Onze christelijke hoogmoed…

Heer ik dank Ú... dat ik (geworden) ben zoals ik nu ben…
en niet zo ben als…(vul maar in)

(…) 9 Hij sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren (…) 11 De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; (Uit Lukas 18)
(…) 9 Hij bedankt de knecht toch niet omdat die gedaan heeft wat hem is opgedragen? 10 Hetzelfde geldt voor jullie; wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: “Wij zijn maar knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan.”’  (Uit Lukas 17)
(…) 10 Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, de Christus. 11 Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn. (Uit Matteüs 23)
(…) 19 u die ervan overtuigd bent dat u zelf een leidsman van blinden bent, een licht voor hen die in het duister zijn, 20 een opvoeder van onverstandigen, een leraar van onwetenden, omdat u in – het Evangelie – de belichaming van de kennis en de Waarheid hebt… (Uit Romeinen 2)

Hoe gemakkelijk menen we niet, dat we inmiddels een treetje hoger geklommen (1) zijn dan een ander, zodat we op een bepaalde manier op die ander(en) menen te kunnen en mogen neerzien. Dat we daarbij niet meer beseffen, dat we ons allemaal op aardse grond bevinden. Al kruipen we dan (misschien) niet als zovelen door de modder, we lopen toch wel met onze voeten elke dag weer door aardse modder. En daarom hebben wij het steeds weer nodig dat wij ons de voeten laten wassen (2). Ieder van ons behoort met zorg de voetstappen te zetten in het spoor (dat is/zijn de voetstappen van Jezus Christus, die ieder van ons persoonlijk voorgaat) dat door het licht van Gods Woord ons persoonlijk, maar ook gezamenlijk als gemeente van Jezus Christus gewezen wordt. Dan lopen we het minste risico op sterk vervuilde voeten, op stoten, struikelen en vallen. En voor ieder geldt op elk moment: “Wie sta (loopt!), zie toe dat hij niet valle”. Want dat laatste gebeurd voor we er erg in hebben, en dikwijls hebben we dan hulp en steun van anderen nodig om ons weer overeind te helpen. Ook overkomt het ons dat zelfs anderen niet (meer) bij machte blijken om ons nog overeind te helpen. Dan blijkt alleen een genadige Goddelijke ingreep nog onze redding (3). Na zoiets hebben we wel een extra wasbeurt nodig (4), want we vervuil(d)en meer dan onze voeten en misschien ook nog anderen. Want misschien was de afleiding die onze struikeling en val veroorzaakte ook wel oorzaak van de struikeling en val van anderen die toekeken (5) of te hulp schoten…

(1) 6 Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; 7 of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen. 8 Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken.  (Uit Romeinen 10)
(2) 10 Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. (Uit Johannes 13)
(3) Zie Jesaja 55
(4) Het grondig overdenken en belijden van wat ons is toegezegd door onze drie-enige God bij onze Doop en hartgrondig dankbaar vieren van het Heilig Avondmaal!
(5) 6 Maar wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, doet struikelen, het zou beter voor hem geweest zijn dat een molensteen aan zijn hals gehangen was en hij in de diepte van de zee gezonken was. (Uit Matteüs 18)

Psalm 17 : 3 (OB)
Ik zet mijn treden in Uw spoor,
Opdat mijn voet niet uit zou glijden;
Wil mij voor struikelen bevrijden,
En ga mij met Uw heillicht voor.
Ik roep U aan, ‘k blijf op U wachten,
Omdat G’, o God, mij altoos redt,
Ai, luister dan naar mijn gebed,
En neig Uw oren tot mijn klachten