Wat te doen op ‘Grote Verzoendag’…

(…) 26 De HEER zei tegen ​Mozes: 27 ‘Neem dit in acht: De ​tiende dag van de zevende maand​ is het ​Grote Verzoendag, een dag die jullie als ​heilige​ dag samen moeten vieren. Jullie moeten die dag in onthouding doorbrengen en de HEER een offergave aanbieden. 28 Je mag dan geen enkele bezigheid verrichten, want het is ​Grote Verzoendag, waarop voor jullie ten overstaan van de HEER, jullie God, de verzoeningsrite zal worden voltrokken. 29 Wie deze dag niet in onthouding doorbrengt, zal ​uit de gemeenschap​ gestoten worden. 30 Wie die dag enige bezigheid verricht, zal ik zelf ​uit de gemeenschap​ wegvagen. 31 Je mag die dag geen enkele bezigheid verrichten; deze bepaling geldt voor jullie voor altijd, generatie na generatie, waar je ook woont. 32 Het zal voor jullie een dag van volstrekte rust zijn, die je in onthouding moet doorbrengen. Deze dag moet in volstrekte rust worden doorgebracht, vanaf de avond van de negende dag van die maand tot aan de avond daarop.’ (Uit Leviticus 23)

Leren/weten wanneer je wat doen of juist laten moet…

(…) 38 Toen ze verder trokken ging Hij een dorp in, waar Hij gastvrij werd ontvangen door een vrouw die ​Marta​ heette. 39 Haar zuster, ​Maria, ging aan de voeten van de ​Heer​ zitten en luisterde naar Zijn woorden. 40 Maar ​Marta​ werd helemaal in beslag genomen door de zorg voor haar gasten. Ze ging naar ​Jezus​ toe en zei: ‘Heer, kan het U niet schelen dat mijn zuster mij al het werk alleen laat doen? Zeg tegen haar dat ze mij moet helpen.’ 41 De ​Heer​ zei tegen haar: ‘Marta, ​Marta, je bent zo bezorgd en je maakt je veel te druk. 42 Er is maar één ding noodzakelijk. ​Maria​ heeft het goede deel gekozen, en dat zal haar niet worden ontnomen.’ (Uit Lucas 10)

Niets zelf verworven…

(…) U moet namelijk uit ons voorbeeld deze regel leren: houd u aan wat geschreven staat. U mag uzelf niet belangrijk maken door de een te verheerlijken boven de ander. 7 Wie denkt u dat u bent? Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op alsof u het zelf verworven hebt? 8 Maar natuurlijk – u bent al helemaal verzadigd, u bent al rijk, u bent al koningen geworden zonder ons. Was u maar koningen geworden, dan zouden wij het ook zijn. (Uit 1 Korintiërs 4)

(…) 9 Want in Hem is de goddelijke volheid lichamelijk aanwezig, 10 en omdat u één bent met Hem, het hoofd van alle machten en krachten, bent ook u van Die volheid vervuld. 11 In Hem bent u ook ​besneden, niet door mensenhanden, maar met de ​besnijdenis​ van ​Christus, door het afleggen van het aardse lichaam. 12 Toen u gedoopt werd bent u immers met Hem ​begraven, en met Hem bent u ook tot leven gewekt, omdat u gelooft in de kracht van God die Hem uit de dood heeft ​opgewekt. 13 U was dood door uw ​zonden​ en door uw onbesneden staat, maar God heeft u samen met ​Christus​ levend gemaakt toen Hij ons al onze ​zonden​ kwijtschold. 14 Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd door het aan het ​kruis​ te nagelen. 15 Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, Hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in ​Christus​ over hen getriomfeerd. (Uit Kolossenzen 2)

Zie ook:  Brief, zegel en bevel…(I) en Brief, zegel en bevel…(II)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Brief, zegel en bevel… (II)

(…) 19 Het is God die door ​Christus​ de wereld met Zich heeft verzoend: Hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. En ons heeft Hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd. 20 Wij zijn gezanten van ​Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens ​Christus​ vragen wij: laat u met God verzoenen. 21 God heeft Hem die de ​zonde​ niet kende voor ons één gemaakt met de ​zonde, zodat wij door Hem ​rechtvaardig​ voor God konden worden. (Uit 2 Korintiërs 5)

De Evangelieverkondiging, van de apostelen aan de ‘heidenen’, hen dopen en samen met hen het Avondmaal vieren in de (ter plaatse gevormde) gemeente van Jezus Christus, en m.n. de plaats van de doop daarin zouden we met onderstaande woorden kunnen omschrijven om de plaats van de doop daarin te verduidelijken.

Mensen het goede nieuws dat wij u verkondigen dat is dat onze grote Koning alle mensen en dus ook ons allen – jong en oud! – zoals wij hier aanwezig zijn, heeft vrijgekocht uit de slavernij waarin wij verkeerden. Wij zijn niet langer slaven meer, want de prijs die voor ons is betaald, is zo hoog geweest dat het aan iedereen duidelijk kan en moet zijn dat onze oude slavenmeester geen enkel recht meer op ons kan doen gelden. Onze Koning heeft Zijn Zoon gestuurd om die prijs voor ons te betalen en onze oude slavenmeester had het nakijken, want toen de prijs betaald was heeft onze Koning Zijn Zoon aan Zijn rechterhand gezet om nu over alle vrijgekochten te heersen als Koning.

En nu stuurt hij ons apostelen als Zijn gezanten om ieder dit goede nieuws bekend te maken en op te roepen om een nieuw bestaan te beginnen dat past bij wie onze nieuwe Meester/Koning is.  Wij mogen ieder het zegel opdrukken dat de Koningszoon ons ter hand heeft gesteld. Het is een zegel waarmee Hij garandeert dat u altijd bij de Koning terecht zult kunnen en dat Hij, als Koningszoon, voor u zal instaan bij onze Koning.

Onze Koning zal u vanwege dit stempel ontvangen en aanhoren en behandelen als Zijn kinderen, ja, alsof u Zijn eigen Zoon bent. Laat u dus dit stempel opdrukken, dit kost u niets en u hoeft er niets voor te doen of mee te brengen, maar het zorgt ervoor dat u direct en altijd weer met een gerust en verzekerd hart – alsof u Zijn eigen Zoon bent – zult kunnen aankloppen bij en spreken met onze Koning.

Laten daarom degenen die zich dit zegel willen laten opdrukken nu maar naar voren komen zodat wij ze van dit zegel kunnen voorzien.

Nu u zich dusop grond van wat wij u hier in Zijn Naam verkondigd hebben en vanwege het u opgedrukte zegelin de vrijheid weet gezet en u dus beseft dat u niet meer leeft onder het recht en het bewind van onze oude slavenmeester en u dus ook niet meer naar zijn eisen en bevelen hoeft te luisteren en te handelen, roepen wij u op om helemaal te breken met uw oude manier van leven en wel door te gaan leven naar wat de Zoon van onze Koning ons bekend heeft gemaakt over het leven zoals dat aan het hof van Zijn Vader de (liefdes)eis en gewoonte is. Onze koning en Zijn Zoon zijn geen leugenaar en bedrieger zoals onze oude slavenmeester: U bent gered uit de handen van uw oude meester en u bent nu eigendom van ons Koningshuis, u mag leven als Koningskinderen. Niemand kan u dat meer afnemen!

En alhoewel wij nu in ons bestaan hier op deze aarde nog niet direct zo liefdevol en vrij en onbelemmerd zullen kunnen leven als later aan Zijn hof, zoals ons dat is ons toegezegd, toch kunt en dient u met dat nieuwe leven naar Zijn wil in uw huidige bestaan al wel beginnen door u af te wenden van de dingen die u gewend was om te doen en te vereren in uw vroegere slavenbestaan, en door uw oor steeds weer te luisteren te leggen bij het onderricht dat wij van Zijn Zoon ontvangen hebben en dat wij aan u zullen doorgeven.

Dat onderricht en het nieuwe leven dat daar bij hoort, dat ontvangt u wanneer u gaat samenleven met al die mensen die zich al eerder of zojuist hebben laten dopen. Alleen zó – samen met hen – zult u in staat zijn om te gaan begrijpen wat uw vrijgekocht zijn allemaal behelst en hoe dat nieuwe leven aan te leren en in praktijk te brengen valt. Dat lukt u dus beslist niet zonder het onderricht van onze Koning en alles wat wij u daarover bekend zullen maken en ook niet zonder al die anderen.

Dat samen onderricht en versterking ontvangen, dat doet u vooral ook door wekelijks samen te komen voor het nodige onderwijs en ook door daar dan met elkaar een door de Zoon bevolen maaltijd te houden. Hij heeft ons belooft in die samenkomsten ook altijd middels Zijn Gezant daarbij aanwezig te zullen zijn, zodat u daar ook werkelijk allemaal door een lid van ons Koningshuis (‘Koninklijke Familie’) aangemoedigd en versterkt zult worden.

En, tot slot, nogmaals, wat Hij ons gezegd en belooft en bevolen heeft, dat is allemaal geheel vast en zeker, daarvan kunt u zich steeds weer overtuigen wanneer u blijft bij het Woord van onze Koning, dat u door ons verkondigd is en wordt.

Zie ook:  Brief, zegel en bevel…(I) en Wat te doen op ‘Grote Verzoendag’…

(…) 1 Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de ​goedheid​ die hij U bewijst niet tevergeefs zijn. 2 God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister Ik naar je, op de dag van de redding help Ik je.’ Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding. (Uit 2 Korintiërs 6)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Brief, zegel en bevel…

O, Timotheüs! bewaar het pand u toevertrouwd.‘ (1 Timotheüs 6 : 20)

Zonder ons toedoen…

De hemel is ons zonder ons toedoen gegeven en geschonken, want we hebben er niets voor gedaan of kunnen doen. Christus, onze Heere, heeft ons gekocht met de dure prijs van Zijn bloed.

Daarvan hebben wij brief en zegel. De eeuwige onwankelbare belofte van het Evangelie is de brief, en het zegel is dat wij gedoopt zijn en naar Christus bevel – als wij onze zwakheid en nood voelen – Zijn lichaam en bloed ontvangen in het Avondmaal.

O God, geef nu genade en hulp! Dat wij de brief goed bewaren, zodat de duivel deze brief niet uit onze hand trekt en verscheurd. Dat is, dat wij in voorspoed niet zelfverzekerd en in tegenspoed niet wanhopig of moedeloos zijn, maar steeds in godsvrucht leven, volharden in het geloof en bij de belijdenis van Jezus Christus blijven.

O, dat wij het heilige Onze Vader altijd met mond en hart bidden en God smeken dat Hij omwille van Zijn lieve Zoon, ons en onze kinderen bij de zalige leer van het Evangelie wil bewaren.

Maarten Luther: Bibel- und Bucheinzeichnungen, vgl. WA 48, 227, 10-22

Bron tekst:  checkluter.com  – Maarten Luther, Uit de diepten roep ik tot U.  Dagboek bij de Bijbel (uitg. Den Hertog, Houten)

Citaat: „Op de vraag van de Moorman wat hem verhinderen zou gedoopt te worden, antwoordt Filippus dat het geoorloofd is als hij van harte gelooft. Ook Cornelius, Lydia en de cipier van Filippi worden gedoopt nádat zij het Evangelie van Christus ontvangen hebben.”

Opgemerkt AJ: Het zou wel een heel vreemde gang van zaken zijn geweest wanneer de evangelie-verkondigers volwassen mensen hadden gedoopt zonder dat ze hen eerst het Evangelie verkondigd hadden. Maar ze doopten zó kort/snel/vroeg na hun verkondiging dat we niet om de conclusie heen kunnen dat de doop hen bediend werd op grond van de overtuiging van de apostelen dat zij de doop mochten bedienen aan de hoorders, wanneer  zij daar gelovig op reageerden en dus geen bezwaar hadden/maakten om het door de apostel(en) verkondigde evangelie te laten bezegelen met de doop, waar de apostelen zo bij hen op aandrongen! Lees het maar weer na.

  • Handelingen 2: “Laat u dopen“, “Laat u redden“, “want voor u zijn de beloften en voor uw kinderen“, zie Handelingen 2 : 38-40, er werden die dag drieduizend mensen (waaronder gezinnen met kinderen, dat kan niet anders) gedoopt en de wens (!) om gedoopt te worden zal voldoende zijn geweest na die toespraak/verkondiging (!)
  • Handelingen 8: De kamerling uit Morenland vraagt aan Filippus of hij dan niet (ook) gedoopt mag worden en dan is het nog niet eens zeker of Filippus die vraag over het geloof nog gesteld heeft of dat hij die direct al bevestigend heeft beantwoord. Maar de vraag om gedoopt te mogen worden legde deze Moorman voor aan Filippus. Zijn reactie zou/moest de doorslag geven!
  • Handelingen 10: Al tijdens de toespraak van Petrus daalde de heilige Geest neer, niet alleen op de gelovige Cornelius maar op allen die in zijn huis naar de toespraak luisterden en zij worden allemaal gedoopt. Niet nodig om de mensen nog op hun geloof te bevragen bij deze doop. Alles geschiedde al van Gods kant! Petrus kon/mocht het alleen nog maar bezegelen met de doop.
  • Handelingen 16: Lydia neemt de verkondigde woorden aan en zij en haar huis worden (op aandringen!) van de apostel Paulus (en zijn medewerkers) gedoopt en de vraag ‘als u er van overtuigd ben dat ik in de Heer geloof‘ horen we Lydia stellen na haar doop! Dat zou toch een totaal overbodige vraag moeten zijn (zo kort) na haar doop?!
  • Handelingen 16: De gevangenbewaarder is nog niet van de schrik bekomen, de apostelen zijn nog niet behandeld aan hun wonden, het is nog midden in de nacht en toch geven ze op dat moment al antwoord op zijn bange vraag en verkondigen hem en al de daar aanwezige en natuurlijk ook geschrokken huisgenoten het Evangelie. En dan nemen ze eerst nog tijd om hun dopers de wonden schoon te maken en dan worden allen daar gedoopt op het aandringen/gezag en het geloof van de apostelen en het prille geloof van de zich haast doodgeschrokken gevangenbewaarder.

Conclusie: De doop in het Nieuwe Testament is een ‘zuigelingendoop’, de gedoopten moesten nog (verder) onderwezen worden in wat hen verkondigd en aan hen bezegeld was. De doop was een bezegeling van de verkondiging van het Evangelie en het (daarin toegezegde) werk van de heilige Geest, geen bezegeling van hun geloof! En voor een in de gemeente gedoopte baby ligt het bij de doop niet anders!

NB. De geloofsdoop (als we een doop ooit zo zouden zouden kunnen noemen) kwam veel later, toen mensen zich wel bij een gemeente aansloten, maar pas na langere tijd besloten (en/of toestemming verkregen) om zich te laten dopen, omdat ze meenden uit allerlei zaken in Gods Woord of bij/van zichzelf de conclusie te mogen trekken dat ze hun geloof wel aan zichzelf konden laten bezegelen door de doop. Maar dan mis je juist alle troost en houvast van dit sacrament, want die zekerheid zocht en vond (en vindt) men blijkbaar juist buiten de doop om…

Bron citaat: „Geloofsdoop geldt in het Nieuwe Testament als dé doop” – Redactie kerk (RD Kerk & religie, 20-08-2019)

Zie ook:  Brief, zegel en bevel…(II) en Wat te doen op ‘Grote Verzoendag’…

(…) In de ark werden slechts enkele mensen, acht in totaal, van de watervloed gered, 21 en dat water is een voorafbeelding van het water van de doop, waardoor u nu wordt gered. De doop wast niet het vuil van uw lichaam, het is een vraag aan God (‘stempel van’ bede/voorspraak van Christus op uw voorhoofd) om een zuiver (rein) geweten. Hierom kunt u vragen dankzij de opstanding van ​Jezus​ ​Christus, 22 Die de hemel is binnengegaan en nu aan Gods rechterhand zit, terwijl de ​engelen, machten en krachten aan Hem onderworpen zijn. (Uit 1 Petrus 3)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Avondmaal vieren: ootmoedig blijven in Hem…

(…) 55 Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. 56 Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik blijf in hem. 57 De levende Vader heeft mij gezonden, en ik leef door de Vader; zo zal wie Mij eet, leven door Mij. (Uit Johannes 6)

(…) Nog altijd wordt veel denkkracht gespendeerd aan het avondmaal in het algemeen en aan de praesentia realis in het bijzonder. Voorbeelden daarvan zijn de Concordie van Leuenberg (1973), het Lima-rapport (1982), de encycliek van Johannes-Paulus II Ecclesia de eucharistia (2003), het door de Raad van Kerken in 2015 uitgegeven geschrift “Beleving eucharistie en avondmaal“.

(…) Luthers consubstantiatieleer (1) (Christus is aanwezig náást brood en wijn) blijft qua denkkracht achter bij wat Rome leert. Tegelijk heeft de Wittenbergse Reformatie zuiver aangevoeld welke schat ons in het avondmaal figuurlijk én letterlijk ter hand wordt gesteld en wat we onder geen beding mogen kwijtraken.

Beleving eucharistie en Avondmaal

Inderdaad, beleving. Met dat woord zitten we midden in onze tijd. Een tijd die grote behoefte heeft aan rituelen. En waaraan valt meer te beleven dan aan het ritueel bij uitstek, het avondmaal, ook wanneer je niets beleeft? Want hier raakt de hemel de aarde en worden wij opgeroepen onze harten opwaarts in de hemel te verheffen: “Sursum corda!”

En dat alles dankzij de praesentia realis, het geheim(enis) van het avondmaal en mitsdien van de gemeente. Eén van de sterke punten van Calvijns avondmaalsleer is namelijk zijn denken vanuit de gemeente als lichaam van Christus. Daarin betoont hij zich een leerling van Zwingli, die dan wel niet de werkelijke tegenwoordigheid van Christus (er)kende in brood en wijn, maar haar wel beleed in de plaatselijke gemeente. Terwijl zij verzameld is rond de dis, wordt ze “getranssubstantieerd”, veranderd in het lichaam van Christus. (2)

Vandaar dat Calvijn zegt dat juist het Avondmaal ons aanspoort tot onderlinge liefde, vrede en eensgezindheid. “Want de Here laat ons in dit sacrament zó delen in zijn lichaam dat het volkomen één met ons wordt en wij met Hem. Omdat Hij slechts één lichaam heeft en wij allen daarin delen, kan het niet anders of wij worden – doordat wij deel krijgen aan Hem- zelf ook allen tot één lichaam.” Vervolgens gebruikt Calvijn het bekende beeld van de vele graankorrels die tot één brood worden. (2)

De praesentia realis heeft dus alles te maken met de gemeente. Slechts sámen kunnen wij het Avondmaal vieren. Slechts sámen kunnen wij de eucharistie, de dankzegging aanheffen voor het heil dat Christus verworven heeft en dat Hij in brood en wijn bij ons brengt. Zie hier een zeer actuele spits van de praesentia realis in onze tijd vol individualisme, dat gemeenten en voorgangers in de ban slaat.

Mij geschonken

Persoonlijk hecht ik vooral aan de praesentia realis vanwege alle aanvechtingen waar je als christen mee te maken hebt. Zakken we niet meer dan eens door al onze bodems heen? Dan rest je enkel en alleen de belofte van God. Zelfs daar kun je lang niet altijd met je hart en ziel bijkomen, alleen nog maar met je hand en mond. Dat is uiterst naïef en primitief. Maar wat kun je anders als je voor gevoel geen geloof meer hebt en je je kruis of wat-dan-ook niet meer torsen kunt?

Op dit punt ben ik blij dat Calvijn ook leerling van Luther is. Waarom fulmineerde Luther zo tegen de Zwitsers? Omdat hij dacht dat zij bij het avondmaal voor anker gingen in de gedachtenis van Christus, meer niet. Luther bekent ons dan: “Al zou ik deze gedachtenis met zo’n grote hartstocht beoefenen dat ik bloed zweette, het zou volkomen vergeefs zijn, want het zou werk van de mens zijn en van de wet, in plaats van geschenk en Gods Woord, dat mij Christus’ lichaam en bloed aanbiedt en geeft. Om dát te zoeken, daarom ga ik naar het sacrament. Daar vind ik het woord (!) van Christus dat mij vergeving geschonken wordt.” Met andere woorden: in laatste instantie is Christus’ praesentia realis ook onafhankelijk van mijn geloof. Een gewaagde conclusie, maar de goede verstaander begrijpt haar. (3)

Daarom, wanneer ik eet van het brood en drink van de wijn, dan weet ik het weer: ik ben van Christus en deel al etend en drinkend in zijn volbrachte werk. In zijn o zo reële, geestelijke tegenwoordigheid aan het avondmaal geeft Christus ons de vruchten van alle heilsfeiten en verzekert Hij ons de uiteindelijke verlossing. Of zoals Calvijn het zegt: “Als we onze ogen en harten opheffen naar de hemel om Christus daar te zoeken in de heerlijkheid van zijn koninkrijk, zoals de tekenen ons uitnodigen om tot Hem te gaan (4) zo volkomen als Hij is – dan (pas? AJ) zullen wij onder het teken van het brood zó met zijn lichaam gevoed worden dat wij Hem uiteindelijk helemaal genieten. Zo voedt Hij ons met zijn eigen lichaam en door de kracht van zijn Geest giet Hij de gemeenschap aan zijn gaven in ons over. Zo worden Christus’ lichaam en bloed ons in het sacrament geschonken.”

We eindigen met Calvijns bekende woorden: “Zou iemand mij vragen naar de wijze van Christus’ tegenwoordigheid, dan schaam ik mij niet te erkennen dat dit een verborgenheid is waar ik met mijn verstand niet bij kan en wat ik in woorden niet kan uitdrukken. Om het maar heel open te zeggen: ik ervaar haar meer dan dat ik haar begrijp.” (4)
Onderwijl voltrekt zich het hoogheerlijke geheimenis van dit sacrament dat Christus nota bene mij wordt gegeven!

Bron tekst: ‘Christus wordt mij gegeven (II) – Calvijn over het avondmaal’ door drs. H.J. Lam (Werkendam) in Ecclesia nr 15/16 -juli 2019

(1) Het is wel zeker  dat Luther niet blij geweest zou zijn met deze woorden over zijn eenvoudig willen vasthouden aan en belijden (nazeggen) van wat Gods Woord ons leert over het Avondmaal. Lees wat hijzelf daarover gezegd heeft  in de blog: ‘Luther en het Avondmaal ‘.
(2) Nee, de gemeente is (niet wordt!) Lichaam van Christus en in die hoedanigheid(!) wordt het Avondmaal gevierd! Zelfs de (gedoopte) kinderen in de gemeente, die het Avondmaal nog niet aan de tafel meevieren, horen er helemaal bij! Een lichaam heeft het voortdurend nodig om ‘gevoed en gelaafd’ en daardoor versterkt te worden in al haar geledingen/leden!
(3) Luther koppelt de realiteit ervan dus zelfs los van onze ervaring, maar grondt ze volledig in Gods Woord. Calvijn heeft het over zijn (!) willen begrijpen en dat dan niet kunnen en dáárom komt hij dan toch maar aanzetten met zijn (!) ervaring. Maar de realiteit van het ontvangen van Christus weldaden aan het Avondmaal komt van Gods kant en wordt ons verkondigd door Gods Woord. We mogen dus met een gerust hart afzien van begrijpen en ervaren en (be)rusten in het vaste Woord van God en het feit dat God Zijn Woord en de Sacramenten aan de gemeente heeft toevertrouwd. (zie 1 Timoteüs 3 : 15) Juist aan de Avondmaalstafel blijkt dat wij allen (niet meer dan) bedelaars zijn, die leven van de geef en die daar alleen maar hoog kunnen opgeven van hun milde Gever, door daar te belijden (verkondigen: zie 1 Korintiërs 11 : 26) dat Hij zelfs Zijn leven voor hen gaf.
(4) ‘Tot Hem te gaan’, nee, aan de Avondmaalstafel is het juist andersom! Zoals Christus naar ons mensen afdaalde om geboren te worden in het menselijke vlees, zo deelt Christus Zich aan de Avondmaalstafel aan ons mee (in ons menselijk vlees) in en door brood en wijn, zoals ons dat geschonken wordt door de kracht van Zijn heilige Geest. De realiteit daarvan ligt niet in ons zoeken en denken en weten (beseffen), maar in God Zelf. En daarom ontvangt ieder daar, zelfs ook een verstandelijk gehandicapte en een demente oudere, dat wat God ons genadig schenken wil in en door het nuttigen van het brood en de wijn aan de Avondmaalstafel.

(…) 19 Iedereen die Ik liefheb wijs Ik terecht en bestraf Ik. Zet u dus volledig in en breek met het leven dat u nu leidt. 20 Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik binnenkomen, en we zullen samen eten, Ik met hem en hij met Mij. (Uit Openbaring 3)

Bron afbeelding:  Zie afbeelding

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Mijn zoon, geef Mij je hart…

God draagt Zijn schepping op Zijn hart.

Citaat 1:  ‘De grootste, moeilijkste afstand die een mens kan afleggen, is in feite de kleinste, zo’n 20 à 30 cm: van zijn hoofd naar het hart. Om die te overbruggen moet je loslaten, jezelf overgeven. Je moet bereid zijn het weten van je hoofd in te ruilen voor het geloven van het hart. Als het hart gelooft, zal het hoofd weten dat het waar is, het hoofd gaat er ook in mee. Maar dat is het moeilijke, zoals de heilige Silouan het zegt in zijn boek, want het hoofd is het instrument van de trotse mens.’

Citaat 2: Het hart van de mens is het geestelijke centrum van bezinning, overleg, begrip, inzicht, wijsheid. Daar vallen de besluiten inzake de weg, die een mens zal gaan. Als God de nieren en het hart toetst (Jeremia 11 : 20), leert Hij alle verborgen plannen en impulsen kennen. De Schrift wijst er dan ook op, dat de diepste overleggingen van de mens, uit zijn hart voortkomen (Spreuken 16 : 1). Het hart van een mens is niet neutraal, het is vóór of tegen God gericht. Het hart is het ontmoetingspunt van God en de individuele mens (Psalm 62 : 8). In dit diepste centrum van de mens heeft de gelovige christen deel aan de openbaring van God in Christus. Het Woord, Christus, zoekt het hart. Het is het hart, niet slechts het verstand of het gevoel, dat heil begeert.
Omdat het hart als geestelijk centrum leiding geeft aan het gehele leven van een mens, is het zo belangrijk wat in zijn of haar hart de dominerende factor is, wie er zeggenschap over heeft. Want wie het hart van iemand heeft, heeft hem helemaal. Daarom moet men uiterst waakzaam met zijn hart omgaan. De spreukendichter merkt in 4 : 23 in dit verband op: Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de oorsprongen des levens.

Opgemerkt: Omdat God Liefde is, is niet ons brein maar ons hart het centrum van ons bestaan en verlangt God niet in de eerste plaatst door ons geëerd te worden maar verlangt Hij geloof van ons. Geloven is Hem liefhebben en vertrouwen. Hem alle vertrouwen geven in een wereld die ons vanwege onze zonde(n) bedreigt en waarin Hij Zich als onze Liefdevolle Redder geopenbaard heeft in Zijn Zoon, Zijn Geliefde: het Woord is vlees (mens) geworden (Zie Johannes 1 : 14-18)

Bron citaat 1: De Correspondent – ‘Al wat je moet doen is de weg afleggen van je hoofd naar je hart…’ door Hizir Cengiz
Bron citaat 2zoeklicht.nl/artikelen

De achttiende Hebreeuwse letter: de tzaddeej

05-01-2012 door Joop Neven (zie onderaan)

De achttiende letter van het Hebreeuwse alfabet is de “tzaddeej”. Deze letter ziet er zo uit:

 

 

De “tzaddeej” { צ } lijkt op een “ajien” { ע }. De brede lijn onderaan, is en soort haak. Bovenzijn er twee dunnere lijnen, waarvan er één naar links en één naar rechts gericht is. Bovenaan bevinden zich twee “jods” {  י  }. De ene “jod” is iets anders gericht dan de andere “jod”.

Bovenaan staat tweemaal een tien {een “jod”}. Het getal tien wijst op het Woord van God. Dat Woord kent in deze letter twee zijden: een linker en een rechterzijde. De linker “jod” in de “tzaddeej” wijst op “oordeel”, de rechter “jod” heeft met ‘leven”te maken. Bovenaan geeft de “tzaddeej” zowel “oordeel” als “leven” aan. Hier zien we dat het oordeel geen doel op zichzelf is, maar heeft als doel, Leven aan het licht te brengen, samen gebracht is één letter: de “tzaddeej”.

De betekenis

De betekenis van de “tzaddeej” is “vishaak”. We moeten gelijk denken aan  de discipelen, zie moesten “vissers van mensen “ worden. En Hij zeide tot hen: komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken”.  {Matteüs 4 vers 19}. Met een vishaak worden vissen uit het water omhooggetrokken. In de natuurlijke wereld betekent dat hun einde. Maar in de geestelijk wereld is het andersom. Als die vissen worden opgetrokken uit de wateren – en “de wateren” zijn een aanduiding van de tijd, van deze wereld –  worden ze uit deze wereld getrokken en overgeplaatst in een andere wereld. Paulus zegt: Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde” {Kolossenzen 1 vers 13}. De tijd gaat nu over, er komt een andere wereld. Dus haal ze er maar uit! Het is een zegen voor die vissen om uit de wateren te komen, uit die “majim”{  מימ  }. Het is opmerkelijk dat het woord “water”, het Hebreeuwse woord is  “majim”, als getalswaarde 90 heeft. Evenals de “tzaddeej”. De “tzaddeej” heeft als getalswaarde 90 en dat betekent het “overgaan naar een nieuw fase”. Als voorbeeld wordt er vaak gewezen naar Sara, die 90 jaar was bij de geboorte van Isaäk, de zoon der belofte. Het wonder in het boek Genesis, als Abraham zegt: “Zal dan aan een honderdjarige een kind geboren worden, en zal Sara, een negentigjarige, baren? “ {Genesis 17 : 17}. We zullen bij de volgende letter, namelijk de “qof’ {  ק  } het doorbreken zien van iets dat eigenlijk niet kan. De geboorte van de 100 tallen. De geboorte van de zoon waarvan de vader niet geloven kon dat hij komt. De letter ”qof” betekent “oog van de naald”, u begrijpt wel, van die kameel die er door heen moest. Het wil zeggen, het oog van de naald is zo klein. Hoe moet de nieuwe schepping geboren worden, die hele wereld met al die tweeheid. Maar het gaat wel verder. Met de “qof”, met de 100, is het koninkrijk in zicht

tzaddieq

Wanneer we achter het woord “tzaadeej”een “qof” {  ק  } plaatsen, ontstaat het woord “tzaddieq”, heel vaak vertaald met “rechtvaardige”. En uiteraard is De Rechtvaardige bij uitstek, Jezus Christus. Hij die het hart van God heeft verstaan. Hij is het die de dood overwonnen heeft, tot redding der wereld. Hij is de Redder der wereld. De wapens van de wereld hebben op De “tzaddieq” geen invloed en kunnen Hem niet verdrijven. Dat is het wonder van de “tzaddieq” . En uiteindelijk zal heel Zijn schepping volgen. Want de tzaddieq heeft de schepping op het “droge” gebracht, heeft ons getoond dat we uit de tijd gehaald worden.

De “tzaddeej” en de “qof”

De weg van de 9 naar de 10 komt overeen met die van “dood” naar “ leven” m.b.t. het individu. Ditzelfde geldt voor de weg van de 90 naar de 100; m.b.t. de mensheid. De verbinding van de 90 { tzaddeej”  צ  } met de 100 { “qof”  ק  } komt naar voren in enkelen Hebreeuwse woorden, waarbij de beide kanten van de 90 weer uitgedrukt worden.

Voorbeelden

“tzèdeq”  צדק  getalswaarde 90-4-100  betekent: “rechtvaardig zijn”; “gerechtigheid” {Job9:15; Jes.26:9,10}

“tzoeq”  צוק  getalswaarde  90-6-100 betekent: “persen”; “verdrukken” {Richteren 14 : 17;

“tzaachaq”  צחק  getalswaarde 90-8-100 betekent: “lachen” “gelacht” {Genesis 27 : 4}.

Het getal 90

De “tzaddeej” {  צ  } is gelijk aan het getal 90. Het getal 90 komt driemaal alléén in de Bijbel voor. Het wijst, evenals de “teeth” { ט  getalswaarde 9 en betekenis: “baarmoeder”}, op het voortbrengen van nieuw leven. Wat in de 90 voltrekt is een zeer moeilijk geboorte, namelijk de 100. Namelijk het doorbreken van het koninkrijk. Dat gaat gepaard met weeën, met moeite en pijn.

De drie teksten waar het getal 90 voorkomt:

Genesis 5 vers 9: Enos was 90 jaar, toen hij Kenan verwekte.

Genesis 17 vers 17: Sarah was 90 jaar, toen zij Isaäk baarde.

De derde keer komt het voor als een afmeting van de tempel Ezechiël 41 vers 12.

De “sluit-tzaddeej”

Naast de gewone “tzaddeej” {  צ  } kent men ook de “sluit-tzaddeej”. Deze letter ziet er zo uit:

 

 

Aan de bovenkant is de “sluit-tzaddeej” { ץ } gelijk aan de gewone “tzaddeej”. De haak aan de onderkant is nu verdwenen; er is een rechte lijn te zien. Zodra een “tzaddeej” aan het eind staat, is de vorm van de haak weg. Dat houdt in, dat de werking van de haak beëindigd is.

Een voorbeeld daarvan is het woord: “qeetz” { קץ } getalswaarde 100-90. Dit betekent “einde”{Genesis 6 : 13; 41  : 1}. De totale getalswaarde van “qeetz” is 190. Dit is gelijk aan de getalswaarde van “Kanaän” { כנענ } getalswaarde 20-50-70-50=190. Het beloofde land Kanaän is het einde van de reis door de woestijn.

Een woord, dat verwant is aan “qeetz” {einde}, is het Hebreeuwse “qajitz” { קיץ } getalswaarde 100-10-90 =200. Dit betekent “zomer” {Genesis 8 : 22; Jeremia 8 : 20}. Zodra het zomer is, is de haak van de “tzaddeej” weg. Dan is het niet meer nodig, om de haak te gebruiken. In Matteüs 24 vers 32. Wordt gezegd, dat de zomer nabij is, wanneer de vijgenboom weer uitbot { tot leven komt}. Christus is het Hoofd {“reesh”} van dat koninkrijk. Tijdens de zomer schijnt de zon het meest. In dat koninkrijk regeert “de Zon der gerechtigheid, nl. Christus.

Er zijn twee woorden, die met een “tzaddeej” { צ } beginnen en met een “sluit-tzaddeej” { ץ } eindigen.

Het eerste woord is:  “tzietz”  ציץ  getalswaarde 90-10-90 = 190. Het betekent “bloesem” of “bloem” {Jesaja 40 : 6-8; Numeri 17 : 8}. De getalswaarde van dit woord houdt verband met de getalswaarde van Kanaän   כןנענ   getalswaarde 20-50-70-50 = 190, het beloofde land. Het is de plaats, waar het volk zal bloeien.

Het tweede woord is: “tzoetz”   צוץ . Dit werkwoord betekent “bloeien” {“uitbotten”}. Het verwijst naar Mattheüs 24 : 32 {het uitbotten van de vijgeboom}. In Jesaja 27 : 6 staat, dat Israël zal bloeien en groeien. Het volk is dan de rust ingegaan, want de werking van de “tzaddeej” is voorbij. Het koninkrijk is begonnen. {Psalm 132 : 14-18}.

Tot slot

Zo wordt uiteindelijk de hele schepping tot haar bestemming gebracht, allemaal vanuit de “tzaddeej” geboren. Uiteindelijk wordt heel de schepping opgevist met die vishaak van God. Dan zal Godálles in allenzijn. Een letter, die je zoveel kan vertellen over het geheimenis van Hem. Over de oude schepping horen we de voetstappen van de Messias naderbij komen. Geen enkel volk zal aan de kant worden geschoven. Ik las een prachtig stukje hierover.

God is daar zelf heel intens bij betrokken.

Voor God is het hoofdzaak en voor God is het hartezaak.

God draagt zijn schepping op zijn hart.

Dwars door de nacht, hoe zwart ook, hoe dicht ook, komt Hij naderbij.

Zo voert hij ons naar het eeuwige licht.

Zij het nog zo donker, het zal worden als de morgenstond.

Het keerpunt begint met de tranen van God.

Zo heeft de Messias gehuild tot op het kruis.

Vader, vergeef het hun!

Hij heeft geweend over Jeruzalem.

Twee tranen….

Het was genoeg om de hele wereld te genezen.

Tags: 

Bron afbeelding: Learn Religions

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Niet van brood alleen…

(…) 4 Maar Hij antwoordde en zei: Er staat geschreven: De mens zal niet van
brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.
(Uit Matteüs 4)

Wij leven van elk/alle woord uit de mond van God…

Citaat 1: De Nederlandse economie groeide het tweede kwartaal van dit jaar met 0,5 procent ten opzichte van de drie maanden daarvoor, zo bleek woensdag uit CBS-cijfers. En het aantal werklozen daalde tot 305.000, het laagste aantal sinds het CBS kwartaalcijfers publiceert. Dat zijn cijfers om blij mee te zijn. Welvaart is een zegen; en lang niet vanzelfsprekend. We weten immers dat de economie conjunctuurgevoelig is: tijden van groei en krimp wisselen elkaar af.

Citaat 2: Moeten we ons zorgen maken over de huidige somberder CPB-ramingen? Nee. We moeten ons niet blindstaren op de economie. Het leven is meer dan de portemonnee; we leven immers niet bij brood alleen. Daarbij, dergelijke ramingen zijn met veel onzekerheden omgeven. Want wie zou kunnen voorspellen hoe het handelsconflict tussen de VS en China zich zal ontwikkelen? En wie kan voorzien hoe de brexit afloopt?

Opgemerkt 1:Welvaart is een zegen‘. Kunnen we dat zo in z’n algemeenheid zeggen? Of moeten we inmiddels zeggen dat de westerse welvaart al lange tijd in een vloek is verkeerd. Dat werd al vroeg in de jaren zestig opgemerkt door een predikant (en waarschijnlijk wel meer) in onze gemeenten/kerken. En het rapport van Rome (1970) kwam indertijd ook maar niet ‘uit de lucht vallen’.

Opgemerkt 2:We leven immers niet bij brood alleen‘. Kunnen we dat citeren zonder wat volgt niet ook steeds te noemen? We moeten Matteüs 4 vers 4 als volgt (leren) lezen en begrijpen: Ook ons dagelijks brood behoort tot het woord dat van de mond van God uitgaat en we leven niet alleen van dát woord, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.

Het Onze Vader gebed en het dagelijks breken en nuttigen van brood…

Daarom is de bede om ons dagelijks brood opgenomen in het Onze Vader gebed en bidden we daarmee om de voorspraak en bijstand en wijsheid en levenskracht van onze Heer Jezus Christus, zoals die ons wordt meegedeeld door de kracht van de heilige Geest, ook mee door het gewone brood dat wij dagelijks nodig hebben en nuttigen. Daarin is alle levenskracht die daar voor ons in gelegen is en ons geschonken wordt aanwezig door de eeuwige kracht en alomtegenwoordigheid van onze Drie-enige God.

Door het eerbiedige bidden van de (drie) aan de bede ‘geef ons heden ons dagelijks brood‘ voorafgaande bedes van het Onze Vader gebed, wordt de ook in het gewone brood aanwezige goddelijke kracht in ons leven aangewend tot verhoring van die bedes en ook van die van de daarop nog volgende bedes!

Bedenk hoe de discipelen tijdens de wonderbare spijziging bij het breken en verdelen van het brood en het verdelen van de vissen getuige zijn geweest van Gods aanwezigheid en kracht en alomtegenwoordigheid in Zijn schepping (dat bleek dus niet alleen bij directe  genezing en opwekking uit de dood!). Later zullen zij bij het breken van het brood in de dagelijkse bijeenkomsten van de jonge gemeente in Jeruzalem (zie Handelingen 2 vers 42 en vers 46) zichzelf en de leden van de gemeente niet alleen de Avondmaalstafel met de Heer, maar ook de wonderbare spijziging in herinnering hebben gebracht en willen houden!

Luther nam de alomtegenwoordigheid van Christus (door de Heilige Geest) als (belangrijkste) uitgangspunt voor het (Bijbelse!) belijden (eenvoudig naspreken van Gods Woord) dat aan de Avondmaalstafel Christus daadwerkelijk aanwezig (present) is in brood en wijn en daar door ons genuttigd wordt (1), zoals dat bij alle breken van het brood het geval was in de (toentertijd dagelijkse) samenkomsten van de jonge gemeente in Jeruzalem en zoals dat nog altijd zo is bij ons vieren van het Avondmaal en zoals we dat toch ook steeds weer te bedenken (en bedanken) hebben bij het dagelijks bidden om en nuttigen van ons brood aan tafel thuis.

(1) Lees en overdenk hierbij ook de woorden van Jezus – zols gesproken na de wonderbare spijziging – in Johannes 6 : 41-59 en ook de woorden en het handelen van onze opgestane Heer Jezus Christus in Johannes 21 : 1-14.

Bron citaten:  RD Commentaar – ‘Welvaart is een zegen en helemaal niet vanzelfsprekend’ – van de Hoofdredactie

(…) In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. (Uit Johannes 1 : 1-3)

(…) Deze is de afstraling Zijner heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen, Die alle dingen draagt door het Woord van Zijn kracht….” (Hebreeën 1 : 3a)

Bron afbeelding:  Life, Hope and Truth

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Wanneer de dood ons overvallen zou…

(…) Leer ons zo onze dagen tellen dat wijsheid ons hart vervult.
(Psalm 90 : 12)

Onvoorbereid omkomen of moeten sterven

O mijn God, neem mij niet weg te midden van mijn jaren‘ (Psalm 102: 24).

(…) “De dichter zegt hiermee:Laat me niet onvoorbereid sterven.‘ Degenen die gespeend zijn van dit leven en verlangen om te sterven, zoals David, Abraham en Paulus, worden weggenomen aan het EINDE van hun dagen, want in hun hart hebben ze al afscheid genomen van dit leven, en verlangen naar de dood.

Degenen die zich nog aan dit leven hechten en het koesteren, zitten nog in het MIDDEN van hun jaren. Ze sterven niet gewillig en willen niet gelijkvormig aan Christus worden gemaakt in Zijn lijden en dood.

Bedenk toch, o Heer, dat U eeuwig bent en dat ik slechts een korte tijd op deze aarde ben. Niemand ziet kans U te ontvluchten. (1) De tijd kan echter zo snel voorbijgaan dat er plotseling geen tijd meer is voor genade voor ons. (2) Niemand van ons kan Uw toorn ontlopen, o Heer, want U, die eeuwig zijt, zal zeker weerkomen.”

Maarten Luther: Die sieben Bußpsalmen, 1525 (1517), WA 18, 515, 23-34

(1) (…) 8 Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem tussen de bomen. 9 Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’ 10 Hij antwoordde: ‘Ik hoorde U in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ (Uit Genesis 3)

(2) Zie Deuteronomium 9 : 15-29, Lukas 23 : 34 en Handelingen 7 : 60.

Bron tekst:  If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.nl Or, subscribe and unsubscribe from the weekly quotes on this email address as well. These e-mails are free of charge and you are not asked for donations.

(…) 5 U vaagt ons weg als slaap
in de morgen, als opschietend gras
6 dat ontkiemt in de morgen en opschiet,
en ’s avonds verwelkt en verdort.

7 Wij komen om door Uw toorn,
door Uw woede bezwijken wij.
8 U hebt onze ​zonden​ vóór U geleid,
onze geheimen onthuld in het licht van Uw gelaat.

9 Al onze dagen gaan heen door uw woede,
wij beëindigen onze jaren in een zucht.
10 Zeventig jaar duren onze dagen,
of tachtig als wij sterk zijn.
Het beste daarvan is moeite en leed,
het gaat snel voorbij en wij vliegen heen.

11 Wie kent de kracht van Uw toorn,
wie vreest oprecht Uw woede?
12 Leer ons zo onze dagen te tellen
dat wijsheid ons ​hart​ vervult.

(Uit Psalm 90)

Bron afbeelding:  Biblia-com

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

De prediking van dr. H.F. Kohlbrugge…

(…) 14 Wat ons drijft is de ​liefde​ van ​Christus, omdat we ervan overtuigd zijn dat één mens voor alle mensen is gestorven, waardoor alle mensen zijn gestorven, 15 en dat Hij voor allen is gestorven opdat de levenden niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die voor de levenden is gestorven en is ​opgewekt. 16 Daarom beoordelen we vanaf nu niemand meer volgens de maatstaven van deze wereld; ook ​Christus​ niet, Die we vroeger wel volgens die maatstaven beoordeelden. 17 Daarom ook is iemand die één met ​Christus​ is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. 18 Dit alles is het werk van God. Hij heeft ons door ​Christus​ met zich verzoend en ons de verkondiging daarover toevertrouwd. (Uit 2 Korintiërs 5)

Door de Naam van Jezus!

(…)* Dit predik ik, opdat deze en gene van u bij het besef van zijn zonde niet in zijn hart zal zeggen: ‘Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde’ (Genesis 4:13). Dat is immers een list van de duivel, om ons de Heere God in de hemel zwart af te schilderen, opdat wij nog dieper wegzinken en tot wanhoop of valse gerustheid vervallen.

Als de zonde u daarom kwelt en bedroeft, doe dan als de verloren zoon: u zult geen stap hebben gedaan of de Vader heeft u reeds van verre gezien en loopt u duizend stappen tegemoet. Zelfreiniging maakt hier des te onreiner. Het water dat ons voor de reine hemel reinigt, ligt enkel en alleen in de macht van de Heere God. Hij reinigt om niet.

Als Hij de zonde vergeeft, overweldigt Hij met Zijn liefde de mens die een prooi is van de dood. Dat doet Hij zodanig dat de mens verbrijzeld en dankbaar gemaakt wordt, zodat hij de reiniging van zijn zonden niet vergeet (2 Petrus 1 : 9) en zijn leven lang voor de zonde terugschrikt.

Maar als God rechvaardig is wanneer Hij de zonde straft, hoe is en blijft Hij dan rechtvaardig wanneer Hij de zonde vergeeft?

Antwoord: de Schrift heeft alles besloten onder de zonde, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus gegeven zou worden aan de gelovigen (Galaten 3 : 23). Zo komen wij tot de kern van de prediking van de apostel.

De vergeving van de zonden wordt ontvangen door de Naam van Jezus.

Door Zijn Naam‘ zegt de apostel Petrus. Met het woordje door geeft de apostel te verstaan dat de vergeving van zonden door Jezus is teweeggebracht. Met ‘Naam‘ geeft Hij de persoon van Jezus aan. Niet alleen met al wat Hij gedaan en geleden heeft, maar ook met al wat onze verhoogde Heer door Zijn lijden heeft verworven. Ook wat Hij nu ten behoeve van alle volkeren voor Gods aangezicht is en vermag.

Dit getuigt de apostel Petrus ook op een andere plaats: ‘De zaligheid is in geen ander; want er is onder de hemel ook geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden‘ (Handelingen 4 : 12) ‘En gij zult Zijn Naam noemen JEZUS; want Hij zal zijn volk zalig maken (redden, vrij maken) van hun zonden‘ was de boodschap van de engel uit de hemel (Matteüs 1 : 21).

Op de vraag ‘Waarom wordt de Zoon van God Jezus, dat is Zaligmaker, genoemd? moet dus telkens het antwoord voor de gemeente voldoende zijn: Daarom, ‘Omdat Hij ons zalig maakt van al onze zonden; en daarnaast ook, dat bij niemand anders enige zaligheid (reddingskracht) te zoeken of te vinden is’ (Heidelbergse Catechismus vraag en antwoord 29).

Hier ligt de grond waarom God rechtvaardig is en blijft, wanneer Hij zonden vergeeft. Het is door de Naam van Jezus dat wij volkomen kwijtschelding en vrijspraak van alle zonden voor eens en voor altijd ontvangen. En dat telkens opnieuw, als wij met onze schuld en zonde voor Hem verschijnen.

Aan Gods gerechtigheid moet worden voldaan, dat gevoelt het verschrikte geweten wel. Maar welke voldoening die voor Gods aangezicht kan gelden, kan hij aanbrengen, wiens naam van de geboorte af ‘zondaar’ is? Hier moet een onschuldige en rechtvaardige naam ingeroepen worden waardoor wij vrijspraak verkrijgen.

Laten we de wet van de vergelding niet opheffen! Daaraan voldeed onze Heiland. De Zoon van God heeft de noodzakelijke voldoening door verzoening aangebracht. Het gezonde verstand blijft zonder een dergelijke voldoening onbevredigd, het verschrikte geweten nog veel meer!

Bron tekst:  “God vergeeft de zonden door de Naam van Jezus” preek van dr. H.F. Kohlbrugge (1803-1875) uitgegeven door Stichting “Smytegelt Fonds” in de Reveil-serie (No. 556, juni-juli 2019).

* Zie voor voorafgaande woorden deze blog

Bron afbeelding:  nelsonbible.com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Waarmee stellen wij ons (verschrikte?) geweten gerust?

HEER, hoog als de hemel is Uw ​liefde,
tot in de wolken reikt Uw trouw,
Uw ​gerechtigheid​ is als de machtige bergen,
Uw ​rechtvaardigheid​ als de wijde oceaan:
U, HEER, bent de Redder van mens en dier.
Hoe kostbaar is Uw ​liefde, God!
(Uit Psalm 36 : 6-8)

Geciteerd:  Midden in verlorenheid en zonde, als het geweten knaagt en de wet vervloekt, te midden van pogingen om voor Gods aangezicht heilig te wandelen, weet men slechts hiervan: God zal en moet mij straffen. De zonde is een last geworden en men zou van haar ontslagen willen zijn, maar men zinkt er steeds dieper in weg.

Het geweten is verschrikt en de mens geschokt. Alles komt op in de gedachten van het vlees en in het verstand, behalve vergeving van zonden, zoals die bij God bestaat: dat God vergeeft en op welke wijze Hij vergeeft: Het verstand, beter gezegd het onverstand, neemt vergeving van zonden slechts voorwaardelijk aan. Het wil die zelf verdienen, en de Roomse leer die in alle harten schuilt, komt het verstand te hulp.

Eerst moet men iets hebben gedaan (of iets bijzonders ervaren! – AJ) om God te bewijzen hoezeer de zonde ons tot smart is. Eerst zelfkastijding, zelfverbetering. Men zoekt het overal. Dan is het beter geworden, welaan, nu mag men ook hopen op vergeving. Men heeft zijn best gedaan om veel voor God te doen, zich gekweld om heel wat na te laten; nu zal God ook iets laten vallen!

Men heeft (bij zichzelf of bij een ander) daden opgemerkt die het zedelijke gevoel kwetsen. Maar men heeft de zonde niet opgezocht waar zij ontspringt, namelijk in het sluwe hart, het binnenste ik. Dat bereikt u niet met uw boetedoening. En de zonde van het verstand telt u in het geheel niet, namelijk dat u zich verzet tegen de wijze waarop God de zonde vergeeft. (1)

Mag men dan om vergeving van zonden bidden zonder een oprechte gezindheid om ze na te laten? Volstrekt niet! Laat zo iemand niet menen, dat hij iets ontvangt. De moeder vergeeft het kind niet, dat zich eigenzinnig toont. Het kind is verloren, als de liefderijke wijsheid van de moeder de eigenzinnigheid van het kind niet ombuigt. Vergeeft de moeder, die de aard van haar kind kent, haar kind, omdat het zegt ‘ik zal het niet weer doen’, terwijl het morgen of overmorgen dezelfde streek toch weer uithaalt? Of vergeeft zij, omdat zij moeder is?

Wat te beginnen, als het met de verbetering afgelopen is; als men zó totaal verdorven is dat men niet meer kan verbeteren? Als men alle vroegere bekering terecht in twijfel moet trekken? Als onverwachts het stervensuur aanbreekt? Het is gemakkelijk aan te nemen dat God de zonde vergeeft als men meent iets geworden te zijn. (1) Maar hoe staat het, als men met alle goede gezindheid aan het eind gekomen is?

Laten wij alle hoogmoed afleggen die door het werken (en vergelijken – AJ) is veroorzaakt! (1) Zonde vergeven is vrijspreken van (daadwerkelijke) schuld en straf.

Als God vergeeft, dan spreekt Hij ons uit vrije gunst en ontferming vrij van schuld en straf. Goddelozen, die op dit ogenblik vol zonde zijn en de eeuwige dood hebben verdiend. Hier is niet een lief kind dat eerst het beter is gaan doen, maar een goddeloos kind dat niets heeft om zelf weer iets goed te maken. Dát is vergeving van zonden, zoals die bij God bestaat. Bij de heilige en rechtvaardige God is er een vrijspreken van schuld en straf.

Hierin bestaat onze rechtvaardiging voor God. Goddelozen spreekt God rechtvaardig (Romeinen 4 : 5). Zondaars verklaart Hij rein. Bij God is vergeving van alle zonden, al zijn ze nog zo zwaar of groot of machtig (Psalm 103 : 3). Er is geen overtreding van Zijn heilige wet die Hij niet vergeeft.

Waar de zonde machtig geworden is, daar is Zijn genade nog veel machtiger (Romeinen 5 : 20). God vergeeft niet slechts zonde uit nalatigheid, zonden die ons ontglipten, zonden die ons verborgen bleven (hoe machtig veel is haar getal!); niet slechts zonden als misstappen, maar grove, afschuwelijke zonden, zo heel dikwijls herhaald, en ondanks alle eden, beloften en heiligste voornemens nog eens herhaald, zonden begaan tegen liefde, plicht en geweten.

Daarbij wacht Hij niet op de mens totdat deze tot zichzelf inkeert en oprecht verbrijzeld wordt, nee, Hij is altijd de Eerste. Hij komt met Zijn Woord (én Sacrament – AJ) en laat genade weerklinken. De bazuin van Zijn Evangelie verkondigt vergiffenis aan hem die sterven moest.

Zo is God en zo is Zijn vergeving, een vrijwillige daad van eeuwige ontferming. En hoe vaak denkt u dat Hij vergeeft, Die ons geleerd heeft onze broeder die tegen ons zondigt, niet zevenmaal maar zeventigmaal zevenmaal te vergeven? (Mattheüs 18 : 22). God is onvermoeid in het vergeven van zonden.

Word honderd jaar oud in Zijn dienst, u/jij blijft dezelfde dwaas en God blijft dezelfde ontfermende God Die gezegd heeft: ‘Ik heb geweten dat gij gans trouweloos handelen zoudt, en dat ge van de buik af een overtreder genaamd zijt’ (Jesaja 48 : 8).

En als God zonden vergeeft, dan vergeeft Hij zo dat Hij aan al onze zonden ook in het geheel niet meer denkt (Jeremia 31 : 34, Micha 7 : 18-20). Door Zijn vrijspraak neemt Hij de zonde weg met al haar gevolgen, een belast geweten en een bedroefd hart, zodat er waarlijk vrede bij God in het binnenste woont. Dááraan kennen wij God, de levende God, zoals Hij zich neerbuigt tot stof en as, wat vloek en verdoemenswaardig is.

Tot zover geciteerd uit deze preek. Lees deze preek in z’n geheel! Bestellen van de preek kan per e-mail:  reveil@pietersgroede.nl

(1) Opgemerkt AJ: De Farizeeërs (door onze Heer getypeerd in Lukas 18 : 11-12) keken niet (meer) als kinderen in de spiegel van de wet en de profeten (daar waren ze een goed eind mee op weg meende ze – zie hierbij ook Markus 10 : 20, Matteüs 12 : 7, 23 : 23 en Jakobus 1 : 23-27) maar ze vergeleken zichzelf liefst met overspelers en andere zondaars en ook met tollenaars. (1) Daarom meenden ze dat ze goede reden had om God te danken en daarbij op dat verschil met die anderen te wijzen. Maar ondanks hun dankbare en vrome woorden werd ze door God niet in genade aangezien, maar vielen ze in ongenade door hun hoogmoedige houding en veroordelende woorden naar overspelers en andere zondaars en ook tollenaars. We kunnen weten dat de tollenaars (als regel!) gelovige Israëlieten/Joden waren, mensen die ook regelmatig vastten, stipt de tienden betaalden en niet meer belasting inden van hun volksgenoten, dan dat hun werkgever (de Romeinse keizer/overheid) hen opdroeg. Maar de gelovige tollenaars kwamen met een heel andere houding in de tempel en ook met heel andere gebedswoorden voor Gods aangezicht dan de Farizeeërs.
* De tollenaars werden m.n. geminacht omdat ze voor de Romeinen werkten en dat konden ze omdat ze toch een andere Messiasverwachting hadden dan de Schriftgeleerden en Farizeeën. Zij konden schuldbewust buigen onder de overheersing door de Romeinen en daarom ook betrouwbare ambtenaren zijn in dienst van deze vreemde overheid! (Zie hierbij de schuldbelijdenis in Nehemia 9 m.n. de verzen 36-37 en zie ook Lukas 7 : 29 en eventueel ook nog deze blog)

Bron tekst:  “God vergeeft de zonden door de Naam van Jezus” preek van dr. H.F. Kohlbrügge (1803-1875) uitgegeven door Stichting “Smytegelt Fonds” in de Reveil-serie (No. 556, juni-juli 2019).

(…) Spreek geen kwaad van elkaar, broeders en zusters. Wie kwaadspreekt van een ander of een ander veroordeelt, spreekt kwaad van de wet en veroordeelt de wet. En als u de wet veroordeelt, handelt u niet naar de wet, maar treedt u op als rechter. Er is maar één Wetgever en Rechter: Hij die bij machte is te redden of in het verderf te storten. Maar wie bent u, om uw naaste te veroordelen? (Uit Jakobus 4 11-12)

Bron afbeelding:  my treasure box

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Christelijke zielszorg… (IX)

(…) “Dit zegt hij die de zeven geesten van God en de zeven sterren heeft: Ik weet wat u doet; overal wordt beweerd dat u het leven hebt, terwijl u dood bent. 2 Word wakker, versterk uw laatste krachten: u bent op sterven na dood. Want ik merk dat uw gedrag tekortschiet in Gods ogen. 3 Herinner u dat u de boodschap hebt ontvangen en begrepen. Houd eraan vast en breek met het leven dat u nu leidt.” (Uit Openbaring 3)

Bekeringsprediking (I)

De gemeente van de heiligen is niet de ‘ideale’ gemeente van zondelozen en volmaakten. Het is niet een gemeente van reinen die aan de zondaar geen plaats meer geeft voor berouw en bekering.

Het is veeleer een gemeente die zich het evangelie van de zondenvergeving waardig bewijst, doordat hier werkelijk Gods vergeving wordt verkondigd, die niets meer met zelfvergeving te doen heeft: een gemeente van degenen die inderdaad Gods kostbare genade hebben ervaren, en waardig aan het evangelie wandelen in die zin, dat zij er niet lichtvaardig mee omgaan.

Daarmee is gezegd, dat in de gemeente van de heiligen vergeving slechts gepredikt kan worden, waar ook bekering gepredikt wordt, waar het evangelie niet zonder wetsprediking blijft, waar de zonden niet zonder meer en onvoorwaardelijk vergeven worden, maar ook ‘gehouden’ worden.

Zo is het de wil van de Heer zelf, dat het heilige van het evangelie niet aan de honden wordt gegeven, maar dat het slechts gedekt door de prediking tot bekering verkondigd kan worden. (1)

Een gemeente die de zonde geen zonde noemt, kan ook geen geloof vinden, waar ze de zonde wil vergeven. Ze bezondigt zich aan het heilige, ze wandelt onwaardig aan het evangelie. Ze is een onheilige gemeente, omdat ze de kostbare vergeving van de Heer te grabbel gooit.

Het is daarom niet genoeg, dat over de algemene zondigheid van de mens ook in zijn goede werken wordt geklaagd – dat is geen bekeringsprediking – maar concrete zonden moeten genoemd, bestraft en veroordeeld worden. (2) Dat is het juiste gebruik van de sleutelmacht (Matteüs 16 : 19; 18 : 18; Johannes 20 : 23) die de Heer aan zijn kerk heeft geschonken en waarover de reformatoren nog zo nadrukkelijk hebben gesproken.

Ter wille van het heilige, ter wille van de zondaars en ter wille van de gemeente moet in de gemeente ook de sleutel van het binden, van het zonden houden uitgeoefend worden. Tot een het evangelie waardige wandel van de gemeente hoort de uitoefening van de gemeentetucht.

Evenals de heiliging de afscheiding der gemeente van de wereld bewerkt, moet ze ook de afscheiding der wereld van de gemeente bewerken. Het een zonder het ander blijft onecht en onwaar. De gemeente die van de wereld is afgezonderd, moet naar binnen gemeentetucht uitoefenen.

(wordt vervolgd)

(1) Lees ook ‘Parels voor de zwijnen…
(2) We kunnen wel zondags ‘het hoofd buigen als een riet‘ of een ‘rouwkleed‘  (of  een zwart pak als ‘zondaarshemd’) aantrekken (zie Jesaja 58) en allerlei tradities in ere houden (zie Matteüs 23) en/of prachtig opgetuigde kerkdiensten organiseren en bijwonen, maar wanneer dat niet leidt tot (dagelijkse) bekering van in Gods Woord benoemde zonden en zondige levensstijl, dan maken we ‘de maat van onze voorouders vol’. (Matteüs 23 : 32)

Zie ook:   Christelijke zielszorg… (I), (II), (III), (IV), (V)(VI), (VII) en (VIII)

Bron tekst:  Dietrich Bonhoeffer – ‘Navolging‘ – Vijfde druk  – Uitgeverij Ten Have

(…) 13 Geen enkele knecht kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede ​liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.’ 14 De ​farizeeën, die geldzuchtig waren, hoorden dit alles aan en ze haalden honend hun neus voor Hem op. 15 Maar ​Jezus​ zei tegen hen: ‘U wilt bij de mensen altijd voor ​rechtvaardig​ doorgaan, maar God kent uw ​hart. Wat bij de mensen in hoog aanzien staat, is een gruwel in de ogen van God. (Uit Lukas 16)

Bron afbeelding:  Heartlight

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie