Geloven in de kracht van (flyers tot) gebed of in de kracht en betrokkenheid van de Heilige Geest?

‘God heeft jullie lief broeders en zusters. Wij weten dat Hij jullie heeft uitgekozen: onze verkondiging aan jullie overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar (juist!) ook door de overweldigende kracht van de Heilige Geest (1). Jullie weten hoeveel we voor jullie hebben betekend toen we in jullie midden waren. Jullie hebben ons (daarin) nagevolgd, en daarmee de Heer: onder zware beproevingen hebben jullie het Woord ontvangen met de vreugde van de Heilige Geest.’ Zó zijn jullie een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje.’ (Uit 1 Tessalonicenzen 1 uit de verzen 1-10 : 4-7)
(1) Zie 1 Korintiërs 2.

Geciteerd 1a: Voor welk(e) kind/jongere bid jij dit jeugdwerkseizoen? Geef jouw liefde, aandacht en gebed aan de kinderen en jongeren in jouw gemeente’, staat er op de flyer.
In totaal verwacht de jeugdwerkorganisatie meer dan 50.000 flyers te verspreiden. Dat zijn er een paar duizend meer dan het jaar ervoor.

Geciteerd 1b: ‘Het werkt een beetje als een adoptie’* zegt Hanse. ‘Het idee is dat een ouder gemeentelid het komende seizoen voor een jonger gemeentelid bidt. De tienerjaren zijn een cruciale periode in een mensenleven. De jongeren staan voor cruciale keuzes rond studie, relaties en vriendschappen. Omdat we geloven in de kracht van het gebed, vinden we het belangrijk dat de jongeren in gebed voor God worden gebracht.’
* Hanse ziet graag dat volwassenen in de kerk specifiek bidden voor jongere gemeenteleden. Hij bedacht een gebedsflyer die deze weken in zo’n driehonderd kerken wordt uitgedeeld.

Opgemerkt 1: We leven in een tijdperk dat blijkbaar steeds meer van bovenaf/buitenaf georganiseerd ‘moet’ worden voor de leden van de gemeenten van onze Heer Jezus Christus. En velen vinden dat blijkbaar wel best of prachtig of heel nodig. Maar wanneer de leden van een gemeente geloven dat de Heilige Geest aan ieder van hen geschonken is (inclusief de kinderen!) en ook altijd dáár aanwezig is waar gemeenteleden als gelovigen samenleven en samenkomen, daar geloven en weten ze toch ook dat ze ieder persoonlijk en ook met elkaar mogen bidden om de liefde en de wijsheid te ontvangen voor de omgang met (en dus ook de voorbede voor) medemensen die God op hun weg gebracht heeft (te beginnen in familie en huwelijks/gezinskring) en/of brengt. Wanneer ze dat – mee vanwege de voortgaande prediking en het gezamenlijk bidden in de samenkomsten – met een gelovig hart aanvaarden, dan kunnen ze erop vertrouwen dat de Heilige Geest een ieder wel duidelijk maakt voor wie ze zullen bidden en voor wie geldt dat Hij hun (speciale) aandacht en zorg vraagt.

Geciteerd 2: Het idee is niet alleen dat de jongeren zich gedragen weten door gebed, maar ook dat ze worden gezien door de generaties boven hen. ‘Zodra je regelmatig bidt voor een jongere neemt die ook een bijzonder plekje in je leven in. Dan zoek je hem of haar na de dienst even op voor een praatje of stuur je een kaartje voor de verjaardag. Als je specifiek voor een jongere bidt, krijg je een relatie die generaties overstijgt.’ De hoop is dat jongeren zich hierdoor meer thuis voelen in de kerk. ‘Gemeenten hebben een groot verlangen om jongeren en kinderen een volwaardige plek in de gemeente te geven.’

Opgemerkt 2a: Waarom hebben wij die georganiseerde aandacht vroeger niet nodig gehad (toen wij opgroeiden in ons ouderlijk huis en de gemeente waar wij lid van waren) en nodig gevonden (in ons eigen gezin en de gemeente waar wij lid van waren met onze opgroeiende kinderen) en waarom is dat nu wel nodig? Betekent dat dan niet dat er óf geloof en bekering moet komen bij de volwassen, zodat zij – zonder gebedsorganisatie van ‘bovenaf’ (gestimuleerd van uit de kerkenraad of commissies) of van ‘buitenshuis’ (van de een of andere organisatie binnen of buiten de eigen kerk) óf dat men bezwaar moet aantekenen tegen de overbodigheid van deze gebedsorganisatie in de gemeente, omdat men heel wel in staat is om daarin eigen verantwoordelijkheid te nemen en te dragen.

Opgemerkt 2b: ‘Verlangen om jongeren een volwaardige plek te geven binnen een gemeente’. Maar wat als de ouderen niet eens voor zichzelf op grond van Gods Woord geleerd hebben en weten wat het betekent (inhoudt) om een volwaardige plek binnen een gemeente van onze Heer te hebben en in te nemen?

Geciteerd slot: Het valt Hanse echter op dat ook andere kerken de flyer aanvragen. Verschillende Christelijke Gereformeerde Kerken, evangelische gemeenten en een locatie van het Leger des Heils doen mee met de gebedsactie. ‘Blijkbaar leeft de behoefte om hun jongeren in gebed voor God te brengen. Kerken hechten tegenwoordig minder waarde aan naam en logo. Ze kijken vooral of het materiaal aansluit bij de gemeente.’

Leestips: 1 Korintiërs 12 en 13 en 1 Tessalonicenzen 2.

Bron citaat: ND Geloof – ‘In 300 kerken bidden oudere gemeenteleden een jaar voor één jongere. ‘Het werkt een beetje als adoptie’’ – door Wian Slendebroek

‘Jullie kunnen getuigen, en God Zelf, hoe toegewijd, hoe oprecht en zuiver we bij jullie, die tot geloof gekomen zijn, hebben geleefd. Jullie weten dat we voor ieder van jullie waren als een vader voor zijn kinderen. We hebben jullie aangespoord en bemoedigd en jullie op het hart gedrukt zo te leven dat jullie God eer bewijzen. Hij roept jullie tot Zijn koninkrijk en luister.’ (Uit 1 Tessalonicenzen 2 uit de verzen 7-13 : 10-12)

Opgemerkt bij de afbeelding: Wat een HGJB-PKN flyer in een gemeente niet al bereiken kan – NGK voorgangers/organisaties staan er sip bij te kijken…

Bron afbeelding: Facebook (van een door de flyers enthousiast geworden gemeentelid)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over de strijd om waarheidsvinding..

‘“Ik ben gekomen om van de waarheid – dat God ons mensen en Zijn/hun medeschepselen liefheeft en dat wij mensen daarom elkaar en deze schepping zullen liefhebben – te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan luistert naar wat Ik zeg.” Hierop zei Pilatus: “Maar wat is waarheid?“‘ (Uit Johannes 18 uit de verzen 33-40 : 37-38)

Geciteerd: Iemand als Musk speelt echter een ander spel. Hij gebruikte het interview om te laten zien dat de feiten er, in zijn alternatieve werkelijkheid over Europa, niet meer toe doen. Zijn werkelijkheid is gebaseerd op leugens en wordt bekrachtigd door likes op X – en dient niet om te overtuigen, maar om te laten zien dat de ratio buitenspel staat. Het is een tactiek uit het boekje van autocraten, die vandaag de dag overwegend afkomstig is uit uiterst rechtse hoek.

De uitkomst van deze strijd om de feiten is allesbepalend voor de levensvatbaarheid van een liberale democratie. Zonder gedeelde, verifieerbare feiten is er geen gezond publiek debat mogelijk, geen geïnformeerde besluitvorming, geen inhoudelijk conflict, geen compromis, geen politieke verantwoording – geen democratie, kortom. Als feiten hun zeggingskracht verliezen, dan wordt de wil en waarheid van de macht wet.

Journalisten staan vanzelfsprekend in de vuurlinie van deze slag om de waarheid. Want hun voornaamste plicht is aan feitelijke waarheidsvinding, hun loyaliteit ligt bij de burger en ze staan in dienst van de liberale democratie – hoe goed of slecht het daar ook mee gesteld is. Niet voor niets luidt het eerste artikel van de internationale journalistieke code: ‘Respect voor de feiten en voor het recht van het publiek op de waarheid is de eerste plicht van een journalist.’

Minton Beddoes probeerde nog: ‘Nou, ik denk dat we het erover eens kunnen zijn dat feitelijk bewijs’ – dat ze zojuist uitvoerig uit de doeken had gedaan in hun twistgesprek over Europa! – ‘zal uitwijzen wie van ons gelijk heeft.’ Waarop Musk antwoordde: ‘Yeah… mensen willen niet geloven dat wat ik zeg de waarheid is.’

Dat Musk zijn minachting voor de feiten mocht etaleren voor de camera van The Economist zag zijn achterban als puur machtsvertoon, voor het oog van de hele wereld. In uiterst rechtse media klonk dan ook een heel andere afdronk van het interview: ‘Musk vernietigt de media.’ Want zonder gedeelde feiten was Minton Beddoes weerloos.

Geciteerd slot a: Verreweg de meeste pers is ondertussen in handen van grote, commerciële bedrijven, die succes afmeten aan kijkcijfers (1) en jaarrekeningen en voor wie ophef een verdienmodel is. Zij handelen in het belang van de aandeelhouders, niet dat van het publiek. Uiterst rechtse groepen hebben hier hun eigen ‘verdienmodel’ van gemaakt: kaap de journalistieke aandacht met een stortvloed van leugens en breek ondertussen de democratie af. Vervolgens presenteer je jezelf als slachtoffer (2) van de ophef die hierop volgt, door je te beroepen op ‘vrijheid van meningsuiting’ en te doen alsof er sprake zou zijn van een extreemlinkse mediahetze. Dit genereert dan weer nieuwe ophef, enzovoorts. Of, zoals Steve Bannon het in 2019 zo bondig verwoordde: ‘Flood the zone with shit.’

Geciteerd slot b: Doordat autocraten, oligarchen en uiterst rechts wereldwijd journalisten verdacht maken, hen bestoken met rechtszaken en aanslagen, en hen desnoods in stukken hakken als ze de kans krijgen, is het speelveld waarop journalisten werken onherroepelijk veranderd. Nieuwe machthebbers spelen een nieuw spel, waarin de gedeelde waarheid het doelwit is en journalisten in de vuurlinie staan. Dit vraagt om een andere journalistieke aanpak, te beginnen met de erkenning dat het idee van de journalistiek als verdedigingslinie van de democratie een politieke overtuiging ís. En wie daar echt in gelooft, ontkomt niet aan een agenda tegen machthebbers die die linie aanvallen. Zodat de journalistiek eindelijk kan worden wat de samenleving nu zo dringend nodig heeft: een tegenmacht.

(1) Zelfs de leiding van de EO ging – jaren terug al, het ND deed er verslag van – buigen voor de kijkcijfers en ging haar programmering daar op afstemmen en – naar hun (lidmaatschap) betalende achterban – mee legitimeren/rechtvaardigen.
(2) Dat jezelf tot slachtoffer maken dat is een verschijnsel waar ik in eigen kring (van gemeente, familie, gezin en huwelijk) in heftige (zelfs absurde) mate mee ben geconfronteerd. En ook hier bleek: Als feiten hun zeggingskracht verliezen (zelfs niet gehoord willen/mogen worden), dan wordt de wil en waarheid van de macht (de machtigen) wet.

Bron citaat: De Correspondent – ‘Journalist, kom in verzet. Zo versla je extremisme‘ – Rosan Smits (Correspondent Macht & Tegenmacht)

‘Jezus antwoordde: “Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, dan zouden mijn dienaren wel gestreden hebben om te voorkomen dat ik aan de Joodse leiders* (en aan hun moordzucht) overgeleverd zou worden.”‘ (Uit Johannes 18 uit de verzen 33-40 : 36)
* De Joodse (‘kerk’)leiders, die wel een aards koningschap van de Messias verwachtten, en dat itt de tollenaars, die in navolging van het geloof en de nalatenschap van Daniël de Romeinse overheid durfden/wilden dienen. Later – tot vlak voor de val van Jeruzalem – zouden deze ‘kerk’leiders elkaar nog te vuur en te zwaard blijven bestrijden, tot de Romeinen daar een eind aan maakten door Jeruzalem in te nemen en te verwoesten. Moeten we hierbij ook niet denken aan de onderlinge (en interne) rivaliteit en strijd van de Nederlandse kerkgenootschappen?

Bron afbeelding: Bible Verse of the Day

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Filippus volgde/gehoorzaamde het werk van de Heilige Geest…

‘Degenen die uit Jeruzalem verdreven waren trokken rond en verkondigden het Evangelie. Filippus ging naar de stad Samaria, en verkondigde hun de Messias. Alle inwoners luisterden met grote belangstelling en vol ontzag naar wat hij zei toen ze de wonderen zagen die hij verrichtte: veel mensen werden bevrijd van onreine geesten, die hen onder luid geschreeuw verlieten, en tal van verlamden en kreupelen werden genezen. Daarover ontstond grote vreugde.’ (…) ‘Toen Filippus hen door de verkondiging van het koninkrijk van God en de naam van Jezus Christus tot geloof bracht, lieten ze zich dopen, mannen zowel als vrouwen.‘ (…) ‘Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat de inwoners van Samaria het Woord van God hadden aanvaard, stuurden ze Petrus en Johannes naar hen toe. Nadat ze daar aangekomen baden ze dat ook de Samaritanen de Heilige Geest mochten ontvangen, want deze was nog op niemand (zichtbaar of hoorbaar) neergedaald; ze waren alleen gedoopt in de Naam van de Heer Jezus.’ (Uit Handelingen 8 uit de verzen 4-25)

Opgemerkt 1: Blijkbaar vroegen de apostelen zich af of het werkelijk de bedoeling was om ook aan niet Joden elders in Israël of daarbuiten het Evangelie te verkondigen. En dit ondanks het feit dat onze Heer Zelf het Evangelie al verkondigt had aan de Samaritaanse vrouw en daarna ook aan haar stadsgenoten, die op het getuigenis van deze vrouw naar Jezus waren komen luisteren (Johannes 4). En blijkbaar wilden ze dat graag bevestigd zien door een zichtbare en hoorbare uitstorting van de Heilige Geest op deze door Filippus gedoopte mensen. En God wilde dat – bij en door hun handoplegging – ook daadwerkelijk zichtbaar en hoorbaar laten gebeuren. Dat moet een genadige bevestiging en een grote bemoediging zijn geweest voor die gedoopte Samaritanen en dat natuurlijk ook voor de Petrus en Johannes. Ze konden nu met goed bericht terug naar de gemeente in Jeruzalem.

‘Een engel van de Heer zei tegen Filippus: “Ga tegen de middag naar de verlaten weg van Jeruzalem naar Gaza. Filippus deed wat hem gezegd werd en ging naar die weg toe.’ (…) ‘De Geest zei tegen Filippus: “Ga naar die man daar in de wagen”. Filippus haastte zich naar hem toe en hoorde hem de profeet Jesaja lezen.‘ (…) ‘Daarop begon Filippus met hem te spreken over het Evangelie van Jezus waarbij hij de gelezen Schrifttekst uit Jesaja als uitgangspunt nam. Onderweg kwamen ze bij een plaats waar water was, en de eunuch zei: “Kijk daar is water! Waarom zou ik niet gedoopt kunnen worden?” Hij liet – zelf(s) – de wagen stilhouden en beiden liepen het water in, zowel Filippus als de eunuch, waarna Filippus hem doopte.’ (Uit Handelingen 8 uit de verzen 26-40)

Opgemerkt 2: Filippus geeft gehoor aan de opdracht om ook aan een hoge ambtenaar uit Ethiopië – geen geboren Jood, maar net als de Romeinen een heiden in de ogen van het Joodse volk – het Evangelie te verkondigen en daarbij heeft hij blijkbaar ook deze Ethiopiër verteld dat volgelingen van Jezus met water gedoopt moesten worden. Toen deze Ethiopiër bij het zien van water de wens uitsprak om ook gedoopt te worden, toen moet Filippus begrepen hebben dat de Heilige Geest het hart van deze man geopend had voor het Evangelie en dat hij deze heiden moest dopen. Na de aanwijzingen om naar deze man toe te gaan, en ook omdat deze man de profeet Jesaja aan het lezen was bij een gedeelte dat direct te gebruiken was voor de verkondiging van het ‘Evangelie van Jezus’ (‘en Die gekruisigd’), was het voor Filippus niet nodig om deze man (eerst nog) te laten zeggen dat hij nu werkelijk geloofde. Hij begreep dat het helemaal Gods plan en werk was dat het hart van deze man geopend werd voor de waarheid van het verkondigde Evangelie. Later zullen Paulus en Silas op een zelfde manier aanvaarden dat het hart van Lydia door God geopend was voor de waarheid van het door hen verkondigde Evangelie en dat ze daarom bereid was om zelf én – op aanraden van Paulus en Silas – ook samen met haar huisgenoten gedoopt te worden. Niet Paulus en Silas vroegen Lydia (eerst, voor ze gedoopt werd) of ze nu echt geloofde, maar Lydia stelt die vraag aan hen! Ze zegt: “Als jullie ervan overtuigd zijn dat ik in de Heer geloof, neem dan bij mij intrek.” Ook Paulus en Silas volgen dus het werk van de Geest en vertrouwen erop dat Hij het is Die de harten van de hoorders opent wanneer zij hen het Evangelie verkondigen. Dat vertrouwen bevestigt Paulus ook nog eens uitdrukkelijk aan de leden van de gemeente in Korinthe met de woorden die hij – ook voor ons – (op)schreef in 1 Korintiërs 2 : 1-5.

Opgemerkt slot: In Handelingen 10 lezen we hoe Petrus het werk van de Heilige Geest moet volgen en hoe Deze hem in alles voor is, zodat Petrus (en de Joodse broeders die daar ook bij aanwezig waren) wel moet(en) erkennen dat ook aan heidenen het Evangelie verkondigd moet worden en dat ook zij behoren gedoopt te worden wanneer blijkt dat de Geest hun harten geopend heeft voor de waarheid van het verkondigde Evangelie, hoe pril dat ook mag zijn – zie 1 Korintiërs 3!

Zie hierbij ook nog deze voorgaande blog: ‘Simon de tovenaar en zijn verdienmodel…‘

‘”Broeders, jullie weten dat God mij in het begin al heeft uitgekozen om de Boodschap van het Evangelie aan de heidenen te verspreiden en hen tot geloof te brengen. God, Die weet wat er in mensen omgaat, heeft blijk gegeven van Zijn vertrouwen in de heidenen door hun de Heilige Geest te schenken, zoals Hij Die ook aan ons – leden van het uitverkoren Joodse Godsvolk – heeft geschonken. Hij heeft (zelfs) geen enkel onderscheid (!) gemaakt tussen ons en hen, want Hij heeft hen door het geloof innerlijk (!) gereinigd. Waarom zouden we dan God willen trotseren door op de schouders van deze leerlingen/dopelingen een juk te leggen dat onze voorouders nog wijzelf konden dragen. Nee, wij geloven dat we alleen door de genade van onze Heer Jezus gered kunnen worden. Daarop zwegen allen en luisterden ze naar Barnabas en Paulus, die vertelden welke grote wonderen en tekenen God door hen onder de heidenen had verricht.’ (Uit Handelingen 15 de verzen 7-12)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Simon de tovenaar en zijn verdienmodel…

‘Eén Heer, één geloof, één doop…’
(Uit Efeziërs 4 uit de verzen 1-6 : 5)

Geciteerd 1a: Wanneer Simon ziet hoe, onder handoplegging door Petrus en Johannes, de gelovigen de Heilige Geest mogen ontvangen, komt er een ‘mammonplan’ in hem op. Hij biedt Petrus en Johannes geld aan om óók deze macht te krijgen en handopleggingen te kunnen toepassen. Simon ziet de handoplegging als een machtige ‘truc’ en wil graag in die vaardigheid investeren. Petrus is fel en scherp in zijn ontmaskering van het kwaad bij Simon. „Uw geld zij met u ten verderve!” Gods heil en verlossing is geen handelswaar. Het delen in Gods gave en de verzoening is louter genade, betaald met het kostbare bloed van Christus.

> Lees heel de meditatie: ‘Meer dan een handgebaar‘

Opgemerkt vooraf: Het was niet Stefanus maar Filippus die naar Samaria ging om daar het Evangelie te verkondigen. Later lezen we hoe een engel van de Heer en later de Heilige Geest hem instruëren ten bate van een ontmoeting met de Ethiopiër, die ook door hem gedoopt wordt. Ook daar lezen we niet over een waarneembare uitstorting van de Heilige Geest en ook niet dat Petrus en Johannes hem nagereisd zijn om dat alsnog te bewerkstelligen. Blijkbaar wilde God in Samaria – net als later in het huis van de Romeinse hoofdman Cornelius – een duidelijk zichtbaar teken stellen om duidelijk te maken dat Hij ook deze mensen door het geloof hetzelfde geschenk wilde geven als de gedoopte Joodse gemeente in Jeruzalem (zie Handelingen 10 : 44-48 en 11 : 17 en ook Handelingen 15 : 8-11)

Geciteerd 1b: Een belangrijke vraag hier is: kan er sprake zijn van geloof en doop in de Heere Jezus, terwijl de werking van de Heilige Geest ontbreekt? In het leven en handelen van Simon zien we helaas deze praktijk.

Opgemerkt: Laten we hierbij ook luisteren naar wat in de gelijkenis van de zaaier gezegd wordt. ‘Bij ieder die het woord van het Koninkrijk hoort maar het niet begrijpt, komt hij die het kwaad zelf is en rooft wat in hun hart is gezaaid; bij hen is op de weg gezaaid.’ (Matteüs 13 : 19).
Blijkbaar moet de hoorder het gezaaide Woord niet alleen willen horen, maar het ook (willen en gaan) begrijpen. De Heilige Geest is daar dus bij de verkondiging in Samaria aan het werk en brengt het gezaaide Woord tot in de harten, maar het kan dus gebeuren dat de boze gelegenheid krijgt om iemands hart weer leeg te roven.
De Farizeeën en Wetgeleerden kregen te horen dat ze zich verzetten tegen het werk van de Heilige Geest en dat ze Hem zelfs lasterden met wat ze over onze Heer beweerden. Ze – de meeste van hen – hadden zich ook niet willen laten dopen. Mogelijk wilden sommigen dat wel, maar durfden ze het vanwege hun invloedrijke collega’s, die de macht hadden iemand uit de synagoge te werpen, toch niet aan. Toen Jezus hen vroeg of de doop van Johannes ‘uit de hemel was’ (of niet) wilden ze Hem op die vraag geen antwoord geven. Zie hierbij ook wat Johannes schrijft in Johannes 12 : 37-50.

Bron citaten 1a+b: RD Kerk & religie | Meditatie – ‘Wekelijkse meditatie: Meer dan een handgebaar’ – door ds. B. Jongeneel.

Aanvullend: Simon de tovenaar moest eerst nog van zijn verdienmodel gedachte loskomen en mogelijk hebben de strenge woorden van Petrus hem nog tot inkeer gebracht en is hij alsnog wel goed gaan luisteren om te begrijpen hoe het dan wel werkt in het Koninkrijk van God.

Schreef deze aanvullende woorden mee n.a.v. woorden in een RD column van Arie Slob: Maar hij (schrijver Stoutjesdijk*) wijst ook op het verdienmodel dat slavernij jarenlang is geweest. Zelfs de kerk deed eraan mee. Zo was minstens een derde van de predikanten in Suriname ook slaveneigenaar. Ook ontvingen predikanten in deze kolonie standaard, zo schrijft Stoutjesdijk, enkele slaafgemaakten als salaris in natura. (…) Om het verdienmodel niet in één keer om zeep te helpen, werd dat wel eerst gefaseerd gedaan. Echt van harte was het dus niet. De kerk heeft lang over dit precaire onderwerp en haar positie daarin gezwegen. Hoe dan ook, uiteindelijk werd pas in 2023 door de Raad van Kerken excuses aangeboden voor het kerkelijke aandeel in het slavernijverleden.
De vraag van Van Dijk (SGP) was: begrijpen we nu de Bijbel beter dan vroeger? Bij dit onderwerp durf ik wel te zeggen: ja, dat doen we! Ik kom in onze tijd ook geen christenen meer tegen die vinden dat het houden van slaven Bijbels te onderbouwen is.
Ik zie dat als het werk van Gods Geest. Dat werk gaat ook na de voltooiing van de Bijbel onverminderd door. Het helpt ons om in onze tijd Gods Woord te verstaan en toe te passen in ons persoonlijk leven, maar ook bij het nadenken over vraagstukken die in de samenleving spelen. Ook nu nog onderwerpen te over om daar serieus mee aan het werk te gaan.
* Mogelijk had dat ermee te maken dat ik juist in die weken het boek ”Gods slaafgemaakten” van Martijn J. Stoutjesdijk aan het lezen was. In deze krant en in een podcast is aan dit boek ook uitgebreid aandacht gegeven.

> Lees ook deze (vervolg)blog: ‘Filippus volgde/gehoorzaamde het werk van de Heilige Geest…‘

Bron citaat: RD Opinie – ‘Schaken met de dames’ – Column van Arie Slob

Bron afbeelding: Zie afbeelding.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De laagste plaats toegewezen…

NB. In/door de wereld maar zelfs ook in de gemeenten!

‘Maar volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn. We zijn voor heel de wereld, zowel voor engelen als mensen, een schouwspel geworden (mee door het moeten verschijnen voor de Joodse en Romeinse overheden in Jeruzalem, Filippi, Rome…). Wij zijn dwaas omwille van Christus, terwijl jullie dankzij Christus zo geweldig wijs zijn; jullie staan enorm in aanzien – onder elkaar, in de gemeente(n) en denk hierbij ook aan de zichzelf verheffende ‘schijnapostelen’ (die zich voordoen als ‘engelen van het licht’) waarover Paulus spreekt in 2 Korintiërs 11 : 12-15 – terwijl wij apostelen worden veracht. – en dat veracht worden dus ook door voorgangers/leden van de gemeente in Korinthe, een gemeente die Paulus toch zelf had mogen stichten (zie 1 Korintiërs 4 : 15 en 2 Korintiërs 11 : 5-12).
Tot op de dag van vandaag lijden we honger en dorst, hebben we nauwelijks kleren, worden we mishandeld, zijn we dakloos, zwoegen we voor ons eigen brood. Worden we bespot dan zegenen we; worden we vervolgd, dan verdragen wij het; worden we beledigd dan antwoorden we vriendelijk. Tot op dit ogenblik zijn we het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid.
Nu schrijf ik jullie dit alles niet om jullie te beschamen, maar om jullie als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen.
‘ (Uit 1 Korintiërs 4 uit de verzen 6-20 : 9-14)

NB. Lees hierbij Handelingen 20 : 17-38 en m.n. de verzen 32-35 (in de afbeelding) als niet te vergeten Bijbelgedeelte!

Bron afbeelding: Zie afbeelding.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

“De Gerechtigheid van Christus”… verkondigen!

‘Dus altijd wanneer jullie dit brood eten en uit de beker drinken, verkondigen jullie de dood van onze Heer, totdat Hij komt.’ (Uit 1 Korintiërs 11 uit de verzen 1-34 : 26)
NB. Gisteren (zondag 5 september) een gezegende Avondmaalsdienst met daarbij een zeer troostrijke Woord/Evangelie/Christusverkondiging uitgaande van wat ons geschonken is door de Heilige Geest met en door de woorden van Paulus in Kolossenzen 2.

Geciteerd: Het onderstaande preekfragment komt uit Luthers verklaring van Galaten 3:23–29. Dit gedeelte uit de Bijbel werd vroeger op Nieuwjaarsdag in de kerk gelezen en in de preek uitgelegd. Tijdens zijn verblijf op de Wartburg was Luther begonnen met het schrijven van zijn Kerkpostille, die in het jaar 1522 verscheen onder de titel Kirchenpostille. Het was een verzameling voorbeeldpreken voor priesters die tot de Reformatie overgingen en hulp nodig hadden om het Evangelie helder te verkondigen (1). Luther hield daarbij de oude kerkelijke indeling van de postille aan, waarin voor iedere zon- en feestdag vaste gedeelten uit de brieven en de evangeliën waren aangewezen. De volgorde bleef dus grotendeels hetzelfde, maar de preken kregen een geheel nieuwe, reformatorische inhoud. Ook in zijn eigen prediking volgde Luther op de morgens van zon- en feestdagen meestal deze oude indeling. Op doordeweekse dagen en op zondagmiddag werd er gewoonlijk over andere gedeelten uit de Heilige Schrift gepreekt.

(1) (AJ): Hoeveel meer zegen viel hier van te verwachten dan van het hen toezenden van de ‘Institutie’ van Calvijn (waarin de reformatorische leer eens en voorgoed was/werd vastgelegd door een intellectuele autoriteit) en ook vele malen meer dan van beeldenstormen die de RK-kerkgebouwen (en haar doopleden) moest zuiveren van de heiligenverering via beelden. Die dienden voortaan vervangen worden door heiligenverering in de bibliotheken en boekenkasten…

(…) “Er zijn sommigen, vooral onder de nieuwe leraren van de scholastiek (2) die zeggen en leren: De vergeving der zonden en de rechtvaardiging berusten geheel en al op de Goddelijke toerekening der genade, dat wil zeggen: daarop dat God ons, ondanks onze zonden, eenvoudig voor rechtvaardig rekent. Dit – zo zeggen zij – is alles wat nodig is: degene aan wie God de zonde toerekent of niet toerekent, is daardoor van zijn zonden niet gerechtvaardigd of wel gerechtvaardigd. Zo menen zij dat Psalm 32:2 en Romeinen 4:7–8 leren. Daar staat: ‘Zalig is de man aan wie de Heere de zonde niet toerekent.’

Als deze opvatting waar was, zou het gehele Nieuwe Testament werkelijk vergeefs en nutteloos zijn. Dan zou Christus ten onrechte en tevergeefs hebben geleden voor de zonde. God Zelf zou zonder enige noodzaak een schijnvertoning hebben opgevoerd, omdat Hij evengoed de zonden had kunnen vergeven en niet toerekenen zonder het lijden en sterven van Christus. Dan zou bovendien ook een ander geloof dan het geloof in Christus een mens kunnen rechtvaardigen en zalig maken. Ik bedoel een geloof dat slechts zou steunen op de genadige barmhartigheid van God, Die hem zijn zonden niet zou toerekenen.

Tegen deze afschuwelijke, verschrikkelijke opvatting en dwaling is de apostel Paulus gewoon het geloof altijd op Christus te betrekken. Ook noemt hij de Heere Jezus Christus zo dikwijls, dat het werkelijk verbazingwekkend is iemand te vinden die niet beseft hoe noodzakelijk het geloof in Christus is. Zij menen dat Christus slechts een soort Mozes is: een Leraar Die wetten en geboden geeft en leert hoe men vroom moet worden en een goed leven moet leiden. Daarna komen zij aan met de vrije wil en de natuurlijke werken, om zich voor de genade geschikt te maken, en willen zij daarmee de hemel bestormen.

Laten wij daarom op onze hoede zijn voor dit helse vergif en Christus, de troostrijke Zaligmaker, niet verliezen – het moet Christus alleen zijn! Het is zeker waar wat David zegt (Psalm 32:2) en Paulus (Romeinen 4:8): ‘Zalig is de man aan wie de Heere de zonde niet toerekent.’ Maar de apostel Paulus voert deze gedachte aan om duidelijk te maken dat deze Goddelijke toerekening alleen ten deel valt aan hem die in Christus gelooft. Zij valt niet ten deel aan de vrije wil van de mens of aan de menselijke natuur wegens de goede werken. Want Paulus voert Abraham aan om erop te wijzen hoe zijn geloof hem tot gerechtigheid werd gerekend, toen hij de Goddelijke belofte aangaande zijn Zaad geloofde.

Hoewel God uit louter genade onze zonden ons niet toerekent, wilde Hij dit toch niet doen voordat aan Zijn wet en aan Zijn gerechtigheid volkomen en overvloedig genoegdoening was geschonken. De genadige toerekening waarvan de psalm spreekt, moest eerst door Christus’ gerechtigheid en kostbaar bloed voor ons worden gekocht en verworven (o.a. 1 Petrus 1:18 e.v.).

Omdat dit voor ons onmogelijk was, heeft God voor ons, in onze plaats, Zijn Zoon gesteld, Die alle straf die wij hadden verdiend, op Zich nam en voor ons de wet vervulde. Zo heeft Hij het oordeel van God van ons afgewend en Zijn toorn gestild. De genade wordt ons daarom inderdaad om niet geschonken. Zij kost ons niets, maar het heeft een Ander veel gekost om haar voor ons te verwerven. Zij werd gekocht met een onberekenbare, oneindige Prijs: de Zoon van God Zelf. Daarom is het boven alles noodzakelijk dat wij door het geloof Hem bezitten Die dit voor ons heeft volbracht. Het is onmogelijk de genade anders dan alleen door het geloof in Hem te verkrijgen.

Zie, daarom werd vanaf de dagen van Adam tot die van Abraham niemand zalig dan door het geloof in het Zaad der vrouw, Dat de kop van de slang zou vermorzelen. En na Abraham werd niemand zalig dan door het geloof in zijn Zaad. Ook nu kan niemand zalig worden dan alleen door het geloof in dit Zaad van Abraham, Dat nu gekomen is.

O, zonder deze Middelaar zult u nooit tot God kunnen komen. Door uzelf en door uw eigen werken zult u Hem nooit kunnen bereiken. Want wie zal u dan eerst met God verzoenen? Christus zegt: ‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij’ (Johannes 14:6).”
[Maarten Luther: Kirchenpostille 1522, Epistel an Neuen Jahr Tag, WA10.1.1, 468ff; weergave: Dr. Joh. Georg Walch, W(1) 12, 261ff. (verkort)]

(2) De scholastieke leraren waren middeleeuwse theologen die de christelijke leer verstandelijk manier (3) probeerden uit te leggen (en aan de man* te brengen in hun geschriften). Luther verzette zich tegen hen wanneer (beter: omdat) zij te veel waarde hechtten aan de menselijke rede, de vrije wil en de goede werken.
* Vrouwen deden er niet zoveel toe, die moesten maar luisteren naar hun ‘verstandige’ mannen.

(3) Het Evangelie moet verkondigd worden, en dus niet – in allerlei geschriften en (dikke) boekwerken – aannemelijk gemaakt voor het verstand! Zie hierbij Jezus woorden in Matteüs 11 : 25-30 en Lukas 10 : 21-24 en Paulus woorden in 1 Korintiërs 1 : 18 t/m 3 : 23 en ook de woorden van de apostel Johannes in Johannes 19 : 26-31 en 1 Johannes 3 : 18-29.

Lees hierbij ook deze blog: ‘De Schrift moet preek worden!‘

Bron citaat: www-maartenluther-com – Wekelijkse toezending Luthercitaten – Maandag 7 september 2026

‘Blijf dus in Hem, kinderen. Dan kunnen we vol vertrouwen zijn wanneer Hij verschijnt en hoeven we ons niet te schamen bij Zijn komst.’ (Uit 1 Johannes 2 : 28)

Bron afbeelding: Shutterstock

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Aan wie heeft God de zielszorg toevertrouwd?

‘Daarom verklaar ik hier op deze dag dat ik voor niemands ondergang verantwoordelijk ben; ik heb immers mijn uiterste best gedaan om jullie vertrouwd te maken met Gods wil. Zorg voor uzelf en voor de hele kudde waarover de Heilige Geest jullie heeft aangesteld; jullie zijn de opzieners van Gods gemeente, die Hij verworven heeft door het bloed van Zijn eigen Zoon.‘ (…) ‘Nu vertrouw ik jullie toe aan het Evangelie van Zijn genade (zie voor een samenvatting Titus 3 : 3-8!) dat onze gemeenschap kan opbouwen en dat het beloofde erfdeel zal schenken aan allen die Hem toebehoren. Geld of kleding heb ik van niemand verlangd; jullie weten wel hoe ik eigenhandig heb voorzien in mijn levensonderhoud en dat van mijn metgezellen. In alles heb ik jullie getoond dat jullie de zwakken zo, door hard te werken, moet steunen.‘ (Uit Handelingen 20 uit de verzen 17-38 : 26-28, 32-35)

Geciteerd: Wie zorgt er voor mijn ziel? Dat is de centrale vraag die hoe langer hoe urgenter wordt in onze samenleving, met name onder jongeren, ziet politiek filosoof Govert Buis. Een theologie die vooral met het verleden wil afrekenen, brengt volgens hem geen geborgenheid. Het is tijd voor vernieuwing.

De centrale vraag die hoe langer hoe urgenter wordt in onze samenleving is: ‘Wie zorgt er nu voor de ziel?’
Die vraag is in de paradijselijke roes van de consumptiesamenleving eerst verdrongen. Maar nu, nu we in een nieuwe geopolitieke constellatie geconfronteerd worden met de mogelijkheid van een niet-paradijselijk leven, komt die weer volop op.

Veel jongeren worden geraakt door de dreiging van zinloosheid, noem het nihilisme – en ze klampen zich vast aan de ene na de andere ‘redder’. Wie zorgt er voor hun ziel?
Een Grote-Schoonmaaktheologie doet dat nauwelijks, die is gericht op de verwerking van een verleden waarvan die jongeren voor hun gevoel sowieso geen deel hebben uitgemaakt. Ze geeft geen geborgenheid.
In dat vacuüm ontstaat er ‘wilde’ cultuurtheologie (‘het christendom is en was altijd fantastisch’). En er ontstaat ook kortsluiting tussen het theologische en christelijk-spirituele ‘aanbod’ en de existentiële, zinzoekende vraag van dakloze zielen buiten de kerk.

Is hier niet enige coördinatie nodig? Zou het niet goed zijn als er meer (onderzoeks)projecten zouden zijn over de vraag der vragen: heeft het christelijk geloof ook na tweeduizend jaar het (meest geloofwaardige) antwoord op de existentiële vragen van mensen?
Naast de ‘katharsis-theologie’, de behoefte schoon schip te maken, kan er dan meer ruimte komen voor (laat ik er met een variatie vanuit Romeinen 12 vers 2 een ander Grieks woord op loslaten) ‘anakainosis-theologie’: vernieuwingstheologie.
En daarmee wellicht ook een nieuwe verbinding tussen christelijk geloof en de laatmoderne, door leegte achtervolgde, cultuur.

Opgemerkt 1: Behalve filosofen gaan ook theologen er niet op voorhand van uit dat de Bijbel waar is en dat God Zelf in en door Zijn Woord ons de nodige zielszorg schenken wil en dat Hij daarbij Zijn ‘eigen mensen’ wil inschakelen. Volgens Gods Woord zijn dat bepaald niet de Schriftgeleerden en Farizeeën – zeg maar de theologen (uit Jezus’ tijd) – of de wijsgeren van Athene – de filosofen uit Paulus’ tijd – maar waren dat eerst de uitgekozen discipelen/apostelen van onze Heer en daarna zijn dat de voorgangers en oudsten zoals die in de gemeente van onze Heer werden aangesteld naar de richtlijnen van de apostelen (zie o.a. 1 Timoteüs 5 : 17 en 2 Timoteüs 2 : 2).

Opgemerkt 2: Maar theologen – natuurlijk niet zonder de hulp van filosofen, zoals filosoof en hoogleraar Govert Buijs – moeten nu eerst maar eens gaan uitzoeken of het christelijk geloof ook na tweeduizend jaar (nog) het (meest geloofwaardige) antwoord heeft op de existentiële vragen van mensen. En welke theoloog (of groep van theologen die onderzoek hebben gedaan) mag (mogen) ons dan het verlossende antwoord komen geven? Of kunnen we die vraag vandaag al maar beter laten beantwoorden door AI, want die is inmiddels toch al beter thuisgemaakt en thuisgeraakt in de Bijbel dan de beste theologen?! En die weet vast ook nog beter wat de huidige existentiële vragen van de mensen zijn?

Leestips: 1 Timoteüs 4 : 11-16, 2 Timoteüs 2 : 1-13 en Titus 3 : 1-8.

Zie ook deze blog: ‘Anders dan door het geloof kan dit Licht niet gekend worden…‘

Bron citaat: ND Opinie – ‘Onze theologie moet anders. Anders helpen we jongeren nooit tegen de zinloosheid’ – door Govert Buijs (politiek filosoof en hoogleraar maatschappelijke en economische vernieuwing aan de Vrije Universiteit Amsterdam)

‘Mijn kind, wees sterk door de genade van Christus Jezus. Geef wat je in aanwezigheid van velen van mij hebt gehoord, door aan betrouwbare mensen die geschikt zijn om anderen (ook weer) te onderwijzen. Deel in het lijden als een goed soldaat van Christus Jezus. Iemand die in krijgsdienst is, laat zich niet afleiden door het leven daarbuiten, want zijn bevelhebber moet tevreden over hem zijn. Een atleet wordt niet gelauwerd als hij zich niet aan de regels houdt.’ (Uit 2 Timoteüs 2 uit de verzen 1-13 : 1-5)

Bron afbeelding: Zie afbeelding.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Hoe we dichtgetimmerde oren en vastgeroeste harten voorkomen…

‘Bid zonder ophouden’… (Uit 1 Thessalonicenzen 5 uit de verzen 4-24 : 17)

Geciteerd: Hoewel de verlossing is volbracht en wij werkelijk door het bloed van Gods Zoon verlost zijn, is het toch nodig dat wij elke dag om de verlossing bidden, zoals Christus ons in het Onze Vader heeft geleerd en geboden.
Want wij hebben in dit leven niet de voltooiing, maar de eerstelingen van de Heilige Geest; de macht van het vlees – onze oude Adams natuur – doet zich elke dag nog gelden – en ook de boze gaat nog te keer als een leeuw op zoek naar prooi (AJ). Wij gaan wel het Koninkrijk van God binnen en staan er met één voet in, en zijn er ook van verzekerd dat de belofte aan ons vervuld zal worden, maar we moeten daar niet blijven staan, maar ook de andere voet erin zetten. Dat wil zeggen: we moeten elke dag groeien in de kennis van de genade door het geloof (1). Daarom vermaan ik jullie: wen je aan voortdurend gebed en overdenking van de heilige Schrift. Wie nog nooit – op dood en leven – tegen de duivel heeft gestreden, weet niet hoe nodig de Geest van het gebed is. Want de nalatigheid en de valse gerustheid nemen elke dag – en (dus ook) elke zondag, als God het niet genadig verhoedt – toe, zoals roest het ijzer aantast, en het Woord glipt uit onze hand – en uit onze oren harten (2) – voordat we er erg in hebben. Wanneer dat gebeurt, heeft de satan al half gewonnen; want hij slaapt (en sluimert) niet, maar loert op elke gelegenheid en grijpt ons aan zodra hij merkt dat het hart niet meer vasthoudt aan het Woord. Daarom zullen we ons voortdurend oefenen in het Woord van God en bidden bij het slapengaan en bij het opstaan, zodat de vijand ons niet ongewapend (3) aantreft en ons niet geheel en al van het geloof in de verlossing losrukt en berooft. Ik ben zelf een theoloog, iemand die door veel gevaren (heen) in de Schrift geoefend is geraakt en het nodige heeft meegemaakt; toch beroem ik mij niet op die gave(n), maar blijf ik samen met de kinderen en eenvoudigen (4) de ‘Catechismus’ (5) bidden – de tien geboden, het geloof en het Onze Vader – en dit met mijn hart overdenken, en wel zo dat ik niet alleen de woorden opzeg, maar er ook op let wat deze woorden betekenen. En wanneer ik dat nalaat, omdat ik met andere bezigheden overladen ben, ondervind ik daar altijd de nadelige gevolgen van (6). Het Woord is ons gegeven om ons – persoonlijk en ook gezamenlijk (7) er ijverig in te scherpen en te oefenen. Wanneer wij die oefening nalaten, worden onze harten als ijzer dat door de roest wordt aangevreten, en weten/beseffen wij niet eens meer hoe het met ons gesteld is.

Leestip: 1 Thessalonicenzen 5 : 4-24.

(1) En niet toenemen in ongenade – jegens onszelf, maar meestal/eerder nog jegens anderen – door nalatigheid en/of zelfs ongeloof aan Gods barmhartigheid jegens zondaren (w.o. wijzelf en onze broeders en zusters).
(2) Zie Matteüs 13 : 16-23.
(3) Zie Efeziërs 11 : 6-18 en 2 Timoteüs 2 : 1-13.
(4) Zie Matteüs 11 : 25-30 en Lukas 10 : 21-24.
(5) Luther bedoelt hier: De tien geboden, de Twaalf Artikelen van het geloof (opzeggen, overdenken, belijden) en het (eerbiedig en bedachtzaam) Onze Vader bidden (dus niet herhaaldelijk als bij het bidden van een ‘rozenkrans’).
(6) Ook een reden om altijd voor anderen – in de eerste plaats onze geliefden (in familie, gezin, broeders en zusters) – te bidden, wanneer we wel tijd hebben en nemen voor gebed. Ook daarin ligt bewarende kracht!
(7) Zie Spreuken 27 : 17 en Handelingen 2 : 41-47.

Bron citaat: Ecclesia nr. 18, september 2026 – Meditatie – Maarten Luther.

‘Degenen die zijn woorden en oproep aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend. Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed.‘ (Uit Handelingen 2 uit de verzen 37-42 : 41-42)

Bron afbeelding: only.bible-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Anders dan door het geloof kan dit Licht niet gekend worden!

‘Deze kwam tot een getuigenis, dat hij van het Licht getuigde; opdat zij allen door hem zouden geloven.’ (Uit Johannes 1 uit de verzen 1–14 : 7, weergave DB 1545).

Niet uit eigen beweging!

Geciteerd: Johannes de Doper is niet uit zichzelf gekomen, maar hij was door God gezonden (vers 6). En wel daarom: er kan geen Evangelie of verkondiging van het Licht vanuit de mens of vanuit het menselijke verstand komen, maar God moet deze prediking tot ons zenden. Zoals Paulus zegt in Romeinen 10 (vers 15): ‘Hoe kunnen zij prediken, als ze niet gezonden zijn?’ Daarom verwerpt de evangelist hier alle leringen van mensen. Want mensenleringen kunnen ons Christus, het Licht, nooit aanwijzen; ja, zij verhinderen dit juist. Een prediking die alleen op Christus wijst, is zeker door God gezonden en niet door mensen uitgedacht.

Gods genade wordt ons verkondigd!

De naam Johannes betekent ‘God is genadig’. Er wordt dus met deze naam aangeduid dat de prediking van Johannes niet gegrond is op menselijke verdienste en waardigheid, maar dat deze alleen uit louter genade en goedheid door God tot ons wordt gezonden. Alleen deze prediking brengt ons werkelijk genade en vrede van God. We zien hier wat de bedoeling van het Evangelie is, namelijk dat we God zullen kennen (Johannes 17 : 3). Want als Hij het Licht is, dat overal [in de wereld] in de duisternis schijnt, dan is er niets zo noodzakelijk als dat dit Licht aan ons wordt geopenbaard door het Woord van God en wordt gekend door een oprecht en hartelijk geloof. Het is zeker dat het Licht in onze tekst de waarachtige God is, want geen schepsel kan tegelijk overal op aarde de harten van zoveel mensen verlichten en daarin wonen (Johannes 14 : 23). Hoewel Hij waarachtig God is, is Hij toch waarachtig Mens Die gepredikt moet worden.

Door het geloof alleen!

Zie, dit is nu duidelijk uit hetgeen zojuist gezegd is: het Evangelie verkondigt alleen dit Licht, namelijk de Mens Christus, en niets en (niemand) anders. De duisternis kan dit Licht niet begrijpen (vers 5b). Want het wordt niet door verstand of gevoel gekend, maar alleen door het geloof. Daarom zegt de evangelist: ‘Opdat ieder dóór hem zou geloven’ (vers 7). Evenzo: ‘Hij [Johannes de Doper] was het Licht niet, maar was gezonden opdat hij van het Licht zou getuigen’ (vers 8). Want een getuigenis is iets dat spreekt over dingen die men niet ziet, weet of voelt. Men moet dus de getuige én zijn getuigenis geloven. Het Evangelie vraagt niet om goedkeuring en bijval van het verstand, maar om een geloof dat het verstand ver te boven gaat; op een andere manier dan door het geloof kan dit Licht niet gekend worden.

Het verstand moet verblind worden!

Zo is hierboven voldoende gezegd hoe het verstand met zijn licht tegen dit Licht strijdt en woedt, laat staan dat het dit zou begrijpen en zich eraan zou onderwerpen. Want het staat vast dat, zoals de evangelist zegt, de duisternis dit Licht niet begrijpt (vers 5). Daarom moet het verstand met zijn licht gevangengenomen en verblind worden. Het Woord geeft getuigenis van dit Licht, opdat het verstand aan zichzelf zou wanhopen en het getuigenis zou aannemen. Dan ziet het verstand het Licht door het geloof en zo wordt zijn duisternis verlicht. Want als men uit zichzelf dit Licht zou kunnen zien of aannemen, dan was het getuigenis van Johannes niet nodig geweest. Zo is het Evangelie slechts daarop gericht dat het een getuigenis is tegen het eigenzinnige, blinde en halsstarrige menselijke verstand, om het te weerstaan en de mens van zijn eigen licht en inbeelding af tot het geloof te brengen, waardoor hij dit eeuwige Leven en Licht [Christus] aangrijpt.

De Godheid van Christus aantonen!

Lieve mensen, waarom zegt de evangelist dat en herhaalt hij nog eens dat Johannes de Doper slechts een getuige van dit Licht is geweest? Deze herhaling is zeer nodig! In de eerste plaats om te bewijzen dat dit Licht geen [gewoon] mens is, maar God Zelf. Want zoals ik al eerder heb gezegd: de evangelist wil in alle woorden die hij schrijft de Godheid van Christus aantonen. Als Johannes de Doper, die grote heilige, het Licht niet is, maar slechts een getuige daarvan, dan moet dit Licht oneindig veel heerlijker en groter zijn. Want alles wat op aarde heilig is of heilig genoemd wordt, is niet meer dan een geschapen engel of mens. Als heiligheid iemand tot dit Licht zou kunnen maken, dan zou zij Johannes dat zeker ook hebben gemaakt. Maar dit Licht gaat alle heiligheid te boven; daarom moet het Licht ook ver boven de heiligheid der engelen zijn, hoe heilig en heerlijk zij ook mogen zijn.

Geen leermeesters nodig die zich op de Rechterstoel van Christus zetten!

In de tweede plaats is dit geschreven om de vermetele en verdorven leringen van de vrome mens te weerleggen, die niet Christus, het Licht, verkondigen, maar zichzelf (of een ander: Boeddha bijv.). Want dit is werkelijk waar: allen die menselijke leringen prediken, maken zichzelf tot een licht, leiden de mensen van dit ware Licht af naar zichzelf en stellen zich in de plaats van dit ware Licht. Het Evangelie kan geen andere leer naast zich verdragen; het wil alleen Christus prediken en de mensen tot dit Licht brengen.
Daarom, o Heere God, zijn deze woorden: ‘Hij was het Licht niet’ (vers 8) wel waard om met grote letters geschreven en ijverig ingeprent te worden tegen alle mensen die zichzelf willen voordoen als leermeesters en wetten willen geven die zij uit hun hoofd verzonnen hebben. Zij doen net alsof zij de mensen verlichten, terwijl zij hen met zich in de afgrond der hel slepen. Want zij onderwijzen het geloof niet en kunnen het ook niet onderwijzen. Niemand kan dat, tenzij hij door God gezonden is, zoals Johannes het heilige Evangelie verkondigt. Maar daarover zou nog veel te zeggen zijn.

Een gezondene predikt het Evangelie!

Kort gezegd: wie het Evangelie niet predikt, die verwerpt het eenvoudigweg en luistert er niet naar. Maar een gezondene predikt het Evangelie, opdat u leert in Christus te geloven en te vertrouwen op het eeuwige Licht, en niet op werken te bouwen. Daarom moet u zich wachten voor alles wat buiten het Evangelie tot u gezegd wordt. Vertrouw er niet op en houd het nooit voor een licht dat uw ziel verlicht en beter maakt, maar houd het voor een uitwendige zaak, zoals eten en drinken voor het lichaam nodig zijn. U kunt die naar uw wil gebruiken of laten staan, maar niet als iets dat tot uw zaligheid dient; want daartoe is niets anders nuttig of nodig dan dit Licht.

Zij willen zelf een licht zijn…

Oh, wat een gruwelijk leven en bestaan is dat van degenen die leringen van mensen prediken, die nu [de kerk] regeren en dit waarachtige Licht zo ver hebben verdreven! Zij willen zelf een licht zijn en niet getuigen van dit enige Licht. Zij leren zichzelf en hun eigen dingen, zwijgen over dit Licht of leren daarnaast hun eigen heiligheid. Dat is nog erger dan geheel te zwijgen; want zo worden zij als de Samaritanen*, die ten halve God en ten halve de afgoden dienden (2 Koningen 17 vers 33).
* Misschien is dit voorbeeld toch niet zo gelukkig gekozen, want Gods eigen volk heeft dat ook altijd weer gedaan, Rachel had (af)godenbeeldjes (Genesis 31 : 30-35) en Jakob vroeg aan de leden van zijn gezin en familie en allen die bij hem waren om hun godenbeeldjes bij hem in te leveren nadat God hem de opdracht had gegeven om in Betel (waar Hij eerder aan Jakob verschenen was toen hij op de vlucht was voor Ezau) een altaar te bouwen. (Genesis 35 : 1-5)
[Maarten Luther: Kirchenpostille 1522, WA 10.1.1, 216ff. en W(2), 11, 182ff.]

Opgemerkt: ‘Zij willen zelf een licht zijn.’ Hoeveel theologen hebben zich daaraan ook schuldig gemaakt. Daarom zijn er naast Gods Woord (dat als getuigenis van het Licht, als Evangelie verkondigd moet worden) talloos veel folianten volgeschreven.

Bron citaat: www-maartenluther-com – ‘Maandelijkse Meditatie uit de Geschriften van Dr. Martinus Luther (Augustus 2026)’

‘Ik ben blij dat ik nu voor jullie lijd en dat ik in mijn lichaam – als lid van het Lichaam van Christus – aanvul wat er nog aan Christus’ lijden ontbreekt (1), ten behoeve van Zijn Lichaam, de Kerk, waarvan ik een dienaar ben (2). Met het oog op jullie heeft God (!) mij die dienende taak toevertrouwd, opdat Zijn Boodschap in al haar volheid verkondigd wordt: het mysterie dat in alle eeuwen en voor alle generaties verborgen is geweest, maar nu aan Zijn heiligen onthuld is. Aan hen heeft God bekend willen maken hoe glorierijk dit mysterie is voor alle volken: Christus is in u/jullie (3), Hij is jullie hoop op Goddelijke luister. Hem verkondigen wij wanneer we iedereen waarschuwen en in alle wijsheid onderrichten, om iedereen tot de volmaaktheid in (!) Christus te brengen. Daarvoor span ik mij in en strijd ik met Zijn kracht, die volop in mij werkzaam is (4). (Uit Kolossenzen 1 de verzen 24-29)

(1) Het lijden van de leden van Christus gemeente in dienst van het koninkrijk van God is (blijkbaar) aanvullend op het (lichamelijke) lijden van Christus hier op aarde.
(2) Geen dienaar dus in dienst van een of meer bepaalde gemeenten/kerken!
(3) Zie 1 Korintiërs 3 : 16-23.
(4) Zie 2 Korintiërs 4 : 7-18!

Leestips: 1 Korintiërs 3 : 16-23 en 2 Korintiërs 4 : 7-18, 5 : 11 t/m 6 : 13.

Bron afbeelding: TeePublic

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wanneer we liever doe-het-zelvers blijven…

‘Ik doe mijn (stinkende?*) best’… ‘ik probeer…’ ‘ik hoop maar’…
(ds. Brinkman in zijn ‘Petrus column’)
* Eigen roem stinkt!

Geciteerd 1: Uit mijn eerste domineesjaren herinner ik mij de catechisant die zo zijn eigen gedachten had over vergeven. Toen wij hier in de belijdenisgroep over spraken, zei ik dat we van Jezus een ander moeten vergeven. Desnoods meerdere keren. Zevenmaal zeventigmaal vergeef je een ander zijn schuld, zingen Elly en Rikkert.
Daar was deze catechisant niet van onder de indruk. Hij zei eerlijk: “Als iemand mij iets flikt, dan schrijf ik hem achter in mijn opschrijfboekje. Het kan lang of kort duren, maar op een gegeven moment pak ik hem terug wanneer ik de kans krijg.”
Een beetje geschokt dacht ik: zo gaan we toch niet met elkaar om in de kerk. Toen was ik nog jong en onbedorven. Toen ik een oudere dominee werd, kwam ik erachter: zo gaan we wel met elkaar om. Ook in de kerk.
En in de loop van de jaren ben ik erachter gekomen dat ik op sommige momenten weinig beter ben. Dan doe ik er heus wel mijn best voor om te vergeven. Je leeft tenslotte samen in een kleine gemeenschap, en je moet het met elkaar zien te rooien. Dus ook nadat een ander me gekwetst heeft, probeer ik te vergeven.
Meestal lukt het me wel om de ander vriendelijk tegemoet te blijven treden. In mijn dagelijks handelen heb ik dan de ander vergeven. Dat zal het laagje beschaafdheid zijn dat ik in de loop der jaren heb opgebouwd. Maar van binnen blijft het steken, en vergeten doe ik niet.

Opgemerkt (bij 1): Dus niet anderen wijzen op en God danken voor de liefde en de wijsheid en de vergevingsgezindheid van onze Heer, zoals we die (dagelijks! vragen en) ontvangen mogen door de kracht van de Heilige Geest, maar anderen willen/moeten wijzen op het laagje beschaafdheid dat wij dankzij de Joods-christelijke cultuur hebben opgelopen in de loop van ons bestaan hier in Nederland…

Geciteerd 2: Laatst sprak ik hier met mijn buurman over. Die heeft het een en ander aan conflicten meegemaakt. Hij is een gelovig man, dus ik pleitte voor mildheid en vergeving. Maar net als mijn vroegere catechisant was hij niet onder de indruk.
Hij zei: “Een Chinees spreekwoord luidt: je hoeft niet eerst de oceaan leeg te drinken om erachter te komen dat zeewater zout is.” Dat kwam aan bij mij. Hoe zit dat eigenlijk met vergeven?
Daarom heb ik het bekendste verhaal van Jezus over vergeving nog eens in de Bijbel opgezocht. Daarin drukt Jezus zijn leerling Petrus op zijn hart ruimhartig te vergeven. Niet slechts zevenmaal, maar desnoods zevenmaal zeventigmaal. Bijna oneindig.
Maar in dat Bijbelverhaal stelt Jezus ook grenzen aan vergevingsgezindheid. Je mag een halsstarrige overtreder ook terechtwijzen. Niet in je eentje, maar samen met onafhankelijke anderen. Blijft hij dan in de fout gaan, ‘dan zal hij zijn als de zondaar en de tollenaar’.

Opgemerkt a (bij 2): ‘ruimhartig’? ‘Bijna oneindig’? Welke grens stellen we t.a.v. ons eigen leven, of hebben we daar nog zoveel hoop en verwachting van, dat we daarmee bij God heus wel volstaan kunnen met wat minder vergevingsgezindheid van Hem, dan alleen de volmaakte vergevingsgezindheid zoals God ons die schenken wil in en door het volmaakte zoenoffer van onze Heer Jezus Christus, Die ook aan het kruis nog wilde bidden voor Zijn moordenaars.

Opgemerkt b (bij 2): ‘Behandel hem of haar dan als de zondaar (w.o. heidenen, zoals de Romeinen) en de tollenaars.’ Ja, dat zegt Jezus daar omdat Hij de hardheid van hart van ons mensen kent (zie o.a. Matteüs 19 : 8 ). Maar bedenk en lees dan (weer) eens hoe Jezus zelf omging met deze mensen. Vanuit de Liefde en Vergevingsgezindheid van Zijn Vader! We zullen altijd weer oppassen met het gebruiken van ‘losse’ Bijbelteksten om onze eigen opvattingen daarmee te ondersteunen en op te sieren!

Geciteerd 3: En wanneer een ander je om vergeving vraagt, maar zelf weer een ander niet wil vergeven, dan kun je hem ook niet vergeven. ‘Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven.’
Vergeven is niet zo eenvoudig. Misschien wordt er daarom in de Bijbel wel zo veel over vergeving gesproken. Omdat het zo moeilijk is. Vergeven ligt ergens tussen het lied van Elly en Rikkert en het zeewater van mijn buurman in.

Opgemerkt (bij 3): Nee, vergeven is essentieel voor ons mensenbestaan! Vandaar dat God ons Zijn Zoon geschonken heeft, hoe zouden wij anders tot God kunnen naderen, als Hij ons niet wilde aanzien in Zijn Zoon!

Geciteerd slot: Ondertussen doe ik mijn best, en hoop ik dat mij de genade van de vergeving geschonken wordt. Wanneer ik dat soms even (??? – AJ) nodig heb.

Opgemerkt (bij slot): En dat zijn dus woorden uit de mond van een voorganger voor wie toch temeer – al gelden ze voor alle (gedoopte) gelovigen – geldt dat dankzij de Heilige Geest ‘elk Schriftwoord gebruikt kan worden om (goed/Bijbels) onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om elkaar op te voeden – zie o.a. (Romeinen 15 : 14 Kolossenzen 3 : 16-17) – tot een heilzaam en God welgevallig (vreedzaam samen)leven, zodat een dienaar van God voor zijn of haar taak berekend en volkomen toegerust is.’ (naar 2 Timoteüs : 16-17)

Leestips: Jakobus 1 : 5-8, 2 : 10-17 en 3 : 13-18 en ook 2 Korintiërs 4 : 7-18.

Bron citaat: Petrus Magazine (PKN) – ‘Column Wim: Vergeven is nog niet zo makkelijk’ – door (ex)ds. W. Brinkman.

‘Broeders en zusters, wat heeft het voor zin als iemand zegt te geloven maar hij handelt er niet naar?‘ (genomen uit het onderwijs van de Heilige Geest in Jakobus 1-3 daaruit 2 : 14)

Bron afbeelding: A Clay Jar**
** ‘Maar wij zijn slechts een aarden pot voor deze Schat; het moet duidelijk zijn dat onze overweldigende kracht – ook om altijd anderen weer te vergeven (wat is Paulus veel aangedaan door volksgenoten en toch ook door broeders en zusters in de gemeenten die hij had mogen stichten) – niet van onszelf komt, maar van God.’ (Uit 2 Korintiërs 4 uit de verzen 7-18 : 7)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie