Geloofsvertrouwen of liever toch al een eigen oordeel…

‘Wat moeten wij doen? Hoe doen we wat God wil?‘
(Uit Johannes 6 de verzen 25-40 vers 28)

Geciteerd: De gesprekken met de belijdeniscatechisanten vragen om pastorale wijsheid en fijngevoeligheid.(a) Wij zien slechts de buitenkant: de een zal het goed kunnen verwoorden terwijl het achteraf toch oppervlakkig blijkt te zijn, de ander kan het moeilijk verwoorden maar blijkt toch een diep geloofsleven te hebben. Wij zien aan wat voor ogen is, maar de Heere ziet het hart aan! Daarom heeft de kerk de eeuwen door gezegd: wie het christelijk geloof belijdt en overeenkomstig de afgelegde belijdenis leeft, moet naar het oordeel der liefde voor een oprecht christen worden gehouden (zie Dordtse Leerregels III-IV, 15). (b)

Anderzijds zijn er ook belijdende leden die het vanzelfsprekend vinden om aan te gaan. Ze denken: we zijn ertoe verplicht en wanneer we niet deelnemen, horen we er niet bij. Duidelijk is dat dit geen deugdelijke grond voor deelname aan het heilig avondmaal kan zijn. Je gaat niet met anderen mee „omdat het zo hoort”, maar omdat er in het hart een verlangen, een hunkeren (c) is naar de Bruidegom. Wie de Bruidegom niet kent (d), kan en mag (nog) niet deelnemen aan de maaltijd van de Bruidegom.

Concreet: het consistorie heeft opzicht en toezicht te houden op de (aanstaande) belijdende leden. Hebben we in het verleden geen mensen toegelaten (e) die daar (nog) niet aan toe waren? Die op lichtvaardige gronden hun jawoord gaven, wat nu helaas aan hun levenswandel te zien is?

Nog een punt vraagt aandacht. Zonder de indruk te wekken dat we mensen na hun eerste avondmaalsgang moeten examineren, hebben we als ouderlingen wel de dure plicht deze mensen pastoraal te begeleiden. Het is niet wenselijk dat hierover pas veel later gesproken wordt in een regulier huisbezoek. Dat kan wel een halfjaar later zijn. Heb dus ook pastorale zorg voor de leden die voor het eerst deelnamen aan de tafel des Heeren. Wat kan het ons goed doen wanneer ze ons iets in vertrouwen willen delen over de zegen die ze ontvangen hebben in het heilig sacrament. (f)

Opgemerkt 1: Helaas bevat het verhaal van deze predikant verschillende tegenstrijdigheden en dat valt toch een zeer verdrietige zaak te noemen, want het gaat hier om het goed begrijpen en in praktijk brengen (toepassen) van het meest cruciale dat van ons gevraagd wordt in en door Gods Woord: Geloof alleen!

‘Er is maar één wetgever en rechter: Hij die bij machte is te redden of in het verderf te storten. Maar wie bent u om uw naaste te veroordelen?‘ (Uit Jakobus 4)

Opgemerkt 2: Niet ‘het oordeel der liefde’ is bepalend om iemand voor een (‘oprechte’) (mede)Christen te houden, maar ons geloof! Wij geloven en aanvaarden onze Doop en de Doop van onze broeders en zusters én die van onze kinderen, net zoals wij één heilige, algemene Christelijke Kerk geloven en aanvaarden! We geloven en belijden daarmee de waarheid! Luther heeft dat heel klip en klaar – niet voor tweeërlei uitleg vatbaar – onder woorden gebracht in zijn preek over Psalm 65. En die preek werd gehouden in 1534! Zie de link naar deze woorden van hem onderaan. Het geloof aanvaard voor vast en zeker wat we niet zien en bewijzen kunnen! (Zie ook Hebreeën 11 vers 1).

Opgemerkt 3: Het is dus in de gemeente van onze Heer Jezus Christus zó dat daar kinderen van God (jong en oud!) zich laten onderwijzen in en door Gods Woord (zondags, dagelijks, op school en tijdens de catechisaties) en bij dat onderwijzen – of dat nu de ouders thuis zijn of op zondag de predikant, etc. – zijn wij altijd weer met z’n allen leerlingen, dus zelfs ook de onderwijsgevenden, en die leren soms nog weer meer dan dat ze anderen en de jeugd daarbij kunnen meegeven (laten begrijpen). God gunt Zijn kinderen een leerweg en die is in ieders leven uniek! En er zijn kinderen van God die zelfs hun Doop nooit kunnen leren begrijpen, maar daarom niet minder kinderen van God zijn dan wie dan ook. Juist voor zulke kleinen in het koninkrijk van God sprak onze Heer de woorden: ‘maar de kleinste in het koninkrijk van God is groter dan hij‘, groter dan Johannes de Doper, die door Jezus als grootste profeet van het Oude Testament werd aangewezen (zie Lukas 7 vers 26-30)

Opgemerkt 4: Het is Bijbels gezien helemaal juist om van de jeugd te verwachten – en hen dat zelf ook leren te begrijpen! – dat zij belijdenis van hun geloof zullen afleggen na het doorlopen van het ‘standaard catechisatieonderwijs’. Ze kunnen de waarheid, die ze van kinds af aan gehoord en geloofd hebben, nu alleen nog door (hun) ongeloof (willens en wetens!) afwijzen. Wanneer ze na al dat onderwijs besluiten om geen belijdenis van hun geloof af te leggen, dan miskennen ze in ongeloof de waarachtigheid van hun Doop* en van al het Evangelie-onderwijs dat ze thuis en in de kerk ontvangen hebben. En dát is ongeloof! Niet een bewijs van vrome nederigheid of van een onvermogen tot zelfbeoordeling*, want dat vraagt het Evangelie niet van ons! Bij het aangaan aan het Avondmaal wordt geloof – Christelijk geloof! – en een eerbiedig aangaan van ons gevraagd, meer niet!

* Natuurlijk kan het helaas ook zo zijn dat ze de Goddelijke waarachtigheid van hun Doop niet hebben leren zien en begrijpen uit Gods Woord vanwege het onderwijs dat ze gekregen hebben thuis en/of in de kerk en/of op school en/of op catechisatie.

Opgemerkt 5: Dat de zaak van geloof en belijdenis doen en aangaan aan het Avondmaal zo (eenvoudig) is als hier wordt voorgesteld, dat wordt bevestigd door Jezus dankbare woorden bij het geloof van een Romeinse centurion, bij de Kananese vrouw, de Samaritaanse vrouw bij de bron, de vrienden van de verlamde man, etc. en door het woord dat Hij sprak tot de kinderen van Gods volk die Hem vroegen: “Wat moeten wij doen? Hoe doen we wat God wil?” En toen te horen kregen: “Dit moeten jullie voor God doen: geloven in Hem die Hij gezonden heeft.” (zie Johannes 6 de verzen 25-40)

Dit eenvoudige je met elkaar ‘kind van God’ mogen weten door het ‘geloof alleen’ wordt ook bevestigd door de woorden van Paulus aan de nog niet zo lang geleden gedoopte leden van de gemeente in Korinthe (zie 1 Korintiërs 3!) en ook door de apostel Petrus* wanneer hij een (de) gedoopte gemeente(n) voorhoudt dat ze beslist ook naar al de woorden van de profeten van het Oude Testament hebben te blijven luisteren en daar goede aandacht aan te geven om van te leren: ‘totdat de dag aanbreekt en morgenster opgaat in uw harten‘ (zie 2 Petrus 1 de verzen 18-21). Geloven is aan een leerweg beginnen en die blijven gaan ook door een volhardend blijven strijden en dat met voortdurend het oog op onze Leidsman en Voleinder van het geloof: Jezus Christus onze Heer – zie Hebreeën 12 de verzen 1-13!

* Petrus had dit zelf – bij zichzelf en de anderen – zien gebeuren in zijn leven! Bij Judas gebeurde dat niet, maar toch heeft de Heer niet van Zijn discipelen gevraagd om elkaar met een bepaald voorbehoud en een zekere argwaan te bevragen en beoordelen. Zelfs het Laatste Avondmaal – waar Jezus het brood brak en uitdeelde en de beker nam en liet doorgeven om daaruit te drinken – heeft Judas nog mogen bijwonen en meevieren!

(a) Ónze fijngevoeligheid en wijsheid; (b) Óns oordeel der liefde; (c) Óns hunkeren; (d) Óns kennen (e) Óns toelatingsbeleid; (f) Óns ervaren (1) <versus> eenvoudig vertrouwend in geloof zien op Gods beloften, die ons waarachtig worden toegezegd in en door Gods Woord en zoals die aan ons waarachtig werden betekend en verzegeld met en door de Doop en zoals die steeds weer aan ons worden voorgehouden en geleerd in en door Gods Woord en in en door de doorgaande verkondiging daarvan.

(1) Calvijn zei over het Avondmaal: ik ervaar meer dan ik begrijp. Maar Luther zei hier: ik geloof, ook als ik niet begrijpen en ervaren kan.* Ik mag bij het aangaan aan het Avondmaal, zelfs bij alle twijfel over eigen waardigheid toch aangaan in geloof en ik mag daarbij zelfs zien op het geloof van mijn broeders en zusters die mij aansporen om aan te gaan. De Kerk is een geloofsgemeenschap en wij worden daar niet alleen geholpen en gedragen door het geloof dat onszelf geschonken wordt, maar ook door het geloof van onze broeders en zusters. Dat geloof en die geloofssteun van onze broeders en zusters kunnen wij niet missen, al weten we ook dat bij God alle dingen mogelijk zijn. We kunnen van Hem geloofskracht ontvangen zelfs ook wanneer al onze broeders en zusters je ontvallen of zich (schijnbaar) met z’n allen tegen je keren.

* Luther had geen hoge dunk van de bijdrage van het menselijk verstand voor/aan het geloof. Daarom kon en wilde hij Jezus’ woorden bij het brood en de wijn van het Avondmaal ‘Dit is Mijn lichaam’ en ‘dit is Mijn bloed’ ook maar gewoon ‘laten staan’ en aanvaarden in (het) geloof.

Link naar woorden uit de preek (1534) van Maarten Luther: ‘Kijken met ogen als van een koe...’

Bron citaat: RD Opinie – ‘Nauwe verhouding geloofsbelijdenis en avondmaal vraagt om pastorale fijngevoeligheid’ – door drs. W.P. Emaus (predikant van de hervormde gemeente De Bron te Urk).

Bron afbeelding: Heartlight

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Hijzelf zorgt voor u!’

Veertien vertroostingen (nr. 5)

Voor ‘de werkers’ die vermoeid en belast zijn – door Maarten Luther,
Augustijner monnik te Wittenberg (1520)

Over het kwaad van het verleden of het kwaad dat we inmiddels achter ons gelaten hebben.

Geciteerd: De zoete genade van God de Vader schijnt helderder in deze overdenking dan in de andere en kan ons in elke nood troosten. Nooit voelt een mens de hand van God dichter op hem of haar dan wanneer de jaren van het vroegere leven herinnerd worden. Augustinus zegt: “Als iemand de keuze kreeg tussen sterven en zijn of haar vorige leven opnieuw leven, dat we dan zeker voor de dood zouden kiezen, gedachtig de grote gevaren en het kwaad waaraan men ternauwernood ontsnapte.” Wanneer je hier goed over nadenkt, dan besef je dat dit woord zeer waar is.

Terugblikkend kan een mens overdenken en beseffen hoe vaak men veel dingen deed en leed zonder inspanning of zorg van zichzelf uit, ja, zelfs zonder of tegen de eigen wil in. Men gaf er weinig aandacht aan voordat ze plaatsvonden of terwijl ze al aan de gang waren, en pas nadat alles voorbij was, kon men niet anders dan met verbazing de kreet slaken: “hoe hebben deze dingen mij toch kunnen overkomen, terwijl ik er geen bemoeienis mee had en aan heel iets anders mijn aandacht gaf.”

Dit horen we ook in het gezegde: “De mens wikt, God beschikt” (Prediker 16 vers 9). Dat wil zeggen dat God de zaken omkeert en heel iets anders laat gebeuren dan wij mensen hadden bedacht en gepland. Vanwege deze realiteit van het leven is het onmogelijk om te ontkennen dat ons leven en werk onder de leiding staan, niet van onze eigen voorzienigheid en zorg, maar onder de wonderbaarlijke kracht, wijsheid en goedheid van God. Hierdoor beseffen we hoe vaak God bij ons was toen we dat noch zagen, noch voelden, en hoe waar het is wat Petrus ons gezegd heeft: “Hijzelf zorgt voor u” (1 Petrus 5 vers 7).

Daarom, zelfs als er geen boeken of preken waren, zouden onze eigen levens, die door zoveel kwaad en gevaar heen geleid werden, indien nader beschouwd, ons overvloedig tonen de altijd aanwezige en meest tedere goedheid van God, Die ver boven onze gedachten en gevoelens, ons droeg in Zijn boezem. Zoals Mozes zegt in Deuteronomium 32 vers 10: “De HERE omringde hen, Hij onderwees hen, Hij beschermde hen als Zijn oogappel.“

Maarten Luther: Tessaradecas Consolatoria Pro Laborantibus et Onantis (Weimarer Ausgabe) WA 6, (99) 104-134. (Gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, Vol. 42, blz. 117 FF)

NB. Dit is een vertaling van de Engelse versie van dit Luthercitaat.

Bron citaat: Als u de Engelstalige Luther-citaten naar familie of vrienden wilt laten sturen, kunt u (met hun toestemming) het e-mailadres verzenden naar: info@martinluther-quotes.nl
Abonneren en afmelden van de wekelijkse citaten via dit e-mailadres of op http://www.maartenluther.com Deze e-mails zijn gratis en er wordt niet gevraagd om donaties.

‘Vernedert u dan onder de machtige hand van God, opdat Hij u verhoge op Zijn tijd.
Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.‘
(Uit 1 Petrus 5 vers 6-7)

Bron afbeelding: Pinterest – Pin on Faith and Inspiration

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Vloekpsalmen vragen om een ‘totale ommekeer’…

‘Verspreid als aarde, geploegd en omgewoeld ligt ons gebeente
bij de muil van het dodenrijk.‘ (David in Psalm 141 vers 7)

Geciteerd 1: Psalmen is mijn favoriete Bijbelboek. Bijna elk vers is onderstreept. De verzen die vijanden vervloeken niet. Want hoe zou iemand het met zoiets onmenselijks eens kunnen zijn, ook al staat het in de Bijbel? Dat leek me logisch, vóór de oorlog. Nu zie ik dat anders.

Geciteerd 2: Het postmodernisme was fascinerend: zogenaamde evolutionaire vooruitgang en een geloof in toenemende humaniteit. Maar het bleek ongelijk te hebben. De boodschap van de Bijbel is nog steeds actueel. Zwart en wit zijn er nog steeds, goed en kwaad, God en de duivel, agressors en slachtoffers. Een Joodse wijsheid benadrukt dat God Zich altijd identificeert met de degene die onrecht is aangedaan. God kiest partij. Elie Wiesel zei: „Ook wij moeten altijd partij kiezen. Neutraliteit helpt de onderdrukker, nooit het slachtoffer. Stilte moedigt de folteraar aan, niet de gekwelde.” Er is vergeving beschikbaar, zelfs voor mensen die anderen martelen. Maar eerst moeten ze ophouden zich te identificeren met hun zonde. Als God mensen wil vergeven, nodigt Hij hen niet zozeer uit om zich beter te gedragen. Nee, Hij vraagt een totale ommekeer, een volledige koerswijziging.

Opgemerkt 1: Eerlijk gezegd verbaast het me wel dat de Bijbel nu op dit punt ineens wel goed begrepen wordt en eerder blijkbaar niet of minder, terwijl de wereld voor deze agressie van Rusland tegen de Oekraïne er heus niet minder gewelddadig om was. We moeten er oog voor hebben dat heel wat van de psalmen waarin God gevraagd wordt om de misdadigers te straffen, gaan over misdadigers die leefden in de nabijheid van koning David, aan het hof van Saul en later ook in zijn eigen land en stad en aan zijn eigen hof. We lezen ook verschillende keren dat God gevraagd wordt het leed dat zijn tegenstanders hem wilden aandoen of God dat op hun eigen hoofden en gezinnen en families wilde doen neerkomen.
En in Psalm 137 waar gesproken wordt over de het ‘grijpen van kinderen van Babel’ om hen ‘op de rotsen te verpletteren’ grijpt de dichter ook terug op wat de Babyloniërs hen eerder aangedaan hadden.

Opgemerkt 2: We vinden van David in Psalm 141* ook ootmoediger woorden (zie de verzen 5 en 6), we hebben ook gehoord wat de profeet Jeremia het volk heeft moeten aanraden en we weten ook van de houding van Daniël tegenover de koningen van Babel en meer nog: we weten hoe onze Heer Jezus Christus gesproken heeft over en tot de overheden (Joods en Romeins) in Zijn dagen hier op aarde en ook van Zijn woorden aan het kruis, die later worden overgenomen door Stefanus en die later verhoord zijn toen de Farizeeër Saulus zich bekeerde…
* En o.a. in de Psalmen 38 en 39 belijdt hij ook om eigen schuld te lijden onder tegenstand en tegenstanders.

Opgemerkt 3: En wanneer we de woorden ‘totale ommekeer’ in de mond nemen en neerschrijven, kunnen we daarover dan zelf goed meepraten en getuigenis van geven? Hebben wijzelf in ons leven zo’n totale ommekeer al in praktijk gebracht en dat ook al voordat onheil ons overviel? Misschien was daar in de Oekraïne meer en al eerder aanleiding toe en kwam het er daar vaker van dan hier in West Europa, maar ook dan hebben we ons de vraag stellen: waar en bij wie dient ‘totale ommekeer’ allereerst gevonden te worden of zijn we daarmee misschien al te laat? En met hoeveel recht en reden mogen we een ‘totale ommekeer’ verwachten en min of meer zelfs eisen van onze huidige ‘tegenstanders’ – o.a. door vloekpsalmen te bidden en door die Poetin en zijn trawanten voor te houden en door anderen te vragen daarin mee te bidden en door niet bereid te zijn tot vergeving en gebed daarom…

Tot slot: lees ook nog (weer) deze blog: ‘Met beide voeten in “de tekenen der tijden”‘

Bron citaat: RD Opinie – ‘Psalmen doen recht aan agressor en slachtoffer’ – door Nadiyka Gerbish

‘Zou een rechtvaardige mij slaan, het was mij een weldaad, zou hij mij straffen, het was balsem op mijn hoofd. Zou ik lijden onder de kwaden, dan nog bleef ik bidden, en werden hun leiders van de rotsen geworpen, van mij hoorden ze woorden van deernis.‘ (David in Psalm 141 de verzen 5-6)

Bron afbeelding: Uzivatel RichNChrist na Twitter

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wat nutten ons de eureka’s van theologen?

‘Maar broeders en zusters, ik kon tot u niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus. Ik heb u melk gegeven, geen vast voedsel; daar was u niet aan toe. En ook nu nog niet, want u bent nog gebonden aan de wereld. Wanneer u afgunstig en verdeeld bent, dan bent u toch gebonden aan de wereld, dan leeft u toch als ieder ander? Wanner de één zegt: “Ik ben van Paulus,” en een ander: “Ik van Apollos,” bent u dan niet als alle andere mensen.‘ (Uit 1 Korintiërs 3 uit de verzen 1-3)

Geciteerd: Onzekerheid en geloven horen bij elkaar in het leven van columnist Reina Wiskerke.

Opgemerkt 1: Het is dan maar de vraag wat voor onzekerheid en wat voor twijfel bedoeld wordt. En we hebben geen theologen nodig om twijfel weg te nemen, maar het Goddelijk Woord en geloof hechten aan dat Woord.* Wanneer je niet betwijfelt dat je kort na je geboorte bent gedoopt, dan weet je dat je een Goddelijke garantie ontvangen hebt dat je kind van God bent. Dat mag een ongedoopt kind dat in een gemeente van Jezus Christus geboren is ook al weten op grond van Gods Woord, maar God weet hoe wij mensen zijn en daarom schonk Hij ons de Doop. Niemand kan je Doop ontkennen en daarmee het feit dat je kind van God bent. Hij heeft er voor gezorgd dat er nog een kerkelijke gemeente was waar jouw ouders je ten doop hielden en het is helemaal Zijn werk geweest dat het er van kwam en Zijn Goddelijk Woord heeft daar geklonken. Daar kan geen theoloog een speld tussen krijgen, zelfs niet met wijzen op ‘tweeërlei kinderen van het Verbond’. Want kinderen die van hun Vader weglopen en Hem niet liefhebben zijn nog altijd weggelopen kinderen. En wanneer ze zelfs zelf willen ontkennen dat ze een Vader hebben, kunnen ze dat feit niet ongedaan maken. Ze geloven de leugen en je mag altijd blijven hopen dat ze toch nog tot erkentenis van de waarheid zullen komen. En eenmaal zal dat alsnog gebeuren weten we uit Gods Woord…
* En dat doen we niet uit eigen kracht en in eigen wijsheid, maar we gebruiken kinderlijk (!) trouw de middelen die God ons daarvoor gegeven heeft.

Opgemerkt 2: Nu zijn er ook gemeenten/kerken waar de theologen/voorgangers (leerling artsen) de zieken (en dat zijn ze allemaal daar, inclusief de theologen/voorgangers!) bepaalde middelen willen onthouden (Doop en/of Avondmaal) en beweren dat de patiënt eerst zelf overtuigd moet zijn geraakt van ziekte en anderen duidelijk kan maken dat hij/zij er naar verlangt om genezen te worden; en het kan ook gebeuren, wanneer de patiënt die overtuiging heeft, dat men dan het geneesmiddel te kostbaar acht om het de patiënt toe te dienen. De patiënt moet dan eerst zichzelf en ook de anderen overtuigd hebben dat een dergelijk kostbaar medicijn ook door hem of haar gebruikt mag worden. Ondanks dat vaststaat dat allen ziek zijn, dat de betreffende patiënt het medicijn graag zou gebruiken, wordt het gebruik van het medicijn niet ingezet omdat (nog) niet duidelijk zou zijn dat de patiënt het ook waard is. Die moet eerst allerlei kenmerken van herstel vertonen en aantonen voordat het gebruik ervan kan en mag worden ingezet. Een wonderlijk ziekenhuis zo’n gemeente/kerk! Zouden ze er niet genoeg luisteren naar de Eigenaar, de grote Geneesheer?

Bron citaat: Nederlands Dagblad – ‘Telkens komen er theologen die eureka roepen bij twijfel’ – door Reina Wiskerke

‘Laat niemand van u zichzelf bedriegen. Wanneer iemand van u denkt dat hij in deze wereld wijs is, moet hij eerst dwaas worden; pas dan kan hij wijs worden. Wat namelijk in deze wereld wijsheid is, is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: “Hij vangt de wijzen in hun sluwheid.” En er staat ook geschreven: “De Heer kent de gedachten van de wijzen; Hij weet dat ze niet meer dan lucht zijn.” Niemand van u moet zich daarom laten voorstaan op een ander mens, want alles is van u, of het nu Paulus, Apollos of Kefas is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – álles is van u. Maar u bent van Christus en Christus is van God.‘ (Uit 1 Korintiërs 3 de verzen 18-23)

Bron afbeelding: Online Bible – Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wie moet er bang zijn voor ‘verbondsautomatisme’?

‘Wie op de akker van zijn zondige natuur zaait oogst de dood…’
(Uit Galaten 6 vers 8)

Geciteerd: Is het verbondsautomatisme – kort gezegd: je bent vanwege het genadeverbond een kind van God vanaf de geboorte – uit de GKN verdwenen of is het toch nog onderhuids aanwezig?
„U gaat ervan uit dat er verbondsautomatisme in de GKV was. Ik weet wel dat er vanuit de reformatorische wereld zo tegen de vrijgemaakte kerken wordt aangekeken. Maar, ik ben bang dat ik u niet helemaal ongelijk kan geven. Dat zal vooral komen doordat er in de vrijgemaakte prediking over het algemeen genomen onvoldoende bescherming zat tegen verbondsautomatisme. Dat is echter wel iets anders dan dat het verbondsautomatisme in de prediking zelf zat.
Ik zie het als een opdracht voor ons, predikanten, om het Woord in alle scherpte te bedienen en de gemeente, vanuit de onpeilbare liefde van de Vader, voor Christus te stellen. Daarbij mogen we niet uitgaan van verondersteld geloof, maar oproepen tót geloof, door de werking van de Heilige Geest. Als we dat niet doen, dan werken we zelf verbondsautomatisme in de hand.”

Opgemerkt: Wanneer we de in de gemeente van Jezus Christus geboren kinderen zien en aanspreken als kinderen van God aan wie de Evangelie-beloften rechtens toekomen en daarom ook door de Doop aan hen betekend en verzegeld worden, dan is dat voluit een zaak van gelóóf. Een zaak van geloof hechten aan Gods Woord! En het is dus niet een zaak die kan of moet worden beslecht door de een of andere theologie: een verbondstheologie of welke (al of niet tegensprekende) theologie dan ook. Er kan daarom ook nooit werkelijk sprake zijn van ‘verbondsautomatisme’ in gemeenten of kerken, want wanneer men meent dat toch wel te kunnen aanwijzen, dan zijn daar heel andere zaken (problemen) aan de orde!
Daarom kan men ook niet met recht beweren ‘dat er in de vrijgemaakte kerken over het algemeen onvoldoende bescherming tegen verbondsautomatisme zat’. Er kan van alles op de prediking in die kerken aan te merken zijn geweest (en mogelijk nog), maar niet dat men daar de jeugd en de ouderen in de prediking te serieus aansprak en aanspreekt als kinderen van God. Of men moet de predikanten en gemeenten dat (het!) geloof willen ontnemen! En helaas gebeurd dat in heel wat gemeenten/kerken metterdaad wel! En dat kunnen we niet genoeg betreuren en weerspreken – niet vanuit en met theologie – maar met en vanuit Gods Woord Zelf.
De doorgaande prediking van heel Gods Woord dat levend en krachtig is door de heilige Geest, dat hebben alle gemeenten bij voortduur nodig en daar wordt ook altijd weer om gebeden in de samenkomsten en de heilige Geest is daar naar Christus belofte ook zeker aanwezig en aan het werk. Daar heeft de gemeente zelf ook scherp op te (leren) zijn, dat men in de gemeente daar oor en oog voor heeft en dat men de predikanten en leden van de kerkenraad daarop en daarover aanspreekt, dat men geen afbreuk doet aan Gods beloften. En dat mag ze dus doen vanuit het gelovig vertrouwen dat de heilige Geest hen daarin wil bijstaan en leiden, wanneer ze in gelovig gebed om die daarvoor nodige liefde (tot God en de naaste) en wijsheid vragen. En daar zullen zij die leiding hebben te geven in een gemeente de gemeente ook altijd weer (voorbeeldig) in voor hebben te gaan. Dát gelovige vertrouwen en het in praktijk brengen ervan in een gemeente, dat valt niet met en door een ‘juiste’ theologie veilig te stellen, laat staan af te dwingen!

‘… maar wie op de akker van de Geest zaait oogst het eeuwige leven. Laten we daarom het goede doen, zonder op te geven, want als we niet verzwakken zullen we oogsten wanneer de tijd daarvoor gekomen is. Laten we dus, in de tijd die ons nog rest, voor iedereen het goede doen, vooral voor onze geloofsgenoten.‘ (Uit Galaten 6 uit de verzen 8-10)

Bron citaat: RD Cultuur & boeken – ‘GKN zetten in op verbond’ – door Maarten Stolk

Bron afbeelding: Heartlight – God’s Spirit Does the Growth Work

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over het Lichaam van Christus gedacht en gesproken…

‘Een lichaam is een eenheid die uit vele delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Christus.‘ (Uit Korintiërs 12 vers 12)

Geciteerd: Dat is een rijke gedachte die we bijvoorbeeld ook in Zondag 28 van de Heidelberger aantreffen. Het lichaam van Christus is immers niet slechts een romp*. Die gedachte dat wij als gelovigen de armen van Christus zijn, betekent zo veel voor diaconaat, voor pastoraat, voor gemeente-zijn. Die gedachte betekent ook dat het niet de goede Herder is Die achter al die 99 – vooral ook jonge – schapen aan moet, maar dat Hij dat doet via mij. Wie zo veel lege plaatsen in de kerk ziet, en wie beseft dat niet ieder die in de kerk zit er ook echt nog is, zou kunnen denken dat de goede Herder er vandaag de dag knap druk mee kan worden. Volgens Bucer echter ligt die drukte op mijn bordje. Of om het maar zo te zeggen: daarvoor heeft Hij ons in de arm genomen.

Opgemerkt: Hoe hebben we zulke woorden uit Gods Woord toe te passen in ons gemeentelijk/kerkelijk leven? Want het kan onmogelijk waar zijn dat we de kudde (tijdelijk?) dan maar aan haar lot moeten overlaten, omdat het verlorene zoeken nu eenmaal (in onze/deze tijd?) de voorrang verdient. Hoe zoeken wij dat verlorene en dat dan eerst toegepast op de herders en leraars van de gemeente? Wel, dat betekent dat zij gewoon doorgaan met het zorgwerk voor (heel!) de kudde zoals Paulus dat aan de oudsten van de gemeente in Efeze voorhield op het strand (Handelingen 20) en wat hij Timoteüs en Titus schreef in zijn brieven aan hen. Wanneer we dát blijven (of weer gaan) doen, dan is dat tevens zorgdragen voor het verlorene! Want wanneer heel de gemeente uit Gods Woord haar taak leert verstaan en uitvoeren, dan stellen we hen onder de zorg van de Goede Herder, Die het verlorene zoekt en zullen ze DV zich ook laten gebruiken in Zijn zoeken naar het verlorene dat inmiddels buiten de door Gods Woord aan ‘het pastoraat’ opgedragen zorg voor de gemeente valt.

(1) Hiermee – met die nadruk op armen versus de romp – wordt toch weer een karikatuur gemaakt van de gemeente als lichaam van Christus. De woorden van de apostelen hierover zijn toch duidelijk genoeg! Geen enkel deel van het lichaam kan gemist worden! Het is juist de gedachte, dat bepaalde lichaamsdelen (bepaalde ledematen/leden) van veel meer gewicht en belang zijn dan andere, die er oorzaak van is dat bepaalde leden niet naar waarde geacht en geschat worden binnen een gemeente en mee daardoor gevaar lopen door anderen of zichzelf als niet tot het lichaam behorend (verloren) beschouwd te worden! En je hebt er zelfs die beweren durven dat bepaalde ledematen beter maar geamputeerd kunnen worden, omdat ze in hun ogen tot de schamenswaardige delen van het lichaam behoren.
De Joodse ‘theologen/kerkleiders’ gingen zelfs zo ver dat ze het hoofd amputeerden onder het mom van daarmee het lichaam te behouden. Ze zullen zich wel als de sterke armen van het Joodse volk beschouwd hebben, maar hun armen konde die amputatieklus toch niet goed klaren, ze hadden de sterke arm van de (Romeinse) overheid erbij nodig. En dat is vaker gebeurd in de geschiedenis van Gods volk en het gebeurd helaas ook nu nog wel…

Slot: Je moet dus zeggen/stellen: Alleen wanneer het hele lichaam functioneert onder de coördinatie van het hoofd wordt er gezocht naar het verlorene. De armen kunnen het beslist niet op eigen houtje!

‘Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn dáárdoor één lichaam geworden, wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu uit het Joodse volk of uit een ander volk afkomstig zijn. Immers een lichaam bestaat niet uit één deel, maar uit vele.‘ (Uit 1 Korintiërs 12 vers 14)

Bron citaat: RD Opinie – ‘Column: In de armen van Christus’ – door prof. dr. H.J. Selderhuis

Bron afbeelding: DailyVerses-net

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Moest/wilde Jezus ons mensen shockeren?

‘U hebt boden naar Johannes (de Doper) gestuurd en hij heeft een betrouwbaar getuigenis afgelegd. Niet dat Ik het getuigenis van een mens nodig heb, maar Ik zeg dit om u te redden…’ (Uit Johannes 5 de verzen 30-38 de verzen 33-34)

Geciteerd 1: De Schriftgeleerden, die zich nogal druk maakten over allerlei vormen en gewoonten die in hun ogen verkeerd waren en een mens onrein maakten, worden door de Heere Jezus gewezen op zaken die een mens echt onrein maken: alles wat uit ons hart voortkomt.

Geciteerd 2: Jezus’ woorden bedoelen te shockeren, te waarschuwen. Te waarschuwen voor de gevolgen. De gevolgen duren wel wat langer dan een enkele minuut van vleselijk genot. De gevolgen zijn de eeuwige toorn van God in een onuitblusselijk vuur. God haat de onreinheid. God haat de boze natuur van de mens. God haat overspel en hoererij. En vooral zij die elke zondag de wet van God horen zullen een dubbele straf ondergaan.

Opgemerkt 1: Onze Heer brengt ons in Matteüs 15 vers 19 de waarheid onder ogen en die waarheid daarvan waren niet alleen ‘de zondaars’, maar ook de Schriftgeleerden en Farizeeën zich beslist bewust! Dat besef van die waarheid en hoe Jezus daarover tot de mensen sprak, dat bracht zondaars bij Jezus, alhoewel het nog niet gezegd was dat ze zich dan ook van hun zonden wilden bekeren. Maar de Schriftgeleerden en Farizeeën die hadden er geen belang bij om die waarheid onder ogen gebracht te krijgen. Dat was en werkte veel te nivellerend en dat was niet in hun belang. Veel liever wekten zij de indruk dat hen die waarheid – ze wisten wel wat er diep in hun hart leefde – heus niet meer onder ogen gebracht hoefde te worden. Liever overtuigden zij anderen en ook zichzelf dat zij toch altijd weer zo druk met de dienst aan God waren (geweest), dat zij zich over die zonden van en in hun hart niet meer druk hoefden te maken. En daarom zagen ze neer op de zondaars en ‘de schare die de Wet niet kent’ en meenden zij helemaal geen Geneesheer – een Genezer van hun hart* – nodig te hebben.
Toch wilde onze Heer ook deze hoogmoedig en blind geworden mensen niet afwijzen, zoals Hij ook ‘de zondaars en de tollenaars’ niet afwees. Wel heeft Hij juist deze mensen nog veel indringender willen waarschuwen en met felle woorden willen ‘striemen’ dan de andere zondaars om Hem heen. We horen daar ook iets over in het slot van Johannes 9 (‘Genezing van een blinde’): ‘Jezus zei: “Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien, zullen blind worden.” Een paar Farizeeën die bij Hem stonden en dat hoorden, zeiden: “Wij zijn toch zeker niet blind!” “Was u maar blind,” zei Jezus, “dan zou u zonder zonde zijn. Maar u beweert dat u kunt zien, en dus blijft uw zonde.“

Opgemerkt 2: Wanneer de Farizeeën naar waarheid konden zeggen dat zij hun eigen hart niet hadden leren kennen, dan waren ze ‘onschuldige blinden’ geweest, maar ze wisten dat de Heer Jezus hen – steeds weer – met de waarheid confronteerde, en toch wilden ze dat niet erkennen omdat ze Hem geen zeggenschap wilden geven over het volk en over henzelf.* Dat werd Hem niet gegund, Die eer wilden ze Hém niet geven. Dat was niet in hún welbegrepen eigen belang!
* Ze hadden een eigen ‘fitness-programma’ opgesteld, en dát hielden ze ook anderen voor, daar waren ze trots op en daar verdienden ze hun brood mee en daar hadden ze de levende Geneesheer niet (meer) bij nodig.

Bron citaat: RD Kerk & religie – ‘Meditatie: Onreinheid’ – van ds. K. Hoefnagel, Sliedrecht

‘Ik ben gekomen namens Mijn Vader, maar u accepteert mij niet, terwijl u iemand die namens zichzelf zou komt, wel zou accepteren. Hoe zou u ooit tot geloof kunnen komen? Van elkaar wilt u wel eer ontvangen, maar u zoekt niet de eer die de enige God u kan geven. U moet niet denken dat Ik u bij de Vader zal aanklagen; Mozes, op wie u uw hoop hebt gevestigd, klaagt u aan…’ (Uit Johannes 5 uit de verzen 39-47 de verzen 43-45)

Bron afbeelding: Bible verses

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over de ‘katholieke erfenis’ van Herman Bavinck…

‘Ik heb dan ook gedaan wat me door deze hemelse verschijning werd opgedragen, koning Agrippa, en heb eerst aan de inwoners van Damascus en Jeruzalem, en aan allen die in Judea wonen, en later ook aan de heidenen verkondigd dat ze tot inkeer moesten komen en God moesten eren, en zich dienden te gedragen zoals bij hun nieuwe leven paste.’ (Uit Handelingen 26 de verzen 19-20)

Geciteerd 1: Uit het groeiende aantal Bavinckstudies blijkt dat de theologie waar hij meer dan een eeuw geleden mee kwam de kerk van vandaag veel te bieden heeft. Voor kerken wereldwijd ligt er de uitdaging om begrip te krijgen voor Bavincks nadruk op het katholieke, contextuele en publieke karakter van het christelijk geloof, zodat ze naar behoren kunnen gedijen in hun directe omgeving.

Geciteerd 2: De Chinese christelijke gemeenschap wil vaak de ideeën van westerse tradities of theologen importeren, zonder oog te hebben voor haar eigen situatie. Vooral de bloei van het gereformeerde gedachtegoed in de laatste veertig jaar in China was een signaal van deze niet-contextuele theologische denkwijze. Veel van de opkomende gereformeerde kerken waren er snel bij om gereformeerde belijdenissen te importeren en deze zonder voldoende onderscheidingsvermogen of reflectie op hun eigen kerken toe te passen. Hierdoor lijkt een Chinese kerk vaak meer op een ‘buitenlandse’ kerk, die niet in staat is om het christelijk geloof in de eigen, Chinese context (omgeving) over te brengen.

Opgemerkt: Wanneer ik de auteur (1) goed begrijp in zijn boodschap aan de kerken in China en ook wereldwijd, dan kan dat in feite ook wel ‘gepromoot worden’ zonder de grote naam en faam en theologie van Herman Bavinck. (2) Want het gaat er toch om dat wij ons vertrouwen op God en op Zijn Woord stellen en dat vanwege de kracht van de heilige Geest, Die aan ieder van ons op het eerbiedig gebed ook elke dag weer geschonken wordt en Die ons krachtig wil bijstaan bij onze hartelijke wens om daadwerkelijk als gelovig Christen te leven in de praktijk van alledag.

Wanneer we dat op grond van Gods Woord geloven en elkaar dat ook altijd weer voorhouden en elkaar daarin blijven aanvuren en bemoedigen, op dezelfde manier zoals ook de apostelen dat gedaan hebben, dan kan men in de kerken van China ook bidden om wijsheid voor het inhoud geven aan het kerkelijk (en maatschappelijk) leven aldaar. En op die manier kan men in elke gemeente aan de slag en dan uitwerking geven aan wat men geleerd en ontvangen heeft en nog weer ontvangt. (3) Want de centrale Boodschap van het Evangelie is zo kinderlijk eenvoudig. Op basis van die heel eenvoudige verkondiging durfde een apostel Paulus in een stad als Korinthe een gemeenten stichten door mensen te (laten) dopen en te beginnen met hen te onderwijzen in de ‘Bijbelse leer’. Mensen die nog zo in de kinderschoenen van het geloof stonden, dat ze zich eigenlijk nog niet als geestelijke mensen gedragen konden en waarom het hun eerste opdracht was om heel goed naar het onderwijs van de apostelen en hun medewerkers te luisteren. En die gebruikten bij dat onderwijs ook altijd weer al het oudtestamentische onderwijs (zie bijv. de verkondiging in Handelingen 13 de verzen 16-43).

Een gemeente in China of waar dan ook ter wereld, kan daarom op een vergelijkbare manier ook zo eenvoudig gemeente zijn, waar men leeft bij en van de verkonding van het Woord en gebed en waarvan de leden dat zelf ook dagelijks doen. Zo zijn toch ook de vroege gemeenten gegroeid en tot wasdom gekomen – al waren er helaas ook die na enige tijd verachterden in de genade – maar de gestage voortgang van het Evangelie is toen heel gewoon gebeurd door als gemeenten te leven van en bij het onderwijs van Gods Woord. En dat dus zonder dat ze daarbij gebruik konden of moesten maken van zorgvuldig opgestelde belijdenisgeschriften en/of ‘standaardwerken’ van knappe theologen en kerkvaders…

(1) De auteur is postdoctoraal onderzoeker Theologie en Ethiek van Kunstmatige Intelligentie aan de University of Edinburgh School of Divinity. Hij is tevens initiatiefnemer van een serie Chineestalige onderzoeken naar het Nederlandse neocalvinisme. Bron: christianitytoday.com
(2) Of kunnen we niet zonder die grote naam en faam en theologie van Bavinck om een breekijzer te zetten in de huidige visie(s) op wat orthodox gereformeerde theologie is en/of behoort te zijn binnen de Chinese kerken?
(3) Gisteravond verwees ds. Henk Poot in zijn lezing over Handelingen naar wat we lezen over de ontwikkelingen in de gemeente van Antiochië – daar waren veel Grieken tot geloof gekomen – en dan lezen we dat hij (Barnabas) zich verheugde over wat God daar in Zijn goedgunstigheid bewerkt had en de mensen aanspoorde om trouw te blijven. En dan gaat hij op zoek naar Paulus om de gemeente van Antiochië te helpen om zich verder te ontwikkelen als zelfstandige gemeente. Later zal Petrus zeggen: ‘God heeft blijk gegeven van zijn vertrouwen in de heidenen door hen de heilige Geest te schenken, net zoals Hij die ook aan ons (van geboorte Joden) geschonken heeft. Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, want hij heeft hen door het geloof innerlijk gereinigd. Waarom wilt u God dan trotseren door op de schouders van deze leerlingen een (‘Joods theologisch’) juk te leggen dat onze voorouders nog wijzelf konden dragen? Nee, wij (Joodse apostelen) geloven dat we alleen door de genade van onze Heer Jezus gered kunnen worden op dezelfde wijze als zij.’
We horen hier dus dat de hen geschonken heilige Geest, de apostelen alle reden gaf om de leden van de gemeente te Antiochië als volwaardige broeders en zusters te zien en aanvaarden. En Jakobus gaat er vanuit dat de gemeente in Antiochië zich beslist ook steeds weer zal willen laten onderwijzen uit het Oude Testament (Zie Handelingen 15 de vers 21). Het vertrouwen dat de vergadering in Jeruzalem de gemeente te Antiochië gaf, werd dus niet gebaseerd op en veiliggesteld met een ‘uitgebreide theologie’ verwoord in een te Jeruzalem opgesteld ‘belijdenisgeschrift’, dat vervolgens aan de gemeente in Antiochië ter ondertekening werd aangeboden. Maar Barnabas en Paulus en anderen met hen hebben er wel heel wat ‘catechetisch onderwijs’* gegeven… – zie Handelingen 11 de verzen 25-26 en 15 vers 35.

* In den vorm van vragen en antwoorden, gelijk in een catechismus; in den vorm van een gesprek; – de catechetische leervorm, leervorm waarbij onderwijzer en leerling beurtelings vragen en antwoorden.
NB. Vertelde Maarten Luther niet dat hij zelf ook altijd weer mee leerling werd wanneer hij bezig ging met het onderwijzen van Gods Woord aan de hand van de vragen en antwoorden van de door hem opgestelde Catechismus.

Bron citaten: RD Kerk & religie – ‘Theologie Herman Bavinck bevat drie lessen voor Chinese kerken’ – door Simeon Ximian Xu (3)

Bron afbeelding: SlideShare

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Met beide voeten in “de tekenen der tijden”‘…

‘Trek de wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden
tegen de listen van de duivel‘ (Uit Efeziërs 6 vers 11)

Geciteerd 1: De worsteling om de jeugd krijgt een merkwaardige belichting in de gelijkenis van de biddende weduwe (Lukas 18) en de onrechtvaardige rechter. Deze gelijkenis bevat niet alleen maar een algemene aansporing om aanhoudend te bidden. Ze heeft een bijzonder accent. Ze houdt ons voor wat speciaal de belangstelling moet hebben tegen – wat de Bijbel noemt – ‘het einde der dagen’.
Dat deze gelijkenis rechtstreeks verband houdt met ‘de wederkomst des Heren’, zal voor elke Bijbellezer zomaar duidelijk zijn. Want er gaat een uitvoerige beschrijving (in Lukas 17) aan vooraf hoe de wereld er uit zal zien aan de vooravond van de verschijning van Christus. Dan komt ineens deze gelijkenis, en daarop volgt dan direct: ‘Maar, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan geloof vinden op aarde?‘ (Lukas 18 vers 8 deels)

Geciteerd 2: De gelijkenis toont dan de worsteling en de verdrukking van de Kerk in het ‘laatst der dagen’. Want dat met die ‘weduwe’ de Kerk bedoeld wordt, die even eenzaam en onbeschermd in de wereld staat als de weduwe destijds, is zondermeer duidelijk. Dat de ‘tegenpartij(der)’ de Satan zelf is, die door zijn handlanger, de antichrist het bestaan van de kerk bedreigt is ook duidelijk. Wat niet gezegd wordt is, wélk onrecht de weduwe werd aangedaan, waarin de tegenpartij(der) haar speciaal wilde treffen. M.a.w. wat is de eigenlijke nood van de kerk in de laatste dagen?

Geciteerd 3: In 2 Koningen 4 is ook sprake van een weduwe, die in haar nood tot Eliza de toevlucht neemt, omdat de schuldeiser haar zonen tot slaven wilde maken. (…) Dát zal bij Jezus wederkomst de nood van de kerk zijn, dat de grote vijand z’n grijphanden uitsteekt naar en beslag gaat leggen op de jeugd. (…) Niet door knetterende commando’s maar door de glinstering van zijn cultuurrijk en betovering der zinnen zal de geslepenste dictator aller eeuwen de jeugd voor zijn zaak weten te winnen en hij zal ze in de waan brengen dat ze helemaal geen slavendienst verrichten…

In de gelijkenis van de biddende weduwe heeft Jezus de kerk willen aansporen, met dit geweldige jeugdprobleem te worstelen.

Geciteerd 4: Geplaatst in het hele verband van het betreffende gedeelte van het Lukas Evangelie betekent het, dat de kerk het geloof mist dat biddend worstelt om het behoud van de jeugd. Zij zal wel allerlei krampachtige pogingen doen om de jeugd erbij te houden. Maar zij zal dat niet biddend doen. Zij zal het dus ook niet gelovig doen. Dát betekent de vraag, of Jezus bij Zijn wederkomst ook geloof zal vinden. Hiermee staan we met beide voeten in de ‘tekenen der tijden’…

‘Laat u bij het bidden leiden door de Geest, iedere keer dat u bidt; blijf waakzaam en bid voortdurend voor alle heiligen. Bid ook voor mij, dat mij de juiste woorden gegeven worden wanneer ik verkondig, zodat ik met vrijmoedigheid het mysterie mag openbaren van het Evangelie waarvan ik gezant ben, ook in de gevangenis. Bid dat ik daarbij zo vrijmoedig spreek als nodig is.’ (Uit Efeziërs 6 de verzen 18-20)

Bron citaten: Boek ‘De Dag van den Zoon des mensen’ (derde druk, 1956) – door ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Dankbaar zingen van een genadig God’…

‘Wij verwachten vol verlangen de HEER,
Hij is onze hulp en ons schild’
(Uit Psalm 33 vers 20)

Geciteerd 1: Over het algemeen komt in het evangelische lied een beeld naar voren van de mens die het moeilijk heeft en troost zoekt in verdriet, pijn en moeite. Maar hij is tegelijkertijd een mens die door God onvoorwaardelijk wordt bemind, wiens zonden zijn vergeven, omdat Jezus alle zonden droeg. Daarom hoeft hij zich uiteindelijk geen zorgen te maken, want het komt goed. Hij is op reis naar de heerlijkheid. Het lied ”Een toekomst vol van hoop”, waar de auteur op wijst, is hier een sprekend voorbeeld van. „U heeft ons geluk voor ogen, Jezus heeft het ons gebracht.”

Geciteerd 2: Kortom, het beeld van Wie God is, wie ik ben en Wie Christus is, verschuift mee met de acceptatie van het evangelische lied en het verdringen daardoor van de psalmen. Wie zijn geestelijk leven door dit type lied laat stempelen, komt niet bij Luthers vraag „Hoe krijg ik een genadig God?” En wie zichzelf leert kennen als een verloren zondaar voor God, die worstelt om genade die hij niet kan pakken, vindt in eigentijdse opwekkingsmuziek weinig of geen herkenning.

Opgemerkt 1: Alhoewel ik het (leren) zingen van de psalmen verre de voorkeur geef boven allerlei moderne opwekkingsliederen, kan ik helaas ds. De Heer niet volgen en bijvallen in wat hij schrijft. Het is zelfs zo dat er in zijn beschrijving van het ‘evangelische lied’ meer overeenkomst met de moeite van de psalmdichters en de strekking en inhoud van de Psalmen te bespeuren valt, dan in zijn beschrijving in het tweede citaat.

Opgemerkt 2: In het tweede citaat helaas ook weer de ‘mythe’ dat Maarten Luther ons geleerd zou hebben om net als hij op zoek te gaan naar een genadig God tot ook wij Hem gevonden hebben. Alleen al uit het feit dat onze Heer Jezus Christus zijn discipelen uitzond om het verlorene te zoeken, zou hem kunnen doen beseffen dat Maarten Luther Gods Woord niet zo heeft misverstaan, op de manier zoals hij (en vele anderen in zijn kerkelijke kring met hem) de zaken (dé zaak van de Reformatie!) hier voorstelt. Ook de eerste Zondag van de Heidelbergse Catechismus is toch duidelijk genoeg om te kunnen beseffen dat de gedachte ‘Hoe vind ik een genadig God’ niet strookt met wat men in de tijd van de Reformatie – met Maarten Luther voorop – weer uit Gods Woord begrepen en elkaar en ook de kinderen geleerd heeft.

Opgemerkt 3: De Psalmen gaan (dus) niet over het soort van bekommerde zondaren/zielen, die geen enkel besef hebben van hoe God over hen denkt en die wachten op een genadig teken van God waaruit zij – liefst onweerlegbaar – voor hun eigen besef kunnen afleiden (vaststellen) – en ook aan anderen kunnen voorhouden – dat ze zich op grond daarvan als een voor eeuwig gered kind van God mogen beschouwen. Nee, de Psalmen gaan altijd over concrete schuld en moeiten en over een God Die Zijn kinderen hoort roepen; kinderen die hopen dat God hen tijdig ook weer van die schuld en uit die moeite(n) zal redden: ‘Kan het stof – hen die in het dodenrijk neergedaald zijn – u soms loven en getuigen van Uw trouw?‘ (Psalm 30 vers 10), houden ze God dan voor.

Opgemerkt 4: Natuurlijk kan je de Psalmen zo lezen en de berijmingen zo zingen, dat je de bovengenoemde opvattingen (zoals verwoord door ds. De Heer) erin meent te horen, en helaas gebeurd dat ook nog best veel. Maar (meer) moeite doen om de Psalmen te (doen) leren verstaan in hun ware Bijbelse bedoeling en toepassing en daarmee ook als geldig en heel bruikbaar in en voor onze tijd, dát kan ons helpen om het verlangen te doen groeien om het lezen en zingen van de Psalmen juist heel graag in praktijk te brengen! En dat niet vanuit en bepaalde nostalgie, vanwege het (vroeger) thuis zingen van de Psalmen en het omdat het samen zingen van de Psalmen in de eigen gemeente zo mooi klinkt en omdat er zulke mooie Psalmmelodieën zijn, maar omdat men ook werkelijk steeds dieper doordringt in wat de Psalmen ons te zeggen hebben als Woord van God, dat overal en altijd levend en krachtig wil en zal werken in onze harten en in ons samenleven als leden van de gemeente(n) van Jezus Christus in deze wereld.

Bron citaten: RD Opinie – ‘Psalmen bieden rijkste aanbidding’ – door ds. J. M. D. de Heer

‘Ja, om Hem is ons hart verblijd,
op Zijn heilige Naam vertrouwen wij.
Schenk ons Uw trouw HEER,
op U is al onze hoop gevestigd.
‘
(Uit Psalm 33 de verzen 21-22)

‘Want op U HEER, hoop ik,
Van U komt antwoord, mijn HEER en mijn God
.’
(Uit Psalm 38 – ‘Van David, een dringend gebed’ – het 16e vers)

Bron afbeelding: Bible Verses

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie