Luther over zijn roeping en taak

Inleiding

In het jaar 1512 promoveerde Luther te Wittenberg tot doctor in de theologie. Daarna wordt Luther toegelaten als hoogleraar in de theologie aan de Wittenbergse universiteit. Bij zijn inauguratie moet hij volgens de gebruikelijke procedure, met de hand op de Bijbel, zweren dat hij Gods Woord getrouw en zuiver zal onderwijzen en prediken. Deze gebeurtenis is voor hem onvergetelijk en in latere jaren nog tot troost geweest. Luther hield in de begin periode van de reformatie colleges over de Psalmen (1513/16), de Brief aan de Romeinen (1515/16), de Brief aan de Galaten (1516/17) en de Brief aan de Hebreeën (1517/18). Luther is in 1514 ook predikant in de Stadskerk van Wittenberg.

***

Johannes Hus heeft over mij geprofeteerd toen hij vanuit de gevangenis in Bohemen schreef: ‘Nu zullen zij een gans braden [‘Hus’ is in het Boheems gans], maar over honderd jaar zullen zij een zwaan horen zingen – die zullen zij moeten dulden.’ Daarbij zal het blijven, als God het wil.
WA 30.3, 387, 18-23

Als jonge theoloog las ik eens, in de bibliotheek van het klooster te Erfurt, in een boek waarop ‘Johannis Hus Sermones’ geschreven stond. Ik was nieuwsgierig om te weten wat toch die aartsketter zou hebben geleerd. Daarin vond ik werkelijk zoveel, dat ik mij erover verbaasde, waarom deze man toch zou zijn verbrand – iemand die zo christelijk en machtig de Schrift kon uitleggen. Omdat echter zijn naam zo gruwelijk verdoemd was, dacht ik in die tijd dat de muren zwart zouden worden en de zon zou verduisteren als iemand positief over Johannes Hus zou denken. Zodoende sloeg ik het boek dicht en ging met een verwond hart daar vandaan. Ik troostte mijzelf echter met de gedachte: misschien heeft hij dit geschreven vóór hij ketter is geworden – want de geschiedenis van het concilie van Konstantz kende ik toen nog niet.
WA 50, 37, 27 – 38, 4

Op een keer zat Staupitz, in gedachten verzonken, onder de perenboom, die nu nog midden in mijn tuin staat. Toen zei hij: ‘Heer Magister, u zult de doctorsgraad moeten aannemen, dan hebt u wat te doen.’ Toen hij mij een volgende keer – opnieuw onder de perenboom – hierover aansprak en ik hevig protesteerde, had ik alle mogelijke redenen waarom ik dit niet kon doen. Voornamelijk ook dat ik aan het eind van mijn krachten was, en wel in die mate, dat ik niet veel tijd van leven meer zou hebben. Daarop zei hij: ‘Weet u dan niet dat onze Heere God veel grote dingen te doen heeft, die nog uitgevoerd moeten worden?
WATR 2, 379, 6-15

Ik, doktor Martinus, ben ertoe geroepen en gedwongen, dat ik doctor moest worden tegen wil en dank – uit pure gehoorzaamheid heb ik er in toegestemd. Toen heb ik het doctorsambt ook moeten aannemen en op mijn allerliefste Heilige Schrift gezworen en beloofd, om haar getrouw en zuiver te onderwijzen en te prediken. Vanwege dit onderwijzen is het pausdom tegen mij opgekomen en heeft het mij willen verbieden. In Gods Naam en uit kracht van mijn roeping zal ik evenwel op leeuwen en adders treden en de jonge leeuwen en draken met voeten vertreden (vgl. Psalm 91:13).
WA 30.3, 386, 30 – 387, 17

Nadat ik op zijn raad en bevel als doktor in de theologie gepromoveerd was, dreef en dwong Staupitz mij om in het openbaar theologische voorlezingen te houden.
WA 43, 667, 32

Toen ik doctor werd, kende ik de Tien Geboden niet, zoals u die nu wel kent.
WA 47, 745, 18

Toen ik doctor werd, begreep ik het Onze Vader niet.
WA 30.1, 46, 27

Toen ik doctor in de theologie was, leek het voor mij dat Paulus een grote dwaas was, omdat hij in al zijn brieven over zijn roeping roemt. Ik wist toen nog niet dat het ambt van het Woord zo’n grote zaak was. Niemand kan de kracht en het gezag van iemand die van zijn roeping verzekerd is, begrijpen.
WA 40.1, 63,19

Als ik de boeken die u nu hebt, had kunnen lezen toen ik doctor was, zou ik er wel op mijn knieën naartoe gekropen zijn.
WA 49, 286, 25

Als echter Gods Woord tot u komt en u het leest, dan spreekt ook de Heilige Geest. Het spreken van de Heilige Geest is Zijn schrijven en verzegelen. Als de Heilige Geest spreekt, dan heeft Hij de pen in Zijn hand, schrijft Zelf de letters en drukt die in het hart. Dán worden de mensen geheel anders en nieuw. Dan is de persoon zeker, want het is in zijn hart geschreven en gedrukt. Hij draagt een pand, een ring, een zegel, zodat hij er niet aan twijfelt: God is waarachtig – dat is de grootste heerlijkheid in zijn hart, dat God waarachtig is.
WA 47,184,17-27 (verkort)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s