Prediker: Spreken over vergankelijkheid en zinloosheid…(I)

Ik heb ingezien dat wat God doet in eeuwigheid zal bestaan.
(Uit Prediker 3 vers 14)

Spreken uit geloof…

Geciteerd: Ik heb ingezien dat wat God doet in eeuwigheid zal bestaan, daar is niet toe te doen en daar is niet af te doen. Ik heb ingezien dat het ijdele (vergankelijke en zinloze) zijn eigen plaats heeft in de wereld en in de geschiedenis, en ook daar is niet aan toe te doen of af te doen. Deze spreker heeft het niet over een heilig weten, dat onttrokken zou zijn aan de ijdelheid waaraan geheel de schepping is onderworpen (zie ook Romeinen 8 vers 20). Hij spreekt uit geloof, en dat wil altijd zeggen: grijpen naar het eeuwige leven.

Niet dat ik het al gegrepen heb…

Grijpen naar het eeuwige leven, dat is zeggen ‘Denk nu niet dat ik het al gegrepen heb of al volmaakt ben’; en: ‘maar ik jaag ernaar, om datgene te grijpen waartoe ik door Christus gegrepen ben‘. Jezus van Nazareth heeft het boek Prediker gekend en erkend: Johannes 3 vers 8 doet sterk denken aan Prediker 8 vers 8. De spreker in 3 vers 14v spreekt uit geloof, waaraan de gespreksopener (zie 1 de verzen 2-11) en ook andere sprekers (1) bezig zijn te onzinken.

Uitdrukking van het gericht Gods…

Het ijdele leven draagt altijd het kenmerk van zijn oorsprong, het is niet uit Gods hand gevallen, het ligt er in en het blijft er in. Het ijdele hangt samen met het gericht Gods en is er een uitdrukking van. Het ligt daar onuitwisbaar in de tijd in Gods hand. En dat moet ons uitgangspunt zijn. 3 vers 14 handelt niet allereerst over een eindeloze duur: het spreekt over de onaantastbaarheid van al wat gebeurd is en gebeurt en zal gebeuren. Want dat alles is niet op zichzelf aangewezen.

God doet dat uit liefde…

Prediker 3 vers 14 spreekt over drie onderwerpen, die echter veel nauwer samenhangen dan die van 3 vers 11. Wat God doet is eeuwig; dit wordt nader uitgelegd door: daar is niet aan toe te doen en niet af te doen – met deze woorden wordt het begin van 3 vers 14 niet uitgeput, er wordt veeleer aandacht gevraagd voor een belangrijk aspect van het gezegde. En in de derde plaats zegt deze spreker in dit vers: en God doet dat uit liefde, God doet dat opdat men vreze voor Zijn aangezicht.

Zinvol spreken over het ijdele…

Door zijn kritiek op de manier waarop het ijdele tot nog toe besproken was, wijst de spreker van 3 vers 11 en 14v de weg, langs welke zinvol over het ijdele gesproken wordt. Dat is een vreemde zaak: zinvol spreken over het ijdele, dat eventueel zich als zinloosheid kan openbaren. Daardoor komen we tot de zin van het ijdele. De verijdeling van het mensenleven heeft haar zin. Ze wordt begrepen als gericht Gods, en in die zin wordt er telkens in het boek Prediker over gesproken.

Geen bangmakerij…

In 11 vers 9 en 12 vers 14 wordt het gericht genoemd in verband met de levensgeschiedenis. 11 vers 9 eist vrije ruimte op voor levensvreugd en het genieten van de jeugd en zegt daarbij, ‘dat God u/jullie om al deze dingen in het gericht zal doen komen‘. Dat heeft niet de strekking van bangmakerij. Zo’n strekking heeft de Schrift nooit. Dat blijkt wel uit 11 vers 9 en in 12 vers 14. Het blijkt nú door de manier waarop, waarop de spreker van 3 vers 15 aandacht vraagt voor de duurzaamheid.

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on JOY JOY JOY)






Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Wie God vreest… (I)

Het is goed dat, dat je aan het ene vasthoudt en ook van het andere uw hand niet aftrekt,
want hij die God vreest ontkomt aan dit alles.
‘ (Uit Prediker 7 vers 18)

Eenvoudige en bekende grondregel voor exegese…

Geciteerd: De spreuk 7 vers 18 maakt de indruk van een gesloten geheel en als zodanig kritiek op de woorden van de spreker in 7 de verzen 15-17. Het vers eindigt met de woorden ‘wie God vreest ontkomt aan dit alles‘; die woorden zijn duidelijk, zodat we vers 18a niet zó mogen opvatten dat de duidelijkheid van vers 18b verloren gaat. Dit is een zeer eenvoudige en sedert vele eeuwen bekende grondregel voor uitlegging; wat Prediker 7 vers 18 aangaat, houdt menigeen zich er niet aan.

Exegese een soort vak-techniek…

Men vraagt er ook niet naar, of men zich enigermate geestverwant voelt met de wijsheid van dit boek, wat toch een voorwaarde is voor de mogelijkheid van het verstaan (begrijpen) van dit boek. Hier speelt ongetwijfeld het bevreemdende geloof doorheen, dat exegese een soort vak-techniek zou zijn. Dat geloof is dwaas: exegese is in de grond niets anders dan een contact van de ene mens met de andere, namelijk van de lezer met het geschrevene. Dat contact dient in zijn menselijkheid volkomen te zijn.

Invloed van Griekse filosofen…

We vinden commentaren, waarin zulk een contact òf gebrekkig is, òf ten enenmale ontbreekt. Het zonderlingst wat we ten aanzien van het boek Prediker hebben aangetroffen is de idee als zou het in 7 de verzen 15-17 gaan om een gulden middenweg. Dat is dan nog het ergste niet, al is dat ook een hindernis tot het goed recht verstaan (het daadwerkelijk goed begrijpen en toepassen). Erger is dat de betreffende auteur van dit commentaar de mening verkondigt , dat de door hem aanvaarde gulden middenweg een compromis vertegenwoordigt en daarmee dicht bij het utilisme (de leer dat goed is wat nuttig is, wat leidt tot tactisch spreken en handelen, ook in de gemeente/kerk) terecht komt. Maar het ergst is nog, dat in dit commentaar beweerd wordt, dat de spreker van 7 vers 18 enerzijds onder de invloed zou staan van ‘de Griekse filosofen’ (welke dat zijn wordt er niet bij gezegd, we hebben dus een onafzienbaar rijke keuze) en desniettemin meent dat dit hetzelfde is als handelen in de vreze Gods.

Niet goed bij zijn hoofd…

Bij dat commentaar vinden we ook nog deze opmerking: ‘De Prediker denkt er blijkbaar niet aan, dat zijn formuleringen meer Grieks-filosofisch dan Joods zijn: want hij laat in 18b volgen: “want wie God vreest ontkomt aan dit alles”‘. Dit commentaar komt er in feite hierop neer, dat we moeten aannemen dat de spreker van 7 vers 18 niet wel bij zijn hoofd was.

Niet twee, maar drie dingen genoemd…

Onderhet een en anderverstaat vorengenoemd commentaar(schrijver) (en we vinden dit in andere commentaren ook), de beide vorengenoemde dingen; er zijn echter niet twee, maar drie dingen genoemd: ‘niet al te rechtvaardig‘, ‘niet al te wijs‘ en ‘niet al te goddeloos‘. Van deze drie wordt gezegd, dat ze alle van dwaasheid getuigen. Zonder wringen kan men van deze drie geen twee maken. Hier komt nog iets bij. De uitdrukking ‘het een en het ander’ behoeft niet betrokken te worden op het voorgaande: we ontmoeten een verwante bijna identiek term in 7 vers 27Het een bij het ander voegend‘, d.w.z. pogend de vitale elementen volledig bijeen te nemen, zorg dragen dat men niets belangrijks overslaat. Deze betekenis past uitnemend in het verband van 7 vers 18. We krijgen dan immers: Het is goed dat je in je levenswandel de belangrijke dingen vasthoudt; dat is blijkbaar de zin van ‘het ene vasthouden en van het andere uw hand niet aftrekken’.

Scherpe kritiek…

Dan is ook de overgang naar 7 vers 18b duidelijk: wie zo handelt ontkomt aan dit alles, dat wil zeggen ontkomt aan deze beide gevaren (a), te weten tot verbijstering komen en vóór zijn tijd sterven. Tevens is dan geheel duidelijk, dat 7 vers 18 een scherpe kritiek inhoudt op de visie van 7 vers 15-17, waarin een pleidooi voor het vlakke (tactisch, pragmatisch) leven wordt gevoerd, een leven waarin men het mensen bestaan zo weinig zinvol acht dat men bepaald aan niets zijn hart moet verpanden. Dit doet even denken aan de midden-stoïsche interpretatie van het ideaal van de onaandoenlijkheid. Men moet niet als deelnemer in het leven staan, maar als toeschouwer aan de kant blijven – een gedachte die we ook vonden in 6 vers 9.

Niet alleen kritische waarde…

De kritiek die de inhoud van 7 vers 18 uitmaakt is nu/echter deze: het goede leven is, dat men als belangstellende én als belanghebbende in het leven staat en eraan deelneemt; en uw bezorgdheid – dit als tegenwerping aan de spreker van 7 vers 15-17 – is overbodig, ‘want wie God vreest ontkomt aan beide door u genoemde gevaren‘. De spreuk 7 vers 18 heeft niet alleen een kritische waarde: in de eerste plaats pleit ze voor een levenswandel waarin de mens zich als eigendom van God volkomen serieus neemt, en zonder aarzelen zich verpandt aan ‘de vreze des Heren’. (Zie ook Psalm 111 vers 9-10)

(Wordt vervolgd!)

(a) Popma verwijst hier naar paragraaf 91 waar hij n.a.v. Prediker 8 de verzen 5-9 – en daar aan voorafgaand in par. 90 over wereldse wijsheid n.a.v. 8 de verzen 2-4 – spreekt over de vraag of daarin sprake is van raadgeving over het in acht nemen van het gebod van God of het gebod van mensen (de koning, als toenmalig ‘vreemde heerser’ over Jeruzalem/Israël).

Met dé Wind in de zeilen koers kiezen…

Waarmede zal de jongeling zijn pad,
Door ijdelheen omsingeld, rein bewaren?
Gewis, als hij het houdt naar ’t heilig blad.
U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren;
Laat mij van ’t spoor, in Uw geboôn vervat,
Niet dwalen, HEER, laat mij niet hulp’loos varen.

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: SlidePlayer (Praise the Lord and Fear Him)





Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Over kosten en baten gesproken… (II)

Ik deed grote dingen: ik bouwde huizen, plantte wijngaarden, legde hoven en parken aan en plantte daarin allerlei vruchtbomen, ik groef watervijvers om daaruit een bos met jonge bomen te bevloeien; ik kocht slaven en slavinnen, en daar werden er ook in mijn huis geboren; ook had ik een talrijk bezit aan runderen en kleinvee, meer dan allen die voor mij te Jeruzalem geweest waren; ik vergaderde mij ook zilver en goud, schatten van koningen en landschappen; ik verschafte mij zangers en zangeressen en dingen die de mensen bekoren, alle mogelijke genietingen. Zo werd ik groter en rijker dan allen die voor mij te Jeruzalem geweest waren; ondertussen bleef mijn wijsheid bij mij. En niets dat mijn ogen wenste, ontzegde ik ze, noch hield ik mijn hart van enige vreugde terug, ja mijn hart verheugde zich over al mijn zwoegen, en dit was al wat mijn gezwoeg me opleverde.‘ (Uit Prediker 2 de verzen 4-10)

Geciteerd 1: In 2 de verzen 4-11 lezen we van het grootse experiment, dat ten doel heeft aan de weet te komen, wat een mens het beste kan doen onder de hemel gedurende de weinige dagen van zijn leven. ‘Ik deed grote dingen’, zegt deze spreker. (…) Het zijn vooral 2 de verzen 4-11, die velen er toe gebracht hebben aan te nemen dat het boek Prediker door Salomo geschreven zou moeten zijn. Men redeneert dan: alleen een rijk man als Salomo kan van dergelijke grote zaken spreken, en in later dagen bestond in Palestina zulk een rijkdom niet meer. Deze opvattingen vertoont echter grote gebreken.

Geciteerd 2: Na wat eerder gezegd is (waarom Salomo als schrijver niet van Prediker aannemelijk geacht wordt door Popma – AJ) moeten we ook zeggen dat we diverse activiteiten die hier opgesomd worden, toch moeilijk aan koning Salomo (zelf) kunnen toeschrijven. Wat we in de betreffende verzen over dit experiment lezen, tekenen niet het beeld van een koning (zoals Salomo), maar die van een groot zakenman, van een miljonair, een economisch magnaat. Er is geen reden om aan te nemen, dat er in de derde eeuw vóór Christus in Jeruzalem geen miljonair bestaan kan hebben. De omstandigheden waren daartoe zelfs gunstig, omdat in de hellinistische tijd het handelsverkeer een buitengewone vlucht neemt doordat het terrein daarvoor zich zozeer uitbreidde. Vermoedelijk was deze man onder de rijkaards van zijn tijd een unicum.

Vergeleken met de walgelijke rijkdom van huidige Amerikaanse miljardairs en Russische bonzen is het bezit van de man tamelijk primitief geweest. Maar in zijn eigen tijd moet hij letterlijk onvergelijkelijk zijn geweest in Jeruzalem. Door zijn groots experiment is hij het type van de man ‘die de hele wereld tot zijn winst maakt’. Tegelijk blijft hij een denker, en lid van de wijsheidsschool Qohèleth. Hij zocht naar de afkoopsom voor het leven en hij zocht naar het goede voor zijn volk. Hij doet ons enigermate denken aan de Jood Mordechai, die na de dood van Haman over miljoenen te beschikken kreeg. En ook Mordechai ‘zocht het goede voor zijn volk’, Esther 10 vers 3.

Geciteerd 3: Nu valt ons op, dat deze spreker in zijn samenvatting, 2 vers 2, de levensvreugde afwijst, maar in de loop van zijn verslag van zijn groots experiment erkent, dat hij arbeidsvreugde gevonden heeft. Het is niet de vreugde van een bezit, het is de vreugde van het rusteloos bezig zijn. Deze levenskunstenaar is een beweeglijk en bedrijvig mens; hij kent de arbeidsvreugd en hij weet ook van feestvieren. Toch blijft hij ook de experimenterend denker, die blijft vragen naar de zin van de feestvreugde en arbeidsvreugd. (…) Over hard werken lezen we in 5 vers 18 ook een oordeel, en er is overeenkomst: in beide gevallen is er aandacht voor het harde werken, en ook het sober en degelijk geluk dat er ligt in een arbeidzaam leven. Dat is een genieting van een heel eigen type.

Geciteerd 4: De rijke wijze die verslag geeft van zijn groots experiment maakt tenslotte melding van zijn bezinning, en keert zo tot zijn conclusie van 2 vers 2 terug. ‘Toen ik mij wendde tot alle werken die handen hadden gewrocht en tot het zwoegen waarmee ik mij had afgetobd om die te volbrengen – zie, alles was ijdelheid en najagen van wind, en er is geen voordeel onder de zon‘.

(…) Het ijdele staat in tegenstelling tot het duurzame; de koopsom die de hard werkende mens vinden wil om zijn leven vrij te kopen van de ijdelheid (zinloosheid en vergankelijkheid), wordt door het harde werken niet opgeleverd.

Dat er arbeidsvreugde is in het arbeidzame leven, erkent de man van het experiment ten volle; maar met die vreugde, die mét de arbeid ophoudt te bestaan, kan een mens zijn leven niet vrijkopen van de ijdelheid en het verlies. Het werkzame leven, ook in zijn grootsheid van hard werken en goed feestvieren, levert geen batig saldo op, waardoor het leven eerst léven wordt, maar eindigt in een fiasco.

(Wordt vervolgd!)

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Alles wat vroeger is geschreven, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften zouden blijven hopen. Moge de God die ons doet volharden en ons troost geeft, u de eensgezindheid geven die Christus Jezus van ons vraagt. Dan zult u eendrachtig en eenstemmig lof brengen aan de God en Vader van onze Heer Jezus Christus.‘ (Uit Romeinen 15 de verzen 4-6)

Bron afbeelding: Talk To The World




Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Over kosten en baten gesproken… (I)

Van het lachen moest ik zeggen: het is dwaas; en van de vreugde: wat koop ik ervoor?
(Uit Prediker 2 de verzen 1-11 vers 2)

Gecultiveerde levensvreugde…

Geciteerd 1: Levensvreugde schijnt inherent te zijn aan mensenleven. Vooral in de jonge mens is die vreugde welhaast onbedwingbaar. Later in het gesprek wordt de jonge vreugde ook uitdrukkelijk in haar recht erkend, 9 vers 7, 11 vers 9. Maar in 2 vers 2 wordt een hard oordeel over de levensvreugde, die met het mensenbestaan gegeven schijnt te zijn, uitgesproken. ‘Wat koop ik ervoor’, d.w.z. kan ik met mijn levensvreugde mijn leven kopen? Daarbij zullen we er aan denken, dat de levensvreugde in 2 de verzen 1-11 – in vers 10 komt de spreker er op terug – ingebouwd is in het experiment. Het is meer een gecultiveerde, dan een spontane levensvreugde.

Levenskunstenaar…

Deze spreker is levenskunstenaar, en hij heeft het ver gebracht. Maar hij is niettemin heel eenzijdig. Juist dat cultiveren is een bedenkelijke zaak. Het is wel knap, voor de stimulans van de wijn een vaste en met aandacht gewaardeerde plaats in het leven in te ruimen, en daarbij de wijsheid niet te verliezen. Maar in geheel het experiment zit iets scheefs. ‘Wat koop ik ervoor’ en ‘er is geen voordeel onder de zon‘, er is geen wezenlijk levensbezit, gekocht en betaald te verkrijgen – van beide uitingen zou men kunnen zeggen: dit was te verwachten (zie bijv. Psalm 49).

Experimenterende genieter en harde werker…

De levenskunstenaar vindt de wijsheid niet, namelijk de wijsheid die aan haar bezitters het leven geeft, 7 vers 12. In 7 vers 12 vinden we een spreuk, zoals we ook elders in Prediker, soms een hele rij, spreuken aantreffen. De spreuk in 7 vers 12 is heel wonderlijk: de wijsheid geeft schaduw tegen de hitte, en dat doet het geld ook, geldbezit maakt het leven gemakkelijk en geriefelijk. Maar het voordeel van de wijsheid boven het geld is, dat de wijsheid aan haar bezitter leven geeft (en hierin ligt bijna begrepen, dat geldbezit het leven afneemt). Door deze spreuk in 7 vers 12 wordt de rede van de experimenterende genieter en harde werker veroordeeld. Er zijn sterke spanningen in de discussie van de school Qohèleth.

Afkoopsom…

Bij deze man van het experiment (uit 2 de verzen 1-11) vragen we ons of of hij niet dezelfde is als die van 1 de verzen 4-11. Deze onderstelling wordt gesteund doordat we in 2 vers 11 aan het slot een teruggrijpen vinden op 1 vers 3. Op beide plaatsen wordt namelijk melding gemaakt van het ‘voordeel’, de winst, die we zeker als geestelijke winst mogen zien, als de afkoopsom die iemand betaald voor zijn leven (zie ook Psalm 49); we denken aan de woorden van Jezus naar Matteüs 6 vers 26Wat zou het een mens baten, als hij de gehele wereld tot zijn winst maakte en daarbij schade aan het leven leed? Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven?‘. Het valt ons op dat de Heiland op deze plaats over nauwkeurig hetzelfde onderwerp handels als in het boek Prediker wordt besproken, en het is niet onmogelijk dat Jezus met deze uitspraak op het boek Prediker zinspeelt.

Ongedeelde werkgemeenschap…

Geciteerd 2: Van één ding is zowel de spreker van 1 de verzen 4-11 als die van 2 de verzen 1-11 overtuigd: het mensenleven kan zijn eigen afkoopsom niet opleveren. (….) Het is echter voor ons begrijpen van de discussie onnodig te weten, of hier twee mensen het woord voeren of één. En dat houdt weer in dat het gesprek geen individualistische afsluitingen kent. Ook de woordvoerders, die later dwars tegen de opinie van de gespreks-opener (1 de verzen 4-11) in zullen gaan, en degenen die de levensafwijzing van de man van het experiment zullen afwijzen, werken met hem of met hen samen in één ongedeelde werkgemeenschap. (1)

Geen koopsom te bereiken…

In 2 vers 2 geeft de man van het experiment zijn samenvattend oordeel: wat koop ik ervoor? Hij herhaalt dit aan het einde van vers 11er is geen voordeel onder de zon‘: er is met de middelen van het mensenleven geen koopsom te bereiken om het leven vrij te maken van zijn ijdelheid (zinloosheid en vergankelijkheid). Dat is wat de Heiland zei: ‘Want zal een mens geven in ruil voor zijn leven?‘. Het woord van Jezus heeft een veel ruimere horizon, want Hij is gekomen om dé afkoopsom te geven, en wel uit de middelen van de gebroken menselijkheid – want de Heiland heeft door Zijn strijd en lijden in het vlees de dood, die oorsprong is van het ijdele, overwonnen.

De hele wereld als debetpost ingeschreven…

Die horizon kennen de eerste sprekers in Prediker niet; maar ze stoten er als het ware tegen aan. ‘Wat baat het een mens, als hij heel de wereld tot zijn winst maakt?‘ Dit, de gehele wereld als debetpost inschrijven, heeft de man van het experiment gedaan, voor zover dat een mens ‘onder de zon‘ mogelijk is. Zijn experiment is groots geweest. Over de grootsheid van het experiment gaan wij (nu) nog in het kort handelen.

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Geen mens kan een ander vrijkopen,
wat God vraagt voor en leven, is niet te betalen,
De prijs van het leven is te hoog,
in eeuwigheid niet op te brengen.
Onmogelijk dat iemand voor altijd zou leven,
de kuil van het graf nooit zou zien.

(Uit Psalm 49 de verzen 8-10)

Bron afbeelding: Holy Bible (Verse of the Day)



Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Ondoorgrondelijk is het bestaan…

Dit alles heb ik met het oog op wijsheid beproefd; ik ze: ik wil wijsheid verwerven, maar zij bleef onbereikbaar voor mij. Onbereikbaar is wat bestaat en onpeilbaar, wie kan het doorgronden. Ik wendde mij en mijn hart was er op uit om kennis te verkrijgen, om onderzoek te doen en een wijze slotsom te zoeken en om goddeloosheid als dwaasheid en onverstand als verdwaasdheid te leren verstaan.‘ (Uit Prediker 7 de verzen 23-25)

Geciteerd 1: Het lijdt geen twijfel, dat in 7 vers 23 de gespreksleider (1) weer aan het woord komt. Daartoe was alle aanleiding: met 7 vers 21v is de discussie volkomen vastgelopen. De leider geeft een samenvatting waarmee hij zich vereenzelvigt met alle voorgaande sprekers en zo de eenheid van het gesprek en de school handhaaft. We zijn geneigd te vragen: Hoe durft hij? Er is heel wat dwaasheid gezegd in het voorgaande. Maar de gespreksleider verliest de moed niet. Hij houdt er aan vast , dat deze wijsheidsschool, met inbegrip van alle dwaasheid die er gezegd is, haar naam verdient; dat het ambt van deze school inderdaad op de qahaal, de gemeente in haar gemeentelijkheid betrokken is.

Geciteerd 2:Dit alles heb ik beproefd’, heb ik getoetst, me in verschillende richtingen wendende: de gespreksleider heeft intens meegeleefd met elk van de sprekers, hij heeft de ernst van elk van hen aanvaard als zijn eigen ernst. Hij heeft ‘dit alles’ getoetst ‘om wijsheid te krijgen’ of ‘met het oog op wijsheid’. Dat stemt nauwkeurig overeen met het volgende: ‘Ik dacht, ik wil wijsheid krijgen‘. Daarna spreekt hij over de onbereikbare wijsheid. We lezen ook in Job 28 over de onbereikbare wijsheid, èn de bereikbare (Job 28 de verzen 1-22 tegen over 23-28).

Het gaat in dit gedeelte van Prediker 7 niet over ‘de bittere teleurstelling van de Prediker’ zoals het opschrift wil. De Prediker geeft hier een waarschuwing, en wel een waarschuwing tegen de verwachting van een alles-doorgrondende wijsheid. Dat is o.a. een Grieks ideaal; niet voor niets spreekt de godsdienstengeschiedkunde van een ‘ontologisch heimwee’, dat is een verlangen om het zijn van al wat is te doorgronden. Dat wordt in de volgende woorden dan ook duidelijk gezegd: Onbereikbaar is het zijn van al wat is en ondoorgrondelijk. Onbereikbaar, onpeilbaar, ondoorgrondelijk.

De Prediker, dat is de gespreksleider, die zich in 7 vers 27 aan dient als ‘ik de Prediker‘, uiteraard een ambtelijke aanduiding, waarschuwt tegen het ontologisch verlangen en speciaal tegen de voldragen Griekse uitwerking daarvan. Hij zal hierbij speciaal het oog gehad hebben op de aristotelische zijnstheologie, die in die dagen langs allerlei kanalen in het Joodse volksverband was doorgedrongen. ‘Ik wendde mij en mijn hart was er op uit‘, d.w.z. ik richtte er mijn volle aandacht op. De spreker wil zeggen dat hij weet waarover hij spreekt.

Bitterder dan de dood…

En ik ontdekte iets, bitterder dan de dood: de vrouw die een valstrik is en wier hart een net is, wier handen boeien zijn. Hij die God welgevallig is ontkomt aan haar, doch hij, die God niet welgevallig is, wordt door haar gevangen.‘ (Uit Prediker 7 de verzen 25-26)

Geciteerd 3: Algemeen zijn de verklaarders van mening dat 7 vers 26 handelt over de ‘vreemde vrouw’, de heidense prostituée. Die mening is echter heel vreemd: ze onderstelt, dat de Prediker op het hoogtepunt van zijn betoog op eens van onderwerp verandert en zich zelf niet houdt aan zijn eigen program. (…) Nadat hij zojuist gezegd heeft dat hij alle aandacht richt op het onderzoek, zou hij nu opeens opmerken dat het resultaat (daarvan) was, dat er onfatsoenlijke vrouwen bestaan?

Er is maar één oplossing van deze moeilijkheid mogelijk: Prediker 7 de verzen 23-28 handelt in zijn geheel over het ontologisch verlangen als poging het ‘het probleem aller problemen’ te ontraadselen: als men de bouw van wat is heeft ontdekt, heeft men in beginsel alles ontdekt wat te ontdekken valt. De Prediker gebruikt hier, bij hoge uitzondering (zoals Paulus ook bij hoge uitzondering deed, in Galaten 4 vers 24) een allegorische spreekmanier. Zowel de Joodse als de Griekse beschavingskring kende in die dagen de allegorese; De Prediker hoefde dus niet bang te zijn dat men hem niet begrijpen zou: dat niet-begrijpen kwam er pas, toen men het boek Prediker ging verklaren zonder voldoende inzicht in de tijd en de cultuur van die dagen.

De ervaring van alle na Prediker volgende eeuwen leert, dat wie eenmaal voor de bekoring van een zijnsfilosofie en zijnstheologie bezweken is, menselijk gesproken niet meer te redden valt. ‘Hij die aan God welgevallig is, ontkomt aan haar, maar die niet welgevallig is, wordt door haar gevangen‘.

Eén uit duizend…

Geciteerd 4: Prediker 7 de verzen 27-29 maakt de indruk van een afsluiting, en zal ook zo bedoeld zijn. Daar pleit niet tegen dat Prediker nadrukkelijk omtrent de gezochte slotsom zegt: ‘die ik nog altijd zoek zonder ze gevonden te hebben’. Dit woord zouden we niet kunnen missen: het herinnert heel sterk aan wat Paulus zegt in Filippenzen 3 de verzen 12-15. ‘(Denk nu) niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn; maar ik jaag ernaar of ik ook datgene grijpen mocht, waartoe ik door Christus gegrepen ben; broeders, ik voor mij acht niet dat ik het al gegrepen heb‘; en even verder: ‘Laten wij dan allen, die volmaakt zijn (in Christus volmaakt), aldus gezind zijn‘.

Diezelfde tweeheid vinden we in dit deel waar de Prediker de balans opmaakt, ook. In 7 vers 28 zegt prediker dat hij de slotsom nog niet gevonden heeft, en in 7 vers 29 zegt hij: ‘Ja, toch heb ik dit ontdekt: dat God de mensen recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht‘.

Tussen die beide uitspraken in vinden we de woorden: ‘één man uit duizend heb ik ontdekt, maar een vrouw onder die allen heb ik niet ontdekt‘. (…) De uitdrukking ‘één uit duizend’ komen we in het boek Job tegen en daar is het zonder twijfel een Messias-aanduiding: Job 33 vers 23v: ‘Indien een engel hem terzijde staat, een voorspraak, één uit duizend, om aan een mens zijn onschuld te kennen te geven, dan zal Hij zich erbarmen en zeggen: Bevrijd hem, dat hij niet in de groeve dale, de losprijs heb ik verkregen.‘ Daar het boek Job ook uit de wijsheidsschool stamt, zegt deze overeenkomst zeer veel.

Geciteerd 5: Prediker vestigt zijn hoop op de toekomst: één man uit duizend. Er zijn in het OT vele Messias-aanduidingen, die voor ons besef duidelijker zijn dan deze. Maar de aanduiding ‘één man uit duizend’ hoort er toch ook bij. Zij is, net als in de rede van Elihu (Job 33 vers 23v) een aanduiding van de Messias als de Wijsheid Gods. Die aanduiding vinden we met geheel andere bewoordingen ook in Spreuken 8. ‘Een uit duizend’ wijst op de hoge zeldzaamheid van de wijsheid die van boven komt: ‘Eén uit duizend’ is wellicht de betekening van een mens die in al zijn menselijkheid toch niet tot de mens als groep behoort. En dat belijden we omtrent de Christus.

Dat in de rede van Elihu en in Prediker 7 vers 28 niet een duidelijker aanwijzing gegeven wordt, zal enerzijds te verklaren zijn uit de religieuze horizon van de schrijvers, anderzijds uit hun wil om inzake de Messias niet anders dan Zijn vertegenwoordiging van de Wijsheid Gods te willen noemen.

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on Jesus Shall Reign)


Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over (het belang van) keuzevrijheid van de mens…

Maar Hij antwoordde en zei: Er staat geschreven: Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat van Gods mond uitgaat.

(Het eerste antwoord van onze Heer aan ‘de duivel’ in Matteüs 4 vers 4: ‘De verzoeking in de woestijn’).

“Jullie zullen helemaal niet sterven”, zei de slang. “Integendeel, God weet dat jullie ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie als God Zelf zullen zijn, kennende goed en kwaad.“‘ (Uit Genesis 3 uit/naar vers 4)

En IK zal vijandschap zetten tussen u tussen uw zaad en haar zaad, dit zal u de kop verbrijzelen en jij zult het de hiel verbrijzelen.‘ (Uit Genesis 3 vers 15)

Geciteerd 1: Dagenlang klinkt het refrein: Tof! God zag dat het goed was.

Vraag: Wat wilde en wil God duidelijk hebben/maken met/door zijn Woord over ‘de boom’ en Zijn woorden over ‘de slang’?

Geciteerd 2: Wij vullen doorgaans bij ‘slang’ automatisch duivel of satan in. Een kwade macht die de mens van zijn onschuld wil afhelpen en het paradijs in een hel wil veranderen. Een antimacht, gericht op chaos, verwoesting en tweedracht, daar waar God ordening, heelheid en vrede schept. (1) Niet onbelangrijk dat we beseffen dat de Bijbeltekst hier zelf helemaal niet over de duivel spreekt.
Dat kan ook nooit de bedoeling van de auteur (a) zijn, want het draait nu juist om de eigen verantwoordelijkheid van de mens. De slang is eigenlijk niet meer dan een ‘literair hulpmiddel‘, het gaat om de verantwoordelijkheid van de mens die geschapen is met keuzevrijheid. Edith Eva Eger, schrijfster van het prachtige boek ‘De keuze’ zegt in een interview: ‘God schiep de verleiding omdat we daardoor leren hoe we van onze keuzevrijheid gebruik kunnen maken.’ (2, 3)

Opgemerkt (a): De Auteur is hier de heilige Geest, daarom kunnen en mogen we deze tekst niet meer lezen zonder ook Zijn verdere onderwijs in het Oude en, voor de gemeenten na het Pinksteren in Jeruzalem, ook het Nieuwe Testament daarbij te betrekken. (2)

Opgemerkt (1): De satan die laterde leugenaar van den beginne‘ wordt genoemd had helemaal niet de macht om het paradijs in een hel te veranderen. Dat blijkt direct al uit Gods woorden tot de mens en de slang in Genesis 3 de verzen 8-20 en Paulus bevestigt dat nog eens in Romeinen 8 de verzen 18-24.

Opgemerkt (2): Het is verdrietig om te lezen hoe de schrijver van de meditatie ons eerst een bepaalde (zogenaamd gangbare) lezing van dit Bijbelgedeelte uit Genesis ‘opdringt’ en dan ‘triomfantelijk’ komt met wat volgens hem (ds. H. Fonteyn) de beste (enig mogelijke) lezing is. Maar de heilige Geest leert ons duidelijk door zijn Woord om deze (in)lezing van ds. H. Fonteyn (en die van schrijfster Edith Eva Eger) te verwerpen als onSchriftuurlijk! (4)

Opgemerkt (3): Niet de keuzevrijheid van de mens staat centraal en dient centraal te staan, maar de ‘Zelfopenbaring van God’! Zie hiervoor (o.a.): 1 Korintiërs 15 de verzen 35-58 en Kolossenzen 1 de verzen 15-20 – maar er zijn meer plaatsen in het Oude en Nieuwe Testament waar ons dat duidelijk wordt (gemaakt).

Opgemerkt (4) In het onlangs verschenen boek ‘Bijbel en Evolutie’ van Henk G. Geertsema (emeritus hoogleraar Filosofie) wordt ons ook een bepaalde lezing van de eerste hoofdstukken van Genesis voorgelegd die geen recht doen aan hoe de heilige Geest ons – eerder en vandaag – Genesis wil doen lezen en verstaan in het licht van zowel het Oude als het Nieuwe Testament.

Dit moet u allereerst weten, dat geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat; want de profetie is destijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar heilige mensen van God, door de Heilige Geest gedreven, hebben gesproken.‘ (2 Petrus 1 de verzen 20-21, HSV)

Bron citaten 1+2: Dag in Dag uit 2021 – Meditaties 4 en 5 juni – Leger des Heils | Ark Media

Bron afbeelding: Facebook Citizen TV Kenya

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: In waarheid spreken van geloof, hoop en liefde…

Werp uw brood uit op het water, en ge zult het terugvinden na vele dagen.
(Uit Prediker 11 vers 1)

Geciteerd: De bijna overmoedige zegswijze van 11 : 1 wil figuurlijk tot uitdrukking brengen, dat men bij arbeid in wijsheid elk risico aanvaardt, zelfs zo dat de wereldwijze mens het pure dwaasheid zal vinden. ‘Werp uw brood uit op het water‘ – wie van een waagstuk spreekt, zal dít waagstuk àl te erg vinden. Maar het gaat in de wijsheid niet om het waagstuk. Het gaat om werken in het geloof.

Wie een kuil graaft kan er zelf in vallen; hij loopt risico. ‘Werp uw brood uit op het water‘ schijnt een in die tijd makkelijk verstaanbare zegswijze te zijn, die dient om het aanvaarden van het risico zo sterk mogelijk uit te beelden, en wel dermate sterk dat de ongelovige het absurd zal vinden. Het is een diep gelovige spreuk, en merkwaardig, ze is altijd intuïtief verstaan door wie ten volle geloofswerk doet.

Men hoort het mensen zeggen, die Evangelisatiewerk doen en geen resultaat zien. Och, zeggen ze, ‘Werp uw brood uit op het water‘: het lijkt zinloos wat we doen. Maar dat is nu het werk in Gods Verbond. En de zekerheid van Gods beloften: ‘en je zult het terugvinden na vele dagen‘. Deze spreuk is vernietigend voor alle succesjacht, zelfs voor een gematigde succeswaardering. Het gaat in de arbeid in Gods Verbond helemaal niet om het succes; het gaat daar om Gods zegen.

Werp uw brood uit‘ – dan is men zijn brood, dat eventueel als zinnebeeld van levensonderhoud kan dienen, kwijt: meer zien we niet. Maar we doen met alle macht wat onze hand vindt om te doen. En dan gaat het heel wonderlijk: ‘Je zult het terugvinden na vele dagen‘.
Werp uw brood uit op het water‘ is typerend voor alle werk in het Verbond van God , die als zodanig nooit ijdel is in de Here. Maar wat men er van kan zien lijkt de ijdelheid zelve. Impliciet wordt hier het thema van de ijdelheid gesteld in de zin van de overwinning op het ijdele (het vruchteloze of zinloze werken).

Dat ijdele is er inderdaad, het is al wat we (ervan) kunnen zien. Er is geen werken in het Verbond of het lijkt precies op het uitwerpen van brood op het water. Zo gaat het in de opvoeding, in de studie, in de kerkelijke trouw, in de politiek die handelt naar de eis van God, in de idealen van Bijbelgetrouw koopmanschap. Wie daardoor gegrepen is doet juist wat de wereldwijze mens bij uitstek dom en onpraktisch noemt. Maar hij doet het met een gerust hart en een vrij geweten. Ook de gematigde wereldwijze mens zegt: Dat is toch dwaasheid, je zit tussen twee stoelen, daar komt niets van terecht, je verspeelt je invloed en mogelijk je gezondheid ook nog.

Die gematigd wereldwijze mens heeft op zijn wereldse manier gelijk: je brood uitwerpen op het water is erg dwaas; het dwaze van God is wijzer dan de mensen. Waarvoor werkt de prediker zo hard? Als hij preekt zit de een te slapen, de ander is wakker en verzameld zijn kritische opmerkingen. Preken, dat is uw brood uitwerpen op het water. Wie volhardend de werken Gods willen werken op ‘alle terrein des levens’, die werpen hun brood uit op het water, en hun geestverwant die een klein tikje werelds (wereldwijs) is gebleven, zegt spottend: Wat een dwaasheid!

Je zult het terugvinden na vele dagen‘; ‘na vele dagen’ betekent voor een Christenmens niet zelden: na dit leven. Het is een verdwijnende minderheid onder de christenen, die voelt voor deze gelovige idealen. De overgrote meerderheid, die volstrekt niet ongelovig is, voelt meer voor de erkenning van ‘de natuur’ of de ‘gemene gratie’ (algemene genade’), of de mijding van het woordje religie ten bate van de term ‘ethiek’. Wees toch niet zo’n beginselruiter! (denkt of zegt men dan).

Werp uw brood uit op het water‘ betekent: Geen aardse macht begeren wij; het betekent dat men ophoudt met het jagen naar macht, invloed, bezit, succes en roem. ‘Werp uw brood uit op het water‘ spreekt van geloof, hoop en liefde. Een dichter sprak eens van de ‘illusies van dit leven’ en noemde na ‘hoop, geloof en liefde’ nog ‘roem en macht’. Zeldzaam eerlijk: hij had de Bijbelse idealen verloren en wereldse er voor in de plaats gekozen. Misschien was hij echt ongelovig geworden, mogelijk had hij toch nog een splinter geloof overgehouden, dat weten we niet. Maar binnen de kring van actieve christenen vinden we het ook: dat iemand begint met geloof, hoop en liefde, en eindigt met de huldiging van roem en macht.

Het is de tragische, eigenwijze levensgang van zo menig deelnemer aan het christelijke werk. Soms gaat heel een sector van christelijk begonnen werk op die manier verloren. Men begint wel in geloof, maar later gaat men ‘praktisch worden’; dan gaat men het ‘onverantwoordelijk vinden’ zijn brood uit te werpen op het water, en men wordt er blind voor dat nu net dít het glanzende is van de adel van het geloof. Men gaat redeneren als een wereldling: de rekeningen moeten toch betaald worden? Natuurlijk moeten ze dat. Maar wie bereid is zijn brood te verliezen, die zal het vinden.

Werp uw brood uit op het water, en je zult het vinden na vele dagen. Geen aardse macht begeren wij: dié gaat al héél ras verloren! Prediker 11 vers 1 is een hoogtepunt!

(Wordt vervolgd!)

Zie ook:

Bron afbeelding: Scripture Images

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: waar haal je (de) faalmoed vandaan?

Wie een kuil graaft, zal er in vallen; en wie een muur doorbreekt, zal door een slang gebeten worden. Wie stenen losbreekt wordt erdoor gewond; wie hout klooft, loopt daardoor gevaar. Als het ijzer stomp geworden is en men heeft de snede niet gewet, dan moet men zijn krachten meer inspannen, maar het voornaamste om te slagen is wijsheid.‘ (Uit Prediker 10 de verzen 8-10).

Geciteerd 1: Faalangst ontwikkelde de schrijver (1) niet. Faalmoed wel. Dat werd dan ook de titel van haar boek dat onlangs verscheen. Het is een ode aan de kwetsbare mens in de prestatiemaatschappij. Jensen zet tweehonderd bladzijden lang de loser in het zonnetje. Die losers, dat zijn wij. “De mens zal altijd falen. Eeuwig tekortschieten. Het vergt moed om die mislukkingen te overdenken”, concludeert Jensen. “Zo kwam ik op het woord faalmoed.” Jensen bedacht het tijdens het maken van haar faal-cv, dat ze na-aapte van de Amerikaans psycholoog Johannes Haushofer. Op dit cv zette Jensen alle nederlagen uit haar carrière op een rijtje.

Geciteerd 2: De wijze mens – die leeft van de ‘religieuze wijsheid van het Verbond Gods’ – loopt rustig veel risico. Dat behoort nu eenmaal bij de arbeid in deze wereld. Wie het risico (het mogelijk falen) uit de weg gaat, vervalst zijn werk. Zo’n mens kan zich macht verwerven, zich een soort reputatie opbouwen in de ogen van onoplettenden (2), invloedrijk worden, maar zijn meest eigenlijke taak verijdelt zo iemand. De verleugening van de arbeid is een groot kwaad onder de zon.

Geciteerd 3: Wie alle risico ontlopen wil, vernietigt de mogelijkheid om vruchten te dragen, zo iemand is erger dan een doorbrenger of luiaard. De luie niet-werker is in zijn luiheid tenminste eerlijk; maar de nijvere werker, die uit vrees voor risico de vrucht van zijn arbeid wegneemt en weggooit door altijd maar weer reserves te maken, is in de grond ook een luiaard en doorbrenger, maar hij loopt zich het vuur uit de sloffen.

Geciteerd 4: Wie zich slap aanstelt in zijn werk is een broeder van een doorbrenger, Spreuken 18 vers 9; maar wie in zijn werk een valse schijn ophoudt, is een dieper leugenaar; hij ontplooit grote energie, maar niet om de waarheid te vinden en dienen maar om die verborgen te houden. Hij wordt meer en meer een onduidelijk mens: hij houdt namelijk met zóveel factoren rekening eer hij iets zegt, dat wàt hij dan zegt voor een ieder onverstaanbaar is geworden.

Geciteerd 5: De tacticus is trots op zijn succes en ervaring. Hij zegt u, dat dit en dat wel waar is, maar men kan het (beter maar) niet zeggen. Zo iemand ontdekt op zijn of haar terrein dingen die van belang zijn en die God hem of haar te ontdekken gegeven heeft; maar zo iemand wil wijzer zijn dan God en verzwijgt die ontdekking, want ‘als ik dit zeg, zegt die-en-die dat, en daarvoor wil ik oppassen; als ik dit doe, en die-en-die dat, dan kom ik in een scheve positie’.
De tactische mens is niet eerlijk. Hij is ook in z’n hart diep ongelovig: hij weet helemaal niet (zeker) wat die ander zal zeggen of doen, het wordt alleen maar gevreesd. Zo iemand is erg zuinig op de door oneerlijkheid opgebouwde reputatie (waarbij dus allereerst steeds rekening werd gehouden met wat anderen konden beseffen en/of doen), maar daardoor knaagt hij onophoudelijk voorzichtig en volhardend aan de wel verdiende reputatie van de wel eerlijke werker(s). (3)

Geciteerd 6: Het voornaamste om te slagen is: van alle succesjacht afscheid nemen en zich eenvoudig om het risico van de arbeid niet te bekreunen. Dat is wel zeer onwerelds; maar het is wijs. (…) Het voornaamste om (gezegend) te slagen (of falen) is de wijsheid die geen aandacht geeft aan de kansen op of van succes, maar rechtuit gaat en doet wat de hand vindt om te doen (zoals dat door onze God en Vader op onze weg gebracht wordt – AJ), en dat uit alle macht, zonder sluwe en altijd oneerlijke reserves, zonder berekening, die de vloek is van alle mensenwerk!

(Wordt vervolgd!)

(1) Zakken voor een diploma, slechte recensies, een scheiding. Zomaar een greep mislukkingen uit het leven van filosoof Stine Jensen. Maar die fiasco’s zijn ‘levenslessen van jewelste’ en vormen de basis voor haar nieuwe boek.
(2) Mensen die zich de ogen niet voortdurend door de heilige Geest laten openen door dagelijks eerbiedig te leven bij en van Woord en gebed.
(3) Popma zal hierbij met name aan het kerkelijk leven met haar leiders en ook aan het ‘politieke bedrijf’ hebben gedacht.

Bron citaat 1: Trouw/deVerdieping – ‘Een ode aan de loser: “De mens zal eeuwig falen”‘ – door Janneke de Bekker
Bron citaten 2-6: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on Favorite Scriptures)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Belangstelling voor geschiedenis en volksverband…

Ik zei tegen mezelf: Wat de mensenkinderen betreft, God wil hen ziften en laten zien dat ze eigenlijk dieren zijn. Want het lot van de mensenkinderen is gelijk aan het lot van de dieren; zoals deze sterven, zo sterven de anderen ook, en allen hebben dezelfde adem, waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren, want alles is ijdelheid, alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof en alles keert weer tot stof.
Wie bemerkt dat de adem van de mensenkinderen opstijgt naar boven en dat de adem van de dieren neerdaalt naar beneden in de aarde?
Zo heb ik ingezien, dat er niets beters is dan dat de mens zich verheugt in zijn werken, want dat is zijn deel: wie zal hem ertoe brengen zich te verlustigen in wat na hem zijn zal?‘ (Uit Prediker 3 de verzen 18-22)

Dogma: de mens heeft niets vóór boven de dieren…

Geciteerd: De spreker van 3 de verzen 18-22 heeft niet de geringste belangstelling voor het volksverband. Deze afwezigheid van belangstelling voor het volk (van God) hangt direct samen met de afwezigheid van interesse voor de geschiedenis van dat volk. Zo verstaan we zijn dogma: de mens heeft niets vóór boven de dieren.

Ook in dezen is de korte rede in 3 de verzen 18-22 een dieptepunt. Er waren reeds sporen van individualisme in het boek Prediker, maar geen daarvan is dermate stuitend geweest als deze. De gespreksopener, in 1 de verzen 2-11, is stellig een individualist; van drie andere afwijzers kan hetzelfde gezegd worden (1). Maar het boek Prediker begint toch met ‘de woorden van Qohèleth, zoon van David, koning te Jeruzalem‘; daar gaat het om de gemeente en de gemeenschap; om de Davidische traditie; en om de wijsheid die in Jeruzalem heerst.

Principieel hedonisme…

De overbrugger, die het woord voert in 3 de verzen 1-8, is stellig geen individualist, al is zijn spreukenreeks verre van sterk. De spreker van 3 de verzen 9-12 toont bijzonder aandacht voor de geschiedenis: Hij heeft de eeuw in hun hart gelegd; weliswaar wordt zijn woord gevolgd door dat van een extreem individualist, die daarbij zelfs naar een principieel hedonisme overhelt: het gaat er zijns inziens om, dat de mens zich te goed doet in zijn leven, en die een gematigd genot zoekt als het eigenlijke – dat verstaan we hier onder de term ‘hedonisme’- is de in zich besloten individuele mens, wiens horizon niet verder gaat dan ten hoogste de grens van eigen gezin.

De HEER regeert…

Toch is de individualistische trek eerst opvallend in 3 de verzen 18-22. Deze spreker laat zich niet gezeggen door wat de man gezegd heeft die het woord voert in 3 vers 14v, waarin we een zeer sterk hoogtepunt van het boek Prediker begroeten mogen. Hij heeft zich waarschijnlijk aan hem geërgerd; juist de belangstelling voor de geschiedenis was hem een doorn in het oog: ‘dat al wat God doet voor eeuwig is‘; en: ‘God zoekt weer op wat voorbijgegaan is‘. Misschien heeft hij zich nog heviger geërgerd aan de woorden uit 3 vers 16v, waarin met volle erkenning van onrecht in kerk en staat vastgehouden wordt dat de Here regeert en Zijn gericht de historie doortrèkt.

In 3 de verzen 18-22 komt het individualisme bruut en grof te voorschijn, en wordt het listig voorgedragen, in vrome tonen: ‘God wil hen schiften‘; ‘ze zijn net als dieren‘; ‘alles keert weer tot stof‘. In vers 21 wordt honend gesproken over de toekomstverwachting: wie merkt daar iets van? Weten we dat uit ervaring? Dan is het alles maar ziekelijke fantasie. Het enig bereikbare in nuchterheid is ‘dat de mens zich verheugt in zijn werken‘: Wie zal hem ertoe brengen, wie zal hem op een weg zetten zodat hij zover komen kan, dat hij zich gaat verlustigen in een onbekende en onbereikbare toekomst? Juist in die woorden ‘ertoe brengen om zich te verlustigen’ ligt zo’n diep honende klank. De spreker van 3 de verzen 18-22 is een koud mens. Hij saboteert de gespreksgemeenschap (1) en maakt haar belachelijk.

De wortel van àlle kwaad…

Geciteerd 2: Verderop ontmoeten we het individualisme herhaaldelijk. In 5 vers 9 t/m 6 vers 9 blijkt, dat heel wat deelnemers aan dit moeilijke gesprek een onmatige belangstelling hebben voor geld. (…)
Paulus schrijft aan Timoteüs: ‘De wortel van alle kwaad is geldzucht‘, 1 Timoteüs 6 vers 10. (…) Typisch is, dat Paulus, zelf een Jood, aan Timoteüs, die hij uitdrukkelijk als Jood beschouwt, dit woord schrijft: de wortel van àlle kwaad is geldzucht. (a)
Geldzucht maakt egoïstisch en drijft tot gezins-egoïsme; dit brengt onverbiddelijk een individualistische levensbeschouwing mee: de geldzuchtige heeft belangstelling voor zichzelf, zijn kinderen, zijn huis, zijn zaak; misschien moeten we zeggen: voor zichzelf, zijn huis, zijn zaak en zijn kinderen.

(a) Zie ook de woorden over de geldzucht van de Farizeeën in Lukas 16 vers 14 en ook de woorden in Romeinen 2 vers 21.

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: Dailyverses-net (‘Geen verontschuldiging’)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Kunnen wij ons nog ergens op laten voorstaan?

Kunnen wij ons dan nog ergens op laten voorstaan?* Dat is uitgesloten.
(Uit Romeinen 3 uit de verzen 21-31 vers 27)

* En roemen in (blanke of gekleurde) mensen of in onze (westerse of niet-westerse) cultuur?

Zo’n zeventig miljoen christelijke mannen…

Geciteerd 1: Mijn vader was heel trots op de Evangelist, en hij drukte me op het hart om de krachten van de Jaguarman met rust te laten. De Evangelist zou onze familie verlost hebben van een vloek, door de ‘afgodsbeelden’ – de obia – van de Jaguarman te vernietigen en in de grond te begraven.

Geciteerd 2: In Jacobus’ (=’De Evangelist’) jaarverslag van 1914 speelde Amade een prominente rol. In Europa was dat jaar de Eerste Wereldoorlog uitgebroken. Zo’n zeventig miljoen jonge, christelijke mannen vochten tegen elkaar met tanks, vliegtuigen, machinegeweren, kanonnen en gifgas, en meer dan negen miljoen van hen zouden omkomen.

Jacobus wijdt er slechts één zinnetje aan op de dag waarop hij van de oorlog hoort, maar het nieuws heeft ook Amade bereikt. Wanneer Jacobus hem op oudejaarsdag bezoekt en hem, zoals zijn bazen hebben opgedragen, nog eenmaal vraagt waarom Amade zich toch niet laat bekeren, geeft die een prachtig antwoord. En Jacobus schrijft het op:
‘Zolang deze oorlog niet afloopt, laat ik me niet doopen (1), want ik zie dat de blanken in de war geraakt zijn. Immers leerden zij dat men als Kristenen niet mag doodslaan, en nu schieten zij als heidenen anderen menschen dood. En je mag wel voorzichtig zijn dat zij jou niet als Evangelist ontslaan, want als ’t zo voortgaat dan is geen kerk meer nodig.’

Eigenlijk zegt Amade: als je kijkt naar wat Europeanen hebben gedaan met de wereld, met ons en met elkaar, is het niet zo heel moeilijk om te zien wie hier werkelijk de heidenen zijn.
‘Een echt stouteman’, schrijft Jacobus daar achteraan. ‘Toch ben ik goed bevriend met hem.’ Ik stel me voor dat hij daarbij lachte. Amade kon zeggen wat Jacobus niet zeggen mocht, en via Amade zei Jacobus het toch. Tegen zijn bazen. En tegen mij, zijn achterachterachterkleinzoon, die zich belast had met de taak om de krachten op te graven die Jacobus begraven had.

Jacobus was vrij, maar aan zijn vrijheid zaten grenzen, daarbinnen had hij verteld wat hij kon. Het was aan mij om de rest van het verhaal te schrijven. Zonder schaamte, zonder angst en zonder grenzen. Om een stoute man te zijn en de wereld te vertellen wat ze van mijn voorouders zou kunnen leren.

(1) Het waren soldaten uit 32 landen. Zou het merendeel daarvan toen nog gedoopt zijn geweest? Het zouden ieg toch wel ‘een paar kerken vol’ zijn geweest… Zie ook/meer cijfers over WOI: https://www.cijfers.net/wo1.html

Bron citaat: De Correspondent – ‘Wat het verhaal van mijn voorouders me vertelt over Keti Koti en de grenzen van vrijheid’ – door Raoul de Jong (Schrijver)

Bron afbeelding: KJV Bible Verses

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie