Met ons hart niet blijven hangen aan de uitwendige tekenen…

Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
(Uit 1 Korintiërs 5 uit de verzen 7-8 : 7b)

Geciteerd: In deze verkondiging gaan we ons nu niet bezighouden met een verklaring van de sacramentele reden, waarom Paulus Christus ons Paaslam noemt. Daarover hebben we immers al een andere keer gehoord. Maar om in te stemmen met het artikel van onze christelijke geloofsbelijdenis waarmee we een algemene, christelijke Kerk belijden, moeten we er nu eerst op wijzen dat de gelovigen van het Oude Testament met ons één volk en één kerk vormen.

Paulus schrijft ons hier een Paaslam toe, als hij zegt dat Christus ons Paaslam is. Hij laat zien dat we samen met de gelovigen van het Oude Testament door Christus, ons eeuwige Paaslam, met God verzoend zijn. En zoals hij ons hier een Paaslam toeschrijft, zo schrijft hij ons in Kolossenzen 2 : 11 een besnijdenis toe, want hij zegt dat wij besneden zijn met de besnijdenis van Christus. Verder zegt hij tegen de Hebreeën in hoofdstuk 13 : 10: ‘Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die de tabernakel dienen.’

Precies andersom schrijft hij de oudtestamentische gemeente soms onze sacramenten toe, zoals in 1 Korintiërs 10 : 2, waar hij zeg dat zij allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee. Daaruit blijkt dat op dezelfde manier en door hetzelfde middel als wij in het Nieuwe Testament zalig worden, ook de gelovigen van het Oude Testament zalig zijn geworden – door het Lam ‘Dat geslacht is van de grondlegging der wereld‘ (Openbaring 13 : 8), namelijk Christus. Er is werkelijk nooit in iemand anders zaligheid geweest dan in de Naam van Jezus Christus! Hij is gisteren en heden Dezelfde en in eeuwigheid (Hebreeën 13 : 8), en daarom moeten we zeggen dat de gelovigen van het Oude én het Nieuwe Testament in Christus één volk en één gemeente zijn. (1)

Daarom vergissen een aantal wederdopers zich heel ernstig, want die denken dat de gelovigen van het Oude Testament zo vleselijk waren dat ze alleen maar aardse beloften hadden van een aards Kanaän en van de overwinning op hun aardse vijanden, en dat ze niets te maken hadden met de leer van Christus. Daartegenover geloven wij een heilige, algemene kerk en de gemeenschap der heiligen. Er was alleen maar onderscheid door een verschil in tijd en in uitwendige kenmerken. In het Oude Testament moesten ze niet blijven hangen aan de uitwendige tekenen, maar door het geloof op Christus zien Die nog zou komen. En zo moeten ook wij met ons hart niet blijven hangen aan de uitwendige tekenen, maar op Christus ons Paaslam zien, Die voor ons geofferd is.

(1) Dit is geen ‘vervangingstheologie’ maar ‘vervullingstheologie’.

Leestip: Psalm 87.

Bron citaat: Reveilserie No 623 Maart 2026 – ‘Christus ons Paaslam voor ons geofferd’ – door ds.Hermannus Faukelius (1560-1625)

Hiermee maakt de Heilige Geest duidelijk dat de weg naar het hemelse heiligdom niet zichtbaar was, zolang de eerste tent nog dienst deed. Dit alles is een zinnebeeld tot aan de huidige tijd: er worden daar gaven en offers gebracht die het geweten van degenen die ze opdragen niet tot volmaakte zuiverheid kunnen brengen; het gaat alleen om voedsel, drank en rituele wassingen, om bepalingen over uiterlijkheden die slechts gelden tot de nieuwe orde.
Christus daarentegen is aangetreden als Hogepriester van al het goede dat ons is toebedacht. Hij is door een indrukwekkender en volmaakter tent – die niet door mensenhanden gemaakt is en niet behoort tot onze schepping – voor eens en altijd het hemelse heiligdom binnengegaan, en dan niet met het bloed van bokken en jonge stieren maar met Zijn eigen bloed. Zo heeft Hij een eeuwige verlossing verworven. Want als het lichaam van wie onrein is al wordt gereinigd en geheiligd wanneer het besprenkeld wordt met bloed van bokken en stieren of bestrooid met as van een jonge koe, hoeveel te meer zal dan niet het bloed van Christus, Die dankzij de eeuwige Geest Zichzelf heeft kunnen opdragen als offer zonder smet, ons geweten reinigen van daden die tot de dood leiden, en het heiligen voor dienst aan de levende God
.’ (Uit Hebreeën 9 de verzen 11-14)

Bron afbeelding: Loving the Word with the MudPreacher

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Laten we daarom feestvieren’…

Laten we daarom het (Pesach/Paaslam) feest niet vieren met het oude zuurdesem, noch in het zuurdesem van kwaadheid en boosheid, maar met het ongedesemde brood van oprechtheid en waarheid.’ (Uit 1 Korintiërs 5 uit de verzen 6-13 : 8).

Geciteerd: Laten we daarom nu ook feestvieren – maar hoe? Doen we dat door onze mooiste kleren aan te trekken, te gaan wandelen, en ieder van ons zijn zin te laten doen? Zal de een zijn tijd in een restaurant en de ander zijn tijd op een bowlingbaan doorbrengen? Nee, beslist niet! We trekken wel andere kleren aan, maar laten we nog veel meer onze verkeerde praktijken veranderen. Laten we de onreine kleding van oude zonden en ongerechtigheden afleggen; of zoals de apostel zegt: Laat ons feest vieren, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem van kwaadheid en boosheid.’ (1 Korintiërs 5 : 8). Daaronder verstaat hij dat we niet alleen de vroegere (OT) manier van feestvieren zullen nalaten, maar eerst en vooral nu het nalaten van allerlei oude en nieuwe zonden tegen de eerste of tweede tafel van de wet gedaan – hoe subtiel of slim en onder welke dekmantel die ook plaatsvonden.

Als we onszelf onderzoeken – met het licht van het doorgaande onderwijs van Gods Woord -, zullen we merken dat ons maar al te veel oude zuurdesems nog aankleven. Daarbij kunnen we denken aan hoogmoed, jaloezie, eerzucht, oneerlijkheid, bedriegerij, vijandschap, ruzies, twisten en vechten, hoererij en allerlei onzedelijkheid, roddel, laster, kwalijke geldzaken, en zo meer. Allemaal zonden tegen het gebod van onze Heer om elkaar lief te hebben en recht te doen. Al die zonden moeten we altijd weer uitzuiveren als we voor de Heere werkelijk feest willen vieren. We zullen dus feesthouden met de ongezuurde broden van waarheid en oprechtheid. Dat betekent dat we oprecht moeten zijn in onze daden, en met onze naasten omgaan zoals we willen dat men met onszelf omgaat. We moeten oprecht zijn in woorden, en in onze daden zonder geveinsdheid, gehuichel en hypocrisie. We moeten handelen zoals het heiligen past, waarbij geen enkele vorm van bedriegerij en geveinsdheid een plaats krijgt.

Laat ieder dit op zichzelf en eigen leven toepassen, om niet alleen nú het Paasfeest te vieren, maar laten we alle dagen van ons leven zó onze feestdagen en ‘sabbatten’ houden. Laten we dan niet alleen een dag of twee enkele uitwendige plechtigheden nakomen, maar altijd rusten van onze boze en goddeloze werken. Laten we zo het geestelijke Egypte verlaten en het rijk van de zonden. Laten we ons in Christus verheugen over de verlossing die Hij ons geschonken heeft. En als het zo is dat we met Christus zijn opgestaan, laten we dan ook zoeken wat boven is, ‘waar Christus is, zittend aan de rechterhand van God’, en niet zoeken wat op de aarde is (Kolossenzen 3 : 1-2). Laten we dat doen uit dankbaarheid omdat en opdat we eenmaal in de hemelen met Christus een eeuwige sabbat en een eeuwigdurend feest zullen vieren. Laat ons dan die vreugde mogen ontvangen die geen oog ooit gezien en geen oor ooit gehoord heeft, en nooit in het hart van een mens is opgekomen.
AMEN.

Opgemerkt: Hoe mis het kan gaan in de voorbereiding op en tijdens het vieren van het Paasfeest zelfs bij de meest vooraanstaande mensen onder het volk van God, daarover lezen we in de evangeliën bij de voorbereiding en uitvoering van de strafzaak tegen onze Heer Jezus. In deze blog lezen we een en ander over hoe men werkelijk tegen al goede rechtsregels in men de eigen zaak wist door te drijven tot in het ‘gemeentehuis’ van Jeruzalem toe: ‘Dat conflict tussen recht en macht…’

Bron citaat: Reveilserie No 623 Maart 2026 – ‘Christus ons Paaslam voor ons geofferd’ (Toepassing aan slot van de preek) – door ds.Hermannus Faukelius (1560-1625)

Wat jullie ook doen, doe het oprecht en van harte, alsof het voor de Heer is en niet voor de (ogen) van mensen, want we weten dat we van de Heer een erfenis als beloning zullen ontvangen – onze Meester* is Christus. Maar ieder die onrecht doet zal daarvoor boeten en daarbij wordt geen onderscheid gemaakt.’ (Uit Kolossenzen 3 uit de verzen 12-25 : 23-25)
* Zie hierbij Galaten 4 : 16-20.

Bron afbeelding: DailyVerses-net

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Dat conflict tussen recht en macht’…

‘God, een opstandige bende kwam op mij af,
met geweld bedreigen zij mijn leven,
zij houden U niet voor ogen.’
(Uit Psalm 86 vers 14)

Geciteerd vooraf: Prof. mr. E. J. H. Schrage, onder meer raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof in Amsterdam, becommentarieerde in het juridisch tijdschrift Ars Aequi in 2003 de rechtszaak die “de gemoederen tot op de dag van vandaag bezighoudt.” (…) Vergeet niet: mijn artikel is geen preek. (…) “Ik heb in mijn artikel de juridische aspecten van het proces-Jezus willen belichten, als een intellectuele uitdaging, en met 25 jaar ervaring als rechter.”

Geciteerd 1: “Ongelooflijk”, typeert de hoogleraar de rechtsgang – voor het Sanhedrin, voor Pontius Pilatus. “Ongeveer ieder voorschrift dat men aan het traktaat Sanhedrin kan ontlenen, blijkt in het proces Jezus te zijn overtreden. En vond P. Lapide, auteur van het boek “Wie waren er schuldig aan de dood van Jezus?” nog twaalf van die overtredingen de moeite van het vermelden waard, de Fransman Chauvin, die deze rechtszaak eveneens onderzocht, heeft er niet minder dan zevenentwintig gevonden.”
Daarbij gaat het niet om de geringste voorschriften, constateert hij. “Het verbod om ’s nachts een doodvonnis uit te spreken bijvoorbeeld, of het verbod om de vooravond van het Pascha als rechtsdag te benutten. Dat het huis van de hogepriester in plaats van de tempel als zittingzaal werd gebruikt, was ongehoord. Hetzelfde geldt voor het feit dat de hogepriester bij de beraadslagingen als eerste het woord nam en zijn stem uitbracht. Hij had eerst de anderen, te beginnen bij de jongste, aan het woord moeten laten komen. Dat is trouwens nog steeds de gewoonte: de voorzitter voert in een rechtszaak in principe als laatste het woord. Nog iets: er was geen enkel getuigenbewijs, en dat terwijl al sinds de dagen van de thora minimaal twee getuigen verplicht waren. Ook laat de hogepriester het afleggen van een eed toe – wat verboden was.”

Geciteerd 2: Verder was van een werkelijke aanklacht, een “fatsoenlijke tenlastelegging” geen sprake. Schrage: “Wie is hier de aanklager, de officier van justitie? Hij ontbreekt, of hij valt samen met Pilatus. De aanklacht die voor het Sanhedrin naar voren werd gebracht, is niet strafbaar. Vaak is gewezen op het gegeven dat Jezus Zichzelf Gods Zoon noemde – wat voor de Joden als godslasterlijk, als majesteitsschennis gold. Maar voor een Romeins rechter niet! Uit de bij Qumran gevonden Dode-Zeerollen wordt bovendien duidelijk dat er in die tijd zo veel mensen waren die zichzelf Messias noemden. Die werden niet opgepakt, om de eenvoudige reden dat het jezelf Gods Zoon noemen binnen het Romeinse recht niet als een misdrijf gold. Onschuldig is Jezus dus ter dood veroordeeld. Sterker nog: de aard van het vonnis is volstrekt onduidelijk. Er is geen echt vonnis uitgesproken.”

Dáár ligt het allerergste, het kernpunt in het hele verhaal, stelt hij. “Pilatus zegt: “Ik vind geen schuld in deze Mens” – en spreekt desalniettemin het doodvonnis uit. Dat is iets volstrekt ongehoords. Het idéé dat ik als rechter iemand zou veroordelen die geen schuld heeft. Met een rechtmatig strafproces heeft dit niets meer te maken. Dit is pure machtsuitoefening. Wat recht is, weet Pilatus heel goed. Drie keer heeft hij verklaard Jezus voor onschuldig te houden. Ook zijn vrouw fluistert het hem nog eens in. Maar het gaat hier niet meer om recht, niet meer om strafrecht. Alle maskers vallen af: “Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?“”

Er zijn, schrijft de raadsheer-plaatsvervanger, “weinig of geen scènes in de wereldliteratuur te vinden die zo indrukwekkend het probleem van de verhouding tussen macht en recht aan de orde stellen. Pilatus bezweek voor de macht. Voor de macht van de massa, voor de macht van de keizer. Op de krakkemikkige procedure voor het Sanhedrin klonk vanaf Gabbatha het exequatur (de machtiging tot tenuitvoerlegging; red.).”

Geciteerd slot: En nu verlaten wij de beschrijving van Johannes zelf en wenden wij de blik naar de doorwerking ervan in de geschiedenis, besluit Schrage zijn artikel. “Tweeduizend jaar lang hebben ontelbare mensen die beschrijving gelezen en toen ze bij het proces Jezus kwamen, hebben ze het dramatisch hoogtepunt ervan voor Pilatus, dat conflict tussen recht en macht, herkend als was het hun eigen verhaal. Hoevelen onder die lezers zijn tot op de huidige dag overgeleverd aan naakte machtsuitoefening? Hoevelen onder hen is recht geweigerd? Hoevelen hebben aan de archetypische beschrijving van hun lot door Johannes de zekerheid ontleend dat aardse processen niet het laatste woord hebben; dat zelfs achter Pilatus, de aardse machthebber bij uitstek, nog een andere werkelijkheid schuilgaat, namelijk de werkelijkheid van Pasen? Valt er niet méér te zeggen?

Bron citaat: Digibron – RD artikel 08-04-2004 – ‘Raadsheer-plaatsvervanger E. J. H. Schrage: Proces tegen Jezus getuigt van pure machtsuitoefening’ – door A. de Heer.

‘U Heer, bent een God Die liefdevol is en genadig,
geduldig en trouw en waarachtig.
Keer U tot mij een wees mij genadig,
schenk kracht aan Uw dienaar
redt het kind van Uw dienares.
Geef mij een teken van Uw goedheid,
dan zullen mijn haters (1) verbleken en zien
dat U, HEER, mij bijstaat en troost.’
(Uit Psalm 86 de verzen 15-17)

(1) Haters: Mensen (broeders en/of zusters) die een medemens zijn rechtmatige – van God gegeven! – plaats, in huwelijk, gezin, familie en samenleving, etc. niet gunnen en geven en – vanwege allerlei belangen en daaruit voorkomende ergernissen – er veel, zo niet alles, aan gelegen laten liggen om iemand zijn of haar rechtmatige plaats te (laten) ontnemen.

Bron afbeelding: Scripture Of The Day | A Message Of Hope

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Jullie nemen ons getuigenis niet aan’…

‘”Begrijpen jullie – Farizeeën en Schriftgeleerden – dit niet”, zei Jezus, “terwijl jullie je toch leraren in Israël zijn (oorspronkelijk was het de taak van de Levieten om het Godsvolk te onderwijzen)? Waarachtig (‘Amen’), Ik verzeker jullie: Wij – Johannes de Doper en Ik – wij spreken over wat we weten en we getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie nemen ons getuigenis niet aan.’ (Uit Johannes 3 uit de verzen 1-13 : 10-11)

Opgemerkt 1: De Farizeeën en Schriftgeleerden hadden (blijkbaar ook) gehoord wat Johannes over Jezus gezegd had en ook wat Jezus van Zichzelf getuigde. Maar zij namen dat getuigenis van hen niet aan. Ze hadden zich ook niet laten dopen door Johannes toen deze zijn optreden bij de Jordaan begon nog voor hij Jezus gedoopt had. En ook wat Johannes bij en na de doop van Jezus van Hem getuigd had – zie zijn woorden zoals opgetekend in Johannes 1 : 29-36 – namen ze niet aan. Maar Nicodemus is blijkbaar een uitzondering en erkent Jezus toch al wel als een leraar die door God gezonden moet zijn (zie zijn woorden in Johannes 3 : 1-2).

Opgemerkt 2: Jezus verwijt dat Nicodemus – als leraar van Israël – Zijn woorden over wedergeboorte niet goed weet te plaatsen en dat verwijt is terecht, want in het visioen en de profetie van Ezechiël (zie Ezechiël 37 : 1-14) was toch al duidelijk geworden dat alleen Gods Geest het volk van Israël tot nieuw leven kan wekken. Het optreden van Johannes de Doper – die optrad buiten Jeruzalem – was daar al een bijzonder voorteken van geweest, en onze Heer wees Nicodemus erop dat de Geest waait waarheen Hij wil en dat Hij de ‘theologen’ en het theologisch centrum van Jeruzalem – met al het gewichtig optreden en alle gewichtige woorden van de ‘kerkleiders’ daar – links had laten liggen en aan de slag was gegaan met de prediking en de Doop van Johannes bij de Jordaan.

Opgemerkt 3: Alhoewel Jezus woorden en optreden het getuigenis van een mens niet nodig hebben (zie Johannes 5 : 30-46), heeft Hij toch dat getuigenis van Johannes en Zijn Doop in de Jordaan door hem willen – en ‘moeten’ (zie Matteüs 3 : 15) – gebruiken om het aan te wijzen als het werk en getuigenis van Gods Geest over Hem. Later zal Hij de Farizeeën nog (weer) confronteren met de vraag of de Doop van Johannes – en dus ook Zijn Doop – uit de hemel was of niet meer dan mensenwerk – zie Matteüs 21 : 23-32!

Opgemerkt 4: Het kan niet anders dan dat onze Heer Nicodemus er op gewezen heeft dat ook hij zich moest laten dopen al sluit ik niet uit dat Nicodemus zich toch al wel had laten dopen door Johannes de Doper. Die Doop (‘uit de hemel’) was nodig om het getuigenis van Johannes én het getuigenis van Jezus aan te kunnen nemen door het werk van de Heilige Geest. Die vernedering die er in het ondergaan van de Doop ligt, die heeft ook onze Heer willen en moeten ondergaan… (zie Matteüs 3 : 13-17)

Opgemerkt slot: Het getuigenis van onze Drie-enige God bij onze Doop – die ons geschonken wordt in opdracht van onze Heer Zelf – dat getuigenis hebben ook wij aan te nemen door het werk van de Heilige Geest. Ook van onze Doop kunnen wij zeggen dat wanneer wij het getuigenis van mensen aannemen, dat dát getuigenis van God – bij en door onze Doop – meer is dan wat de apostelen en theologen en wijzelf daarover te vertellen hebben. Een dopeling mag zichzelf en ieder ander voorhouden: Wat ik jullie ook te vertellen heb (aan bijzonderheden die voor of tegen mij getuigen) en hoe jullie ook oordelen over mijn leven, het getuigenis dat God Zelf mij met en door de Doop geschonken heeft is meer. Daar mag ik me aan houden en daar moeten jullie het mee doen! Lees het maar na in 1 Johannes 5.

>> Leestips: Matteüs 11 : 7-30, 21 : 23-32, Lukas 7 : 24-35, Johannes 1 : 19-34, Titus 3 : 4-8 en 1 Johannes 5 : 5-13.

>> Zie ook deze voorgaande blog: ‘Je opnieuw een slaven bestaan laten aanmeten?

N.a.v. Engelstalig Luthercitaat van donderdag 1 april 2026 – ‘Luther’s sermons on the gospel of st. John (50)’ – http://www.maartenluther-com

Hij, Jezus Christus is gekomen door het water en het bloed – niet door het water alleen, maar door water en het bloed. En de Geest getuigt ervan, omdat de Geest de waarheid is. Er zijn dus drie getuigen: de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend. Als we het getuigenis van mensen aannemen, zullen we zeker het getuigenis van God aannemen, dat zoveel meer gezag heeft, want het is het getuigenis dat God over Zijn Zoon gegeven heeft.’ (Uit 1 Johannes 5 uit de verzen 5-12 : 6-9).

Bron afbeelding: A Year of Good News

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Je (opnieuw) een slavenbestaan laten aanmeten?

Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: wie niet opnieuw geboren wordt, kan het koninkrijk van God niet zien.’ (Uit Johannes 3 uit de verzen 1-13 : 3)

Geciteerd: Deze woorden doen grote afbreuk aan goede werken en het tweede deel van de leer: de verkondiging van goede werken. Dit betekent niet dat Christus werken volledig verwerpt, want ook die zijn prijzenswaardig; maar ze moeten binnen hun voorgeschreven kader en sfeer blijven.

Vergeleken met de leer die ik nu bespreek, namelijk geloof en wedergeboorte, zijn ze zeer onbeduidend. Ze kunnen een mens niet naar de hemel brengen of hem zo ver brengen dat hij ernaar verlangt de hemel te aanschouwen of het eeuwige leven binnen te gaan. Nee, men moet opnieuw geboren worden. Zonder deze wedergeboorte kan er geen lidmaatschap van de Kerk zijn. Deze woorden van Christus zijn helder en duidelijk. Nicodemus is vroom genoeg; hij is rijk aan goede werken, en nu vernedert hij zichzelf en komt tot de Heer Christus. Annas en Kajafas zouden dit niet hebben gedaan.

Nicodemus belijdt dat Christus een leraar van de waarheid is. Toch zegt de Heer tegen hem: “Uw nederigheid en vroomheid betekenen niets, en u zult de hemel niet binnengaan tenzij u wedergeboren wordt.” Hier staat geschreven: “U moet wedergeboren worden.” Dit komt neer op zeggen: “Nu bent u dood, met al uw werken, gedrag en leven. U bent verdoemd en waardeloos met uw schijnheilige en farizeïsche rechtvaardigheid.”

Laat ik het illustreren. Een kind dat over twee jaar geboren zal worden, bestaat nog niet. Op dit moment is het meisje dat het kind zal dragen en baren nog ongehuwd. Het kind dat uit haar geboren zal worden, is niets en kan niets doen. Iedereen moet erkennen dat men niets kan doen totdat men leven heeft. Daarom zijn alle werken, hoe kostbaar en goed ze ook mogen zijn, absoluut niets waard als ze vóór de wedergeboorte worden verricht; ze zijn niets dan zonde en dood. Bijgevolg oordeelt de Heer Christus dat Nicodemus en alle Farizeeën – ja, het hele Joodse volk dat Christus niet aanvaardt en niet in Hem gelooft – helemaal niets waard zijn; want zij zijn nog niet wedergeboren.

Als dit waar is, wat moeten we dan denken van degenen die werken verrichten die veel minderwaardig zijn aan die van Nicodemus, zoals de monniken, de nonnen en alle katholieken, wier werken in het niet vallen vergeleken met die van hem? Ook zij zijn niet in staat goede werken te verrichten, omdat ze niet wedergeboren zijn. Hoewel ze de mensen belasten met vele zogenaamd goede en waardevolle werken, is het toch tevergeefs. Dit wil niet zeggen dat we goede werken veroordelen; integendeel, we stellen dat de mens eerst geschikt gemaakt en wedergeboren moet worden voordat hij in staat is goede werken te verrichten.”

[Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 46, 541 e.v. – (vertaling gebruikt: Luthers Works, American Edition, Concordia Publishing House, vol. 22, p. 277/278 e.v.)]

Opgemerkt 1: Zou onze Heer Jezus bedoeld hebben dat Nicodemus nu eerst maar eens moet gaan zitten wachten op zijn wedergeboorte of zou Hij hem de raad hebben gegeven om zich te laten dopen door een van Zijn discipelen? Of had hij zich misschien al laten dopen door Johannes de Doper? Lukas legt een duidelijk verband tussen je (nederig) hebben laten dopen door Johannes de Doper en het aanvaarden van Jezus Christus als van God gezonden – zie Lukas 7 : 29-30.

Opgemerkt 2: Zouden die gedoopte monniken en nonnen werkelijk geen goede werken hebben kunnen verrichten omdat ze (blijkbaar allemaal nog) niet wedergeboren waren? Of kunnen zelfs ook wedergeborenen het ware (‘Bijbelse’) zicht op wat goede werken zijn kwijtraken door een verkeerde kerkleer. Waarom hameren de apostelen toch zo op goed onderwijs en blijven bij de ‘gezonde’ leer? Is dat niet juist omdat ook wedergeborenen het juiste (‘Bijbelse’) zicht op wat goede werken zijn en waarom we goede werken doen en welke goede werken we zullen doen kunnen kwijtraken of nooit aangeleerd krijgen. Want de Doop is toch het bad der wedergeboorte en de Heilige Geest wordt ons vast en zeker beloofd, maar wanneer we dan toch allerlei mensenwijsheid en mensenleer in de kerk de boventoon laten voeren, dan worden veel schapen en lammetjes misleid , maar dat wil nog niet zeggen dat de Goede Herder ze verloren laat gaan – zie o.a. Matteüs 18 : 1-14.

Zie ook deze vervolg blog:Jullie nemen ons getuigenis niet aan…

Bron citaat: maartenluther-com – Engelstalig Luthercitaat van 1 april 2026 – ‘Luther’s sermons on the gospel of st. John (50)’

Jullie zijn (door jullie Doop, zie Galaten 3 : 27-29) geen slaven meer, jullie zijn kinderen van God en als zijn kinderen zijn jullie erfgenamen door de wil van God. Toen jullie God nog niet kenden, waren jullie onderworpen aan goden die helemaal geen goden zijn. Hoe is het dan toch mogelijk dat jullie die God hebben leren kennen, meer nog, door God gekend bent, jullie je opnieuw tot die zwakke, armzalige machten wenden en jullie daaraan als slaven onderwerpen wilt. Jullie houden je – inmiddels, m.n. vanwege bepaalde leidende figuren in de gemeente (zie Galaten 4 : 16-20 en 5 : 7-12) – werkelijk aan vaste feestdagen, maanden, seizoenen en jaren? Ik vrees dat al mijn inspanningen voor jullie volkomen zinloos zijn geweest. (Uit Galaten 4 uit de verzen 4-20 : 7-11)

Bron afbeelding: Biblia-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Dat Hij is uitgegaan, dát is je trouwring!’

Zo is Hij dan Bemiddelaar van een nieuw verbond; Hij is immers gestorven om ons te verlossen van de overtredingen tegen het eerste verbond. Nu kunnen allen die geroepen zijn het beloofde eeuwige erfdeel ontvangen.’ (Uit Hebreeën 9 uit de verzen 11-28 : 15)

Geciteerd: ‘Ga uit, ga uit! Uit uw legerplaats’, klonk het bij de Sinaï, ‘Heilig jezelf. Ga de rommelende donder, de verschrikkelijke bliksem, het vreselijke gezicht tegemoet. Laat niemand het wagen de berg te beklimmen.’ En de stem van de bazuinen verkondigde: ‘Je zult niets aanraken, je bent verloren, je bent verdoemd!’

‘Ga uit, ga uit! roept de duivel een mens toe. zo’n zondaar als jij mag niet naar binnen; als je het waagt binnen te gaan, verpletter ik je het hoofd!’ ‘Ga uit, ga uit. De tijd der genade heb je verspeeld, jij behoort niet tot het volk dat de deugden van God verkondigt, jij bent van onder tot boven bevlekt. Wie daar wel binnenkomt is niet zo’n zondaar als jij, ze hebben tóch iets in zich, dat jij niet hebt.’ Zó spreekt menig ziel tot zichzelf en sluit zichzelf daarmee uit. ‘Ga uit, ga uit!’ En al wilde Hij jou ook zalig maken – nee, zo’n zondaar als ik zal God niet aannemen. Wat moet zo iemand voor Zijn troon doen?

‘Ga uit, ga uit’, denkt menige ziel. ‘God heeft mij van zijn aangezicht verstoten, Hij heeft mij verlaten, zal ik ooit weer tot mijn God te Sion kunnen naderen? Waar zijn de vorige dagen? Waar is de vroegere genade? O, mijn harp en mijn snarenspel, hoe heerlijk hebben jullie voorheen geklonken, maar nu is de deur gesloten! Waar zijn Gods beloften?’

‘Ga uit, ga uit’, zegt men in de wereld, klinkt het (zelfs ook) in de vrome stad, ‘wie kan jouw woorden nog aanhoren? Je bent een ketter, je bent buitengesloten met de sleutels van het hemelrijk. En zo iemand wordt met smaad overladen; in het huis van degenen die men liefhad wordt men geslagen en verwond; van de vaders (of moeders) en de broeders ontvangt men vijfmaal negenendertig slagen (vergelijk 2 Korintiërs 11 : 24).
Ga uit naar de woestijn – door iedereen gehaat omdat je de banier der gerechtigheid hebt willen planten – met een naam die door allen veracht wordt.

Maar wat zal dat ‘ga uit’ van het oude paradijs? Wat zal dat ‘ga uit’ dat op de Sinaï klonk, het ‘ga uit’ uit de mond van de duivel, het ‘ga uit’ van de zonde, van de wankelmoedigheid van zowel de vrome als de goddeloze wereld?

Hij ging uit, dragende Zijn kruis. Laat ons gaan buiten de legerplaats, buiten de stad Gods die hierbeneden ligt. Wij hebben hier geen blijvende stad. En de toekomende stad? – Wie heeft die in zijn hand? De duivel zéker niet; de zonde ook niet; de vrome wereld nog minder. En al schijnt het ook dat God je uitsluit – laat je van het doel niet afbrengen. Houd aan om ontferming en genade. De gehele strijd is slechts een schermutseling om je de genade van Christus en de liefde van God te laten prijsgeven, opdat je de gemeenschap met de Heilige Geest – in het midden van Zijn gemeente (1), AJ – zult ontberen.

Het is geschied! Het is historische waarheid. Hij draagt Zijn kruis en gaat uit. Daarom is immers Zijn Naam Jezus: Borg. Hij is deze gang niet vergeefs gegaan. Hij is uitgegaan tot eer van Zijn Vader, om de Wet op te richten, de zonde uit het midden weg te doen, de schuld en de straf weg te nemen en de mens in gerechtigheid voor zich te stellen.

Wat de dode dieren niet konden bewerken, nadat hun bloed door de hogepriester in het binnenste heiligdom was gebracht en de dieren verbrand werden buiten de legerplaats, dat heeft Hij teweeggebracht toen Hij uitging. En wat de weggezonden bok betekende die met de zonden van het volk beladen de woestijn ingedreven werd, dat heeft Zijn uitgaan tot stand gebracht. Met zonden, met ónze zonden, ging Hij uit. Zonder zonde zullen wij Hem weerzien; want de zonde is weg, Hij heeft ze weggedragen. Dat is wat voor de troon der genade bewaarheid is.

Ten dode beangstigde ziel, als jij buiten blijft – dan is Hij niet uitgegaan. Hij is echter uitgegaan en jij zult binnen zijn. Laat je niet verontrusten door wat je ziet; houd je vastgeklemd aan de Onzichtbare. Zijn Naam is Zondenuitdelger, Zijn Naam is Verlosser. Dat Hij is uitgegaan, dat is je trouwring. Door Zijn uitgaan heeft Hij geopend – wie kan dan toesluiten? Het is Zijn wil ons zalig te hebben.

(1) Zie Psalm 22 : 25-27, 40 : 11 en Psalm 71 : 14-18.

Bron citaat: Reveilserie no 622 februari 2026 – ‘Jezus draagt mijn kruis’ -door dr. F.H. Kohlbrugge.

Leestips: 2 Korintiërs 3 en 4 en Hebreeën 13.

Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige. Laten we dan door Hém voortdurend een dankoffer brengen aan God, het huldebetoon van onze lippen die Zijn Naam prijzen, ononderbroken. en houd de liefdadigheid en de onderlinge solidariteit in ere, want dát zijn offers waar God behagen in schept.‘ (Uit Hebreeën 13 : 13-16)

Bron afbeelding: KJV Bible Scripture Pictures

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘De Reformatie begon niet in de kerk, maar op school’?

Geciteerd 1a: De Reformatie begon niet in de kerk, maar op school. Luthers wereld veranderende actie begon met een academische gebeurtenis toen hij zijn 95 wetenschappelijke stellingen publiceerde. De vernieuwing die Europa transformeerde, werd niet tot stand gebracht met wapens, maar met woorden. Zelfs woorden in het Latijn.
Transformeren kan het meest effectief worden gedaan door middel van onderwijs. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de reformatoren politici opriepen maatregelen te nemen voor beter onderwijs en ouders aanmoedigden hun kinderen naar school te sturen.

Opgemerkt 1: Laten we allereerst eens denken aan de Bijbelse reformaties die we kennen en hoe die begonnen. We kunnen dan denken aan het boek Samuël waar een reformatie begon met een biddende vrouw: Hanna. En ook aan het werk van Johannes de Doper dat buiten Jeruzalem bij de Jordaan begon. En onze Heer trok niet naar Jeruzalem om daar uit de scholen van de Farizeeën en Schriftgeleerden een stel geschoolde jongeren te kiezen, maar Hij begon in Galilea en rekruteerde daar een stel vissers…

Opgemerkt 2: Zijn het niet juist de geschoolde theologen geweest die het ‘gewone kerkvolk’ de verkondiging van het Evangelie ontnamen door zich af te zonderen en op te sluiten in hun scholen (w.o. veel kloosters) en door het gebruik van een voor het gewone kerkvolk onverstaanbare taal: Het Latijn. En kunnen we werkelijk zeggen dat de manier waarop Luther het Evangelie weer ontdekt had een schoolse aangelegenheid geweest is? En valt de ontvankelijkheid voor de (centrale en blijde) boodschap van het Evangelie in Europa werkelijk toe te schrijven aan het (schoolse) werk van een/één mens? (1)

Geciteerd 1b: Het is niet verwonderlijk dat Philip Melanchton (niet Luther!) ijverig werkte aan de hervorming van universiteiten en talrijke nieuwe (w.o. theologische) leerboeken schreef. Onwetendheid werd gezien als een van de belangrijkste oorzaken van armoede, de verspreiding van ziekten, oorlogen en religieuze angst, en regulier onderwijs (niet: verkondiging en aanvaarding van de blijde boodschap van het Evangelie!) werd gezien als het meest effectieve wapen tegen dit alles. (2)

(1) En welke verwachting t.a.v. de ontvankelijkheid voor de centrale en blijde boodschap van het Evangelie mogen wij hebben voor onze tijd en in de huidige wereld?
(2) En wat kunnen wij inmiddels zien van de positieve effecten van het onderwijs in de westerse wereld? Heeft het zich werkelijk het meest effectieve wapen betoond tegen armoede, de verspreiding van ziekten en oorlogen en om er (religieuze) angst mee uit te bannen?

Geciteerd 2: Luther heeft zichzelf nooit als ‘Reformator’ aangeduid. Hij schuwde het profeet-zijn niet en als ‘evangelist’ wilde hij de blijde boodschap verbreiden. Hij noemde zichzelf predikant, doctor of professor en dat was hij ook allemaal. Maar nooit heeft hij de pretentie gehad Reformator te zijn, net zo min heeft hij zijn werk voor Reformatie uitgegeven.
Het spraakgebruik beantwoordt aan het gegeven dat ‘Reformatie’ de onherroepelijke daad van God zal zijn. Hanteerde Luther desondanks – echter zeer zelden – het begrip ‘refomatio’, dan bedoelde hij ‘verbetering van de wereld’. Maar ook hier moet voor onze tijd zorgvuldiger vertaald worden, want hij was geen wereldverbeteraar, die een veelbelovend offensief startte met het oog op de geestelijke bewapening van de nieuwe tijd – tegen zonde, oorlog en ellende. Niet de nieuwe tijd, maar de eindtijd wordt door Luther uitgeroepen, weliswaar het einde van de Middeleeuwen, maar tegelijkertijd het begin van het einde van alle tijden.

Opgemerkt slot: Valt het verhaal in de artikelen van prof. Selderhuis in feite niet toch eerder nog een ode aan de ‘Verlichting’ te noemen, dan een danklied op wat de Heilige Geest aan geloof en dankbaar dienstbetoon heeft willen werken in de harten van eenvoudige mensen? En heeft zijn hoge verwachting van wat mensen (zelfs nog één enkel persoon) ook nu nog weer door scholing zouden kunnen bereiken werkelijk ‘Bijbelse grond’?

Zie ook deze blog(s):
– ‘Luther bracht ons geen nieuwe theologie…
– ‘Het verhaal is vrij eenvoudig te vertellen...’

Bron citaten 1a+b: De Waarheidsvriend, 26 maart 2026 – ‘Coram Deo: leven voor Gods aangezicht – Deel 2’ – door prof. dr. H.J. Selderhuis.
Bron citaat 2: Luther – Mens tussen God en duivel – Hoofdstuk II. ‘Een Middeleeuws gebeuren/Boete is beter dan aflaat’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001), hoogleraar kerkgeschiedenis.

‘De mens heeft alle mogelijke soorten dieren weten te temmen, wilde dieren, vogels, kruipende dieren en zeedieren, maar er is geen mens die de tong kan temmen, dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn. Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader, en we vervloeken er mensen mee die God geschapen heeft als Zijn evenbeeld. Uit dezelfde mond klinkt zegen en vervloeking. Dat kan toch niet goed zijn, broeders en zusters. Laat een bron soms uit eenzelfde ader zoet en bitter water opwellen? Of kan een vijgenboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen. Net zomin geeft een zilte bron zoet water.‘ (Uit Jakobus 3 uit de verzen 1-18 : 7-12)

Bron afbeelding: Amazon-nl

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Luther bracht ons geen nieuwe theologie…

Toen Hij tijdens het Paasfeest in Jeruzalem was, geloofden velen in Zijn naam toen zij de wonderen zagen die Hij deed. Maar Jezus vertrouwde Zichzelf niet aan hen toe, want Hij kende alle mensen en had niemand nodig die van een mens getuigde; Hij wist immers zelf wat er in de mens omging.‘ (Uit Johannes 2 vers 23-24)

Geciteerd: Omdat wij zien dat velen die in het goddelijke Woord geloofd hebben, afvallen, moeten wij niet bereid zijn ons aan de mens toe te vertrouwen, wie hij ook moge zijn, zelfs al is hij een gelovige. Wij moeten ons niet aan de mens vastklampen alsof hij onfeilbaar is. Zo eigende de paus zich de titel van onfeilbaarheid toe en schoof hij onder deze claim Thomas Aquinas, Scotus en Bonaventura op als heilige mensen die niet konden dwalen. Hij deed hetzelfde met de andere kerkvaders, door hen te verheerlijken en tot pijlers van de christelijke kerk te maken (Galaten 2 : 9).

Daarom zeg ik: ik wil zien of er een leer is die met Christus overeenkomt. Ik mag de duidelijke regel die Paulus ons christenen geeft niet vergeten: let op wat overeenkomt met de leer van Christus en met het geloof. In Romeinen 12 : 7 zegt hij: “Laat het in overeenstemming zijn met het geloof“; dat wil zeggen, het moet in harmonie en overeenstemming zijn met Christus. En Petrus verklaart: “Wie spreekt, laat hij spreken als het Woord van God” (1 Petrus 4 : 11). Je moet niet alleen naar Bernard en Ambrosius gaan, maar het is van essentieel belang dat je hen meeneemt naar Christus en nagaat of ze het eens zijn met Zijn leer. Als ze dat niet zijn, maar iets hebben toegevoegd aan wat Christus heeft onderwezen, of iets hebben ontwikkeld vanuit hun eigen vroomheid en dit hebben onderwezen, dan laat ik hen daarvoor verantwoording afleggen.

Maar ik mag het niet tot een geloofsartikel maken, noch mag ik het geloven, omdat ze het niet volledig eens zijn met Christus. Want ik moet me alleen aan Christus houden; Hij heeft noch te veel noch te weinig onderwezen. Hij heeft mij geleerd God de Vader te kennen, heeft Zich aan mij geopenbaard en heeft mij ook vertrouwd gemaakt met de Heilige Geest. Hij heeft mij ook onderwezen hoe te leven en hoe te sterven, en heeft mij verteld waarop ik moet hopen. Wat wil ik nog meer?

En als iemand mij nu iets wil leren, laat hij dan oppassen voor vernieuwingen. Als hij iets nieuws probeert te presenteren, moet ik tegen hem zeggen: “Ik geloof het niet, beste dominee, beste prediker. Want alles wat verder gaat dan de Mens die Christus genoemd wordt, is niet echt. Het is nog steeds vlees en bloed, en Christus heeft ons gewaarschuwd daar niet op te vertrouwen. Hijzelf vertrouwde Zichzelf niet aan mensen toe.”

Daarom moeten we niet vertrouwen op de kerkvaders of hun geschriften, maar moeten we onder de vleugels van onze Broedkip, de Heer Jezus, kruipen en volledig op Hem vertrouwen. Want van Hem heeft God de hemelse Vader zelf gezegd: “Dit is Mijn geliefde Zoon, in wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem” (Mattheüs 17:5). God dringt erop aan dat we alleen naar Christus luisteren, want Hij heeft noch te weinig noch te veel gezegd.

Mozes, die in de Schrift de grootste glans heeft, mag zeggen: “Aan het woord dat Ik u geboden heb, mag u niets toevoegen noch er iets van afnemen; u moet het onveranderd laten zoals Ik het u geleerd heb” (Deuteronomium 4:2). En als Mozes, de dienaar, aanspraak maakt op zulke eer en autoriteit, hoeveel te meer heeft Christus de Heer daar dan recht op? God de Vader heeft immers vanuit de hemel getuigd dat wij naar Hem moeten luisteren en naar niemand anders! Want Christus heeft ons geleerd hoe we de Vader en Hem moeten kennen, hoe we in onze verschillende hoedanigheden moeten leven en ook hoe we de zware beproevingen en de doodsstrijd moeten doorstaan. Voor dit alles heeft Hij ons Zijn Woord en de Sacramenten gegeven. En wij durven daar niets aan toe te voegen of van af te trekken.”

[Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 46, 541 ff – (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, Concordia Publishing House, vol. 22, p. 255ff)]

Zie hierbij ook deze blog: ‘Pinksterpreek van Paulus (aangevulde versie)

Bron citaat: maartenluther-com – Engelstalig Luthercitaat van 27 maart 2026 – ‘Luther’s sermons on the gospel of st. John (49)’

Eerst waren jullie vervreemd van Hem en waren jullie Hem in al het kwaad dat jullie deden vijandig gezind, maar nu heeft Hij jullie door de dood van Zijn aardse lichaam met Zich verzoend – de vijandschap weggenomen – om jullie heilig, zuiver en onberispelijk bij Zich te brengen – toen jullie je lieten dopen -. Maar dan moeten jullie wel blijven geloven, onwrikbaar gegrondvest in de hoop die het Evangelie ons brengt, het Evangelie dat jullie van ons gehoord hebben en dat aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is, en waarvan (ook) ik Paulus (naast de andere apostelen), een dienaar geworden ben.’ (Uit Kolossenzen 1 : 21-23)

Bron afbeelding: Facebook (Lighthouse Mission Church)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over de Doop spreken als claim of dwangbuis…

Broeders en zusters, jullie zijn geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde, want de hele wet is vervuld in één uitspraak: “Heb je naaste lief als jezelf.”‘ (Uit Galaten 5 uit de verzen 13-26 : 13-14)

Geciteerd 1: Nog maar twee maanden geleden beschreef oud-president van Ierland Mary McAleese de doop als „een langdurige, stelselmatige, genegeerde ernstige beperking van de rechten van kinderen, (…) waardoor zij zonder hun toestemming en zonder mogelijkheid tot uittreding levenslang lid worden van de kerk”.
De bewering van McAleese is ondoordacht. De doop is op zichzelf uitwendig en is slechts een van talloze dingen die met een baby gebeuren zonder dat hij of zij er zelf iets over beslist. Kan een jongvolwassene een verzoek indienen om een paspoort van een ander land te krijgen, „want ik heb bij mijn geboorte niet voor mijn nationaliteit gekozen en deze spreekt me niet aan”? Vanzelf niet. Wat in het bevolkingsregister opgenomen is, is enkel een weergave van wat er gebeurd is, niet van gevoelens. Evenzo de doopregisters. Toch komen mensen met zo’n veronderstelling inmiddels bij kerken aankloppen om hun doop ongedaan te maken.
We hebben allemaal ouders of voogden (gehad) die vanaf onze geboorte naar eigen goeddunken keuzes voor ons gemaakt hebben en dat hebben we te respecteren (Hebreeën 12:9). Bedenk dat juist de totalitaire overheden in China en de Sovjet-Unie de kinderen verboden om kerken te bezoeken, zodat het hun ouders niet vrijstond ”de verkeerde opvoedingskeuze” te maken. En zelfs die communisten hadden veel minder bezwaar tegen de doop zelf dan tegen een christelijke opvoeding.

Opgemerkt 1a: Allereerst is niemand van ons betrokken geweest bij wie ons wilden (of misschien zelfs dat niet eens) verwekken en geboren laten worden. En ouders zijn toch het meest bepalend voor wat er uit een kind worden en groeien zal. Zelfs als ze het kind niet willen/kunnen opvoeden en van de hand (moeten) doen is dat toch al heel bepalend voor de toekomst van een kind.

Opgemerkt 1b: Wanneer er iemand in de wereld zou zijn, die zou zeggen: Ouders, dit kind neem ik voor mijn rekening. Al de kosten die jullie moeten maken om dit kind op te voeden en al de kosten en schulden die dit kind maakt, die zal ik vergoeden, want ik wil dat dit kind goed terecht komt. Wie zou er bezwaar maken tegen het aannemen van deze bijdrage aan de groei en opvoeding en levensloop van een kind? Zo mogen we de Doop ook beschouwen: Dit kind is gekocht en betaald en leeft niet voor eigen rekening maar op rekening van Zijn Schepper en Verlosser.

Geciteerd 2: Maar nee, de gereformeerde kerken zijn –evenals de vroege kerk– juist terughoudend in hun doopbeleid. Het verwijt dat „jullie gereformeerden baby’s erop los claimen” is dus het tegendeel van ons eigenlijke standpunt (en dat van de nieuwtestamentische kerk) dat men in een bepaald opzicht het ”recht” op de doop moet kunnen aantonen.
De ouders moeten het Evangelie hebben beleden, of een volwassen dopeling moet zelf eerst catechisatie hebben gehad. De zichtbare kerk kan slechts groeien door de prediking van Christus en door de voortplanting van oprechte christenen in gezinnen.

Opgemerkt 2: Waren de apostelen en hun medewerkers terughoudend in hun doopbeleid? Wanneer je de Doop van Lydia met haar huis en de doop van de gevangenbewaarder met zijn huis als voorbeeld neemt, dan kan je toch niet zeggen dat dit een bruikbaar voorbeeld is. En ook de drieduizend dopelingen na de Pinksterpreek van Petrus in Jeruzalem onderstreept die terughoudendheid niet. En na de uitstorting van de Heilige Geest op allen in het huis van de Romeinse Cornelius durfde/wilde Petrus hen de waterdoop niet onthouden. Blijkbaar was de waterdoop toch meer dan een uitwendig teken. Voor de dopelingen – en dat niet alleen in het huis van Cornelius! – was het een levenslang door anderen niet te betwisten bewijs van inlijving bij de gemeente van onze Heer Jezus Christus en een reden om altijd weer zonder schroom te kunnen en mogen naderen tot de troon van genade (Hebreeën 10 : 19-25)

Geciteerd 3: Paulus vond het niet belangrijk om te weten wie hij in Korinthe gedoopt had: „Ik dank God dat ik niemand van ulieden gedoopt heb dan Crispus en Gajus; Opdat niet iemand zegge dat ik in mijn naam gedoopt heb. Doch ik heb ook het huisgezin van Stéfanas gedoopt; voorts weet ik niet of ik iemand anders gedoopt heb. Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen” (1 Korinthe 1:14–17a). Het gaat dus om Evangelieverkondiging en bekering eerst en vooral, de doop in de nasleep daarvan.

Opgemerkt 3a: We moeten die opmerking van Paulus plaatsen binnen de context waarin hij dat zo heeft willen zeggen. Wanneer mensen zichzelf belangrijk willen maken door de ene apostel boven een andere apostel of boven een medewerker van hen te verheerlijken, dan wijst hij hen onmiddellijk terecht (zie 1 Korintiërs 4). Zijn opmerking heeft hier dus beslist niets te maken met een relativering van de Doop t.o.v. de verkondiging van het Evangelie. Het gaat er in dit geval om dat het volkomen onbelangrijk is, wie de doop heeft bediend. En dat is natuurlijk helemaal terecht, want niemand wordt in de naam van een apostel of prediker (of predikant/voorganger) gedoopt.

Opgemerkt 3b: Er zijn kerkgenootschappen waar de ouders van een dopeling meer waarde hechten aan het feit dat een predikant iets bijzonders voelde of te zeggen had bij de doop van een kind van hen, dan wat God Zelf daar te zeggen had over hun kind. Neem aan dat ik niet de enige ben die de verhalen daarover gelezen heeft of uit de mond van anderen vernomen of misschien wel zelf zo’n ouder is, die meer waarde hecht aan wat mensen te zeggen hadden bij en over de Doop, dan wat God Zelf ons laat horen.

Opgemerkt slot:

  1. De apostelen en (dus) ook Paulus en hun medewerkers lieten volwassenen, die maar één preek aangehoord hadden en de aansporing om zich te laten dopen gehoor hadden willen geven, niet eerst nog een catechese-traject doorlopen. Ze werden onmiddellijk gedoopt. Het dopen lieten de apostelen zonder probleem ook aan hun medewerkers over. De discipelen hadden zelf ook al van hun Heer, toen Hij nog op aarde met hen rondtrok, gewillige hoorders mogen dopen.
  2. De Doop is geen inlijving bij een kerkgenootschap, maar inlijving bij de Gemeente van onze Heer Jezus Christus. Omdat aan de gemeente(n) van Jezus Christus de bediening van het Woord, Doop en Avondmaal toevertrouwd werd (zie 1 Timoteüs 2 : 14-16), moet dat toch duidelijk zijn en goed beseft worden. De Doop op zich is geen claim van een bepaald kerkgenootschap op een dopeling.
  3. Niet wat mensen doen, maar wat God belooft, betekent en bezegelt bij de Doop heeft waarde voor de dopeling. Het is iets waar een gedoopt mens een leven lang alleen maar dankbaar voor kan zijn en die er oorzaak van is dat hij/zij zonder schroom mag naderen tot de troon van genade (zie Hebreeën 10 : 19-25)

Bron citaat: RD Opinie | Wat zeg je dan – ‘Is de doop een religieuze dwangbuis?’ – door Alexander C. Thomson (studeerde middeleeuwse talen van de Britse eilanden aan de universiteit van Cambridge en is zzp-tolk en Bijbelvertaler).

We hebben nu een hogepriester die dienst doet in het huis van God; laten we God dan naderen met een oprecht hart en een vast geloof, nu ons hart gereinigd is, wij van een slecht geweten bevrijd zijn en ons lichaam met zuiver water gewassen. Laten we zonder te wankelen datgene blijven belijden waarop we hopen, want Hij Die de belofte gedaan heeft is trouw.’ (Uit Hebreeën 10 uit de verzen 19-25 : 21-23)

Bron afbeelding: Faith Hope & Joy

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Hopen en bidden dat de sluier wordt weggenomen! *

Welnu, met de Heer wordt Geest bedoeld, en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid.‘ (Uit 2 Korintiërs 3 vers 17)

Geciteerd: Van de 181 plaatselijke Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) hebben zich tot nu toe 33 bij de behoudende ‘Rijnsburggroep’ gevoegd. Dat bleek zaterdag op de eerste Algemene Vergadering van deze groep. Van de gemeenten die nog geen besluit hebben genomen, waren er 22 aanwezig als ‘waarnemer’ en 10 als ‘gast’.
De behoudende gemeenten gaan voortvarend te werk. Ze werken aan, zoals ze het noemen, ‘herstel van het kerkelijk samenleven’, los van de andere CGK-gemeenten. Zaterdag kozen ze een bestuur en werden de deelnemende kerken onderverdeeld in vier classes (kerkelijke regio’s) in opbouw.

Opgemerkt: Voor mij staat vast dat voor deze groepering – zich hergroeperende – christenen deze woorden van Paulus van toepassing zijn: ‘Tot op de dag van vandaag ligt er een sluier over hun hart, telkens als de wet van Mozes wordt voorgelezen. Maar telkens als iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen. Welnu, met de Heer wordt Geest bedoeld, en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid.’ (Woorden uit 2 Korintiërs 3 daarvan de verzen 15-17).

En in de Galatenbrief schrijft Paulus: Broeders en zusters, jullie zijn geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens (wat die ook mogen zijn, niet alleen materieel, maar ook geestelijk en godsdienstig) te bevredigen, maar dien elkaar in liefde, want de hele wet is vervuld in één uitspraak: “Heb je naaste lief als jezelf”. Maar wanneer jullie elkaar aanvliegen, pas dan maar op dat jullie niet door elkaar verslonden worden.’ (…) ‘Wanneer jullie je door de Geest laten leiden, zijn jullie niet onderworpen aan de wet.’ (…) ‘Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die dáár iets tegen heeft.’ (…) ‘Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst. Laten we elkaar niet uit eigenwaan de voet dwarszetten (o.a. bij de kerkdeuren en vergaderzalen van synodes) en elkaar geen kwaad hart toedragen.’ (Woorden uit Galaten 5 en lees 6 er ook maar bij)

En wat betreft de liefde en de wijsheid en de nederigheid en zachtmoedigheid (van onze Heer!) die we nodig hebben in het dagelijks leven en ook in de kerkelijke omgang met elkaar, schrijft Jakobus: ‘Komt een van jullie wijsheid te kort? Vraag God erom en Hij, Die aan iedereen (in Christus’ gemeente!) geeft, zonder voorbehoud en zonder verwijt , zal je ‘de nodige wijsheid geven. Vraag vol vertrouwen, zonder te twijfelen. Wie twijfelt is als een golf in de zee, die door de wind (en niet door de Geest) heen en weer wordt bewogen. Wie zo aarzelend en onberekenbaar is bij alles wat hij of zij doet, moet niet denken ook maar iets van de Heer te ontvangen.’ (Uit Jakobus 1 uit de verzen 1-27 : 5-8, lees deze brief voor onze geloofspraktijk nog weer in z’n geheel).

* Daarmee is niet gezegd dat er binnen de cgk en aanverwante kerken bij de andere ‘groeperingen’ alles daar wel aan het werk en de vrucht van de Geest kan en mag worden toegeschreven.

Bron citaat: ND geloof – ‘‘Rijnsburgkerken’ beginnen met opbouw eigen kerkelijk leven. ‘Verdrietig, maar het geeft ook rust’’ – door Hilbert Meijer

Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst. Laten we elkaar niet uit eigenwaan de voet dwarszetten en elkaar geen kwaad hart toedragen.’ (Uit Galaten 5 vers 1)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie