Christelijke zielszorg… (I)

(…) 20 De jongeling zei tot Hem: Dat alles heb ik in acht genomen; waarin schiet ik nog te kort? 21 Jezus​ zei tot hem: Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij. 22 Toen de jongeling [dit] woord hoorde, ging hij bedroefd heen, want hij bezat vele goederen. (Uit Matteüs 19)

Alleen de gelovige is gehoorzaam,
alleen de gehoorzame gelooft.

(…) Het is voor de zielzorger van groot belang, dat hij spreekt vanuit zijn weten van beide uitspraken. Hij dient te weten, dat de klacht over een gebrek aan geloof altijd weer uit bewuste of reeds niet meer bewuste ongehoorzaamheid voortkomt en dat deze klacht al te gemakkelijk wordt beantwoord met de troost van de goedkope genade.

Daarbij blijft echter de ongehoorzaamheid ongebroken en het woord van de genade wordt tot de troost die de ongehoorzame zichzelf inspreekt, tot de zondenvergeving die hij zichzelf toe-eigent. Daarmee wordt voor hem de verkondiging zonder inhoud en dringt niet meer tot hem door.

En hoewel deze ongehoorzame zichzelf duizend maal de zonden vergeeft, vermag hij toch niet aan de werkelijke vergeving te geloven, inderdaad omdat hem die in waarheid ook helemaal niet is geschonken. De ongehoorzame doet zich te goed aan de goedkope genade, omdat hij wil volharden in de ongehoorzaamheid. Dat is een vaak voorkomende situatie in de hedendaagse christelijke zielszorg.

Dan moet het wel zover komen, dat de mens door de zichzelf geschonken zondenvergeving in zijn ongehoorzaamheid verstokt raakt, dat hij voorgeeft het goede en het gebod van God niet te kunnen onderkennen. (1) Dat is immers dubbelzinnig en voor allerlei uitleg vatbaar. Het aanvankelijk nog zekere weten van de ongehoorzaamheid wordt meer en meer verduisterd en leidt tot verstoktheid.

Hier heeft de ongehoorzame zich zo verward en verstrikt, dat hij het woord niet meer kan horen. Hier kan inderdaad niet meer geloofd worden. Het gesprek tussen de verstokte mens en de zielzorger zal dan ongeveer zo verlopen: ‘Ik kan niet meer geloven.’ – ‘Luister naar het Woord; dat wordt u gepredikt!’ – ‘Ik hoor het wel, maar het zegt me niets, het blijft zonder inhoud voor me, het gaat aan mij voorbij.’ – ‘Ge wilt niet horen.’ – ‘Ja, dat wil ik wél.’

Nu is het punt bereikt, waarop het gesprek met de zielzorger meestal afbreekt, omdat hij niet weet waar hij aan toe is. Hij kent alleen de ene uitspraak: alleen de gelovende is gehoorzaam. Met deze uitspraak kan hij de verstokte mens niet helpen, die juist dit geloof niet heeft en ook niet kan hebben.

De zielzorger meent dus reeds hier voor het laatste raadsel te staan, dat God aan de ene het geloof schenkt, dat Hij aan de ander onthoudt. Met deze stelregel wordt dan gecapituleerd. De verstokte mens blijft alleen en klaagt berustend verder over zijn nood. Maar juist hier ligt het keerpunt van het gesprek…

(wordt vervolgd!)

(1) Zie ook:  Moeilijk?

Bron tekst:  Dietrich Bonhoeffer – ‘Navolging‘ – Vijfde druk  – Uitgeverij Ten Have

(…) 2 Daarop zei ​Samuel: ‘Schept de HEER meer behagen in ​offers​ dan in gehoorzaamheid? Nee! Gehoorzaamheid is beter dan ​offers, volgzaamheid is beter dan het vet van rammen. 23 Weerspannigheid is even erg als toverij, en eigenzinnigheid is even slecht als afgodendienst. U hebt de opdracht van de HEER verworpen; daarom verwerpt hij u als ​koning!’ (Uit 1 Samuël 15)

Bron afbeelding:  Biblia.com

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s