Prediker: God oefent gericht…

Ik zei tegen mezelf: Over de rechtvaardige en de onrechtvaardige zal God gericht oefenen, want er is voor elke zaak en voor elk werk een bestemde tijd.‘ (Uit Prediker 3 vers 17)

Geciteerd: Over de rechtvaardige en onrechtvaardige oefent God gericht; Hij is daarmee bezig en zet dat voort, en Hij brengt dat ten einde. Dit is een uitspraak van het geloof: het is niet te zien, de feiten onthullen zich nog niet. Het gericht is pas openbaar als eindgericht. Maar alle feiten gaan naar het eindgericht heen en lopen daarop uit: daarom is er in elk van de feiten een begin van eindgericht.

Wie aan dat geloof niet toekomt…

Zo kan het geloof de zin van de feiten onthullen. Wie aan dat geloof niet toekomt, kan niet meer zien dan dat er onrecht gebeurt op de plaats van het recht, en onrecht op de plaats van de gerechtigheid. Deze beide verschillen; voor de aandacht van de Qohèleth-gemeenschap mogelijk minder dan voor ons; maar ook haar leden zagen verschil – en verband. (1)

Dat wat kleiner wordt en óndergaat…

Het gericht Gods doortrekt de geschiedenis, Zijn ogen doorlopen de hele aarde. Deze belijdenis is tegengesteld aande mening van Hegel, dat de geschiedenis een gericht zou zijn omdat wat daarin ondergaat ook logisch verdient onder te gaan. Logisch en redelijk gezien verdiende Jezus Christus niet onder te gaan; en het heeft er veel van, dat wat in de geschiedenis kleiner wordt en óndergaat, dat meestal niet verdient: de grofheid van de grote macht doet al te vaak ondergaan wat verdiende voort te bestaan.

In de grote geschiedenis…

Het volk Israël wordt platgedrukt tussen de grootmachten. Het kleine Hellas wordt vertrapt door de soldatenlaars van Rome. De Roomse kerk blijft een wereldmacht, terwijl de kerken uit de reformatie niet alleen verdeeld zijn in landelijke kerken zonder veel samenhang, maar bovendien schisma op schisma beleven. Vaak is het een kleine rest die de geschiedenis voortzet.

Vandaag zijn de grote politieke machten, Rusland, Amerika en China, verzamelingen van volksverbanden die niet tot eenheid komen. Macht wint het verre van recht, en als er een historisch gevormde ondergaat, is dat niet redelijk of logisch en spreekt daarin geenszins een logica van de geschiedenis. Als er over enkele jaren alle politieke machten van de wereld een belangengemeenschap worden, spreekt daarin een logica van macht, waarbij kleine gemeenschappen vermalen worden. Het is geen logica van redelijkheid en menselijkheid.

Maar ook in de kleine geschiedenis…

Dit gaat door tot in de kleine geschiedenis van personen. In wetenschappelijke en artistieke scholen heerst niet minder tirannie dan in staten en imperia. De erkende leider gaat over lijken. Krampachtig houdt hij eenmaal gevormde macht vast, ten koste van anderen, van wie de wettige macht gering blijft of systematisch wordt afgebroken.

Daarin zien we voortdurend het werk van de onrechtvaardige; maar ook het werk van de verdrukte rechtvaardige. En door dit alles heen handhaaft zich Gods gericht. God oefent onophoudelijk en onvermoeibaar Zijn gericht dwars door het werk van onrechtvaardigen en rechtvaardigen, van onrechtvaardigen tégen rechtvaardigen heen. Want er is voor elke zaak en voor elk werk een bestemde tijd.

De onrechtvaardige machtgrijper moge menen, dat hij dan toch maar succes heeft; hij moge zijn dynastie of een school vestigen; maar hij vergist zich in zijn machtsbegeerte: hij doet precies wat God hem toestaat om te doen. De verdrukte en van zijn wettige plaats verdrongen rechtvaardige moge menen dat hem de ruimte voor zijn roeping ontgaat, maar ook hij vergist zich, want voor alle werk en elke zaak is er een bestemde tijd.

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

In hun hoogmoed vervolgen goddelozen de zwakken –
maak hen gevangenen van hun eigen plannen

De mens zonder God prijst wat hij najaagt,
als hij rijk is vervloekt hij de HEER.
Hij denkt in zijn waan: Niemand vraagt mij rekenschap.
Er is geen God maakt hij zich wijs.

Het gaat hem goed, wat hij ook onderneemt,
maar Uw verheven oordelen raken hem niet.
Zijn tegenstanders beticht hij van leugens,
Hij denkt bij zichzelf: Ik kom niet ten val,
nooit kan het kwaad mij deren.

(Uit Psalm 10 de verzen 2-6)

Bron afbeelding: SlideShare

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Daarom prees ik de doden gelukkig…

Ik zei tegen mezelf: God zal zowel de rechtvaardigen als de goddelozen aan Zijn oordeel onderwerpen, want er is bij Hem voor alles wat er gebeurt en voor elke daad een tijd en een plaats. Ik zei tegen mezelf dat God de mensen heeft bevoorrecht: ze beseffen dat ze als de dieren zijn, want de mensen en de dieren treft eenzelfde lot.
Zoals een dier sterft, zo sterft ook een mens; ze delen in dezelfde adem. Dat is hun beider lot. Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is leegte. Alles gaat naar dezelfde plaats, alles is uit stof ontstaan en alles keert terug tot stof. Wie zal ooit weten of de adem van een mens naar boven opstijgt en die van een dier afdaalt naar de aarde?
Daarom, zo heb ik vastgesteld, is het maar het beste voor een mens dat hij vreugde put uit alles wat hij onderneemt. Dat is wat hem is toebedeeld, want wie zal hem van iets laten genieten na zijn dood?‘ (Uit Prediker 4 de verzen 18-22)

Advies van een aristocratisch-individualistisch mens…

Geciteerd: De spreker die nu aan het woord komt (in 4 de verzen 1-3), is zeer onder de indruk van de kille levensbeschouwing van zijn voorganger. Hij is meer bewogen. Aansluitend bij het advies ‘er is niets beters dan dat de mens zich verheugt in zijn werken‘ stelt hij de vraag, in hoeverre dit mogelijk is. De koude aristocraat uit 3 de verzen 18-22 heeft zo maar even geponeerd, dat de mens zich verheugen moet in zijn werken. De bewogen spreker van 4 de verzen 1-3 werpt tegen, dat het overgrote merendeel van de mensen de gelegenheid daartoe niet heeft. Daarmee is de kracht van het aristocratisch-individualistisch advies vervallen.

Wat mij aangaat, ik aanschouwde alle onderdrukkingen die onder de zon geschieden: tranen der onderdrukten en zij hadden geen trooster; aan de zijde der onderdrukkers was macht, maar ze hadden geen trooster.‘ (Uit Prediker 4 de verzen 1-3)

Met deze woorden keert de spreker zich tegen die van 3 de verzen 18-22, en hij grijpt terug op wat de spreker gezegd heeft van 3 vers 16v: de geschiedenis is vòl van onrecht. Maar de troost en de moed van vers 16v heeft hij niet: hij kan niet nazeggen dat Gods gericht de geschiedenis doortrèkt: Dat heeft de spreker van 3 de verzen 18-22 hem definitief afgenomen. (1)

In de korte rede van 4 de verzen 1-3 is veel geestelijke armoede: deze spreker heeft zozeer gecapituleerd voor die eerdere woorden, dat hij de zin van het leven niet meer ziet: Daarom prees ik de doden gelukkig. Maar in meer dan één opzicht is de spreker van 4 de verzen 1-3 beter dan zijn voorganger: de man die de doden gelukkig prijst is geen individualist; hij heeft belangstelling voor het van de talrijke verdrukten; van kilheid is bij hem geen sprake, hij is diep aangegrepen door het lot van de talrijke verdrukten die onder de macht van weinig machthebbers zijn: hij is niet een koud mens zoals zijn voorganger.

Woorden van een socialist in de goede zin van het woord…

We zouden hem eerder een socialist in de goede zin van het woord kunnen noemen; hem ontbreekt het aristocratisme van de vorige spreker geheel. Dat zijn mooie trekken: anti-individualisme, warmte van gemoed, democratische gezindheid. Niettemin betekent de rede van 4 de verzen 1-3 een nieuw dieptepunt in het gesprek. Want de conclusie is: Daarom prees ik de doden gelukkig.

Degenen die het boek Prediker een pessimistisch boek noemen, kunnen zich vooral op 4 de verzen 1-3 beroepen. Daar komt bij dat dit gedeelte een heel weinig Joodse, maar integendeel een onmiskenbare Griekse klank heeft.

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: @PrimoBibleVerses


Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Wees zuinig met uw woorden in het Godshuis…

God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.
(Uit Prediker 5 uit de verzen 1-2)

Geciteerd 1: Het is niet de een of andere heidense eredienst waarbij de gespreksleider (1) zijn waarschuwende woorden laat horen in 5 de verzen 1-6. Zijn waarschuwen is hier tegen de verheidensing van heel de levenshouding, waardoor ook de wettige eredienst in Israël werd aangetast. Het lijkt allemaal wel wettig, in overeenstemming met Gods voorschriften in de Wet, maar het is onwettig: velen maken van ‘de eredienst’ een bijzonderheid, zelfs een vak. Dat brengt mee dat men vaardig wordt en in routine vervalt.

De gespreksleider wil er aan herinneren, dat die vaardigheid en routine niet deugen, omdat het Gods huis is waar men binnen is gekomen. Niet overijld, niet haastig; straks zal hij spreken over ‘ijdel verhaal van woorden‘, dat door onze Heiland genoemd wordt als typisch voor de heidense religie en cultus. Uw hart haaste zich niet: laat het geen ondoordachte gewoonte worden. Denk er aan dat God God is.

Zoals men (mogelijk nog) weet is het tweede deel van vers 5 met grote nadruk aangehaald door Karl Barth: hij moet er een spreuk in gehoord hebben, die de weg wijst voor een verantwoord theologiseren. Of hij zich geheel gehouden heeft aan de spreuk ‘laten uw woorden weinigen zijn‘, zou betwijfeld kunnen worden. Aan zijn religieuze ernst kan niét getwijfeld worden. En het eert hem ten zeerste, dat hij juist een woord uit Prediker 4 vers 175 vers 6 gekozen heeft: een hoogtepunt uit het boek Prediker; de rede immers, die eindigt met de samenvatting: ‘vrees echter God‘ en daarbij verwijst naar heel de mens.

Geciteerd 2: Tot ‘dwaze praat’ vervalt men in de kerk wanneer men daar niet behoedzaam, voorzichtig en zuinig is met woorden. ‘Veelheid van woorden‘ duidt op wanbeheer in het spreken. Wij dienen een verstandig beheer, een goed rentmeesterschap over onze woorden te voeren, vooral als het gaat over woorden die tot God gesproken worden, in gebed of in gelofte. De gespreksleider (1) heeft voortdurend de vreze des Heren op het oog, de zuivere en onbevlekte Godsdienst van heel de mens (Micha, Jakobus).

Geciteerd 3: De verijdeling van het leven kan niet uitblijven, als de mens zijn Godsdienst verijdelt. Doet hij dat, dan wordt hij een dwaas; dwaasheid in Israël is de goddeloosheid, de ongerechtigheid. Het is opmerkelijk, dat de gespreksleider déze weg wijst. Hij doet een sterk beroep op de wijsheid in Gods Verbond; een wijsheid die voor bijna alle sprekers (1) die tot dusver het woord gevoerd hebben, te hoog scheen te zijn: ze konden er niet bij, hoewel God die binnen hun bereik gesteld had.

Hoe zullen ze in hun samenspreken een weg naar de wijsheid vinden die naar de naam van de school de gemeenschap, ja de gemeentelijkheid doet vinden? Daarheen wil de gespreksleider de samensprekenden verwijzen. Hij bereikt heel weinig: in 5 de verzen 7-6 en 12 vinden we telkens de oude klachten terug, met een enkele maal een lichte opleving van de gedachte.

Geciteerd 4: Afval van het Bondsvolk is erger dan afvalligheid van de heidenen; en knoeien met de tempeldienst erger dan afgoderij. Indirect spreekt de gespreksleider hier (weer) over Gods Verbond. Waar de ernst zoek raakt, wordt het leven bedorven. In deze richting wil de gespreksleider het gesprek graag zien voortgezet. Het is de Godsdienst, de eredienst en de Openbaring die het volk zijn verloren eenheid kan teruggeven. Nu die eenheid zoek is, moet op deze manier de eenheid van het volk als gemeente teruggevonden worden: door onvoorwaardelijk de religieuze ernst te aanvaarden. Want het is de Here menens. Als men er een spelletje van maakt, kan men verwachten dat God daarvoor straffen zal.

Geciteerd 5: De discussieleider weet dus heel goed, wat het program van de school moet zijn. We verbazen ons erover, dat hij over het algemeen zo weinig kritiek heeft. Ieder doet zijn woord en spreekt zijn spreuk, en de gespreksleider weet heel goed dat ze beneden de maat van de vrome Israëliet blijven. Is er bij hem misschien iets teveel tactiek? Of zag hij de noodzaak om het religieuze duister zo duidelijk en zo diep mogelijk te laten tekenen?

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaat: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Broeders en zusters, u moet niet allemaal leraar willen zijn. U weet dat ons leraren een strenger oordeel te wachten staat. En hoe vaak struikelen we niet allemaal! Wie nooit struikelt in het spreken kan zich een volmaakt mens noemen, die in staat is zelfs het hele lichaam* in toom te houden.‘ (Uit Jakobus 3 uit de verzen 1-18 de verzen 1-2)
* Ook het Lichaam van Jezus Christus, Zijn Gemeente… (een onmogelijke opgave dus voor ons mensen!).

Bron afbeelding: SlidePlayer (Hearing and Doing the Word)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wie volhouden en volharden tot het einde…

Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.‘ (Uit Genesis 32 vers 26)

Ons grootste offer…

Geciteerd 1: Dit voorbeeld van Jakob leert ons dat het geloof niet moet opgeven maar moet volharden, zelfs als het niet alleen de dood en de zonde voelt, maar ook de toorn van God. En dat zijn de kracht en de sterkte van de Geest.
We moeten niet direct bij de eerste tegenslag alle moed en hoop laten varen, maar we moeten volhouden, bidden, zoeken en kloppen. En ook als het erop lijkt dat God van je weg wil gaan, houd er dan niet mee op, maar volg Hem steeds ijverig na, zoals de Kananese vrouw dat deed, voor wie Christus Zich niet heeft kunnen verbergen.
En als Hij Zich in het huis of de slaapkamer terugtrekt en niet wil hebben dat iemand bij Hem komt, ga dan toch niet weg, maar blijf Hem volgen. Als Hij niet naar je wil luisteren, klop dan op de kamerdeur en ga schreeuwen.
Want het grootste offer dat we kunnen brengen is dat we niet stoppen met bidden, maar blijven volhouden en zoeken, totdat we (met) Hem overwinnen en zegevieren.

Over de rechtvaardig en de onrechtvaardige zal God gericht oefenen, want er is voor elke zaak en elk werk een bestemde tijd.‘ (Uit Prediker 3 vers 17)

Wankel dan niet, want Hij staat vast…

Geciteerd 2: Door alle onrecht – ook in de kerk – heen verwezenlijkt God de Here Zijn recht. In Prediker 3 vers 14v en 16v beluisteren we een toon als in het einde van het boek Job: ‘Ik weet dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw plannen wordt verijdeld‘. Breder is deze gedachte uitgesproken in ‘Ik heb ingezien dat wat God doet voor eeuwig is‘: daarin wordt de onwankelbaarheid van Gods handelen beleden; niemand kan het veranderen door er iets aan toe te doen of er iets van af te halen, het blijft Zijn onwankelbaarheid handhaven. God Die boven de tijd verheven is, komt door Zijn bemoeienis-met-mensen in de tijd en werkt in de tijd ál Zijn plannen uit. Wie dat aanziet, krijgt de indruk dat het weinig sterk lijkt (1); maar het is onwankelbaar, er is niets aan toe of af te doen. En Hij doet dat opdat de mens vreze voor Zijn aangezicht: om de vreze des Heren* te vestigen op aarde.

Volmaakt betrouwbaar…

Want doordat Hij de onwankelbaarheid van Zijn doen betoont, weet de mens dat Hij betrouwbaar is, volmaakt betrouwbaar: aan wat Hij doet ontbreekt niets, er kan niets afgedaan of aan toegevoegd worden. De boven de tijd Verhevene schijnt wel zwak (1) te worden doordat Hij handelende de tijd in gaat, maar Hij blijft de Verhevene. Hij blijft de Betrouwbare en Getrouwe, en Hij daarin de Almachtige. Als de Here aan Abraham en aan Job Zijn onwankelbare trouw wil doen zien, verzekert Hij de Almachtige te zijn. Hij vindt voor Zijn trouw wegen die niemand had kunnen bedenken. We ontmoeten Gods Almacht uitsluitend op de wegen van Zijn trouw.

Groeien in gerechtigheid

Die onrecht doet, doet inderdáád onrecht, en zo iemand groeit in het onrecht doen: Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; en wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd, Openbaring 22 vers 11. Ook de rechtvaardige groeit in zijn gerechtigheid. Zijn recht wordt gebogen, de ruimte voor zijn taak wordt ingekort, maar hij doet precies zoveel als de Here wil, en het heeft ook dat effect dat de Here beraamd heeft.

* Zie Psalm 111 vers 10: ‘De vreze des Heren is het begin der wijsheidZijn roem houdt stand voor altijd.

(1) ‘… want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen. (Uit 1 Korintiërs 1 vers 25 en zie hierbij ook de verzen 30-31)

Bron citaat 1: checkluther-com – Meditatie 21 juni 2021 – Luther Heritage Foundation (Veenendaal)

Bron citaat 2: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

God is getrouw, Zijn plannen falen niet,
Hij kiest de zijnen uit, Hij roept die allen,
Die ’t heden kent, de toekomst overziet,
laat van Zijn woorden geen ter aarde vallen
en ’t werk der eeuwen, dat zijn Geest omspant,
volvoert Zijn hand.

(Gezang 304 vers 1, Liedboek voor de Kerken, 1973)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Maar vóór alle dingen’…

Het einde van alle dingen is echter nabijgekomen! Wees daarom matig en nuchter tot het gebed. Maar vóór alle dingen, heb vurige liefde onder elkaar; want de liefde bedekt tal van zonden.‘ (1 Petrus 4 de verzen 7-8)

Gevolgen van ruzie en tweedracht…

Geciteerd: Let vooral goed op dat jullie onder elkaar een oprecht en brandende liefde hebben. Petrus zegt immers al eerder dat boosheid en woede het gebed verhinderen (1 Petrus 3 vers 7). En in het Onze Vader bidden wij: ‘Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven.

Er is niets wat het gebed meer verhindert dan ruzie en tweedracht. Als man en vrouw met elkaar ruziemaken, kunnen zij onmogelijk nog bidden. (1) Daarom, bekommer je er niet over dat de paus en zijn monniken en priesters zo goed kunnen bidden [zogenaamd omdat ze niet getrouwd zijn]. Alles wat binnen het pausdom is kan toch al niet bidden [= ze weten niet goed te bidden – AJ]. Alleen zij kunnen (samen – AJ) bidden, die liefhebben.

Wrok koesteren…

Als je in je hart wrok tegen iemand hebt, is het al verloren. Want het Onze Vader heeft een drempel waar je niet zomaar overheen kunt stappen: ‘… zoals ook wij vergeven onze schuldenaren.‘ Wanneer ik dit zo uitspreek, en tegen enig mens een wrok heb, dan is mijn gebed al veroordeeld (1). Je ‘Onze Vader’ slaat je hier op de eigen mond: je zonden worden niet vergeven!

Vrij spel voor satan…

Daarom dringt Petrus aan op de liefde: wees vriendelijk of laat het bidden achterwege! (1) Als dit niet het geval is heeft de satan vrij spel, en je kunt niet tegen hem vechten. Petrus weet heel goed dat het tussen christenen niet altijd even goed verloopt. Het gaat ook vaak mis tussen echtgenoten. Al zijn ze nog zo heilig, er vallen toch over en weer boze woorden en verwijten.

Bij iedere staat, rang of stand komt het voor dat iemand iets doet of zegt waar een ander kwaad om wordt. Ja, dit leven draagt het met zich en het is nu eenmaal niet anders. Het maakt niet uit of je burger, burgemeester, baas, werknemer, huishulp of kind, bisschop of predikant bent, je krijgt toch met allerlei verschillende mensen te maken…

De liefde een ongekend (?) heerlijke zaak…

De liefde is zo’n ongekend heerlijke zaak, want zij bedekt alle zonden. Ook een ‘menigte van zonden’ zoals Petrus zegt.

(…) Ben je een christen, dan zal je ook wel mensen om je heen hebben die jou wat hebben aangedaan. Echter gooi de pot en de kan niet aan scherven. Bewijs liever dat de liefde een bedektster en vergeefster is van alle zonden. Wie deze kunst niet machtig is – die ‘kunst’ niet elke dag opnieuw ontvangen wil en ontvangt op het gelovig gebed (AJ) -, die weet ook niet wat liefde is. Bovendien kan zo iemand niet bidden. Arm mens!

(1) Opgemerkt AJ: Veelzeggend genoeg (ipv ‘vreemd genoeg’) wilde (kon!) mijn echtgenote niet meer samen met mij bidden in huis, zelfs ook niet alleen maar het Onze Vader. En, nog veelzeggender, zelfs ook leden van ‘het pastoraat’ van onze gemeente bleken steeds weer moeite te hebben met mijn verzoek om een (pastoraal) gesprek (thuis of bij hen aan huis) met elkaar te beginnen met het bidden van het ‘Onze Vader’ gebed.

Bron citaat: Boek – ‘Maarten Luther – Als goud door vuur beproefd‘ – door H.C. van Woerden (Den Hertog Uitgeverij)

En heb een goed geweten, opdat zij die over u roddelen als over misdadigers, te schande worden, omdat zij uw goede wandel in Christus belasterd hebben, Want het is beter, als het de wil van God is, dat u lijdt vanwege goeddoen, dan vanwege kwaaddoen.‘ (Uit 1 Petrus 3 de verzen 16-17)

Bron afbeelding: SlideServe

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Een ‘betere koning’, maar ‘de lateren’…

Beter is een arme, maar wijze jongeling dan een oude, maar dwaze koning. Want de eerste komt uit de gevangenis om koning te worden, hoewel hij onder het koningschap van de ander als een arme geboren was. Ik zag alle levenden onder de zon meelopen met de jongeling, de opvolger, die in de plaats van de ander zou treden, er was geen einde aan al het volk, aan allen aan wier spits hij stond. Maar de lateren vonden in hem geen vreugde.‘ (Uit Prediker 4 uit de verzen 13-16)

‘maar de lateren’…

In het begin ging het goed: Ik zag alle levenden onder de zon met de jongeling meelopen, er was geen einde aan al het volk. Maar dat blijft niet zo. Het kerkbijbeltje heeft als opschrift ‘volksgunst is ijdelheid’ – oppervlakkiger kan het haast niet. Want de rede in 4 de verzen 13-16 handelt helemaal niet over volksgunst en de eventuele ijdelheid daarvan; ze handelt over een oude zotte koning die wordt opgevolgd door een arme maar wijze jongeling.

Ze handelt over een land en volk, of over een kerk (gemeente), of een werkgemeenschap op een of ander gebied, die in nood en ellende verkeerde omdat de koning in zijn ouderdom een dwaas was geworden, die niet meer naar vermaan wilde luisteren en vond dat hij in ieder geval gelijk had en dat zijn ongerechtigheid hoe dan ook gerechtigheid moest heten.

Dat is een ramp voor dat land, die kerk (of gemeente), die werkgemeenschap. In 10 vers 16 lezen we ‘wee u o land, waarvan de koning een kind is‘; maar sterker nog klemt: wee u, o land, waarvan de koning een oude dwaas is.

Wanneer het land bevrijd is van de tirannie van zijn oude koning, die een dwaas werd, dan is het volk natuurlijk blij. En even natuurlijk, hoewel niet excusabel, is, dat het volk na verloop van tijd de nood van het leven onder de oude koning vergeten is.

Maar nu slaat de zo moedige spreker een zijweg in waardoor hij ons teleurstelt. ‘Maar de lateren vonden in hem geen vreugde; dus is ook dit ijdelheid en najagen van wind.‘ Blijkbaar is ook voor deze spreker de wijsheid van Gods Verbond te hoog. Hij verzeilt in de wateren van de gespreksopener (1 de verzen 1-11) (1) ; hij maakt melding van de terugkeer en de vermoeiende herhaling: onder de oude dwaze koning had het volk gezucht; nu heeft het een betere koning; maar de lateren vonden in hem geen vreugde.

Geen vreugde. Niet omdat hij een zot was geworden. Ook niet omdat volksgunst een voorlopige zaak is. Maar veeleer omdat ook een goed en wijs koning vaak dingen moet doen, waarover velen ontevreden zijn, hoewel ze niet zouden kunnen zeggen hoe het dan beter gedaan zou kunnen worden. Opnieuw klinkt het thema van de ijdelheid; en ook dit is geen slotwoord. Dat komt pas in Prediker 12 vers 13.

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Beroof de geringe niet, omdat hij arm is,
en vertreedt de ellendige niet als hij terechtstaat;
want de HEER zal hun rechtszaak voeren,
en hun berovers van het leven beroven.

‘(Uit Spreuken 22 de verzen 22 en 23)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker De oude dwaze koning, verzot op eigen verleden…

Beter een wijze jongen die van lage afkomst is dan een oude dwaze koning die zijn oren sluit voor goede raad.‘ (Uit Prediker 4 uit de verzen 13-16)

Geciteerd 1: Ook in de tekening van een oude dwaze koning hebben we met een typering te doen. De grote hoeveelheid pogingen in vroegere literatuur om in dit gedeelte een verwijzing naar historische figuren te zien, doet al begrijpen dat we met de verklaring deze kant niet op moeten.
De oude dwaze koning is hier een bekende figuur, die wij niet alleen in de politieke geschiedenis ontmoeten, maar ook in de (oude gevestigde) bedrijven en gemeenten/kerken, en in de gezinnen en families, in de scholen en in de kunst. Men kan hem zelfs ontmoeten in de wijsheids-school van de Qohèleth-gemeenschap.

De mogelijkheid is niet geheel uitgesloten, dat een van de samensprekenden ietwat gehinderd is door de werkwijze van de discussieleider. We mogen inderdaad constateren, dat de gespreksleider tot dusver maar heel weinig leiding heeft gegeven; straks wordt dat beter. De leider heeft gezien hoe moeilijk de onderneming was. Hij heeft ook begrepen, dat dit gesprek niet aan strenge regels gebonden mag worden. (1)

Geciteerd 2: Wat wil nu de spreker die handelt over de oude dwaze koning? Hij stelt een nieuw onderwerp aan de orde. Daarbij neemt hij een kloek afscheid van het benepen individualisme, dat kenmerkend was voor de spreker van 4 : 4-6, die van 4 :7v, en die van 4 : 9-12. Hij vraagt aandacht voor het volksverband zoals dat door een regerend vorst geleid wordt. Daarbij moge inbegrepen zijn, dat er ook buiten het staatkundige leiding wordt gegeven, zodat de aanduiding ‘oude dwaze koning’ ook overdrachtelijke toepassing toelaat.

Geciteerd 3: Prediker 4 vers 13 maakt melding van een oud en zot koning; dat klinkt onbarmhartig, en een knoeier zou hier van ‘liefdeloos‘ spreken, om te camoufleren dat hij zelf uit de leugen leeft (en allerlei liegen en bedriegen zijn nog steeds de werken van de duivel zelf). Maar de spreker van Prediker 4 de verzen 13-16 weet dat het zeer nodig is, te spreken over deze figuur: een oud en dwaas koning.

(…) Een oud en zot koning: hoe afschuwelijk is deze figuur; de man die veel en goed gewerkt heeft, maar oud geworden, de verworven macht niet meer wil loslaten, zodat die macht zelfs in tirannie verandert. Deze koning die er niet meer van weten wil om zelf nog terecht te worden gewezen, kijkt terug naar zijn edel verleden, dat er nu niet meer is, en rechtvaardigt zich door zijn vereenzelviging met zijn vroeger ik.
De oude koning praat iedere wandaad goed op grond van zijn vroegere trouw en ziet eraan voorbij dat zijn heden geen trouw meer kent. Misschien is deze oude koning ziek; en dan vertrouwt hij op de ‘heelmeesters’. Hij leeft echter uit louter leugen, want hij denkt zich terug in vroeger gerechtigheid, terwijl zijn heden ongerechtigheid is. Vroeger werd hij vervolgd, nú vervolgt hij zelf.

Geciteerd 4: De man die dit onderwerp aan de orde stelt is een man die veel gezien en begrepen heeft. Hij weet van leidinggevenden, bij wie de ouderdom in dwaasheid ondergaat. Het is niet te zeggen hoeveel kwaad juist deze mensen doen. We mogen deze spreker dankbaar zijn. Hij komt er niet uit, zijn woord mag geen slotwoord zijn. Maar hij heeft veel begrepen, Meer bewust dan vele andere sprekers, maakt hij het duister openbaar.

Geciteerd 5: De woorden ‘zot‘, ‘dwaas‘, ‘zotheid hebben in het Oude Testament en speciaal in de wijsheidsboeken een zware klank. De zot is de goddeloze, die op zich zelf vertrouwt, die zichzelf het leven wil geven. Hij is ‘wijs bij zichzelf‘.
Graag trekt zo iemand er een vroom gezicht bij, want hij is verzot op zijn eigen verleden: toen was hij klein in eigen ogen, toen was hij inderdaad trouw, omdat God hem trouw maakte. Maar hij heeft zich op zijn oude dag de trouw uit zijn jeugd toegeëigend, alsof hij zichzelf trouw had gemaakt.

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Een verstandig mens wordt meer geraakt door één verwijt,
dan een dwaas door honderd slagen.

(Uit Spreuken 17 vers 10)

Bron afbeelding: Scripture Media – Savior Connect

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Een ernstig vermaan en gebed tot slot…

De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.
(Psalm 23 : 1)

Van dr. Maarten Luther (1536)
Op een avond na gebed aan de eettafel uiteengezet.

Psalm 23 (31)

Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven;
ik zal in het huis van de HEER verblijven
Tot in lengte van dagen
.
(Psalm 23 vers 6)

Geciteerd: Omdat de duivel nooit ophoudt de gelovigen te kwellen – innerlijk met angst, uiterlijk met de listen van valse leraren en de macht van de tirannen – vraagt de profeet hier aan het einde met diepe ernst dat God, Die hem deze schat heeft gegeven, hem er ook tot het einde toe bij zal bewaren. Hij zegt: “O, moge de dierbare God Zijn genade schenken, dat goedheid en barmhartigheid alle dagen van mijn leven mij zullen volgen en dat Hij spoedig zal openbaren wat Hij goedheid en barmhartigheid noemt”, dat wil zeggen, dat hij voorgoed zal mogen wonen in het huis van de Heer.
 
Het is alsof hij wil zeggen: “Heer, U bent deze zaak begonnen. U hebt mij Uw heilig Woord gegeven en mij ontvangen onder degenen die Uw volk zijn, die U kennen, U prijzen en grootmaken. Blijf Uw genade schenken, opdat ik bij het Woord blijf en nooit meer gescheiden zal worden van Uw heilig Christenvolk.” Zo bidt hij ook in de zevenentwintigste Psalm (Psalm 27 : 4): “Eén ding”, zegt hij, “heb ik van de Heer gevraagd, dit zoek ik; te wonen in het huis van de Heer al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid van de Heer  te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel.

Zo leert en vermaant de profeet hier alle gelovigen door zijn voorbeeld om niet zelfvoldaan, trots of aanmatigend te worden, maar te vrezen en te bidden dat zij hun schat niet zullen verliezen. Een dergelijke ernstige vermaning zou ons echter werkelijk moeten opwekken en wakker maken om ijverig te bidden. Gezegende David, een profeet verlicht met allerlei goddelijke wijsheid en kennis en begiftigd met zoveel soorten grote en schitterende gaven van God, bad vaak en zeer ernstig of hij in het bezit zou mogen blijven van de zegeningen van God.

Wij, die in vergelijking met David beslist als niets moeten worden beschouwd en die bovendien in de laatste dagen leven – en dat is, zoals Christus en de apostelen ons vertellen, een vreselijke en gevaarlijke tijd – zouden ons veel meer moeten inspannen om te waken en met alle ernst en ijver te bidden dat we alle dagen van ons leven in het huis van de Heer mogen blijven, dat wil zeggen, dat we Gods Woord mogen horen, waardoor we de vele soorten zegeningen en vruchten ontvangen zoals die eerder hier werden genoemd en dat we in dat gehoor geven aan Gods Woord blijven volharden tot het einde. Moge Christus, onze enige Herder en Verlosser, ons dit schenken! Amen.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 51, S. 271 ev (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 12, p. 147 ev)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Moge de God van de vrede, Die onze Heer Jezus, de machtige Herder van de schapen, door het bloed van het eeuwig verbond uit de wereld van de doden heeft teruggebracht, u toerusten met al het goede, zodat u Zijn wil zult doen. Moge Hij in ons datgene tot stand brengen wat Hem welgevallig is, door Jezus Christus, aan Wie de eer toekomt, tot in alle eeuwigheid. Amen.
(Uit Hebreeën 13 de verzen 20-21)

Bron afbeelding: Heartlight

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Wat ‘nut ons’ dit Bijbelboek…

Niets nieuws onder de zon…’ (Uit Prediker 9 uit de verzen 9-11 )

Geciteerd: Vergeten we niet dat hier een werkgroep van vrome Joden aan het werk is (1). De Godvrezende Jood weet van Gods grote daden in het verleden, en hij weet van een glorieuze toekomst. Maar de eerste spreker zegt dat de ervaring dit niet oplevert. Het verleden, voor zover ietwat bekend, levert geen nieuwheid van leven; de toekomst zal dat ook niet kunnen doen, omdat de geschiedenis ‘onder de zon’ niets uit zich kan voortbrengen wat die geschiedenis nu waarlijk tot geschiédenis zou maken.
Later zal een andere spreker hierop aansluiten, zeer kritisch: de goddeloosheid zal haar bedrijvers niet vrijlaten, 8 vers 8.

Tegen gangbare mening(en) in

Nu moeten we hierbij twee dingen bedenken. Ten eerste dat de gangbare mening, dat het boek Prediker zoals alle wijsheidsboeken praktische wijsheid geeft en bijv. geen theoretische wijsbegeerte, berust op een bedenkelijke verenging van gedachte. Want er is niet een beperkt gebied dat we het ‘praktische leven’ zouden kunnen noemen, en daarbuiten een ander terrein dat we ‘het theoretische leven’ zouden mogen noemen. Iets dergelijks is indertijd door Aristoteles geleerd in zijn idee van de bios theoorètikos, maar die leer is duidelijk heidens, d.i. in strijd met de leer van de Schriften.

Het is waar dat deze aristotelische wijsheid diep is ingedrongen in de geschiedenis van het Christendom en haar in zoverre heeft vervalst; maar de aard van het Christelijk geloof verdraagt geen inperking van het praktische. De praktijk is overal: in de gezinnen en in de scholen, in de kunt en wetenschap, in de politicologie niet minder dan in de zogenaamde praktische politiek. Men spreekt, omgekeerd, van ‘het systeem der wet’, terwijl de positieve wet toch niet een rechtstheoretische figuur is.

Ieder die wetenschap beoefent, verkeert in de praktijk van de wetenschap, zoals het woord ‘beoefenen’ reeds ondubbelzinnig bewijst. ‘In beoefening brengen’ is synoniem met ‘in praktijk brengen’. Zegt men dat het boek Prediker geen filosofie geeft, dan is dat slechts in zekere zin waar. De auteurs beschikken niet over een uitgewerkt wijsgerig termenapparaat, noch over een systematisch geordend begrippenstelsel. Maar het begin van elke wijsbegeerte is noch systematisch noch theoretisch.

Wijsgerige geloofsbelijdenis blijft steeds het eigenlijke…

Het merendeel van wat in de geschiedenis van de wijsbegeerte te vinden is, toont geen systematische of theoretische uitwerking. De wijsgerige geloofsbelijdenis blijft steeds het eigenlijke in elke filosofie: men zou een wijsbegeerte heel wel kunnen benoemen als niets anders dan de ontvouwing van haar – uiteraard bovenwetenschappelijke – filosofische geloofsbelijdenis. Om die reden is het zo vreemd nog niet, het boek Prediker een wijsgerig boek te noemen. Alle vitale vragen van de filosofie komen er in aan de orde.

Zoals we in de Bijbel poëtische en historische boeken aantreffen, zo ontmoeten we ook enkele filosofische boeken. Het heeft geen goede zin, hiertegen aan te voeren dat de Schrift geen wijsbegeerte levert. Dat is natuurlijk waar, zoals het ook waar is dat de Schrift geen geschiedenisboek en geen liederenbundel is. Onder de Psalmen vinden we er enige, die dermate didactisch zijn dat we ze kunnen vergelijken met de uit de geschiedenis van de wijsbegeerte bekende filosofische poëmen.

Als Woordopenbaring is de Bijbel als boek van Bijbelse geschiedenissen tevens méér dan geschiedenisboek, maar het historische element ontbreekt zelden. Psalm 51 geeft ons een kijk op de persoonlijke levensgeschiedenis van koning David en op de geschiedenis van zijn volk. Psalm 119 is minstens zo sterk levensbeschouwelijk als het boek Job. Het historische boek Daniël is even sterk episch.

De literatuurwetenschappelijke indelingen en vakjes hebben weinig meer dan voorlopige, zeer voorlopige waarde. De kwestie van de genres in de literatuur is steeds een heet hangijzer, maar wat betreft de Bijbelboeken is ze dat wel heel erg. Wat men aan de weet gekomen is omtrent de structuur van de Evangeliën spot als het ware met elke indeling in genres. De brieven van Paulus zijn ten dele losse aantekeningen en samenvattingen voor de catechisatie, en op eens ontmoeten we een zuiver gedicht, 1 Korintiërs 13.

Heel het mensenleven op het oog…

Als we de term ‘praktische wijsheid’ in beperkende manier verstaan (opvatten), zien we niet meer wat de praktijk betekent en gaan we naar aanleiding van die beperking het Bijbelwoord inkorten en verminken in onze exegetische pogingen. De wijsheid van Prediker is nuttig tot onderwijzing en opbouwing van geheel het mensenleven; voor de politiek niet minder dan voor het gezinsleven, voor de bedrijven niet minder dan voor de wetenschappen.

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Uw richtlijnen zijn voor mij een wonder,
daarom volg ik ze met heel mijn hart.
Als Uw woorden opengaan, is er licht
en inzicht voor de eenvoudigen.

(Uit Psalm 119 de verzen 129-130)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Geen Joods (of ‘Gemeentelijk’) cultureel zelfbehagen…

In deze hoop zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waar we op hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? Maar als we hopen op wat onzichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden.‘ (Uit Romeinen 8 de verzen 24-25)

Geciteerd: Wanneer de auteurs van Prediker zeggen (1 vers 13) dat het onderzoek van de geschiedenis een kwade bezigheid is, dan zeggen ze dat met oog op de Verbondsgeschiedenis. Ze hebben weet van het werk van ‘Mozes en de profeten’. Ze hebben weet van de grote daden van God in de heilsgeschiedenis. Maar ze komen, hier tenminste, zelfs niet toe aan de klacht van Gideon: ‘Och, mijn heer, als de Here met ons is, waarom is dit alles ons overkomen? Waar zijn al de wonderen waar onze vaderen ons vertelden, als ze zeiden: Heeft de Here ons niet uit Egypte geleid? Maar nu heeft de Heer ons verstoten.‘ (Richteren 6 vers 13).

Qohèleth heeft wel de gestemdheid van Gideon, maar is daarin zoveel dieper verzonken, dat hij van de grote daden van God niet eens melding maakt, tenzij indirect in het thema van het ijdele. Hij vestigt alle aandacht op het feit, dat de ‘medewerkers van God‘ behoren tot het ijdele.

Daarom is het een onzalige (uiterst pijnlijke) moeite, de geschiedenis te onderzoeken, en wie wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart. De samensprekenden (1) zien achter zich liggen de tijd van de uittocht, de afgoderij in de woestijn (Amos 5 vers 25v), de talloze afdwalingen in de tijd van de richters, het heidens koningschap van Saul, de zonden van David en Salomo, de scheuring van het rijk, de ballingschap, de terugkeer en het uitdoven van het ‘reformatorisch vuur’ na de terugkeer. Alle daden die onder de zon verricht worden – zie, alles is ijdelheid en het najagen van wind. Waar is heel de heilsgeschiedenis (=Kerk/Gemeente-geschiedenis) op uitgelopen?

De auteurs van het boek van de Gemeente staan zo ver mogelijk af van het culturele zelfbehagen van de latere Farizeeën en Saduceeën, waarvan ze mogelijk in eigen tijd de eerste tekenen al van hebben gezien. Geheel vreemd is aan het boek Prediker de gestemdheid van die Abrahamskinderen, die menen in zich zelf iets te zijn. Terugziend op het verleden, in zoverre het door mensen is gemaakt, zeggen ze: dit is te weinig, dit schiet verre tekort.

Later zal een andere spreuk gezegd worden: Ik weet wat God doet in eeuwigheid zal bestaan, daar is niet toe te doen en daar is niet af te doen. We komen straks dit woord in zijn eigen verband tegen, en moeten nu volstaan met er even naar te verwijzen als het toekomstige in dit gesprek, waarheen het gedeelte waarin we nu bezig zijn (1 vers 13-18) naar op weg is.

(Wordt vervolgd!)

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.
(2) Zie hierbij ook Spreuken 30 de verzen 5-6 en Openbaring 22 de verzen 18-19.

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: Creativity Jar

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie