Klaag uw Moeder aan…

Klaag uw moeder aan, klaag haar aan, want zij is Mijn vrouw niet, en Ik ben haar man niet. Laat zij haar ontucht van haar gezicht verwijderen en haar overspel van haar boezem… (Hosea 2 : 1a)

Klaag uw moeder aan“, de profeet Hosea gebruikt ook hier weer beeldspraak. Die moeder, over wie hij het heeft, en van wie hij zegt dat zij de vrouw van de Here niet meer is, is hier natuurlijk Israël. Men zou kunnen zeggen: de kerk van het Oude Testament. En de kinderen, die moeder moeten aanklagen, zijn dus de leden van de kerk. Zo komen we dus op het kerkelijk huisgezin.

Het gevaar was niet denkbeeldig, dat de kinderen van dit huisgezin Gód zouden gaan aanklagen. Hun Vader dus. En dáár, zegt Hosea, daar is niet de minste reden voor. Als het misloopt met en in de kerk, dan ligt de schuld niet bij hun Vader in de hemel, maar veel dichter bij huis, in eigen huis, bij hun moeder op aarde!

Als het op de een of andere manier verkeerd loopt in ons leven, als de weg naar beneden loopt, als dorens en distels ons verwonden, en de ene ramp na de andere ons treft, dan vermoeien we Gods oren met onze „waarom’s”, en we botsen voortdurend tegen de Heilige aan. We kunnen niet begrijpen hoe dit allemaal met Gods liefde te rijmen is. We hebben kritiek op onze Vader. Daarom komt Hosea dit corrigeren. Hij spoort aan tot zelfkritiek. Klaagt niet uw Vader, maar uw moeder aan!

Maar wij horen toch in onze tijd de kinderen volop hun moeder aanklagen. De kritiek van de leden, op de kerk, is niet van de lucht. De een verwijt de kerk dit, en de andere dat. De een vindt moeder te ouderwets en een tweede dat zij veel te modieus of modern is. Men zou denken: Hosea is op dit stuk niet actueel meer. Ook zónder een profetische oproep tot klacht komt de kritiek vandaag van zelf wel. Israël was in Hosea’s tijd misschien nog onmondig, wij zijn mondige mensen geworden en weten ons mondje te roeren.

Toch, ondanks of juist vanwege die mondigheid kan een verkeerde geest zich gaan vastzetten in de kerk, waarbij iedereen zich langzamerhand gaat neerleggen. Het kan van alles wezen. „Mijn naam is Legioen, want wij zijn talrijk.” Het gevaar is dan groot, dat zo’n geest aan alle kanten om zich heen grijpt. Men past er zich bij aan of legt er zich bij neer. En met het oog daarop schudt nu de profeet de enkelingen wakker, en bezweert hen hun aller moeder niet te sparen, en niet op te houden haar te bestraffen, te vermanen.

Waarover moeten we dan twistgesprekken voeren in de kerk? Hosea komt het ons duidelijk zeggen. Het is dit: „zij is Mijn vrouw niet, en Ik ben haar man niet”.
Dat de huwelijksband met de Here gebroken is, dát moet het verwijt zijn van Gods kinderen. Dat de verborgen omgang met God veel te weinig beoefend wordt. Dat er een worm knaagt aan de wortel van haar leven, aan de levende omgang met haar Heer Jezus Christus! Dat dát de grote ontrouw is, die steeds weer in de kerk gevonden wordt, en dat zij zich tot deze gemeenschapsoefening met haar Hoofd en Heiland weer moet bekeren.
Dat is de hoofdzaak. Daarover moet het gesprek lopen. Op dát punt hebben we elkaar vriendelijk te vermanen en te bestraffen.

Daarvoor moeten we zelfs met “heilig twistvuur” willen en durven strijden.

Gods verborgen omgang vinden
zielen waar zijn vrees in woont;
’t heilgeheim wordt aan zijn vrinden
naar zijn vreeverbond getoond.
d’ Ogen houdt mijn stil gemoed
opwaarts, om op God te letten:
Hij, die trouw is, zal mijn voet
voeren uit der bozen netten.

Psalm 25 vers 7 (Nieuwe Berijming)

Bron: Tekst gebaseerd op “Heilige opstandigheid” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp