‘Godvrezende werkgroep met saamhorigheid als doel voor ogen’…

Nochtans weet ik dat het de godvrezenden wel zal gaan omdat zij voor Hem vrezen.’
(Uit Prediker 8 vers 12b)

Geciteerd 1: Deze werkgroep (1) heeft het heil van de samenwerking gezien. Het is natuurlijk niet waar, dat de botsing van meningen automatisch de waarheid tevoorschijn doet komen. Maar om haar te vinden, ‘dat edel wicht dat waarheid heet‘ (2), is intensieve samenwerking noodzakelijk. Die samenwerking gaat zo ver, dat ook de geestverwante tegenstander bij herhaling aan het woord komt.

Geciteerd 2: De samenwerking binnen de school (die geen strikte begrenzing gehad zal hebben) wordt bepaald door het doel, het goede zoeken voor het Godsvolk. De uitgever vestigt daarop de aandacht in 12 vers 9 v: ‘En behalve dat Prediker (= prediking, wijsheid, antwoord, richtlijn, waarheid) wijs geweest is, heeft hij het volk in kennis onderwezen‘. We merken dat de uitgever en eerste exegeet van het boek Prediker dit geschrift beter verstaan heeft dan alle navolgende exegeten, en dat is voor die volgenden geen schande, want de exegese in 12 vers 9 is Gods eigen Woord. Het boek Prediker exegetiseert zichzelf – anders zouden we het nooit kunnen begrijpen.

Geciteerd 3: Qohèleth – laten we die zinvolle schuilnaam overnemen – heeft het volk onderwezen, en wel het volk als vergadering of gemeente, als qahaal. Zo getuigt dit boek van saamhorigheid in een tijd waarin die saamhorigheid ging verdwijnen.
Prediker zocht woorden van welgevallen te vinden, een oprecht geschrift, woorden van waarheid.’
‘Woorden van welgevallen’ (misschien mogen we parafraseren: woorden van genade), een geschrift van oprechtheid, woorden van waarheid. ‘Dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig‘ heeft de uitgever op zijn manier en in de stijl van zijn tijd gezegd.

Geciteerd 4: Prediker heeft oog gehad voor de saamhorigheid van de qahaal, de gemeente: ‘De woorden van wijzen zijn als prikkelen‘, ze stimuleren en maken wakker, men kan ze niet meer kwijt raken en gaat er met elkaar over spreken. ‘Ze zijn als ingeslagen nagels‘ [=spijkers]; daarbij kan men denken aan het feit dat woorden van echte wijsheid ‘inslaan’ en ‘aanslaan’; maar nog meer denken we hier aan de aaneenhechtende werking van ingeslagen spijkers. Het volk moet zijn eenheid en saamhorigheid terugvinden, het in losse groepen uiteenvallende volk moet weer gemeente, qahaal worden.
Deze uitgever is wel een zeer moedig man geweest, en een groot optimist. Hij achtte de verkenning van de donkerheid en onzekerheid goed voor het volk.

Geciteerd 5: De wijsheidsschool die achter dit boek staat, heeft weinig tot niets georganiseerd, het was een zeer ‘onwerelds’ gezelschap. Zij zeiden niet: als we het dáár niet eens over kunnen zijn, dan kunnen we de tent wel sluiten. (…) Bezien we dit boek met de ogen van een man, die succes-door-eenheid nastreeft, dan moeten we het een chaotisch boek noemen. Eigenlijk vinden we het allemaal een beetje chaotisch. (…) Wie de diepte van de ware religie wil leren kennen, moet alle diepe wegen van dit boek zijn doorgegaan. Daarbij gaat het om dood en leven. Het thema van het ijdele staat in direct verband met de dood.
De samensprekenden hebben hun ambt van predikers zo goed begrepen, dat zij geheel hun persoon in dit ambt deden opgaan. Zij werkten persoonlijk, soms zeer persoonlijk. Tegelijk was hun betrekkelijk kleine groep een gemeente, die zich aftobde om het volk als qahaal, als gemeente te dienen. Opdat dit volk weer werkelijk qahaal zou worden.

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.
(2) Zie het gedicht ‘Vriendenzoen’ van Guido Gezelle.

Opgemerkt: Zou er binnen de gereformeerde kerken niet ook zo’n ‘Prediker-werkgroep’ wenselijk en haalbaar dienen te zijn?

Zie bij bovenstaande citaten en opmerking aanvullend ook nog deze blogs:

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem’ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Bron afbeelding: SlideServe

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over een Avondmaalsviering in Schotland…

Dus altijd wanneer jullie als gemeente samenkomen en dit brood eten en uit de beker drinken verkondigen* jullie de dood van de Heer, totdat Hij komt.’ (Uit 1 Korintiërs 11 uit de verzen 20-26 : 26).
* Zie hierbij 2 Korintiërs 5 : 14-21.

Geciteerd 1: In Inverness nodigde een ouderling van de Free Presbyterian Church ons thuis uit. Hij raakte niet uitgepraat over de Schotse geloofshelden van weleer.

Opgemerkt 1: Waarom overtreden wij gelovigen altijd weer zo gemakkelijk het onderwijs (in o.a. 1 Korintiërs 4 : 6-14) dat wij niet in en over mensen hebben te roemen en dat door ons te houden en elkaar te herinneren aan ‘wat geschreven staat‘ (over geloofshelden in Hebreeën 11 bijv.), maar dat we desondanks altijd weer reden zien en vinden onszelf belangrijk te maken door (in bovengenoemd geval de Schotse puriteinen) de één (prediker of groep van theologen) te verheerlijken boven een ander (prediker of groep).

Geciteerd 2: Op het eiland Harris and Lewis maakten we de meerdaagse communion season (avondmaalbediening) mee. Gelovigen van de Highlands and Islands zoeken elkaar bij die gelegenheid op. Wat bleek? De Schotse vromen begroetten elkaar niet met „Hoe gaat het met je?” maar met „Hoe is het met je ziel vandaag?” Zo’n zielenvraag geeft te denken.

Opgemerkt 2: Paulus zegt van de Avondmaalsviering dat wij daar samen met alle andere gedoopte leden van een christelijke gemeente de dood van de Heer verkondigen totdat Hij komt. Daarom zou de begroeting ‘De Heer is waarlijk opgestaan‘ de gelovigen beter passen en sieren dan de vraag naar elkaars zielentoestand. Wij belijden aan die tafel dat wij in de dood van onze Heer mee begraven zijn toen Hij voor ons stierf op Golgotha… – lees het maar na in de ‘Pinksterpreek’ van Paulus in 2 Korintiërs 5 : 14-21, en ook wat wij te belijden hebben over onze Doop in Romeinen 6 en wat wij belijden over dat we ons nog altijd zondaars weten te zijn in Romeinen 7.

Geciteerd 3: Het hebben (of zijn?) van een ziel maakt de mens tot mens. De eeuw is in zijn hart gelegd (Prediker 3:11). Hij is geschapen naar Gods beeld. Begiftigd met besef van goed en kwaad. Oorspronkelijk aangelegd op zijn Schepper. Bestemd tot Zijn dienst en de eer van Zijn Naam.
De reformator Calvijn noemt de ziel „het onsterfelijke, maar geschapen wezen dat het edelste deel van de mens is”.

Opgemerkt 3a: De mens is als schepsel een twee-eenheid en wat God samengevoegd heeft dat scheide de mens niet. We kunnen wel pogen om wat onderscheid te maken, maar dat zullen we doen door eerbiedig gebruik te maken van wat in Gods Woord geschreven staat. De levensgeest in de mens komt van God en die levensgeest bestaat van eeuwigheid. Bij de opstanding zal God ons opstandingslichaam weer Zijn levensgeest inblazen, maar nu zo dat ook wij – net als onze Heer – ten volle vervuld zijn van de Heilige Geest (zie 1 Korintiërs 15 : 28).

Opgemerkt 3b: ‘Begiftigd met besef van goed en kwaad’. Of waarschuwde de boom ‘van de kennis van goed en kwaad’ de mens (Adam&Eva) juist voor het gebrek aan kennis om goed te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad en vroeg God daarmee van hen om niet eigen verstand (en ‘besef’) maar het door Hem tot de mens gesproken Woord alle vertrouwen te geven…

Opgemerkt 3c: ‘Bestemd tot Zijn dienst en de eer van Zijn Naam’. Of eerst en vooral bestemd tot een liefdevol dankbaarheidsleven en dat juist tot heil van onze naasten, want dat is toch werkelijk alle eer aan God geven?! Zie o.a. het onderwijs in Psalm 50 en ook wat Johannes ook ons geschreven heeft (!) in 1 Johannes 4 : 11-21. En ook de profeten uit het OT (w.o. de Psalmisten) hielden het ons al voor.

Bron citaat: RD Opinie – ‘Schotse avondmaalgangers begrepen hoe kostbaar de ziel is’ – door ds. J.M.J. Kievit (christelijk gereformeerd emeritus predikant).

… want ieder die eet of drinkt maar niet beseft dat het om het lichaam van de Heer gaat – en de verkondiging die daarvan uitgaat en dus niet om daarmee getuigenis te geven over de ‘hoogstpersoonlijke conclusies over de toestand van eigen ziel’ – roept daarmee zijn of haar veroordeling uit over zichzelf.’ (Uit 1 Korintiërs 11 uit de verzen 27-34 : 29)

Bron afbeelding: Heartlight Gallery

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over de ethiek van Luther…

Besef goed dat de tijd van het oordeel is aangebroken. Dat oordeel begint bij Gods eigen mensen. Als het begint bij ons, hoe zal het dan zijn met hen die het Evangelie weigeren te aanvaarden. Als zij die rechtvaardig leven – in de praktijk van alledag leven uit de rechtvaardiging door het geloof – al ternauwernood gered worden, hoe moet het dan gaan met hen die zondigen omdat ze God niet geloven en gehoorzamen. Daarom moeten allen die lijden te verduren hebben omdat God dat wil, het goede blijven doen – voor hun medegelovigen en zelfs hun vijanden – en hun leven toevertrouwen aan Hem op wie wij vertrouwen omdat Hij ons heeft geschapen*.’ (Uit 1 Petrus 4 uit de verzen 7-19 : 17-19)
* Zie Jakobus 1 : 18 waar we lezen: ‘Hij wilde ons door de verkondiging van de waarheid tot leven roepen om ons de eersten te maken in Zijn schepping.’

Geciteerd 1: Luther’s ethiek is ‘ethiek om te overleven in gevaarlijke tijden’. In de context van chaos en gevaar is ze van levensbelang omdat ze nuchter en praktisch, en volstrekt niet wettisch is, kan ze gemakkelijk aangepast worden aan de nood van de tijd. Het geloof slaat elke aanspraak op eeuwige geldigheid radicaal aan gruzelementen. Daarvoor in de plaats verschaft ze het inzicht in de echte dienst aan de mensheid, die het leed niet op grond van de een of andere ideologie groter maakt alsof dergelijke offers noodzakelijk zouden zijn in verband met de winst die in het eind der tijden verwacht mag worden. Als het waar is dat de christen leeft tussen de razernij van de duivel en de toorn van God, tussen de macht van de chaos en het komende gericht, dan is de noodzaak de resterende tijd goed te gebruiken en de schepping, de ruimte waarin wij leven naar vermogen te beschermen. Tot op het laatste moment blijft de opdracht van God bestaan om goed voor de wereld te zorgen. Op dat gebied – en alleen daar – is de mens een helper van God: ‘Ja, Hij kan het wel alleen doen, maar Hij wil het niet. Hij wil dat we met Hem samenwerken en doet ons de eer aan dat Hij met ons en door ons Zijn werk wil voltooien (1), en als wij deze eer niet wensen, dan zal Hij alleen de arme helpen…’

Boven de hoofden van de weigeraars zal Gods gericht aanbreken, al hebben ze nog zoveel missen opgedragen, aan pelgrimstochten deelgenomen of tegen ketters gestreden. Zouden dat werkelijk de goede werken zijn, gezin, huis en hof in de steek te laten om het eigen heil – en ‘heilige doelen’ (2) – na te streven? Dan lacht de duivel, omdat we God schade berokkenen en we helpen hem de vurig verlangde chaos dichterbij te brengen.
Luther heeft het doel van de christelijke ethiek verlegd van de hemel naar de aarde. Goede werken scheppen ‘heil’, maar dat heil bestaat in het overleven in een bedreigde wereld.

Geciteerd 2: Met het oog op het voortschrijden van de tijd kunnen er geen kruistochten met een legermacht gevoerd worden, maar sinds Pinksteren dient dat te gebeuren met het ‘geweld’ van de verkondiging van de kruisdood van de machteloze Christus.
Uit het bovenstaande (wat eerder in dit hoofdstuk geschreven werd) is duidelijk geworden dat niet gezegd kan worden dat Luther de Reformatie heeft ‘geïntroduceerd’. Voor zijn besef gaat het uitsluitend om verbetering van deze wereld zodat ze kan overleven tot het tijdstip waarop God definitief een einde aan de chaos zal maken. Deze opvatting over het leven in de eindtijd maakt het voor mensen uit onze tijd moeilijk om toegang tot Luther te krijgen. De man uit Wittenberg lokt in feite uit dat zijn tegenstanders hem terugdrijven in de Middeleeuwen en zijn aanhangers hem omvormen tot een dragende kracht van vroegere en hedendaagse vooruitgang.

Het feit dat Luther niet gerekend kan worden tot het tijdperk van de Middeleeuwen en evenmin tot de moderne tijd, vormt tevens de basis voor zijn talent de oerchristelijke boodschap van het naderende Koninkrijk van God weer op realistische wijze en vanuit de eigen ervaring te verkondigen aan mensen van zijn eigen tijd. Ondanks, althans naar de huidige maatstaven, onvoldoende kennis van de taal en ontbrekende wetenschappelijke hulpmiddelen was hij – net als de apostelen en hun medewerkers! – de theologische wetenschap eeuwen vooruit met zijn raadgevingen voor het leven van de Christenheid tussen de tijden (3).

(1) Zie o.a. 2 Petrus 3 : 8-9
(2) Zie hierbij deze serie blogs: https://jc33nl.nl/2021/01/27/apostolische-wijsheid-en-geduld-versus-dwepers-en-drijvers-i/ (t/m VII)
(3) Pinksteren en Wederkomst.

Bron citaat 2: ‘Luther – Mens tussen God en duivel – Hoofdstuk II. Een Middeleeuws gebeuren’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001).

Heb geduld, broeders en zusters, tot de Heer komt. Denk eens aan de boer, die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land, tot de regens van het najaar en voorjaar zijn gevallen. Wees net zo geduldig, want de Heer zal spoedig komen.’ (Uit Jakobus 5 uit de verzen 7-11 : 7-8)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Het verhaal is vrij eenvoudig te vertellen’…

Broeders en zusters toen ik bij jullie kwam om het geheim van God te verkondigen, beschikte ook ik niet over uitzonderlijke welsprekendheid of wijsheid. Ik had besloten jullie geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus – de gekruisigde. Bovendien kwam ik bij jullie in al mijn zwakheid en was ik angstig en onzeker. De boodschap die ik verkondigde overtuigde niet door wijsheid, maar bewees zich door de (werkzame) kracht van de Geest (in jullie), want jullie geloof moest niet op menselijke wijsheid (en inspiratie!) steunen, maar op de kracht van God.’ (Uit 1 Korintiërs 2 de verzen 1-5).

Geciteerd 1a: Maarten Luther was zo’n inspirerende persoon. Zijn (!) opvattingen over God, de mens en de schepping bevatten een blijvende en aantrekkelijke dynamiek en werden verder ontwikkeld (!) door mede-hervormers. Er ontstond een nieuw en omvattend wereldbeeld en de kernwaarden van dit wereldbeeld bleken een positieve uitwerking te hebben op de samenleving als geheel.

Geciteerd 1b: Het verhaal is vrij eenvoudig te vertellen: Eén man in een afgelegen stad zocht naar God en veranderde de wereld. Die man was Maarten Luther. (…) Door de ontdekking van het individu te combineren met de verantwoordelijkheid voor de gemeenschap opende hij (!) de mogelijkheden voor de persoonlijke ontwikkeling van gaven en talenten en moedigde hij individuen en groepen aan om sociale verantwoordelijkheid te nemen. (En zo gaat de lofzang van deze professor in de theologie op de persoon en het werk van Luther nog wel even door…).

Geciteerd 2: Luther verwachtte van de reformatie in zijn tijd geen andere vooruitgang dan het woeden van de duivel die uitgedaagd is door de herontdekking (!) van het Evangelie. Met dubbele energie zal de tegenstander zich van alle kanten en met alle middelen op de kerk storten. Voordat de wereldgeschiedenis voltooid is, zal de vervolging toenemen, want een algemene reformatie – dat wist Luther sedert 1520 – is niet van de paus, niet van een concilie en ook niet van de een of andere ‘reformator’ te verwachten. Reformatie schept God doordat Hij de geschiedenis voltooit. Aan dit gebeuren zal de contra-reformatie van de duivel voorafgaan.
Het ligt voor de hand Luther ervan te verdenken dat zijn sombere beeld van de toekomst opgeroepen wordt door een pessimisme dat teruggaat op de beginjaren van de reformatie. Toen viel immers nog niet te voorzien wat eens uit de evangelische beweging zou groeien. Moeten de verrassende successen van de reformatie die toch werkelijk gekomen zijn, niet aanleiding geven tot een nieuwe, ‘optimistische’ interpretatie van de zichtbare vernieuwing van de kerk?
Een blik op de laatste fase van het leven van Luther kan hier duidelijkheid verschaffen. Opnieuw vormt het martelaarschap van een augustijnermonnik voor Luther de aanleiding zijn visie te geven op de tijd waarin hij leeft. Het gaat om Robert Barnes uit het augustijnerklooster van Cambridge, die op bevel van koning Hendrik VIII op 30 juli 1540 in Smithfield verbrand wordt.
(…) Nog in datzelfde jaar geeft Luther in Duitse vertaling de laatste geloofsbelijdenis van de veroordeelde uit. In het voorwoord daarbij maken de laatste woorden daarvan volledig duidelijk waaruit de vooruitgang en het succes van de (begonnen) reformatie bestaan: ‘Het zal nog erger worden. Amen’.
De kerk deelt in het lot van haar Heer. Tot het eind van zijn leven waarschuwt Luther dat de tegenstander in het geheel niet geïntimideerd is, de aanval op geen enkele manier schuwt en geen geweld vreest, ‘want God slaapt en verbergt zich, ja Hij is voor de zijnen op alle manieren zwak’, de duivel en zijn trawanten zijn ‘zeer moedig en achtervolgen de lijdende en vluchtende, gestorven God.’…

> Lees meer/verder in deze blog: ‘Want God slaapt en verbergt Zich…

> Lees eventueel ook nog deze blog: ‘De stoere en de bedeesde Luther…

Bron citaten 1a-b: De Waarheidsvriend, 12 maart 2026 – ‘Coram Deo: leven voor Gods aangezicht. Hoe Maarten Luther de wereld veranderde’ – door prof. dr. H.J. Selderhuis.
Bron citaat 2: ‘Luther – Mens tussen God en duivel – Hoofdstuk IX. De Christenheid tussen God en duivel’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001).

Ik roep je dringend op, ten overstaan van God en Christus Jezus, Die zal oordelen over levenden en doden, ik bezweer je bij Zijn komst en heerschappij: Verkondig de Boodschap*, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet, wijs terecht, bestraf en vermaan met alle geduld dat het onderricht vereist. Want er komt een tijd dat de mensen de heilzame leer niet meer verdragen, maar leraren om zich heen verzamelen die aan hun verlangens tegemoet komen en hen naar de mond praten. Ze zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzinsels. Jij echter moet in alles nuchter zijn, je lijden aanvaarden, je werk als verkondiger (!) van het Evangelie doen, je dienende (!) taak vervullen. (Uit 2 Timoteüs 3 en 4 de verzen 1-5, van 4)
* Zie Paulus samenvattende woorden over ‘de Boodschap’ die verkondigd moet blijven worden de woorden in Titus 3 : 1-8.

Bron afbeelding: JeffRandleMan-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Een vriend van mij is jager’…

God schiep de mens als Zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij de mens, mannelijke en vrouwelijk schiep Hij de mensen.’ (Uit Genesis 1 vers 27)

Geciteerd: Men wordt niet als vrouw geboren, men wordt tot vrouw gemaakt.’ Zo luidt een bekende zin van Simone de Beauvoir uit De tweede sekse. Alleen columnist B.J. Spruyt had er oog voor. Hij stelde afgelopen maandag dat een man weliswaar een jager genoemd kan worden, maar dat dat vooral opgevat moet worden als een oproep tot hoffelijkheid.

Een vriend van mij is jager. In zijn vrije tijd. Het was even alsof ik hem hoorde spreken. Konijnen, hazen, herten, hij ziet ze niet als prooi. Jagen is een loflied op de schepping. Het is omgeven met rituelen waar conservatieven vreugde aan zullen beleven. Het gedode dier krijgt een takje in de bek. De jachthoorn wordt geblazen. De jager eert zo het leven van het dier en de jacht. Op een website las ik zelfs iets over stil zijn, reflectie, eerbied.

Een man als jager is voor vrouwen dus geen reden tot zorg. Allemaal hoffelijkheid. Maar zo niet voor Simone de Beauvoir. In haar boek fileert zij juist dit soort taal.

Opgemerkt 1a: ‘Alleen columnist B.J. Spruyt had er oog voor.’? Nee, misschien was hij nu de enige van de krant die zich erover uitsprak, maar we mogen toch aannemen dat het aanvaarden van het feit dat God de mens schiep als man en als vrouw en dat je door geboorte (als regel) als man of als vrouw geboren wordt ook nog als Bijbelse waarheid aangenomen wordt door het merendeel van de schrijvers voor en de lezers van het ND.

Opgemerkt 1b: Nu wordt met het aanhalen van de woorden van een conservatieve vrijetijdsjager de poging van Bart-Jan Spruyt om het beeld van de man als ‘jager op jachtwild’ (zoals dat op de jeugdconferentie onder woorden werd gebracht) om te buigen naar de man als ‘hofmaker’ weer helemaal teruggebracht naar het beeld van de man die achter het wild aanjaagt. En het ‘loflied’ op de vrouw dat door Adam ‘gezongen’ werd, nadat hij uit zijn slaap wakker geworden was, wordt nu een loflied na de jacht, dat bij een goed glas wijn met wild op tafel, na eerst een een vroom dankgebed voor al dat lekkers (1), gezongen dient te worden.

Opgemerkt 1c: Dat Adam sliep toen Eva geschapen werd en dat hij eerst weer wakker moest worden om Eva als medemens naast zich te ontvangen, dat word hier doelbewust ‘buiten beeld’ gehouden/gebracht. Het moet allemaal passen in het plaatje van de man als edele jager, die zelfs bij het opjagen en doden van wild nog denken moet aan de jacht op een vrouw en haar ‘overmeesteren’. En dan wordt het bij ‘Gereformeerd Beraad M/V (waar B. J. Spruyt een vertegenwoordiger van is) dat van nature een jager zijn van de man nog aan Gods scheppingsorde toegeschreven ook. Maar Adam en Eva waren tuiniers (beter nog: hoveniers) in de hof (2) van Eden en daar viel nog niets te (be)jagen en te belagen.

(1) ‘Wildbraad’, zie Genesis 27 : 5-7.
(2) Ze waren er niet eens de ‘hofmakers’ van, ze kregen die hof van God kado!

Bron citaat: ND opinie – ‘Mannen en vrouwen zijn eraan gehecht geraakt dat ze verschillen. En het geeft ze ook plezier’ – door Wim H. Dekker (lector informele netwerken en laatmoderniteit aan de Christelijke Hogeschool Ede)

God, de HEER, legde in het oosten van Eden, een tuin aan om die te bewerken en om erover te waken.’ (…) ‘Toen liet God, de HEER, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam Hij een van de ribben weg; hij vulde die plaats weer met vlees. Uit de rib die God uit de mens had weggenomen, bouwde God de HEER, een vrouw en bracht haar bij de mens.’ (Uit Genesis 2 vers 8 en vers 21-22)

Bron afbeelding: Daily Bible Memes

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Hoe inclusief was/is het bidden in Gods tempel…

Ook wanneer een vreemdeling die niet tot Uw volk Israël behoort en die uit een ver land hierheen is gekomen vanwege Uw grote naam (1), vanwege Uw sterke hand en vanwege Uw opgeheven arm – wanneer iemand hierheen komt en een gebed richt naar deze tempel, aanhoor diegene dan vanuit de hemel (!), Uw woonplaats (!), en doe wat deze mens U vraagt.’ (Uit 2 Kronieken 6 uit de verzen 32-33)

Geciteerd: Een gebed voor de vreemdeling. Hoe ontroerend en toepasselijk juist ook in onze tijd. Het raakt me dat God verder kijkt dan alleen Israël. Andere volken die bij Hem en Zijn tempel (2) toevlucht zoeken, mogen er ook bij horen. Ook hun gebeden zullen verhoord worden. Dit is een bemoediging en een getuigenis voor alle volkeren van de wereld. De God van Israël is een God van inclusiviteit.
De bestudering van de (wereld)geschiedenis kan je somber maken. Wat drijft mensen toch om altijd weer de eigen groep boven de andere groepen te verheffen. Het verlangen naar macht, aanzien, eer en allerlei eigen belang gaat als regel uit boven het zien van gelijkwaardige mensen. Jezelf verheffen door de ander een trap naar beneden te geven is een veel voorkomend verschijnsel. Wie de God van Israël dient zal de ander juist willen ‘verhogen’ (en daarom niet afzien van het jezelf ‘vernederen’, AJ).

(1) Denk hierbij ook aan Naäman die op grond van de woorden van een Joods meisje (slavinnetje) niet naar de tempel in Jeruzalem, maar naar de profeet Elisa verwezen werd (zie 2 Koningen 5) en aan de Ethiöpiër die in Jeruzalem kwam om te bidden en beschikte over een boekrol met de woorden van de profeet Jesaja.
(2) Bedenk bij dat ‘je toevlucht zoeken bij de tempel van de God van Israël’ de woorden die onze Heer sprak tot de Samaritaanse vrouw (zie Johannes 4 : 23-24) en het onderwijs van Paulus in 1 Korintiërs 3 : 16-23 waar hij de gemeente(n) van onze Heer zegt dat zij nu de tempel van God zijn en dat dat grote verantwoordelijkheid geeft en verplichtingen schept naar elkaar en de voorbede voor alle mensen (zie 1 Timoteüs 2 : 1-8). En denk ook aan de gelijkenis die onze Heer vertelde over het bidden van een Farizeeër en een tollenaar (zie Lukas 18 : 9-14)

Bron citaat: Dag in dag uit 2026 – Meditatie van woensdag 11 maart (biddag) – Leger des Heils | Ark Media

Allereerst vraag ik dat er in jullie samenkomsten en samenleven voor álle mensen gebeden wordt, dat er smeekbeden, voorbeden en dankgebeden voor hen uitgesproken worden.’ (Uit/naar 1 Timoteüs 2 uit de verzen 1-7 vers 1)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Pinksterpreek’ van Paulus… (aangevulde versie)

Wat ons drijft is de liefde van Christus, omdat we ervan overtuigd zijn dat één Mens voor álle mensen is gestorven, waardoor alle mensen zijn gestorven (a), en dat Hij voor allen is gestorven opdat alle levenden niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die voor de levenden is gestorven en is opgewekt. Daarom beoordelen we nu niemand meer volgens de maatstaven van deze wereld (1); ook Christus niet, Die we vroeger wel volgens die maatstaven beoordeelden (2). Daarom ook is iemand die één is met Christus, een nieuwe schepping (3). Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. Dit alles is het werk van God. Hij heeft ons door Christus met Zich verzoend en ons apostelen de verkondiging daarover toevertrouwd. Het is God Die door Christus de wereld met Zich heeft verzoend: Hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend (4). En ons heeft Hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd. Wij zijn gezanten van Christus, God doet door óns Zijn oproep. Namens Christus vragen wij: laat je met God verzoenen. God heeft Hem Die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door Hem rechtvaardig konden worden.‘ (Uit 2 Korintiërs 5 : 14-21)

(a) Vandaar dat Paulus over de eerste verkondiging van het Evangelie aan de Korintiërs kon zeggen/schrijven: Wij verkondigden jullie een gekruisigde Christus. (zie 1 Korintiërs 1 : 23 en 2 : 2)

(1) Wie zich ook maar aanmeldde om zich te laten dopen, die werd ook gedoopt. Of hij/zij nu slaaf of vrije was, man of vrouw, Jood, Griek of barbaar, dat maakte niet uit. Maar wie zich liet dopen diende zich – met zijn of haar huis, denk aan Lydia en de gevangenbewaarder – ook te voegen bij een door de apostelen gestichte gemeente en zich daar te stellen onder het onderwijs van de apostelen en hun medewerkers en om daar ook samen de ‘maaltijden van de Heer’ te gaan gebruiken. En zo handelden de apostelen naar Jezus opdracht zoals we die horen in Matteüs 28 : 19-20.
(2) Volgens de maatstaven van de Farizeeën en Schriftgeleerden en ook de Romeinen was Jezus een loser, die Zijn pretenties niet kon waarmaken en een jammerlijke dood stierf aan een kruis.
(3) Zie Romeinen 6 : 3-4 en Titus 3 : 5-6 waar de Doop het bad der wedergeboorte wordt genoemd.
(4) Zie Kolossenzen 1 : 18-23.

Opgemerkt 1 (AJ): Laten we 2 Korintiërs 5 : 14-21 lezen als ‘Pinksterpreek’ (vergelijkbaar met die van Petrus in Jeruzalem, zie Handelingen 2) en daarbij riep Paulus zijn hoorders, die nog niet gedoopt waren, op om dit Evangelie (m.n. verwoord in vers 14-15) te geloven en een nieuw leven te beginnen en dat door zich te laten dopen (en dat dopen liet hij dus voornamelijk door zijn medewerkers doen) met daarbij dan in gedachten ook de woorden die Petrus sprak (zie Handelingen 2 : 38-39): dan zullen jullie de Heilige Geest ontvangen, want de belofte van de uitstorting van de Heilige Geest geldt voor jullie allen en ook voor jullie kinderen en voor alle mensen die wij (apostelen) nog niet bereikt hebben met dit Evangelie.
Uit de woorden van 2 Korintiërs 5 : 14-21 kunnen we vaststellen dat ieder mens met Christus gestorven is (‘God heeft in Christus de wereld met zich verzoend’) en daarom recht heeft om gedoopt te worden. Daarom doopten de apostelen hun hoorders zonder eerst een ‘geloofsexamen’ of een catechesetraject (denk aan heel het huis van de gevangenbewaarder). Dat veel volwassen hoorders van deze woorden daar niet aan willen – ook in Korinthe was dat het geval, met name de Joodse leden van de synagoge waar Paulus zijn verkondiging in Korinthe begon, zie Handelingen 18 : 4-8 -, en dat valt zeer te betreuren en het is niet in hun voordeel maar wel hun goed recht, maar de kinderen van bekeerlingen (zij die de woorden van Paulus aanvaardden) én de kinderen die in Christus gemeente geboren worden, die kunnen en behoren – op grond van de woorden in 2 Korintiërs 5 : 14-15 en 19-21! – gedoopt te worden/zijn.

Opgemerkt 2 (AJ): Het moge duidelijk zijn dat de verkondiging van Gods Woord en de bediening van Doop en Avondmaal door onze Heer toevertrouwd werd aan Zijn apostelen en (daarna) aan de gemeenten die zij zouden stichten. Daarom kan Paulus aan Timoteüs schrijven: ‘Hoewel ik hoop spoedig naar je toe te komen, schrijf ik je dit alles voor het geval ik mocht worden opgehouden. Dan weet je hoe men zich dient te gedragen in de kerk (de ‘Ecclesia’) van de levende God, die fundament en pijler van de waarheid is in deze wereld.’
En in 2 Timoteüs 2 : 2 (in feite heel hoofdstuk 2 van de brief) laat Paulus Timoteüs weten hoe de gemeenten in hun voortbestaan ‘fundament en pijler van de waarheid’ zullen blijven, namelijk door binnen de gemeente betrouwbare mensen aan te stellen, die zelf ook weer in staat zijn om anderen te onderwijzen in de leer van de apostelen. Daarbij zullen we ook in gedachten houden de waarschuwende woorden van Paulus in Galaten 1 : 8-9. Dat onderwijs moe(s)t voorkomen dat mensen op grond van bijzondere openbaringen zich zouden (gaan) presenteren als voorgangers (of zelfs apostelen, zie hierbij de woorden in 2 Korintiërs 11 : 12-15) en op grond daarvan ‘op eigen houtje’ gemeenten gaan stichten. Zulke gemeenten vallen niet binnen de ‘Ecclesia’ die gesticht werden door de apostelen en die hun voortbestaan (en ‘vermenigvuldiging’) vonden doordat men binnen de gemeenten betrouwbare mensen wist en weet aan te wijzen die in staat kunnen worden geacht om ook anderen weer te onderwijzen in wat de apostelen ons geleerd hebben.

Eerst waren jullie vervreemd van Hem en waren jullie Hem in al het kwaad dat jullie deden vijandig gezind, maar nu heeft Hij jullie door de dood van Zijn aardse lichaam met Zich verzoend – de vijandschap weggenomen – om jullie heilig, zuiver en onberispelijk bij Zich te brengen – toen jullie je lieten dopen -. Maar dan moeten jullie wel blijven geloven, onwrikbaar gegrondvest in de hoop die het Evangelie ons brengt, het Evangelie dat jullie van ons gehoord hebben en dat aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is, en waarvan (ook) ik Paulus (naast de andere apostelen), een dienaar geworden ben.’ (Uit Kolossenzen 1 : 21-23)

Bron afbeelding: Facebook (Lighthouse Mission Church)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Volharden is een werkwoord, maar ook een genade woord…

Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.’
(Uit Matteüs 24 : 13)

Geciteerd: Volharden veronderstelt strijd. Waar geen strijd is hoeft ook niet volhard te worden. In Matteüs 24 wordt duidelijk dat de weg van navolging door moeite, haat en aanvechting heen gaat. Eerder had Jezus al gezegd: “En jullie zullen van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar wie volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.” Dat geldt niet alleen voor de eerste discipelen, maar voor de kerk (de gelovigen) van alle tijden – en in het bijzonder daar waar het Evangelie verkondigd en beleden wordt in vijandig gebied of waar vijandigheid heerst.

De ervaring leert: ik heb geen kracht tot volharding in mijzelf. Hoe snel kan het hart moedeloos worden en lauw, of zelfs terugwijken. Wie zichzelf heeft leren kennen – met hulp van Gods Woord en de Heilige Geest – , zal niet roemen in eigen kracht en standvastigheid, maar vrezen voor eigen wankelmoedigheid en afvalligheid.

Toch zegt Christus: wie volhardt. Volharden: dat is een werkwoord, maar ook een genadewoord. Want die volharding is geen menselijke prestatie, maar vrcht van de verbondenheid aan Christus. Of anders gezegd: een vrucht van Gods bewarende trouw. Het is de Vader Die bewaart, de Zoon Die bidt, en de Geest Die bevestigt in het geloof.

Elke dag en dus ook elke zondag komt het weer op volhouden aan. Met studie, met werk om de moeilijke dagen door te komen. Maar ook in het bidden en het toewijden aan de Heere en Zijn dienst. Is het niet een diep geestelijke ervaring in de volharding, dat wanneer alle eigen steun wegvalt en er alleen het vasthouden door Christus overblijft. Dan wordt volharden niet een krampachtig vasthouden aan Hem, maar wonderlijk vastgehouden worden dóór Hem. Ik houd vast omdat ik vastgehouden wordt. Dat is het geheim van de volharding.

De Heere leert Zijn volgelingen en de gemeenten: niet succes, maar trouw is de maatstaf. Volharden in navolging betekent dan: blijven spreken, blijven liefhebben, blijven bidden – ook wanneer de weg donker is en het resultaat van je volharden verborgen blijft.

Wanneer de Heere roept om Hem te volgen, wordt het verlangen gewekt en in stand gehouden om niet alleen goed te beginnen, maar ook goed te eindigen. Niet af te vallen onderweg, maar behouden aan te komen. Dat wekt een heilige afhankelijkhheid: “Heere, als U mij niet vasthoudt, zal ik zeker vallen en loslaten. En juist in die afhankelijkheid ligt de troost: Hij die het goede werk (in u/jou) begonnen is, zal het ook voleindigen.

De zaligheid ligt niet in de volharding (en heiliging) zelf, maar in Hem tot Wie men volhardt. De volharding is de weg, niet het fundament. Het Fundament is Christus alleen. Wie tot het einde toe bij Hem blijft – omdat hij of zij door Hem bewaard wordt – die zal zalig worden. Wij houden niet vol maar Christus wel. Dat leert Christus volgelingen te volharden.

Bron citaat: Bonisa* Magazine #1/2026 – Meditatie ‘Volharden tot Navolging’ – door Ds. H. van der Ziel.
* Meer weten over Bonisa: http://www.bonisa.nl

Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs van de roeping van God, die van boven is, in Christus Jezus. Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien jullie op enig punt anders gezind zijn, God zal u ook dat openbaren; maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder! Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die ook zo wandelen, zoals jullie ons tot voorbeeld hebben.‘ (Uit Filippenzen 3 de verzen 12-21 : 12-17)

Bron afbeelding: Joyful Moments in Christ

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Rechtspreken niet gericht op recht, maar met aanzien des persoons’…

‘Spreekt gij, goden, inderdaad recht?
Richt gij de mensenkinderen rechtmatig?
(Uit Psalm 58 : 2)

Kern van de preek van Dietrich Bonhoeffer over Psalm 58: (…) dan het andere: wie God aanroept op de vijand te wreken, die ziet daarmee af van zijn eigen wraak. Wie zichzelf wil wreken weet niet met wie hij van doen heeft, die wil zijn zaak nog zelf in handen nemen. Wie echter de wraak alleen aan God overlaat, die is bereid zelf te lijden en te dulden, zonder wraak, zonder ook maar te dénken aan eigen wraak, zonder haat en zonder tegenspraak; die is zachtmoedig, vredelievend, die heeft zijn vijanden lief. Voor hem of haar is Gods zaak belangrijker geworden dan eigen lijden. Die weet: God zal overwinnen. ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here’ (Romeinen 12 : 19).

‘Spreekt gij, goden, inderdaad recht?
Richt gij de mensenkinderen rechtmatig?
Veeleer bedrijft gij euveldaden in het hart,
op aarde weegt gij het geweld uwer handen af
De goddelozen zijn van de geboorte aan afvallig,
de leugensprekers dwalen van de moederschoot aan.
Hun venijn is gelijk het venijn van een slang;
als een dove adder, die haar oor toesluit,
die niet luistert naar de stem der bezweerders,
noch naar de volleerde belezer.
O, God, verbrijzel hun tanden in hun mond,
sla de hoektanden der jonge leeuwen uit, Here;
laten zij vergaan als water dat wegvloeit;
legt hij zijn pijlen aan, dan mogen zij als afgestompt zijn;
laten zij vergaan als een slak die voortkruipend wegsmelt,
als de misdracht van een vrouw, die de zon niet heeft: gezien;
voordat uw potten de dorens bemerken,
zowel groen als verschroeid, stormt Hij hen weg.
De rechtvaardige zal zich verheugen,
wanneer hij de wraak aanschouwt;
hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.
En de mensen zullen zeggen: Toch is er loon voor de rechtvaardige,
toch is er een God, die recht doet op aarde.’
(Psalm 58, NBG)

Geciteerd: Kan deze vreselijke wraakpsalm ons gebed zijn? Mogen wij zo bidden? Het antwoord op deze vraag is heel duidelijk: nee, wíj mogen zeker niet zo bidden! Aan veel vijandschap zijn wij ook zelf schuldig. En we moeten erkennen dat de straf van God terecht is, als hij ons zondige mensen treft en vernedert. Ook in deze moeilijke tijd voor de kerk moeten wij erkennen dat God zelf zijn hand in toorn tegen ons heeft opgeheven om onze zonde te bezoeken, onze geestelijke traagheid, onze openbare of heimelijke ongehoorzaamheid, ons gebrek aan discipline in het dagelijks leven. Het komt allemaal in Gods gericht. Hoe kunnen wij ontkennen dat iedere persoonlijke zonde, ook de meest verborgen zonde, Gods toorn over zijn gemeente zal treffen? Hoe zullen wij dan, die schuldig zijn en Gods toorn verdienen, Gods wraak over onze vijanden afroepen, terwijl deze wraak veeleer onszelf zou moeten treffen? Nee, wíj kunnen deze psalm niet bidden. Niet omdat wij daarvoor te goed zijn (wat een oppervlakkige gedachte en wat een onbegrijpelijke hoogmoed!), maar omdat wij daarvoor te zondig zijn, te slecht!

Alleen wie zelf helemaal zonder zonde is, kan zó bidden. Deze wraakpsalm is het gebed van een onschuldige. ‘Een kleinood van David, op de wijze van: “verderf niet”.’ Het is David die deze psalm bidt. David zelf is niet onschuldig. Maar het heeft God behaagd in David de zoon van David te bereiden: Jezus Christus. Daarom mag David niet gedood worden, omdat uit hem de Christus moet komen. David zelf zou nooit hebben kunnen bidden zijn eigen leven te bewaren voor zijn vijanden. Wij weten dat David heel wat zonden heeft begaan en ze ook deemoedig heeft gedragen. Maar in David is Christus en daarom ook de Kerk van God geboren. Daarom zijn zijn vijanden de vijanden van Jezus Christus en Zijn heilige Kerk. Daarom mag David niet gedood worden door zijn vijanden. Kortom, in David bidt de onschuld van Christus zelf deze psalm mee en met Christus de hele heilige Kerk.

Nee, niet wij zondaren bidden dit wraaklied, alleen de onschuld zélf bidt het. De onschuld van Christus staat voor de wereld en klaagt haar aan. Niet wij klagen haar aan, Christus klaagt haar aan. En wanneer Christus de zonde aanklaagt, behoren ook wij dan niet tot de aangeklaagden? ‘Spreekt gij, goden, inderdaad recht? Richt gij de mensenkinderen rechtmatig?’ Een boze tijd, als de wereld het onrecht gewoon zijn gang laat gaan; als de verdrukten, de armen en de ellendigen luid ten hemel schreien en de rechters en de heren der aarde zwijgen; als de vervolgde gemeente in opperste nood God om hulp en de mensen om gerechtigheid aanroept, en niemand op aarde zijn mond open doet om recht te verschaffen.

Spreekt gij, goden inderdaad recht? Richt gij de mensenkinderen rechtmatig?’ Mensenkinderen zijn zij die onrecht wordt aangedaan. Moet dat dan altijd maar vergeten worden, ook in deze tijd? Horen we het? Mensenkinderen, die net als wij schepselen van God zijn; die net als wij pijn en ellende lijden, wie geweld wordt aangedaan; die net als wij geluk en hoop hebben; die net als wij eer en beledigingen voelen. Mensenkinderen, die net als wij zondaren zijn en die net als wij Gods barmhartigheid nodig hebben. Onze broeders! ‘Zijn zij dan stom?’ O nee, zij zijn niet stom, men hoort hun stem op aarde wel. Maar het is een onbarmhartig woord, een woord van de ‘eigen partij’ (in deze wereld of binnen de gemeente/kerk) dat zij spreken. Het is niet gericht op recht, maar met aanzien des persoons.

Bron citaat: Mijn ziel keert zich stil tot God – Meditaties bij de Psalmen (Dietich Bonhoeffer)

Maar we zijn geen moment voor hen gezwicht, want de waarheid van het Evangelie moest in jullie belang behouden blijven. De belangrijkste broeders – hun positie interesseert me trouwens niet, God slaat geen acht op het aanzien van een mens – hebben mij tot niets verplicht.‘ (Uit Galaten 2 uit de verzen 1-14 : 5-6)

Bron afbeelding: A Joy Filled Woman

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Daarom verliest een gelovige de hoop niet’?

‘Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als de eniggeboren van de Vader, vol van genade en waarheid. Johannes heeft van hem getuigd en heeft geroepen zeggende: Deze was het van Wie ik zei: Die na mij komt, is vóór mij geweest, want Hij was eer dan ik. Immer uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade; want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen. Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is, heeft Hem doen kennen.‘ (Uit Johannes 1 uit de verzen 1-18 : 14-18).

Geciteerd 1a: Het vroege jodendom zag een relatie tussen verkiezing en kennis. Drie documenten uit deze periode laten dat zien, elk op een eigen wijze: de Wijsheid van Salomo, 4QInstructie en het Mattheüsevangelie.

Geciteerd 1b: Het vroeg-joodse geschrift Wijsheid van Salomo, afgekort Wijsheid, is te dateren tussen 30 voor Christus en 40 na Christus. Het combineert traditionele elementen als verkiezing met noties uit de Grieks-Romeinse filosofie om antwoorden te bieden op urgente vragen.

Geciteerd 1c: Het onderwijs van Wijsheid is namelijk gericht op het ontwaren van een patroon in Gods handelen: er is zegen en bevrijding voor de rechtvaardigen, vloek en oordeel voor de goddelozen. Zo komt er een antwoord op het grote probleem van het kwaad: de gelovige leert door zijn kennis (??? – AJ) te doorzien dat het kwaad niet bij de scheppingsstructuren van God behoort en dat er een toekomstige beloning en vergelding volgt. Daarom verliest een gelovige de hoop niet.

Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderddertig jaar na de belofte werd gegeven, maakt het testament dat door God bekrachtigd is niet ongeldig. De wet kan de belofte nooit ontkrachten.’ (Uit Galaten 3 uit de verzen 15-29 : 17)

Wij weten dat de wet in alles wat zij zegt alleen spreekt tot degenen die aan de wet zijn onderworpen. Maar uiteindelijk wordt ieder mens – ook de Christus-gelovige – het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. Daarom is geen sterveling onschuldig (rechtvaardig) omdat hij/zij de wet naleeft, want juist de wet leert ons zonde kennen.’ (Uit Romeinen 3 uit de verzen 9-20 : 18-20)

Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid (‘de structuren van het kwaad en de vergankelijkheid’, waarvan we toch weten op grond van Genesis 1 en 2 dat die niet tot Gods oorspronkelijke schepping behoorden), niet uit eigen wil, maar door Hem die Zijn schepping en schepselen daaraan onderworpen heeft. Maar de schepping heeft hoop gekregen omdat ook heel de schepping zelf bevrijd zal worden uit de slavernij van de vergankelijkheid (en het kwaad) en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt.’ (Uit Romeinen 8 uit de verzen 18-39 : 20-21)

Geciteerd 2 (prof. dr. K.J. Popma): De wijsheid van Salomo moet geschreven zijn door een Jood, die iets geleerd had van het Griekse denken omtrent de eerste vragen. Zijn ethiek staat vrijwel los van het geloof in een genadig God, Die Abrahams geloof tot gerechtigheid rekende.

> Lees deze blog bovenstaand citaat afkomstig is: ‘Wat bij de mensen in hoog aanzien staat…

Bron citaten 1a-c: RD Opinie – ‘Vroege jodendom verbindt verkiezing en kennis met elkaar’ – door Prof. dr. A. van den Os
Bron citaat 2: ‘Eerst de Jood, maar ook de Griek’ van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Er staat namelijk geschreven (!): “Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen, het verstand van de verstandigen zal Ik teniet doen.” Waar is de wijze, waar de Schriftgeleerde, waar de redenaar van deze wereld? Heeft God de wijsheid van deze wereld niet in dwaasheid veranderd? Want zoals God in Zijn wijsheid bepaalde, heeft de wereld (ook de ‘Joodse wereld’!) Hem niet door haar wijsheid gekend, en Hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van onze verkondiging.’ (Uit 1 Korintiërs 1 : 18 t/m 2 : 16 : 19-21 uit 1)

Bron afbeelding: The words of BIBLE

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie