelling zijn.”

Opgemerkt: De opmerking van prof. Selderhuis n.a.v. de uitspraak van ds. Baan dat hij zich ‘rascalvinist’ voelt getuigt van wijsheid, wijsheid om te weten wat je wel en niet zeggen kunt/moet tijdens een promotie. Maar nu mag daar inmiddels wel met wat andere woorden over gesproken worden en de vinger bij gelegd. Want het is toch niet voor niets dat Paulus de christenen in Korinthe dat zich noemen naar mensen die naam gemaakt hebben of zich naam aan het maken waren met het Evangelie uitdrukkelijk vermaant om dat niet te doen.

Wanneer Paulus dat niet onmiddellijk gedaan (‘de kop ingedrukt’) had dan had men misschien in die tijd al onderscheid willen zien en maken tussen ‘paulinische christenen’ en christenen die meer hadden met een of meer van de andere apostelen, met alle gevolgen voor het (nog) kunnen verstaan en aanvaarden van de eenheid van de Schrift en alle verdeeldheid waartoe dat aanleiding – vooral ook naderhand – had kunnen geven. Jezelf calvinist noemen (of lutheraan, etc.) heeft toch altijd weer met mensverering en mensverheerlijking te maken.

Wij zijn Christenen en als het goed is zijn we dat ‘in hart en nieren’. Maar als niet Christus ons ‘geteeld’ heeft, maar leermeester Calvijn, ja, dan kan iemand zichzelf misschien wel met reden een ‘rascalvinist’ noemen…

Zullen we de wens van deze predikant om nu de muziek (en zang?) van Bach de ‘eredienst(en)’ binnen te halen binnen de Gereformeerde Gemeenten niet ook weer hebben te zien als een vorm van mensverheerlijking. Want waarom ‘Bach binnenhalen’ wel en anderen niet?

* Zie ook de over de bijzondere taak van Paulus en de andere apostelen de woorden in Kolossenzen 1 de verzen 24-29.

Bron citaten: RD Kerk & religie – ‘Ds. G. J. Baan bij promotie: Graag zou ik Bachs muziek incorporeren in eredienst’ – door RD-verslaggever

Bron afbeelding: Defend the Catholic Faith

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Over God eren in onze samenkomsten…

Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.‘ (Uit Matteüs 20 de verzen 20-28)

De eer van God is dat we Zijn weldaden aannemen‘ (Maarten Luther)

Geciteerd 1: Dat Calvijn geen instrument in de eredienst wilde, vind ik echt een misser. Luther zag de muziek als de dienstmaagd van de theologie; degene die de muziek verzorgde bekleedde een vierde ambt. Woord en muziek vormen daarom in de lutherse traditie een twee-eenheid. We hebben in onze kring grote achting voor Luther als het gaat om de rechtvaardiging door het geloof, maar ook op dit punt zouden we veel van hem kunnen leren. Ook in onze diensten nemen zang en orgelspel zomaar twintig tot dertig minuten in beslag. Dat is een derde van de dienst. Dan kan je toch geen genoegen nemen met slecht orgelspel? De héle dienst moet tot eer van God zijn.

Opgemerkt 1: Wanneer we uit Gods Woord hebben leren verstaan dat de (zondagse) samenkomsten van de gemeente er zijn om onze Heer Zijn dienstbetoon aan ons te laten voortzetten, dan gaan we zien (begrijpen) waarom de gereformeerde samenkomsten en liturgie zo eenvoudig van opzet en uitvoering zijn. We moeten bij die samenkomsten echt (eerst) denken aan het onderwijs van onze Heer in de synagogen en ook aan de laatste avond waarop hij het Pesachmaal met zijn discipelen vierde. Allereerst heeft Hij toen – als eenvoudig dienstknechtje – de voeten van Zijn discipelen willen wassen. En dat had alles te maken met de doorgaande schuldvergeving die Zijn discipelen altijd weer nodig hadden. Hij verklaarde hen als reeds geheel rein – op grond van hun Doop – maar toch maakten ze in het dagelijks leven altijd weer ‘vuile voeten’. Petrus die eerst dit dienstbetoon van onze Heer wilde weigeren, kreeg te horen dat Hij geen deel zou hebben aan Hem wanneer hij dat dienstbetoon zich niet liet welgevallen… En daarna zouden ze voor het eerst Avondmaal vieren waarbij Jezus op Zichzelf wees als hét Paaslam…

Opgemerkt 2: Wij moeten dus niet menen dat onze samenkomsten bedoeld zijn als gelegenheden waarin wij ons dienstbetoon en het eren van God zullen te hebben te maximaliseren met gaven en talenten van onze kant! Nee, we zullen het beperken tot een eenvoudig samenzijn onder het dienstbetoon van God aan ons – door Woord en Sacrament en ook door ons samen bidden daar. En natuurlijk zullen we daar ook samen de door Hem ons gegeven Psalmen en liederen zingen, maar ook dat zullen we niet opschroeven tot een groots eren van Hem met de prachtigste eigen liederen en muziek.

Opgemerkt 3: We leren uit het boek Openbaring dat er al een hemelse liturgie is waar God alle eer wordt toegebracht en dat doet ons weer beseffen dat God niet onze aardse liturgie nodig heeft om aan Zijn eer te komen. Ook dat moet ons bescheiden maken. Het kan ons ook helpen om te begrijpen waarom de broeders en zusters in de eerste gemeenten (in Jeruzalem en elders) en in landen met veel minder mogelijkheden om de samenkomsten op te tuigen tot veel eerbetoon van ons aan God, helemaal niet minder af waren of zijn en minder ontvingen of ontvangen dan wij hier in het vrije, vredige en welvarende Nederland.

N.a.v. ‘Promotie ds. G. J. Baan: passie voor Bachs paasmuziek in de pastorie’ – RD Kerk & religie

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Tussen Pasen en Pinksteren en (kort) daarna…

Kunnen/durven wij christenen nog met ‘lege handen’ staan…

Toen de Here Jezus was opgestaan heeft Hij niet lang voordat Hij voor hun ogen zou worden omhooggeheven gezegd: Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt zullen jullie kracht ontvangen en van Mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria tot aan de uiteinden der aarde. (Uit Handelingen 1 vers 8)

De discipelen hadden niet meer dan beloften. Ze hadden geen land, ze hadden geen synagogen en leerscholen en ook hadden ze geen connecties van belang bij de Joodse leiders of bij de Romeinse overheden. Ja, ze hadden nog wel een bovenvertrek in Jeruzalem waar ze konden bidden. We kunnen goed begrijpen waarom de Joodse leiders en de ‘geleerde wereld’ in Jeruzalem – ook na die bijzondere Pinksterdag – geen enkele interesse hadden voor deze ‘nieuwe sekte’ in hun land en ingrepen toen het aantal volgelingen in Jeruzalem ondanks alles (alle beperkingen) toch wel sterk aan het oplopen was.

Toen even later bleek dat dit ingrijpen niet had geholpen wilden ze naar nog zwaarder middelen grijpen, maar toen heeft een van hun ‘eigen mensen’ de volgende woorden gesproken: ‘Daarom zeg ik u, houdt u afzijdig van deze mensen en laat hen begaan, want als het mensenwerk is wat ze nastreven, zal het op niets uitlopen, maar als het Gods werk is, zult u niets tegen hen kunnen uitrichten, of het zou wel eens kunnen blijken dat u tegen God strijdt’. (Uit Handelingen 5 de verzen 38-39)

Het mag duidelijk zijn dat deze woorden van Gamaliël niet van geloof maar van ‘(wereld)wijsheid’ getuigen. Men had er in Jeruzalem geen belang bij om een broedertwist gepaard met broedermoord op touw te zetten tegen op zich vredelievende mensen. Dat zou zich alleen maar tegen de Joodse leiders kunnen keren nu de apostelen en hun aanhangers zich al gunst hadden verworven bij het volk. Maar toch waren het ook ‘profetische woorden’ van deze Gamaliël (vergelijk Johannes 11 de verzen 49-53) en daar mogen we de Joodse religieuze leiders van nu best op wijzen. Dat hun (Joodse) broeders in Jeruzalem indertijd deze woorden hebben gesproken en dat ook onze Heer zoveel gezegd heeft dat later is uitgekomen en natuurlijk verdient Hij nog meer de aandacht vanwege alles wat van het Oude Testament in en door Hem in vervulling is gegaan.

Maar, vooral wonderlijk toch, met hoe weinig Gods kinderen toe kunnen om toch zeker weten toekomst te hebben! Durven wij christenen nog wel met lege handen te staan – met bijv. niet meer dan een bovenzaal(tje) waar we nog kunnen bidden – en dan toch op God vertrouwen en van Hem getuigen?

Bron afbeelding: Bible Study Power

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Een beeld van de Christelijke Kerk…

De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.
(Psalm 23 : 1)

Van dr. Maarten Luther (1536)
Op een avond na gebed aan de eettafel uiteengezet.

Psalm 23 (24)

U nodigt mij aan tafel voor het oog van de vijand, u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over
‘ (Psalm 23 vers 5)

Geciteerd: David spreekt hier niet alleen over zijn eigen persoon, maar door middel van deze woorden laat hij zien hoe het met de heilige Christelijke Kerk in deze wereld gaat. Hij geeft het een passende kleur en schildert er een mooi beeld van. Voor God is het een aangename groene weide, waarop gras en water in overvloed is. Dat wil zeggen, het is Gods paradijs en lusthof, versierd met al Zijn gaven, en het heeft Zijn onuitsprekelijke schat: de heilige sacramenten, het dierbare Woord, waarmee het Zijn kudde instrueert, regeert, herstelt en troost.

Voor de wereld ziet het er echter heel anders uit. Die ziet er een zwarte, sombere vallei, waar noch vreugde, noch plezier te vinden en te zien valt, maar alleen leed, angst en moeiten. De duivel bestormt het uit alle macht vanwege haar schat. Van binnen martelt hij het met zijn giftige, vurige pijlen (Efeziërs 6 : 16); uiterlijk scheidt hij het met schisma’s en overtredingen (Romeinen 16 : 17). En hij roept ook zijn bruid, de wereld, ertegen op, die haar alle ellende en hartzeer oplegt door middel van vervolging, laster, godslastering, veroordeling en moord.

Het zou daarom niet verwonderlijk zijn als de dierbare christelijke kerk in een oogwenk volledig zou worden vernietigd door het grote vakmanschap en de macht van zowel de duivel als de wereld. Want het kan zichzelf niet verdedigen tegen zijn vijanden: ze zijn er veel te sterk, sluw en machtig voor. Daarom is het, zoals de profeet het hier beschrijft, een onschuldig, eenvoudig, weerloos lam, dat niemand enig kwaad wil en kan doen, maar te allen tijde niet alleen bereid is goed te doen, maar ook kwaad in ruil daarvoor te ontvangen. “

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 51, S. 271 ev (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 12, p. 147 ev)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

‘Apostolische wijsheid en geduld’ versus ‘dwepers en drijvers’… (slot)

Synode van Dordt en de intellectuele hoogmoed van het ontluikende humanisme…

Geciteerd: In 1618 reisden drie Bremer hoogleraren naar de Nationale Synode van Dordrecht, die een internationaal karakter droeg. Het stadbestuur van Bremen was vanuit Den Haag verzocht om „drie of vier van zijn voortreffelijkste* en geleerdste* theologen*” te zenden. Het stadbestuur was met dit verzoek niet blij, want men wilde zich niet vervreemden van de naburige steden Hamburg en Lübeck, met hun lutherse belijdenis. In Bremen was het namelijk gekomen tot een ”tweede Reformatie”: men was overgegaan tot de gereformeerde belijdenis. Overigens waren de drie hooggeleerden uit Bremen mild tegenover de remonstranten, hoewel zij de besluiten en dus ook de ”Leerregels” wel ondertekenden.

Opgemerkt 1: * Dit bewijst nog weer eens de hoogmoed die er heerste bij de theologen (van beide ‘partijen’) in hun polemiek en dispuut voorafgaand en tijdens de Dordtse synode. Men gunde elkaar geen ‘gemeentelijke weg’ en ‘gemeentelijke ruimte’ maar alles moest nu eerst in menselijke geschriften voor eens en altijd vastgesteld worden zodat iedereen daaraan gehouden kon worden…

Opgemerkt 2: Hoe anders ging en gaat onze Heer met Zijn leerlingen (en dus ook ons) om! Hij gaf Zijn discipelen de tijd om Hem te leren kennen en om Zijn – Hem van de Vader gegeven – weg in dit leven te leren verstaan. Wat een geduld had Hij met hen maar ook met het ‘kerkvolk en haar leiders’ in die tijd. Zou Hij nu anders met ons willen omgaan? En wat heeft dat te zeggen over en voor ons omgaan met elkaar en het geduld wat wij met elkaar dienen te hebben.

Opgemerkt 3: Zullen we de bescheiden weg die Maarten Luther ging met het opstellen van de Augsburgse Confessie en de voorzichtigheid die de Lutherse landsvorsten en hun (Lutherse) predikanten toch niet (veel) meer als ‘voorbeeldig’ (als navolging van onze Heer) hebben te zien dan de meer ‘activistische calvinistische weg’ van ‘de beeldenstorm’ (zowel in geestelijk als in ‘materieel’ opzicht).

Zie ook:Apostolische wijsheid en geduld’ versus … (I)‘, (II), (III), (IV), (V), (VI), (VII), (VIII)

Bron citaat: RD Opinie – ‘Bremer kerk liet dominee Latzel vallen. En de Bijbel dan?‘ – door ds. L.J. Geluk

Bron afbeelding: Protestantse Kerk in Nederland

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Aan tafel en aan de maaltijd genodigd…

De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.
(Psalm 23 : 1)

Van dr. Maarten Luther (1536)
Op een avond na gebed aan de eettafel uiteengezet.

Psalm 23 (22+23)

Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
(Psalm 23 vers 4)

Geciteerd 1: (…) “Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij” – Door het Evangelie verkrijgen de schapen van Christus kracht in hun geloof, rust in hun hart en troost in allerlei soorten angsten en gevaren van de dood. Degenen die op deze manier prediken, oefenen het ambt van geestelijke herder naar behoren uit, weiden de schapen van Christus in een groene wei, leiden ze naar het frisse water, genezen hun ziel, voorkomen dat ze op een dwaalspoor worden gebracht en troosten hen met de stok en staf van Christus.
Waar mensen zulke predikers horen, moeten ze zeker geloven dat ze Christus zelf horen. Ze moeten zulke predikers ook erkennen als juiste herders, dat wil zeggen als dienstknechten van Christus en rentmeesters van God (1 Korintiërs 4 : 1), en helemaal geen aandacht schenken aan het feit dat de wereld hen ziet en veroordeelt als ketters en verleiders. . 

Degenen die iets anders verkondigen dan het Evangelie, die de mensen menen te moeten leiden naar de werken, spreken over verdiensten en zelfbenoemde heiligheid, zullen zichzelf inderdaad tien keer prijzen als de volgelingen van de apostelen, zichzelf versieren met de naam en titel van de christelijke kerk, en zelfs doden opwekken. In feite zijn het vreselijke wolven en moordenaars die de kudde van Christus niet sparen, maar deze verspreiden, martelen en slachten, niet alleen geestelijk maar ook lichamelijk, zoals we nu toch duidelijk en eenvoudig hebben kunnen vaststellen.

Eerder noemde de profeet Gods Woord, of het Evangelie, gras, water, het rechte pad, een stok, een staf. In het vijfde vers noemt hij het een tafel die voor ons wordt gereed gemaakt, een maaltijd, en een beker die tot overvloeiens toe is gevuld. Hij neemt deze metaforen van de tafel, olie en beker uit de oudtestamentische aanbidding van God door de Joden en zegt praktisch hetzelfde als wat hij eerder had gezegd – namelijk dat degenen die Gods Woord hebben, rijkelijk worden voorzien van alles wat nodig is voor lichaam en ziel – alleen worden deze zegeningen hier nu door hem aangeduid met andere beelden en allegorieën. Eerst gebruikt hij dan het beeld van de tafel waarop het toonbrood altijd geplaatst moest worden (Exodus 25 : 30; 40 : 23). “

U nodigt mij aan tafel voor het oog van de vijand, u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over
‘ (Psalm 23 vers 5)

Geciteerd 2:Hier bekent de profeet ronduit dat hij vijanden heeft. Hij zegt echter dat hij zich tegen hen verdedigt en hen op deze manier terugdrijft doordat de Heer voor hem een tafel heeft klaargemaakt ondanks en tegen die vijanden van hem. Is dat niet een wonderlijke Beschermer?
Ik zou denken dat Hij voor hem een machtige muur zou bouwen, een sterke wal, een diepe gracht aanleggen, hem voorzien van een pantser en ander wapentuig die bij het strijd voeren van nut zijn en waardoor hij veilig zou kunnen zijn voor zijn vijanden of ze op de vlucht zou kunnen jagen…
Maar nee, Hij maakt een tafel voor hem klaar, waaraan hij moet eten en drinken en waarmee en waardoor zijn vijanden worden verslagen. Ook ik zou wel strijd willen voeren op zo’n manier, dus zonder enig gevaar te duchten, zonder zorg, moeite en werk, om dan mijn vijanden overwonnen te zien door niets anders te doen dan aan tafel zitten en eten, drinken en genieten. 

Door middel van deze woorden: Gij bereidt een tafel voor mij voor het oog van mijn vijanden“, wil de profeet de grote, schitterende en wonderbaarlijke kracht van het kostbare Woord van God aangeven. Het is alsof hij wil zeggen: “U, o Heer, biedt mij zoveel goede gaven en voedt mij zo heerlijk en rijk aan de tafel* die U voor mij hebt bereid.
Dat wil zeggen, U overlaadt mij zo overvloedig met de grenzeloze kennis en kracht van Uw dierbare en kostbare Woord*, dat ik door dit Woord niet alleen inwendig (geestelijk), in mijn hart – ondanks mijn schuldige geweten, ondanks zonde, angst, de verschrikking van de dood en Uw toorn en oordeel – wordt getroost; maar daarbij ook uitwendig (mentaal en fysiek) een moedig en onoverwinnelijk held wordt, zodat al mijn vijanden me niet kunnen overwinnen.

* Opgemerkt AJ: Kunnen of moeten we hierbij ook (al) aan onze Doop en het Avondmaal denken waardoor wij onoverwinnelijk gesterkt worden door de gemeenschap met Christus, zoals wij die ontvangen door de kracht van de heilige Geest met en door onze Doop – hier aangeduid door de zalving met olie (zie 1 Johannes 2 de verzen 20-27) – en bij en door het nuttigen van het gebroken brood en het drinken uit de beker aan de Avondmaalstafel?!

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 51, S. 271 ev (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 12, p. 147 ev)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron afbeelding: Steppes of Faith – Medium

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

‘Oh, dat elite-denken dat in ons allen zit!’

Want er is maar één God, en maar één Bemiddelaar tussen God en mensen, de Mens Christus Jezus, Die Zichzelf gegeven heeft als losgeld voor allen, als het getuigenis voor de vastgestelde tijd.‘ (Uit 1 Timoteüs 2 de verzen 5-6)

Geciteerd 1: Dat in de plaats van de priesterstand voor altijd nu de gemeente gekomen is, waar allen voor God van hetzelfde Genadebrood eten en uit één beker drinken, dat is een van de grootste ergernissen. Het moet ons helder voor de geest staan, dat de natuurlijke mens, de mens zoals hij van nature is, geen welgevallen kan hebben in een gemeente, die van genade alleen leeft. De natuurlijke mens heeft een welgevallen in orden en verbonden, maar niet in het éne Verbond, welks Heer en enige Hoofd Christus is.

De natuurlijke mens

Geciteerd 2: De natuurlijke mens is een geboren drager van ordelintjes en een geboren lid van een of ander geheim genootschap, die een instinctmatige behoefte aan een leider niet vermag te onderdrukken. Zijn vurigst verlangen is óf zelf te behoren tot een stand en tot de elite, óf de elite te bewonderen en toe te juichen, al was het maar op het voetbalveld of bij motorraces. Het “elite-denken” zit ons in het bloed. En het zit tegenwoordig ook in de lucht.

Heeft niet Adolf Hitler het aankweken van een raszuivere elite gepredikt? En wat wij thans in het Oosten en in het Westen zien, is dat niet juist ook weer dat aankweken van een elite van technici als beheersingsapparaat en de georganiseerde hiërarchie van specialisten? Oh, dat elite-denken dat in ons allen zit! Zich boven anderen verheffen, op de anderen neerzien, daarmee begint het soms. Aan het einde van alle hiërarchieën echter, de technische en de culturele, de intellectuele en de priesterlijke, brandden altijd weer de vergassingsovens en de brandstapels.

Gods genade in Christus

Geciteerd 3: Maar Christus heeft op de plaats van de hiërarchie eens en voorgoed de gemeente gezet. Maar, zo vragen wij ons af, is de gemeente op haar beurt dan niet óók weer een schare uitverkorenen? Zeker! Let evenwel op het onderscheid! Wanneer wij anders van “uitverkorenen” spreken, dan zijn het gewoonlijk min of meer “de upper ten”, dat wil zeggen de mensen, die krachtens hun eigen voortreffelijkheid zichzelf als uitverkorenen beschouwen en zich als zodanig doen gelden. Maar het uitverkoren-zijn van de christelijke gemeente berust niet op een zekere intellectuele of materiële voortreffelijkheid, maar op de rekening van eigen onvermogen en eigen schuld, positief gezegd: op het weet hebben van Gods genade.

In Christus gemeente wordt geen “zuiver ras” gekweekt, daar wordt eigenlijk niets gekweekt, maar daar wordt gedankt, liefgehad en geleden. De enige verkiezingsgrond is Christus’ genade. “Denk weer aan uw roeping, broeders en zusters,. Onder waren er niet veel die naar menselijke maatstaven wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren. Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen” (1 Korintiërs 1 : 26-29). Zo bestaat de gemeente uit mensen, die niet door zichzelf en niet door mensen, maar door God verkoren zijn.

Gemeentelijke verantwoordelijkheid

Geciteerd 5: Tenslotte nog een vraag aan de gemeente. Wij hebben gehoord, dat de gemeente nu belast is met de verkondiging. Wanneer de verkondiging niet met volle kracht of zelfs geheel verkeerd gebeurd, dan is dat de schuld van de gemeente. De gemeente draagt de verantwoordelijkheid. Hoe staat het dan met onze ‘Bode-dienst’? Laten we het heel gewoon zeggen: Kunnen wij verkondigen? Het zou er in de kerk en in de wereld anders anders moeten uitzien, als wij het konden!

Waar is het woord, dat weer een boodschap is? Waar is het machtswoord, het: “God sprak: daar zij – en daar werd…”? Waar is het woord, dat aan deuren en vensters klopt, en aan de harten? Waar is de prediking, die is als een vuur? Waar klinkt de alarmsirene, omdat er gepreekt wordt?

De rijen zullen eerder dunner worden

Och, wat er zo zondags tussen 9 en 10 uur achter deuren van onze christelijke kerken gebeurt, dat hoeft de wereld nauwelijks meer te vrezen, laat staan dat het haar lokken en aantrekken zou. Versta dit goed! Wij bedoelen niet dat de kerken vol zouden moeten worden. Wanneer ons het onkreukbare Woord in Zijn volle kracht gebracht wordt, dan zullen de rijen eerder dunner worden. Ook is niet bedoeld dat wij geleerder of eenvoudiger moeten preken. Ach, dat kunnen wij immers allemaal wel! Maar preken met gezag, met autoriteit, met volle kracht, ook al zou het maar gestamel zijn, dát hebben wij hard nodig!

Geciteerd 6: Een christelijke predikant is op grond van het Nieuwe Testament niet priester, maar lid van de gemeente, door Gods genade belast met de taak aan de gemeente het Woord en de Sacramenten te bedienen. Wat ieder gemeentelid op zijn of haar plaats is, elke christelijke vader of moeder, elke gelovige opvoeder van de jeugd en wat ieder ook maar als taak mag hebben in de maatschappij op eigen vakgebied, dat is voor God principieel niet anders, dan wat de dienst is van een predikant in een gemeente.

Bron citaten:De zeven gesprekken van Maleachi – Het derde gesprek‘ – door Walter Lüthi (1)

(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

Span je in om voor God te staan als iemand die betrouwbaar is. Zorg dat je je niet voor je werk hoeft te schamen en verkondig regelrecht de waarheid.‘ (Uit 2 Timoteüs 2 vers 15)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Leven uit het feit van Pasen!

Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen wij het Verbond dat met onze vaderen is gemaakt?‘ (Uit Maleachi 2 vers 10)

Laat ieder horen die deze nood kent

Geciteerd 1:  Er is God zoveel aan gelegen, dat wij Hem als God van het Verbond kennen, dat Hij door het hele Oude Testament heen Zijn Verbond met ons arme mensen, een trouwverbond, ja een huwelijksverbond noemt. Hij noemt Zichzelf de “Man” van Israël, en Israël is de met Hem getrouwde en nu ook (weer) de Hem ontrouwe “vrouw”.
Zij is zo ontrouw, dat Hij haar van tijd tot tijd moet tuchtigen. Maar wanneer Hij haar ook “een korte tijd” verstoten heeft, heeft Hij haar toch aangenomen in eeuwige barmhartigheid.

Geciteerd 2: Deze voorstelling van God als “Man” en Zijn gemeente als Zijn “vrouw’ gaat in het Nieuwe Testament zelfs zover, dat Christus Zichzelf de Bruidegom noemt en Zijn gemeente Zijn bruid. Die Bruidegom is trouw. Hij is letterlijk “trouw tot in de dood.”  Aan het kruis is het trouwverbond van God met ons arme mensen, op de proef gesteld, om te zien of het ook breken zou. En daar heeft het stand gehouden. Daarop doelden we, toen wij zeiden, dat wij de Vader door de Zoon kennen.

In Jezus Christus hebben wij allen één Vader.* En al wordt ook de hele wereld door “onze boze en overspelige natuur” tot atomen verbrijzeld, het blijft een feit, dat Christus aan het kruis het Verbond heeft verzegeld.

Geciteerd 3: De situatie ten tijde van de profeet (Zie Maleachi 2 de verzen 10-16) en in de tijd waarop dit gesprek plaats heeft, is in Israël, kort gezegd, als volgt: de moedelozen zijn werkelijk bezorgd over de achteruitgang van de gemeente, over het verval van de eredienst over de liederlijkheid van de priesters. En zij zouden zelfs ook wel boete willen doen met het vrome oogmerk daardoor een verbetering te krijgen. Daarom “bedekken zij”, zoals de Bode hen toevoegt, “het altaar van de HEER met tranen, geween en gezucht, omdat Hij Zich niet meer wendt tot de offergave, noch iets met welgevallen uit uw hand aanneemt. En jullie vragen: Waarom? (Maleachi 2 de verzen 13-14). Deze moedelozen kunnen niet begrijpen – en dat hoort bij het karakter van hun moedeloosheid – waarom God hen zo geheel en al verlaten heeft, niet meer op hun gebeden let en hun offergave niet meer aanziet. “Waarom dat?” Zo luidt de oude bijna klassieke vraag van de moedelozen van alle tijden.

Geciteerd 4: God geeft door Zijn Bode het korte, harde, maar duidelijke en heilzame antwoord: “Daarom!” Wanneer de moedeloze mensen menen dat dit ongemotiveerd gebeurt en dat God Zijn gemeente zonder oorzaak tuchtigt, dan antwoord Gods Bode: “Daarom!” En dan wordt hij heel duidelijk. Er zijn twee oorzaken…

Geciteerd 5: Over deze dubbele zonde spreken de priesters niet, maar de Bode heeft een boodschap, en het is niet aan zijn believen of gevoelen overgelaten of hij haar brengen wil: “Niemand plege trouwbreuk jegens de huisvrouw zijner jeugd” (Maleachi 2 : 15). Heeft hij de goede dagen met haar gedeeld, dan dele hij ook de moeilijke met haar. “Daarom dat de HEER getuige geweest is tussen u en de huisvrouw uwer jeugd, tegen wie gij trouwbreuk hebt gepleegd” (Maleachi 2 : 14). (…) Dus daarom helpt al dat gezucht en geween en al dat bidden niets, als niet dáár de bekering begint, “want Ik haat de echtscheiding, zegt de Heere, de God van Israël” (Maleachi 2 : 16).

Geciteerd 6: Maar de Bode gaat verder en stelt vast, dat zo iemand dan ook jegens God trouwbreuk heeft gepleegd. Daarmee raakt hij echter een groot mysterie. Zoals God de verhouding tussen Zich en Zijn gemeente, Zijn eeuwig Verbond een huwelijk noemt, zo noemt de Bode het hier nu omgekeerd, van het huwelijk uit gezien, de verhouding tussen man en vrouw, het huwelijk, een verbond.

Evengoed als het Verbond van God met ons mensen ondanks onze ontrouw onverbrekelijk is, even goed is dat ook zo met het huwelijksverbond van twee mensen. “Ik haat de echtscheiding, zegt de Heere“, omdat de echtscheiding het verbond schendt.

Geciteerd 7: Als de nood het hoogst is, dan is de redding nabij.” Daarom spreekt de Bode van het huwelijk als van een verbond. Daarom spreekt Paulus van het huwelijk als van een verborgenheid tussen Christus en Zijn gemeente. Daarom betreedt Christus als het ware dit slagveld als de Heer en de Heiland van het huwelijk. Zoals Hij het hoofd van de gemeente is, zo is Hij, boven de man, het Hoofd van het gezin. Omdat het huwelijk in bijzondere zin een zee van bloed en tranen is, daarom is hier de Geneesheer en de barmhartige Samaritaan in bijzondere zin aanwezig als Heer, ook over de huwelijksnood.

Laat toch ieder horen die deze nood kent, en, wie kent deze nood niet? Wie kan hier ergens anders staan dan in de sfeer van de vergeving, wie kan hier uit iets anders leven, dan uit het feit van Pasen? Jullie, die in het huwelijk begraven bent, jullie, die in het huwelijk gevangen zijn, die aan het huwelijk te gronde zijn gegaan, jullie die in het huwelijk gevallen zijn, en jullie, voor wie het huwelijk hierom een pijnlijke geschiedenis is, omdat het voor u niet weggelegd was een huwelijk te sluiten, en vooral jullie die gescheiden zijn, die niet maar als geamputeerden, maar als levend gehalveerden moeten verder leven – hoort het toch: Christus is in heel bijzondere zin de Heer en Geneesheer van het huwelijk. Deze verborgenheid is groot.

Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen we dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen het Verbond, dat met onze vaderen is gemaakt? Hebben wij niet allen één Vader, op beide wereldhelften en in beide huwelijkshelften? Eén Vader, in de éne Zoon?!

Bron citaten: ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ ‘Het vierde gesprek  “Hebben wij niet allen één Vader?“‘ – door dr. Walter Luthi (1)

(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Politiek | Een reactie plaatsen