‘Pinksterpreek’ van Paulus…

Wat ons drijft is de liefde van Christus, omdat we ervan overtuigd zijn dat één Mens voor álle mensen is gestorven, waardoor alle mensen zijn gestorven (a), en dat Hij voor allen is gestorven opdat alle levenden niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die voor de levenden is gestorven en is opgewekt. Daarom beoordelen we nu niemand meer volgens de maatstaven van deze wereld (1); ook Christus niet, Die we vroeger wel volgens die maatstaven beoordeelden (2). Daarom ook is iemand die één is met Christus, een nieuwe schepping (3). Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. Dit alles is het werk van God. Hij heeft ons door Christus met Zich verzoend en ons apostelen de verkondiging daarover toevertrouwd. Het is God Die door Christus de wereld met Zich heeft verzoend: Hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend (4). En ons heeft Hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd. Wij zijn gezanten van Christus, God doet door óns Zijn oproep. Namens Christus vragen wij: laat je met God verzoenen. God heeft Hem Die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door Hem rechtvaardig konden worden.‘ (Uit 2 Korintiërs 5 : 14-21)

(a) Vandaar dat Paulus over de eerste verkondiging van het Evangelie aan de Korintiërs kon zeggen/schrijven: Wij verkondigden jullie een gekruisigde Christus. (zie 1 Korintiërs 1 : 23 en 2 : 2)

(1) Wie zich ook maar aanmeldde om zich te laten dopen, die werd ook gedoopt. Of hij/zij nu slaaf of vrije was, man of vrouw, Jood, Griek of barbaar, dat maakte niet uit. Maar wie zich liet dopen diende zich – met zijn of haar huis, denk aan Lydia en de gevangenbewaarder – ook te voegen bij een door de apostelen gestichte gemeente en zich daar te stellen onder het onderwijs van de apostelen en hun medewerkers en om daar ook samen de ‘maaltijden van de Heer’ te gaan gebruiken. En zo handelden de apostelen naar Jezus opdracht zoals we die horen in Matteüs 28 : 19-20.
(2) Volgens de maatstaven van de Farizeeën en Schriftgeleerden en ook de Romeinen was Jezus een loser, die Zijn pretenties niet kon waarmaken en een jammerlijke dood stierf aan een kruis.
(3) Zie Romeinen 6 : 3-4 en Titus 3 : 5-6 waar de Doop het bad der wedergeboorte wordt genoemd.
(4) Zie Kolossenzen 1 : 18-23.

Opgemerkt 1 (AJ): Laten we 2 Korintiërs 5 : 14-21 lezen als ‘Pinksterpreek’ (vergelijkbaar met die van Petrus in Jeruzalem, zie Handelingen 2) en daarbij riep Paulus zijn hoorders, die nog niet gedoopt waren, op om dit Evangelie (m.n. verwoord in vers 14-15) te geloven en een nieuw leven te beginnen en dat door zich te laten dopen (en dat dopen liet hij dus voornamelijk door zijn medewerkers doen) met daarbij dan in gedachten ook de woorden die Petrus sprak (zie Handelingen 2 : 38-39): dan zullen jullie de Heilige Geest ontvangen, want de belofte van de uitstorting van de Heilige Geest geldt voor jullie allen en ook voor jullie kinderen en voor alle mensen die wij (apostelen) nog niet bereikt hebben met dit Evangelie.
Uit de woorden van 2 Korintiërs 5 : 14-21 kunnen we vaststellen dat ieder mens met Christus gestorven is (‘God heeft in Christus de wereld met zich verzoend’) en daarom recht heeft om gedoopt te worden. Daarom doopten de apostelen hun hoorders zonder eerst een ‘geloofsexamen’ of een catechesetraject (denk aan heel het huis van de gevangenbewaarder). Dat veel volwassen hoorders van deze woorden daar niet aan willen – ook in Korinthe was dat het geval, met name de Joodse leden van de synagoge waar Paulus zijn verkondiging in Korinthe begon, zie Handelingen 18 : 4-8 -, en dat valt zeer te betreuren en is niet in hun voordeel maar wel hun goed recht, maar de kinderen van bekeerlingen (zij die de woorden van Paulus aanvaardden) én de kinderen die in Christus gemeente geboren worden, die kunnen en behoren – op grond van de woorden in 2 Korintiërs 5 : 14-15 en 19-21! – gedoopt te worden/zijn.

Opgemerkt 2 (AJ): Het moge duidelijk zijn dat de verkondiging van Gods Woord en de bediening van Doop en Avondmaal door onze Heer toevertrouwd werd aan Zijn apostelen en (daarna) aan de gemeenten die zij zouden stichten. Daarom kan Paulus aan Timoteüs schrijven: ‘Hoewel ik hoop spoedig naar je toe te komen, schrijf ik je dit alles voor het geval ik mocht worden opgehouden. Dan weet je hoe men zich dient te gedragen in de kerk (de ‘Ecclesia’) van de levende God, die fundament en pijler van de waarheid is in deze wereld.’
En in 2 Timoteüs 2 : 2 (in feite heel hoofdstuk 2 van de brief) laat Paulus Timoteüs weten hoe de gemeenten in hun voortbestaan ‘fundament en pijler van de waarheid’ zullen blijven, namelijk door binnen de gemeente betrouwbare mensen aan te stellen, die zelf ook weer in staat zijn om anderen te onderwijzen in de leer van de apostelen. Daarbij zullen we ook in gedachten houden de waarschuwende woorden van Paulus in Galaten 1 : 8-9. Dat onderwijs moe(s)t voorkomen dat mensen op grond van bijzondere openbaringen zich zouden (gaan) presenteren als voorgangers (of zelfs apostelen, zie hierbij de woorden in 2 Korintiërs 11 : 12-15) en op grond daarvan ‘op eigen houtje’ gemeenten gaan stichten. Zulke gemeenten vallen niet binnen de ‘Ecclesia’ die gesticht werden door de apostelen en die hun voortbestaan (en ‘vermenigvuldiging’) vonden doordat men binnen de gemeenten betrouwbare mensen wist en weet aan te wijzen die in staat kunnen worden geacht om ook anderen weer te onderwijzen in wat de apostelen ons geleerd hebben.

Eerst waren jullie vervreemd van Hem en waren jullie Hem in al het kwaad dat jullie deden vijandig gezind, maar nu heeft Hij jullie door de dood van Zijn aardse lichaam met Zich verzoend – de vijandschap weggenomen – om jullie heilig, zuiver en onberispelijk bij Zich te brengen – toen jullie je lieten dopen -. Maar dan moeten jullie wel blijven geloven, onwrikbaar gegrondvest in de hoop die het Evangelie ons brengt, het Evangelie dat jullie van ons gehoord hebben en dat aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is, en waarvan (ook) ik Paulus (naast de andere apostelen), een dienaar geworden ben.’ (Uit Kolossenzen 1 : 21-23)

Bron afbeelding: Facebook (Lighthouse Mission Church)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Nog nooit een preek gehoord over Amnon en Tamar’…

‘”Zeg eens Amnon”, vroeg hij aan de koningszoon, “waarom ben je toch al dagenlang zo neerslachtig.” Amnon antwoorde: “Omdat ik verliefd ben op Tamar, de zuster van mijn broer Absalom.”‘ (Uit 2 Samuël 13 vers 4)

Geciteerd: Van Binsbergen constateert dat hij nog nooit een preek had gehoord over Tamar, of zelf over haar heeft gepreekt. ‘Ik heb moed opgevat en de overtuiging gekregen dat ik binnenkort over haar moet gaan preken. Ik ga veel bewuster de stilte over seksueel misbruik doorbreken.’ (…) Kerkenraadslid Anja van den Berg uit Zeewolde vond het een ‘eyeopener’ dat Van Binsbergen zei dat er nooit over Tamar – of over seksueel misbruik – wordt gepreekt.

Opgemerkt 1: Wij hoorden er binnen onze NGK-gemeente(n) wel over preken en ook thuis en op school werd dit Bijbelgedeelte niet overgeslagen. Wat ik eruit meenam dat is dat wij onze verliefdheid op een meisje en een meisje waarop we verliefd worden niet moeten idealiseren. Want het kan zomaar blijken hoezeer je je kunt vergissen in jezelf en in de ander. Zulk nuchter (ontnuchterend) Bijbelonderwijs hebben wij mensen broodnodig. En natuurlijk hoorden we ook waartoe koning David – ‘de man naar Gods hart‘ – in staat was gebleken en wat hij met Psalm 51 over zichzelf te belijden had en ook beleden heeft.

Opgemerkt 2: Omdat wij De Telegraaf in huis kregen – mijn vader had ‘m nodig voor z’n werk en nam die op werkdagen mee naar kantoor -, maar op zaterdag bleef de krant in huis en die spitte ik ijverig door, ook de pagina’s van Privé. Dat was ook heel leerzaam, wat stelden de mensen elkaar teleur, met name op het gebied van de liefde en de huwelijken die ze aangingen en ook weer uitmaakten. Vanwege het onderwijs van Gods Woord en vanwege de spiegel van de tijd in zo’n krant, hoefden onze ouders of de dominee ons niet aan te praten dat wij mensen zondig en egoïstisch zijn van nature en dat wij dagelijks hebben te bidden om bewaard te worden voor het kwaad.

Leestip: 2 Samuël 13.

ND Geloof – ‘In de kerk gelden strengere regels over seksueel misbruik dan daarbuiten. ‘We moeten het zuiver houden’’ – door Maaike Legemaat.

Absalom vroeg aan Tamar: “Is Amnon je te na gekomen? Zwijg dan zusje, hij is je broer; je doet er beter aan het te laten rusten.” Tamar bleef voortaan bij haar broer van het leven afgesneden. Toen koning David hoorde wat er gebeurd was werd hij woedend. Absalom sprak er niet met Amnon over, er viel tussen hen geen onvertogen woord, maar hij haatte hem omdat hij zijn zuster Tamar had onteerd.‘ (Uit 2 Samuël 13 de verzen 20-22)

Bron afbeelding: Biblehub-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over een onmogelijke mogelijkheid…

Geciteerd 1: Als je bij de Doop zegt: Jij bent een kind van God, en God is jouw Vader en het enige wat je nog kunt doen, is dat door ongeloof verwerpen als een soort onmogelijke mogelijkheid* – dat gaat mij wel te ver. (ds. W. Visscher)

Opgemerkt 1a: Wie spreekt er bij de Doop tot een kind? Is dat de predikant of belijden wij dat het God is Die daar spreekt en dat God – zoals Hij gewoon is – de waarheid spreekt. En wie zegt er bij de Doop die woorden die ds. Visscher eraan toevoegt? Heb dat zelf een predikant nog nooit horen zeggen bij een doop. Maar blijkbaar meent ds. Visscher dat hij daar alle Doopwoorden voor z’n rekening neemt, en ja als mens moet je het dan wel wat gaan nuanceren…

Opgemerkt 1b: Laten we de gelijkenis van de verloren zoon er maar bij nemen. Een kind wil afscheid nemen van z’n vader en verklaart hem in feite dood door zijn erfenis op te eisen, deze te verzilveren en daarna uit het ouderlijk huis te vertrekken. Naar zijn idee voorgoed. Doet die jongen niet aan een onmogelijke mogelijkheid? Bij zijn terugkeer blijkt dat inderdaad het geval te zijn geweest. Niet zijn vader was dood, maar de vader zegt tegen de oudste broer: ‘Je broer was dood en is weer tot leven gekomen*. Hij was verloren en is teruggevonden.’ – zie Lukas 15 het 32e vers.

Geciteerd 2: „Je schrijft op bladzijde 379: „We voeden onze kinderen op in de werkelijkheid van Gods verbond. Wij prenten hen in dat ze niet bij de ongelovigen worden gerekend, maar bij het volk van God.” Dat vind ik erg massief. Waar is hier de notie gebleven dat er een wonder moet gebeuren in ons leven? (ds. W. Visscher)
Opgemerkt: De Doop die een kind als bad van de wedergeboorte overkomen is, dat is een wonder in het leven van dat kind en dat wonder heeft God willen bewerken door dat kind in het midden van Christus’ gemeente geboren te laten worden en door het Evangelie aan hem of haar te laten bevestigen door het doopwater en de woorden die daarbij worden gesproken.

* Is een wonder dan niet voor gelovigen een onmogelijke mogelijkheid?

Leestip: Lukas 15.

Bron citaat: RD – ‘Is een nieuw hart nodig? Ds. Visscher en prof. Van Vlastuin „op het scherp van de snede” in gesprek over de doop’ – door Kees van den Brink en Ruben Bolier.

Bron afbeelding: Anton Dommerholt voor RD

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘In die zin voel ik me Joods’?

‘Nee, ik ben stil geworden,
ik heb mijn ziel tot rust gebracht.
Als een kind op de arm van zijn moeder,
als een kind is mijn ziel in mij.’
(Woorden van David in Psalm 131)

Geciteerd 1: „Dat weet ik (1) niet. Het beschrijven van die God vind ik heel ingewikkeld, ook in die zin voel ik me joods. Tot Wie bid je? Tot Wie richt je je dankbaarheid? Aan Wie vraag je bescherming? Is dat een Wie? Dat vind ik heel moeilijk. Ik denk dat je mij stil krijgt met die vraag.” (…) Het concept van Jezus heb ik sowieso altijd ingewikkeld gevonden. Ik snap niet dat God niet genoeg is. In die zin kijk ik meer op een joodse manier naar God dan op een christelijke. Doe mij maar alleen God, daar kan ik meer mee.”

Opgemerkt 1: Wisten Abraham en Mozes niet met en tot Wie zij spraken. Wist David en de andere Psalmdichters het niet? (2) Voelden de apostelen zich na Jezus’ hemelvaart ineens een stuk minder Joods? Maar waarom citeerde Petrus dan zoveel Psalmen in zijn Pinksterpreek te Jeruzalem? En waarom noemde Johannes Mozes toen Hij juichte in Johannes 1 over de Godsopenbaring van het Woord in en door Jezus Christus onze Heer? En waarom kan Paulus woorden van Mozes aanhalen in Romeinen 10. Leest en herleest deze psychiater zelf ook altijd weer heel de Bijbel (OT en NT) of verneemt ze vooral graag de opvattingen van in haar ogen geleerde predikanten, theologen en filosofen? Daar heeft de Bijbel niet zoveel mee op…

Geciteerd 2: Bij het grote publiek is Esther van Fenema vooral bekend vanwege haar boeken. In haar recente publicaties analyseert ze de problemen van de huidige samenleving. Zo schetst ze in ”Het verlaten individu” aan de hand van zeven hoofdzonden hoe het individu zelf god geworden is en geluk tot het hoogste doel heeft gesteld. Streven naar geluk is volgens Van Fenema ongezond en leidt tot individualisme. Dat is volgens de psychiater een van de grootste problemen van deze tijd.

Opgemerkt 2: Ja, zelfs mijn echtgenote werd in onze gemeente ondersteund in dat haar eigen geluk tot hoogste doel verheffen. Daar kon de christelijke huwelijksliefde en huwelijkstrouw voor opzij worden gezet, vond men. En wat de waarheid was van wat er allemaal beweerd werd? Ach, ook daarbij gold de Pilatusvraag voor hen: ‘wat is waarheid’? Het diende hun belang niet.

Geciteerd 3: Ik kan geen psychiater zijn als ik tegelijk ook rechter moet zijn. In mijn opvoeding was het allemaal behoorlijk zwart-wit, goed of slecht. Een van mijn grootste drijfveren is om me daaraan te ontworstelen, omdat dit denken voor mijn gevoel altijd samenhing met een gevoel van uitsluiting. Ik voelde me buitengesloten, want met mijn temperament zat ik vaak aan de verkeerde kant. Dat komt in het gereformeerde verhaal ook sterk naar voren: you’re in or you’re out (je hoort erbij of niet). Dat is op zich goed, want zo houd je een groep bij elkaar. Maar voor individuen die net aan de verkeerde kant zitten, kan dat heel traumatiserend zijn.” (…) Maar we hebben (tegenwoordig. AJ) wel veel wetenschappelijk onderzoek dat laat zien dat we sociale wezens zijn en dat we behoefte hebben aan verbinding met elkaar. Dan is de vraag: hoe gaan we die verbinding vormgeven op een manier die past bij deze tijd? Voor dat nieuwe –of oude– verhaal zijn twee bouwstenen belangrijk: traditie en transcendentie. Transcendentie is iets wat ons overstijgt. Of dat nu weer het verhaal van de kerk moet zijn, dat vind ik nog een beetje te vroeg om te zeggen.”

Opgemerkt 3: Dat wij ‘gereformeerde mensen’ de boel bij elkaar moeten houden – hoe dan ook – dat zit sinds de synode van Dordt in de ‘gereformeerde genen’ ingebakken. En latere kringen van gereformeerden hebben in afgelopen eeuwen elk zo hun eigen gedachten ontwikkeld over hoe dat dan op de een of andere manier – meer of minder orthodox en later ook meer of minder evangelisch – in praktijk moest of moet worden gebracht.

Geciteerd 4: In de afgelopen vier jaar schreef ik ”De leegte voorbij” met predikant Joost Röselaers, waarvoor we gesprekken voerden met allerlei denkers. Theoloog Stefan Paas haalde de zogenaamde tweede naïviteit aan: dat het allemaal niet zoveel uitmaakt hoe het zit, maar dat het prettig kan zijn, of wezenlijk, om je te richten op het transcendente, op een God. Dat vond ik een eyeopener. Die ontdekking in combinatie met het feit dat ik bepaalde dingen erg miste, maakt dat ik nu mijn geloof op een eigen manier weer vorm heb kunnen geven. Daar ben ik dankbaar voor.”
Opgemerkt 4: Kijk, goed leren luisteren naar Gods Woord dat maakt niet zoveel uit, we moeten het zelf op een eigen manier vorm zien te geven…

Leestip: Romeinen 9 vanaf vers 30 t/m Romeinen 11 (en t/m 13 is nog beter en uitlezen mag ook) en besef dat niet de een of andere knappe theoloog, maar dat de Heilige Geest ons niet alleen wil helpen om dit (eenvoudige) Evangelie gelovig aan te nemen, maar ook om het in praktijk te brengen.

(1) Ze is zonder twijfel de bekendste vrouwelijke psychiater van Nederland. Esther van Fenema was al jong gefascineerd door het menselijk brein. Ze verloor het kinderlijke geloof van haar jeugd, maar voelt zich op een nieuwe manier verbonden met datgene wat zij God noemt.

Bron citaten: RD Mens & samenleving | Het gesprek – ‘Psychiater Esther van Fenema: Ik vind dat psychiaters wel erg op de kansel zijn gaan staan’ – door Mirjam van der Sleen.

En over de rechtvaardigheid die op grond van het geloof geschonken wordt staat geschreven: “Zeg niet bij jezelf: Wie zal opstijgen naar de hemel (om ons een beeld van God te kunnen vormen) – en dat betekent: Wie zal Christus (want Hij is het beeld van God) naar beneden brengen? Of: “Wie zal afdalen naar de onderwereld?”en dat betekent: Christus bij de doden vandaan naar boven brengen? (Ook het dodenrijk ligt buiten onze horizon). Maar vervolgens zegt Mozes: “Het Woord is dicht bij jullie, in jullie mond en in jullie hart” – en dat betekent: de boodschap van het geloof (van het Evangelie) die wij verkondigen – die klinkt uit onze mond en die ook op schrift werd gesteld, is dicht bij jullie.’ (2) (Uit Romeinen 10 uit de verzen 1-21 : 6-8)

(2) Het Woord van God was dichtbij voor hen (Psalm 139!) en het is dichtbij voor ons door de Heilige Geest.

Maar hoe kunnen ze Hem aanroepen als ze niet in Hem geloven? En hoe kunnen ze in Hem geloven als ze niet over Hem gehoord hebben? En hoe kan iemand verkondigen als Hij niet gezonden is. Het is zoals geschreven staat: “Welkom zijn zij die goed nieuws verkondigen.”‘ (Uit Romeinen 10 uit de verzen 14-21 : 14-15)

Bron afbeelding: Biblia-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Waarom zullen wij ons inspannen een rein leven leiden?

En reinig jullie zielen (1) in gehoorzaamheid aan de waarheid, door de Geest, tot ongeveinsde broederliefde, en heb elkaar onderling vurig lief uit een rein hart.’ (Uit 1 Petrus 1 vers 22)

Geciteerd: Petrus wil ons hier zeggen: als je rein wilt leven, moet je de ‘gehoorzaamheid aan de waarheid, door de Geest (leren) verstáán – dat is: je moet het Woord van God niet alleen lezen en horen maar de Heilige Geest moet (gelegenheid krijgen om) het in je hart te schrijven, enzovoort. Daarom is het niet genoeg dat je een enkele keer het Evangelie hoort of preekt, maar je moet er voor jezelf en anderen altijd de nadruk op leggen, en jezelf en anderen er ook toe aansporen en aanzetten (2), want deze genade vind je alleen in het Woord. Hoe meer je met het Woord omgaat, hoe zoeter het wordt. Hoewel er geen andere leer te vinden is dan die (eenvoudige leer) van het geloof, krijg je er toch nooit genoeg van (en heb je het ook altijd weer nodig!) om ernaar te luisteren.

Waartoe zullen wij ons inspannen om een rein leven te leiden? Omdat we daardoor zalig worden? Nee, maar omdat we daardoor onze naasten (zullen) dienen. Wat moet ik doen om mijn zonden tegen te gaan? Ik moet de gehoorzaamheid aan de waarheid (leren) verstaan door de Heilige Geest, dat is: door het geloof in Gods Woord. Waarom verzetten wij ons tegen alle onreinheid? Omdat wij door dit te doen nuttig zullen zijn voor onszelf en voor elkaar en in alle samenleving met andere mensen. Want wanneer wij ons in lichaam en vlees en daarmee (of allereerst) ook geestelijk onderwerpen aan [=laten leiden door] de Geest, pas dan kunnen en zullen wij ook nuttig zijn voor het welzijn van onze medemensen. (3)

[Maarten Luther: Epistel S. Petri gepredigt und ausgelegt, vgl. WA 12, 294 ff (1523) en W(2) 1158ff (1539), selecties]

(1) Dat is: reinig je in heel je menszijn, zowel fysiek als geestelijk.
(2) Lees waartoe Paulus de voorgangers Timoteüs en Titus toe aanspoort in zijn brieven aan hen!
(3) Dan vliegen wij elkaar niet uit afgunst naar de keel, maar zijn we elkaar tot zegen: Lees Galaten 5 : 15-26 en 1 Petrus 4 : 7-19.

Lees ook: ‘Over God en onze naasten liefhebben…

Bron citaat: ‘Als goud door vuur beproefd – Korte verklaring van de eerste brief van de apostel Petrus in 60 overdenkingen’ – samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Den Hertog uitgeverij (2020)

Houd Jezus Christus in gedachten, uit het geslacht van David, Die uit de dood is opgewekt. Dit heb ik verkondigd, daarom heb ik veel te verduren en ben ik zelfs als een misdadiger gevangengezet. Maar het Woord van God laat zich niet gevangenzetten (zelfs niet door de dood); daarom verdraag ik alles omwille van de uitverkorenen, opdat ook zij in Christus Jezus gered worden en eeuwige luister ontvangen. Deze boodschap is betrouwbaar (en alle aanneming en verkondiging waard, zie ook Titus 3 : 8): Als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven; als wij volharden, zullen we ook met Hem heersen; als wij Hem verloochenen zal Hij ook ons verloochenen; als wij Hem ontrouw zijn, blijft Hij ons trouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet.’ (Uit 2 Timoteüs 2 uit de verzen 1-15 : 8-13)

Bron afbeelding: Facebook – Barataria Church

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over God en onze naasten liefhebben…

Nu jullie gehoorzaam zijn aan de waarheid, is jullie hart gelouterd (1) en kunnen jullie oprecht van je broeders en zusters houden; heb elkaar dan ook onvoorwaardelijk lief, met een zuiver hart (1), als mensen die opnieuw zijn geboren, niet uit vergankelijk zaad maar uit onvergankelijk Zaad (2), het levende en altijd blijvende Woord (3) van God.’ (Uit 1 Petrus 1 de verzen 18-25 : 22-23)
(1) Zie 1 Petrus 1 : 6-7.
(2) Zie Galaten 3 : 15-18.
(3) Zie Johannes 1 : 1-5.

Geciteerd: De apostelen scheiden de liefde tot de broeders en zusters [onze medechristenen] én de liefde tot de naasten in het algemeen. De ware broederschap is dat alle christenen tezamen broeders en zusters zijn, zonder daarin onderscheidingen aan te brengen. Want aangezien wij allen tezamen één Christus hebben, één Doop, één Geloof en één Erfenis – dan ben ik niet beter dan jij, en jij bent niet beter dan ik! Wat jij hebt, heb ik niet minder, ik ben net zo rijk als jij. De schat is gelijk. Daarom, zoals wij de genade van Christus gezamenlijk hebben, zo moeten wij ook lichaam en leven, goed en eer gezamenlijk hebben, zodat de één de ander met alle dingen (gaven) kan dienen.
Want Christus kan geen ‘onderscheidingen’ verdragen. Hij wil geen andere dan ‘die ene algemene christelijke broederschap’ hebben, die wij ook allen met elkaar hebben. Kom nu maar hier, jij dwaas, wil jij een eigen ‘broederschapje’ oprichten? Dit zou ik trouwens nog wel toelaten dat men zulke ‘broederschappen’ opricht, niet om daarmee de zaligheid veilig te stellen, maar opdat enige broeders overeenkomen en het erop toeleggen om geld bij elkaar te verzamelen, zodat daarvan de arme mensen die het nodig hebben geholpen zouden kunnen worden.
Op deze manier hebben wij allen ook één ‘broederschap’ in de Doop ontvangen, daarin (of daarmee) heeft geen enkele heilige meer gekregen (of zich toegeëigend) dan ik en jij. Want juist zo duur al hij of zij gekocht is, zo duur ben ik ook gekocht (1 Petrus 1 : 18-19). God heeft evenveel aan mij besteed als aan de grootste heilige die ooit geleefd heeft.

Liefde echter is meer dan broederschap, want liefde gaat ook uit naar de ons vijandig gezinde naaste (binnen of buiten de christelijke broederschap), dus wel bijzonder naar hen die onze liefde (o.i.) niet waard zijn. Want zoals het geloof zijn werk doet waar het niets ziet, zo moet ook de liefde haar werk dáár het meeste doen, waar niets liefelijks te zien is of schijnt te zijn, maar slechts boosheid en vijandschap. (4) En dat zal dan ook nog moeten gebeuren met een hart dat brandt van liefde (5). Of zoals Petrus het zegt: met vurige liefde uit een rein hart. Net zoals God ons heeft liefgehad, terwijl we Zijn liefde in het minst hadden verdiend (6).
[Maarten Luther: Epistel S. Petri gepredigt und ausgelegt, vgl. WA 12, 294 ff (1523) en W(2) 1158ff (1539), selecties]

(4) Hadden ze/we Maarten Luther z’n boekje tegen de Joden niet altijd weer zullen weerspreken met deze woorden, die toch echt door hemzelf geschreven zijn!
(5) Zie Lukas 23 : 34 en Handelingen 7 : 60.
(6) Zie Titus 3 : 3-7.

Zie ook nog deze blog(s): ‘Die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn…

Bron citaat: ‘Als goud door vuur beproefd – Korte verklaring van de eerste brief van de apostel Petrus in 60 overdenkingen’ – samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Den Hertog uitgeverij (2020)

Jullie weten immers dat jullie niet met zoiets vergankelijks als zilver of goud zijn vrijgekocht uit het zinloze leven dat jullie van je voorouders hadden geërfd, maar met het kostbaar bloed, van een lam zonder smet of gebrek, van Christus. Al voor de grondvesting van de wereld is Hij door God uitgekozen, en nu is Hij aan het einde van de tijd verschenen omwille van jullie.’ (Uit 1 Petrus 1 de verzen 13-25 : 18-20)

Bron afbeelding: hisdearlyloved-daughter-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn’…

En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn.’ (Uit Romeinen 8 vers 28) *

* Voor degenen die vooral nadruk gelegd willen zien op dat ‘voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn‘ zie mijn ‘Opgemerkt’ onderaan.

Geciteerd: Bovenstaande tekst is een persoonlijke belofte die God geeft aan alle mensen die Hem liefhebben. Je mag weten dat God al de dingen die ons overkomen kan doen medewerken ten goede. Het gaat dus niet over het hele wereldgebeuren, maar het geldt voor de individuele gelovige.
Deze belofte is zo mooi en indrukwekkend dat je het bijna niet kunt geloven. Is het echt waar? Kan God alle dingen: mijn zonden, mijn fouten, de dingen die mij aangedaan zijn, doen meewerken (samenwerken staat er letterlijk) ten goede? Wij kunnen dit niet altijd verklaren, of begrijpen, maar mogen vertrouwen op de almacht en de liefde van God. Of is er nog iets dat ons kan helpen of bemoedigen? We kunnen onderzoeken hoe deze belofte heeft gefunctioneerd in het leven van de eerste christenen.
Allereerst Paulus zelf. Van hem krijgen we – nee: horen we! (AJ) – deze belofte. Hij heeft persoonlijk veel lijden doorgemaakt. Voordat hij christen werd, liet hij christenen arresteren, meesleuren uit hun huizen en opsluiten. Hij keurde de dood van Stefanus goed. Het zou een reden zijn om de rest van zijn leven hieronder gebukt te gaan. Hij draagt een doorn in het vlees met zich mee (wat dat precies is weten we niet). Hij heeft veel in de gevangenis gezeten, is een keer gestenigd en heeft 5 keer 39 zweepslagen gekregen. Hij is drie keer gegeseld en heeft 3 keer schipbreuk geleden. Hij weet wat lijden is, maar toch zegt hij dat hij mag weten dat God al deze dingen kan doen medewerken ten goede.
Hoe hebben de eerste christenen dit ervaren? Zij moesten al vroeg getuigen van hun geloof. Het woord getuigen komt van het Griekse woord marturio. (1) ‘Ons woord martelen’ en ‘martelaar’ is hiervan afgeleid. Gemarteld worden was namelijk vaak het gevolg wanneer je ging geloven in Jezus Christus. Tijdens deze vervolging van de vroege kerk, ontstond al snel de oudste belijdenis van de kerk: de apostolische geloofsbelijdenis. De eerste christenen gaven daarin kort weer wat voor hen de kern van het geloof was en er staat geen woord teveel in. Of misschien toch wel. In deze belijdenis wordt namelijk iets twee keer beleden. Aan het begin wordt beleden: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige. Tegen alle omstandigheden in wordt uitgesproken dat God Almachtig is en dat Hij een Vader is. Een goede Vader, Die houdt van Zijn kinderen. Daarna komt deze zinsnede nóg een keer voor. Het gedeelte over Jezus eindigt met: “…en zit aan de rechterhand van God, de Almachtige Vader”.
Waarom wordt het nog een keer herhaald? De eerste christenen werden gemarteld. Ze werden gedood, omdat ze geloofden in Jezus. Ze werden uit hun huizen gehaald en verloren hun bezittingen en hun positie in de samenleving. Ze wisten wat lijden was. Hun tegenstanders zullen aan hen gevraagd hebben: Waar is nu die God van jullie? Jullie belijden dat Hij almachtig is en van jullie houdt? Dat Hij liefde is? Maar kijk eens hoe je er aan toe bent? Waarom doet Hij niets? (2)
En dan beleden de eerste christenen tot twee keer toe, datgene wat in twijfel werd getrokken: Wij geloven in God. En Hij is almachtig. En Hij is een Vader.
Diezelfde God wil ook aanwezig zijn in ons leven. En voor ons geldt ook die belofte. Hij kan alle dingen doen medewerken ten goede. Het is begrijpelijk dat we dat niet altijd zo ervaren, zeker niet wanneer je in groot verdriet zit. Maar Hij is God en geeft ons deze belofte. We mogen erop vertrouwen. Want Hij is almachtig en liefdevol als een goede vader. (3)

(1) Het gaat dus om een ander soort getuigen en getuigenis dan dat van de apostelen. Die moesten oor- en ooggetuigen zijn van onze Heer.
(2) We horen de Psalmisten ook al over dat soort vragen van hun vijandig gezinde volksgenoten…
(3) We mogen het nog krachtiger zeggen: Diezelfde God is ook zo aanwezig in ons leven, want voor ons geldt ook die belofte. Hij zal alle dingen doen medewerken ten goede. Ook wanneer we het niet zo ervaren, zullen we dat toch (blijven) belijden. Want God Zelf geeft ons deze belofte als een Almachtig God (voor Wie niets onmogelijk is!) en als een liefdevol Vader. Zie verder de opmerkingen hieronder.

Opgemerkt: Voor hen, die vanuit hun kerkelijke achtergrond en opvoeding moeite hebben met de woorden ‘voor hen namelijk die overeenkomstig zijn voornemen geroepen zijn’, en zich afvragen kan ik mij onder die geroepenen scharen, zullen we hen en elkaar toch altijd weer hebben te wijzen op de Doop die ons overkomen is toen wij als kind gedoopt werden of die wij als volwassene ondergingen toen we het Evangelie gehoord hadden en hoorden dat we dan ook gedoopt behoren te zijn als lid van Christus’ gemeente hier op aarde. De leden van al de heidengemeenten die van de apostelen het Evangelie hoorden en zich lieten dopen, daarvan moeten we zeggen dat de Doop en ook de Evangelieverkondiging hen overkomen was. Zij hadden niet de apostelen uitgenodigd om hen eens over die nieuwe godsdienst/leer van hen te komen vertellen, nee de apostelen waren zomaar in hun stad verschenen en hadden hen daar het Evangelie verkondigd en daarbij gezegd dat ze zich moesten bekeren en zich laten dopen. Denk maar aan de gevangenbewaarder, hoe hij en zijn huis gedoopt werden. Denk ook aan hoe Paulus de dopelingen in de gemeente van de Korintiërs aanspreekt. Zij moesten beslist niet menen dat zij door de indrukwekkende redevoeringen van Paulus en z’n medewerkers tot het geloof waren bewogen, ook moesten ze niet menen dat zij op grond van een weloverwogen beslissing en met goede kennis van wat het Evangelie inhield besloten hadden om het Evangelie aan te nemen en om zich bij de/een gestichte gemeente van onze Heer aan te sluiten. Het vaste bewijs van hun roeping hadden ze ook niet uit hun geloofsbeslissing (of hartsbesluit) af te leiden (denk maar weer aan de Doop van de gevangenbewaarder en heel zijn huis), maar die was hen geschonken bij en door hun Doop. Hun Doop daar was niets toevalligs aan, want God had reeds lang tevoren besloten dat Hij hen die Doop zou laten overkomen en vanwege die Doop mochten ze ook zeker weten dat hen de Heilige Geest geschonken was en ook bij hen zou blijven. Zelfs voor de apostel Paulus lag het niet anders. Dat hij een kind van God was, dat wist hij vanwege zijn Doop. Niet vanwege zijn bijzondere roeping op de weg naar Damascus. Als God Ananias niet de opdracht gegeven had om naar Paulus te gaan en om hem ook te dopen (zie Handelingen 22 : 12-16), dan was zijn roeping niet bevestigd geworden en had hij ook geen zekerheid ontvangen over of ook aan Hem de Heilige Geest geschonken was en voortaan bij Hem zou blijven. Natuurlijk gold ook voor Paulus – net als voor alle gedoopten – dat we dan wel moeten blijven geloven (4) en de Heilige Geest door ons doen en laten niet bedroeven. Paulus geeft daar ook regelmatig blijk van, dat ook hij de goede strijd moet blijven strijden tot aan het eind van zijn leven. Aan het slot van zijn tweede brief hoor je de vreugde doorklinken in zijn woorden, namelijk dat hij die goede strijd tot dan toe (steeds weer) gestreden heeft en dat hij kan zeggen dat hij zijn wedloop inmiddels heeft volbracht en mag uitzien naar de krans van de gerechtigheid, die de Heer als rechtvaardige Rechter aan hem zal uitreiken en dat zal dan gebeuren samen met allen die naar Zijn komst hebben uitgezien – lees het na in 2 Timoteüs 4 : 6-18.

(4) Zie o.a. Kolossenzen 1 : 21-23.

Lees hierbij ook nog deze blog: ‘Christus belichaamt het ja van God...’

Bron citaat: Ecclesia nr 4, februari 2026 – ‘Meditatie ‘De almacht en liefde van God’ – door M. Dubbelman, Hardinxveld-Giessendam

Want Gods bedoeling met ons is niet dat wij veroordeeld worden, maar dat wij gered worden door onze Heer Jezus Christus. Hij is voor ons gestorven opdat wij, of we nu op aarde zijn of gestorven zijn, samen met Hem zullen leven. Dus bemoedig en vertroost elkaar en wees elkaar tot voorbeeld, zoals jullie trouwens ook al doen.‘ (Uit 1 Tessalonicenzen 5 uit de verzen 9-28 : 9-11)

Bron afbeelding: Dr. J’s Apothecary Shoppe – WordPress.com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Christus belichaamt het ja van God…

Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de wereld onbeduidend is en veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen. Door Hem zijn jullie één met Christus, die dankzij God onze wijsheid is geworden. Door Christus worden wij rechtvaardig en heilig en door Hem worden wij verlost, opdat het zal zijn zoals geschreven staat: “Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij of zij zich op de Heer beroemen‘ (Uit 1 Korintiërs 1 uit de verzen 18-31 : 27-31)

Als je dat mag zien ben je een dankbaar mens‘ *

Geciteerd: Maar ik durf eigenlijk ook niet van dieptepunten in mijn leven te spreken. Als ik niet zo mishandeld was in mijn jeugd vanwege mijn Bijbellezen, of als mijn huwelijk anders was gelopen, hoe zou het dan zijn gegaan? Ik weet wel: als de Heere wil, trekt Hij je altijd. Maar in mijn leven hebben de dieptepunten wel veel goeds uitgewerkt. Ze hebben geleid tot het hoogtepunt dat ik bij de Heere gebracht ben.

En ik heb nog zoveel meer teruggekregen. De Heere doet nooit half werk, niet in de bekering (1), maar ook niet in praktische zaken. Hij doet altijd meer en beter dan je vraagt. Als je dat mag zien, ben je een dankbaar mens. Ik ben in de ban gedaan door de Rooms-Katholieke Kerk en daardoor uit mijn familie gestoten, maar heb een pleegmoeder teruggekregen en een volwaardige plaats in mijn schoonfamilie, ik heb veel vrienden en contacten. Daar heeft Hij in voorzien, zo zorgt Hij. Vanmorgen zag ik nog een merel die aan de gang ging voor zijn nest, en hier naast de deur zag ik sneeuwklokjes omhoogkomen. Heere, gaat u nu het gelaat des aardrijks weer vernieuwen, dacht ik. Ondanks de rommel die wij ervan maken, geeft Hij toch weer een nieuwe lente. Dat de Heere nog een plan met deze aarde heeft, dat is me tot grote verwondering.”

* Meer dan de helft van haar leven zit Emhe van Duin (76) uit Dirksland al in een rolstoel. Door haar ziekte (Multiple sclerose) kon ze slechts korte tijd als arts werkzaam zijn. Desondanks zou ze haar leven niet anders gewild hebben. „De Heere doet altijd meer en beter dan je vraagt. Als je dat mag zien, ben je een dankbaar mens.”

(1) Bekering niet opgevat als iets waarvan je maar moet afwachten of het je nog eens gegeven wordt, maar iets waarvan we zeker mogen weten/zijn dat God ons dat schenken wil en schenken zal, dan is er niet meer dan geloofsvertrouwen nodig, en dat werd/wordt ons vast en zeker toegezegd bij de Doop, want de Heilige Geest zal Zelf dat nodige geloofsvertrouwen in ons werken. We staan daarmee dus op het Fundament van het Evangelie: Jezus Christus Zelf – zie 2 Korintiërs 1 : 18-22! En lees 1 Korintiërs 3 geschreven aan zuigelingen in het geloof.

Zie ook deze blog: ‘Die volgens Zijn voornemen geroepen zijn...’

Bron citaat: RD Samenleving | Het gesprek – ‘Emhe van Duin is Joods én refo: „Een deel van mijn geloofsleven is misschien anders”’ – door Betsy Biemond-Boer

Zo waar God trouw is, wanneer ik ja tegen jullie zeg bedoel ik ook ja, niet nee. De Zoon van God, Jezus Christus, Die wij, Silvanus, Timoteüs en ik, aan jullie verkondigd hebben, was immers ook niet iemand die ja zei en nee bedoelde. Hij belichaamt het ja. In Hem worden alle beloften van God ingelost; en daarom is het ook door Hem dat we amen zeggen, tot Gods eer. Het is God Die jullie en ons Christus als Fundament geeft, Die ons allen heeft gezalfd, heeft gewaarmerkt als Zijn eigendom en als voorschot ons de Geest gegeven heeft.‘ (Uit 2 Korintiërs 1 uit de verzen 12-24 : 18-22)

Bron afbeelding: Emhe van Duin – beeld Cees van der Wal

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wat de inspecteur veronderstelde…

De inspecteur begon met te veronderstellen dat ik een soort monster was‘ *

Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.’ (Uit Johannes 10 vers 27)

Geciteerd uit het ND-artikel over schoolmeester Theo Thijssen en zijn boek ‘De gelukkige klas’:

> Een ander fenomeen van de huidige tijd is de neiging vrij snel een etiket op leerlingen te plakken: ADHD, autisme, dyslexie et cetera. Om daarna de hulptroepen in te schakelen omdat er ‘iets mis is met dit kind’.
Natuurlijk kan dit zinvol zijn, maar Thijssen had daar ook zo zijn ideeën over: ‘Van kinderen die je alle dagen voor je hebt, verdwijnt de merkwaardigheid – tenzij je zover van hen raakt, dat je jezelf merkwaardig gaat vinden.’ (of: niet meer jezelf ook altijd nog merkwaardig blijft vinden).
Kortom: kijk (en luister) eerst goed naar een kind en vraag je allereerst af: wat kan ík betekenen voor deze leerling?

> Scholen komen vaak met het argument: ‘Dat moet van de inspectie of het bestuur.’ Thijssen wist honderd jaar geleden al raad met de onderwijsinspecteur: ‘Hij begint met te onderstellen dat ik een soort monster ben; een onderwijzer die zijn eigen klas, de kinderen waar ‘ie dag-aan-dag mee verkeert, kalmweg tekort doet.’

> Thijssen lapte dan ook regelmatig het rooster aan zijn laars omdat hij vond dat er andere dingen op dat moment belangrijker waren. En telkens weer lees je bij hem dat hij vooral wil dat kinderen zich prettig voelen in zijn klas.
En dat moet volgens mij nog steeds de basis zijn: zorg eerst dat een kind zich gezien weet en kom dan pas aan met je staartdelingen of je stam+t.
Of zoals Thijssen zijn boek eindigt: ‘M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaren of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren we enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik jullie dat nooit zeggen.’

* Vraag: Maar wat als broeders van het pastoraat je zo willen kwalificeren en de veronderstelling al voorbij zijn?

Opgemerkt n.a.v. het artikel:

> Wat hier in dit artikel geschreven staat, dat is toch werkelijk altijd mijn verlangen en streven geweest voor/binnen ons huwelijk en gezin!
Veel had ik daarover al geleerd vanuit het werk van mijn grootvader, die dat streven ook had en ook op zijn school en in de klassen waaraan hij les gaf dat in praktijk bracht en daarover schreef om ook anderen te motiveren ‘de ander’ te zien omdat wij ons door ‘dé Ander’ gezien en geliefd weten, wie en hoe we ook zijn wat aanleg en vaardigheden en tekortkomingen en eigenaardigheden betreft.
In het ouderlijk huis kregen wij ook de vrijheid om onze hobby’s (natuurliefde, voetbal, later ook m.n. vogelexcursies en vogelfotografie) te beoefenen. Wij hadden als opgroeiende kinderen een heerlijk thuis!

> Dat ik na de lerarenopleiding en drie jaar vormingswerk (1) niet aarden kond in het systeem van lesgeven en leerlingen toetsen het middelbaar onderwijs (gaf twee jaar biologie en aardrijkskundeles aan het JFC in Barneveld) had met name toch te maken met mijn overgevoeligheid en overprikkeling in en door de overvolle klassen, waardoor ik het zicht op de individuele leerlingen niet had en kreeg en daardoor ook mezelf en de leerlingen niet voldoende structuur kon bieden. Had altijd moeite om eraan te denken op tijd het vervolg huiswerk op te geven en om na vertrek van de leerlingen weer helder gereed te staan om de volgende overvolle klas te verwelkomen, te overzien (te zien/herinneren wie er nog wat moest inleveren, als ik het al tijdig genoteerd had, etc.) en om de te presenteren lesstof paraat te hebben en die hen op een aantrekkelijke manier voor te schotelen. (2)
Overgevoeligheid en overprikkeling en dat dag in en dag uit, het was maar goed dat ik mezelf niet belangrijk vond en mezelf en de leerlingen toch met (zelf)relativering en humor bleef bezien en dat ik thuis mijn moeiten en gebreken niet af reageerde op Yvonne en de kinderen! Integendeel zelfs, ze gaven mij vreugde en een gezonde en plezierige afleiding. En de rust die ik nodig had, die zocht ik in de natuur door veel te fietsen en te wandelen en door me daar te ontspannen, maar dat deed ik op momenten dat ons gezin dat ook hebben kon…

(1) Het vormingswerk in Rijssen was voor mij twee vliegen in één klap: We konden weg uit de drukke randstad en ik hoefde geen leraar te zijn met ieder uur weer een andere klas vol leerlingen. Als vormingsleiders maakten we veel gebruik van gastdocenten en hadden we iedere woensdag geen jongeren in huis, maar tijd om onze ‘programma’s’ voor te bereiden. Voor mij een goede plek om te beginnen en die eerste jaren als beginnend ‘werknemer/kostwinner’ te overleven. Toch was/bleek mij ook toen al duidelijk dat ik niet voor het ‘groepsleiderschap’ geboren was. Een hele groep mensen voor of bij me hebben, dat bleef een grote moeite voor me en dat is nog altijd zo!
(2) Na twee jaar aan het JFC besloot ik dan ook tot ontslag nemen en dat ondanks kostwinnerschap voor huwelijk en gezin met vier kinderen en ondanks dat het bestuur me ook nog weer een derde jaar wilde gunnen. Het bestuur gaf me toen ‘eervol’ ontslag om mij de WW-uitkering niet te laten ontlopen.

Bron citaat: ND Opinie – ‘Een leraar moet eerst het kind zien. Daarna komen de staartdelingen wel’ – door Jacques Vriens (oud-basisschooldirecteur en kinderboekenschrijver)

Welke vader onder jullie zou zijn kind als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven. Of een schorpioen als het om een ei vraagt? Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de Heilige Geest geven aan wie Hem daarom vragen.‘ (Uit Lukas 11 uit de verzen 1-13 : 11-13)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wij kennen Christus uit en door de verkondiging!

Niemand heeft ooit God gezien: de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verkondigd.‘ (Uit Johannes 1 vers 18, weergave DB 1545)

Geciteerd: Wij zijn zo afschuwelijk verdorven door de zonde, dat wij niet alleen niets meer weten van onze oorspronkelijke kennis van God, maar ook zijn afgeweken van de gerechtigheid der wet en vervallen zijn tot leugen. Toch hebben wij met eigen verzonnen werken God willen verzoenen. Evenwel kent het verstand God uit de wet van Mozes, zoals wij lezen in de brief aan de Romeinen (1:19 en 32). Maar wat het Evangelie betreft, weet het verstand niets van God. Want dit is een nieuwe openbaring uit de hemel, die ons niet alleen met de Tien Geboden bekendmaakt, maar ook laat weten dat wij mensen allen in zonde ontvangen zijn en verloren gaan; dat er niemand is die de wet houdt, maar dat wie zalig wil worden, dit alleen kan door de genade en waarheid van Jezus Christus.

Hier is de afgrond van Zijn natuur en van Zijn Goddelijke wil. Daarnaar moet ieder zich weten te voegen, wie hij ook zij – of hij zich nu aan Mozes houdt, of verdronken ligt in zijn eigen gerechtigheid – dat er buiten Christus geen zaligheid is en geen kennis van God. Niemand betekent iets voor God, tenzij hij zich onderwerpt aan de genade en waarheid van de Zoon. Deze kennis is voor het verstand verborgen. Zelfs vandaag nog zijn de werkheiligen en allen die tot hen behoren daarvan onwetend. Ik moet tot Christus komen, mij onder Hem verbergen (o.a. Mattheüs 23:37), ja, tot Hem kruipen, en alles voor tijd en eeuwigheid verkrijgen door Zijn genade en waarheid (v.17).

Adam heeft na de val God gekend door de Zoon, evenals alle aartsvaders en profeten. Zij hoopten op de komende en beloofde Messias (Genesis 3:15). Door Hem ontvingen zij genade bij God. Zij bleven niet bij de wet staan, maar zagen in geloof uit naar Christus. Want toen zij zich ervan bewust werden dat zij de wet niet volkomen konden houden, is Christus tot hun bedroefde en bevreesde harten gekomen en heeft Hij hun de genade en wil van de Vader verkondigd: dat Hij, de Zoon, voor hen uit een maagd als Mens geboren zou worden en voor hen zou sterven. Daarom zeggen wij: niemand kan God zien, niet door de wet en niet door het verstand. Niemand heeft dat kunnen uitdenken of is met zijn verstand zo hoog opgeklommen. Het is voor ons te hoog. Er staat niet: die uit bloed [of iets dat uit de mens is], maar: ‘Die uit God geboren zijn’ (v.13).

Vanwaar komt de kennis van de God der genade en waarheid? Zij wordt gegeven door de eniggeboren Zoon van God. De Zoon van God, Die ín God is en Zelf God is, is daarvoor nodig (zie o.a. Johannes 10:38; 14:10). Want Hij komt van de Vader, en Hij kent de waarheid. Verder is er geen andere leraar of prediker die in het Goddelijke wezen woont en in de schoot van de Vader is, dan deze enige Leraar: Christus. Menselijkerwijs gesproken omvat de Vader Hem met Zijn armen en drukt Hem aan Zijn hart. Hij, Die ín het Goddelijke Wezen is, daalt van de hemel tot ons af en wordt Mens.

Wie anders dan Christus had ons God kunnen openbaren? Raadpleeg alle wetboeken van de juristen, alle geschriften van de filosofen en de boeken van alle heidenen: u zult ontdekken dat zij niet verder gaan dan de kennis van God zoals die vervat is in de wet van Mozes, die gebiedt dat men niet zal stelen, geen meineed zal plegen en dat men de overheid en de ouders lief moet hebben. Dat is een eenzijdige [lett.: linkszijdige] kennis van God, waardoor men wel weet dat er een God is, maar slechts uit de wet: een God Die ons de rug toekeert.

Kijk daarom de andere kant op en zie wat het ware aangezicht van God is – wat Zijn wil is in Christus Jezus (zie 2 Korinthe 4:6). Namelijk: dat allen die zalig willen worden, moeten belijden dat zij zondaren en verdoemd zijn, en zich alleen moeten vastklampen aan Christus, Die vol van genade en waarheid is – opdat wij door Hem ook genade en waarheid verkrijgen. Want alleen in Hem wordt gezien hoe God gezind is! Wij moeten op Christus vertrouwen – dan hebben we ook de echte kennis van God.

Lees de heilige Schrift. Vanaf de dagen van Adam heeft Christus steeds de kennis van God aan de mensen geopenbaard (1). Hij is nooit opgehouden dit te prediken: dat wij door Hem genade en waarheid ontvangen – dat is: het eeuwige leven. Het was aan arme, gevallen mensen dat Christus wilde prediken, niet aan koeien en varkens. Laat daarom niemand zich beroemen op zijn kennis van God, hoe heilig het leven ook is dat hij leidt.

Ja, zelfs Mozes kon God niet zien. Toen Mozes verlangde God te mogen zien en zei: ‘Toon mij Uw aangezicht’, sprak God: ‘Indien u Mij zou zien, dan moest u sterven; echter, Ik zal u slechts Mijn rug en Mijn mantel tonen, want Mij zal geen mens zien en leven’ (Exodus 33:18-23). Zo zag Mozes Gods barmhartigheid aan de achterzijde, zoals deze in het Goddelijk Woord van het Oude Testament wordt gezien. Door de eniggeboren Zoon en door het Evangelie leert men echter rechtstreeks in Gods aangezicht te kijken. En wanneer dat gebeurt, sterft alles wat de mens is en heeft. Want dan moet hij belijden dat hij een blinde en onwetende zondaar is, die zich direct op Christus moet beroepen.

Wanneer een monnik in zijn hart deze kennis ontvangt – dat een vreemde gerechtigheid, namelijk de gerechtigheid die ons uit genade om Christus’ wil wordt toegerekend, hem moet behouden – zal hij vragen: Wat bereik ik nu met mijn monnikskap, mijn kloosterorde en regel? Kap en regel gaan nu tegen de grond! Alles wat hij voor heilig gehouden heeft, houdt hij nu voor drek, ja, voor de dood zelf. Zijn eigen gerechtigheid en heiligheid verwerpt hij, evenals alles wat verder uit menselijke kracht voortkomt – dat alles moet sterven, in het graf worden gelegd en begraven. De mens wil er niets meer mee te maken hebben. Deze kennis van het Evangelie is het aangezicht van God: de boodschap dat wij genade en waarheid hebben door de dood van Christus. Wie deze Christus niet heeft, die wordt niet zalig.

[Maarten Luther: Auslegung des ersten und zweiten Kapitels Johannis, 1537 und 1538. WA 46, 671ff]

(1) Dat is onder meer overal in het OT van de SV waar gesproken wordt over de Engel des HEEREN: o.a. Genesis 16:7; 22:11; Exodus 3:2; Richteren 6:12; Zacharia 3:1.

Het is toegestaan om onze citaten en meditaties afzonderlijk (met een goede intentie) geheel of gedeeltelijk te publiceren in kerkbladen, brochures en tijdschriften.
Het is echter niet toegestaan meerdere citaten of meditaties te bundelen en in boekvorm te verspreiden zonder onze voorafgaande schriftelijke toestemming.
Bij publicatie (indien mogelijk) graag met bronvermelding: http://www.maartenluther-com
Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan familie en vrienden? Er zijn geen kosten aan verbonden als iemand deze wekelijkse citaten zelf ook graag wil ontvangen.
Aan- en afmelden: Bij voorkeur via e-mail: info@maartenluther-citaten.nl of via de homepage van http://www.maartenluther-com met vermelding: meditaties

Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen jullie het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook aan jullie, opdat ook jullie met ons verbonden zijn. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. We schrijven jullie deze brief om onze vreugde volkomen te maken.’ (Uit 1 Johannes 1 de verzen 1-4)

Bron afbeelding: A Reason for Hope

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie