“De vreze des HEREN” en het Nieuwe Testament

(…) Wat nu de ‘de vreze des Heren in het Nieuwe Testament’ (1) betreft, het kan de schijn hebben dat de vreze de HEREN iets is dat speciaal behoort bij het Oude Testament, sterker: daartoe beperkt is. De gedachte kan leven, dat de vreze des HEREN slecht past bij het evangelie van Gods liefde en genade, Zijn toenadering tot ons in Jezus. En lezen wij niet bij Paulus: Gij hebt niet ontvangen de geest van knecht-zijn om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de geest van het zoonschap, waardoor we roepen Abba, Vader? En horen we niet van Johannes, dat de liefde de vrees uitdrijft (1 Joh. 4 : 18). Zou dan misschien, zoals men wel beweert, het Nieuwe Testament zelf debet zijn aan het in vergetelheid raken van de uitdrukking ‘de vreze des HEREN’? We zullen zien.

Bij ‘de vreze des HEREN’ in het Nieuwe Testament gaat het niet slechts om een uitdrukking, maar om de zaak, die ook in het Nieuwe Testament volop aanwezig is. En daar wil ik nu iets van aanwijzen. De vreze des HEREN, dat is toch allereerst het ontzag dat de HERE inboezemt. Van Hem komt het. Het is geen prestatie van de mens.

Laten we allereerst letten op de vreze die Jezus inboezemde, zelfs aan zijn eigen discipelen, die het dichtst bij Hem stonden. Ik handhaaf het archaische woord ‘vreze’ om aan te duiden dat het om een speciaal soort ontzag gaat. En ik zeg met opzet ‘Jezus’ en niet ‘Here Jezus’, daarmee aansluitend bij het spraakgebruik van de evangeliën. Is het u wel eens opgevallen, dat Hij daar overwegend Jezus wordt genoemd, zonder meer. Het is één van de blijken, dat de bewering als zouden de evangeliën een latere reflectie weergeven, waarin de man van Nazareth buiten alle proporties is verheerlijkt, geen grond heeft in de evangeliën zelf. Ze verhalen van die man van Nazareth, Jezus, een mens van gelijke beweging als wij. Van zijn dagen op aarde, toen Hij kwam in vernedering om te sterven. De historische Jezus, zogezegd. Die echter – en daar gaat het nu om – zijn naaste vrienden bij ogenblikken bijzonder heeft doen vrezen en beven.

(…) Een andere plaats, waar ik de vinger bij wil leggen, is Markus 9 : 6. ‘U bent de Christus, de beloofde Verlosser’, had Petrus begrepen en vrijmoedig beleden. En terecht. Precies goed gezegd! Maar ze mochten het zo nog niet rond bazuinen. Eerst zou Hij nog moeten lijden. Dat moest echt gebeuren, dat mocht Petrus niet afweren. Maar de heerlijkheid komt daarna. En daarvan mag Petrus met twee andere discipelen ook al een glimp opvangen op die hoge berg. Op dat moment weet Petrus niet meer wat hij zeggen of zwijgen moet, want, zij waren zeer bevreesd. Geen wonder: voor de schittering van hemelse heerlijkheid en dat niet in een beschouwing maar in het echt! Later prent de apostel de gemeente in: Wij zijn geen mythen gevolgd in ons spreken over de kracht en de komst in heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus. Maar we zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit, toen we met Hem op de heilige berg waren. Wie zou niet vrezen met diepe eerbied en ontzag voor de HERE. Zeg het maar in die bepaalde vorm, HERE, die vorm, die we voor God reserveren.

Nu letten wij op Markus 10 : 32. Terwijl ieder wist dat Jezus zich zo in het hol van de leeuw begaf, terwijl Hij zelf ook gezegd had dat het niet goed zou aflopen, ging Hij toch ook die keer nog op naar Jeruzalem. En Hij ging zelfs voor hen uit! Ze waren verbaasd, de mensen. En zijn naaste volgelingen waren bevreesd. Was dat alleen maar angst dat Hem wat overkomen zou? Was het niet veeleer heilig ontzag voor Hem dat hen al eerder had bevangen? Zoals Hij er nu op afgaat, voor hen uit, zijn eigen gang gaand, zo is Hij naar het kruis gegaan, voor hen uit. En zo is Hij ook weer uit het graf gekomen, voor hen uit!(Markus 16).

(…) Het getuigenis van het evangelie, van de echte Jezus, leert ons in Hem te geloven als de Here, die eerbied oproept en diep ontzag. Zijn wegen, ook in vernedering, in lijden en verhoging, zijn hoger dan de onze. Zodat het past Hem eerbiedig te vrezen.

Ook ons past dat, en dat temeer daar we Hem als Rechter uit de hemel verwachten. Ook wij zullen zijn heerlijkheid zien. En allen moeten we voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder wegdrage wat hij verricht heeft, goed of kwaad. Aldus de apostel in 1 Korinthe 5. Die dan vervolgt: Daar wij dan weten hoezeer de Here (Jezus) te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen, te bewegen, tot geloof om ons door Hem met God te laten verzoenen. Maar dat geloof, dat vertrouwen, dat Hij, die geen zonde gekend heeft, tot zonde is gemaakt, opdat wij zouden worden een en al gerechtigheid voor God in Hem, dat geloof neemt de vreze niet weg. Vreze in de zin van zorgvuldigheid, beduchtheid om Hem welgevallig te zijn. Zoals de liefde de eerbiedige schroom voor zijn hoogheid niet wegneemt. [Einde citeren]

(1) Titel van de hieronder genoemde lezing.

Bron: Lezing gehouden in Ermelo door ds. J.D. Janse (1932-2005) op een studiedag (25 oktober 1986) van het Nederlands Gereformeerd Seminarie (opgenomen in NGS-uitgave “Met het oog op de gemeente – lezen in het Nieuwe Testament”, oktober 2002).