‘Apostolische wijsheid en geduld’ versus ‘dwepers en drijvers’… (slot)

Synode van Dordt en de intellectuele hoogmoed van het ontluikende humanisme…

Geciteerd: In 1618 reisden drie Bremer hoogleraren naar de Nationale Synode van Dordrecht, die een internationaal karakter droeg. Het stadbestuur van Bremen was vanuit Den Haag verzocht om „drie of vier van zijn voortreffelijkste* en geleerdste* theologen*” te zenden. Het stadbestuur was met dit verzoek niet blij, want men wilde zich niet vervreemden van de naburige steden Hamburg en Lübeck, met hun lutherse belijdenis. In Bremen was het namelijk gekomen tot een ”tweede Reformatie”: men was overgegaan tot de gereformeerde belijdenis. Overigens waren de drie hooggeleerden uit Bremen mild tegenover de remonstranten, hoewel zij de besluiten en dus ook de ”Leerregels” wel ondertekenden.

Opgemerkt 1: * Dit bewijst nog weer eens de hoogmoed die er heerste bij de theologen (van beide ‘partijen’) in hun polemiek en dispuut voorafgaand en tijdens de Dordtse synode. Men gunde elkaar geen ‘gemeentelijke weg’ en ‘gemeentelijke ruimte’ maar alles moest nu eerst in menselijke geschriften voor eens en altijd vastgesteld worden zodat iedereen daaraan gehouden kon worden…

Opgemerkt 2: Hoe anders ging en gaat onze Heer met Zijn leerlingen (en dus ook ons) om! Hij gaf Zijn discipelen de tijd om Hem te leren kennen en om Zijn – Hem van de Vader gegeven – weg in dit leven te leren verstaan. Wat een geduld had Hij met hen maar ook met het ‘kerkvolk en haar leiders’ in die tijd. Zou Hij nu anders met ons willen omgaan? En wat heeft dat te zeggen over en voor ons omgaan met elkaar en het geduld wat wij met elkaar dienen te hebben.

Opgemerkt 3: Zullen we de bescheiden weg die Maarten Luther ging met het opstellen van de Augsburgse Confessie en de voorzichtigheid die de Lutherse landsvorsten en hun (Lutherse) predikanten toch niet (veel) meer als ‘voorbeeldig’ (als navolging van onze Heer) hebben te zien dan de meer ‘activistische calvinistische weg’ van ‘de beeldenstorm’ (zowel in geestelijk als in ‘materieel’ opzicht).

Zie ook:Apostolische wijsheid en geduld’ versus … (I)‘, (II), (III), (IV), (V), (VI), (VII), (VIII)

Bron citaat: RD Opinie – ‘Bremer kerk liet dominee Latzel vallen. En de Bijbel dan?‘ – door ds. L.J. Geluk

Bron afbeelding: Protestantse Kerk in Nederland

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Aan tafel en aan de maaltijd genodigd…

De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.
(Psalm 23 : 1)

Van dr. Maarten Luther (1536)
Op een avond na gebed aan de eettafel uiteengezet.

Psalm 23 (22+23)

Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
(Psalm 23 vers 4)

Geciteerd 1: (…) “Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij” – Door het Evangelie verkrijgen de schapen van Christus kracht in hun geloof, rust in hun hart en troost in allerlei soorten angsten en gevaren van de dood. Degenen die op deze manier prediken, oefenen het ambt van geestelijke herder naar behoren uit, weiden de schapen van Christus in een groene wei, leiden ze naar het frisse water, genezen hun ziel, voorkomen dat ze op een dwaalspoor worden gebracht en troosten hen met de stok en staf van Christus.
Waar mensen zulke predikers horen, moeten ze zeker geloven dat ze Christus zelf horen. Ze moeten zulke predikers ook erkennen als juiste herders, dat wil zeggen als dienstknechten van Christus en rentmeesters van God (1 Korintiërs 4 : 1), en helemaal geen aandacht schenken aan het feit dat de wereld hen ziet en veroordeelt als ketters en verleiders. . 

Degenen die iets anders verkondigen dan het Evangelie, die de mensen menen te moeten leiden naar de werken, spreken over verdiensten en zelfbenoemde heiligheid, zullen zichzelf inderdaad tien keer prijzen als de volgelingen van de apostelen, zichzelf versieren met de naam en titel van de christelijke kerk, en zelfs doden opwekken. In feite zijn het vreselijke wolven en moordenaars die de kudde van Christus niet sparen, maar deze verspreiden, martelen en slachten, niet alleen geestelijk maar ook lichamelijk, zoals we nu toch duidelijk en eenvoudig hebben kunnen vaststellen.

Eerder noemde de profeet Gods Woord, of het Evangelie, gras, water, het rechte pad, een stok, een staf. In het vijfde vers noemt hij het een tafel die voor ons wordt gereed gemaakt, een maaltijd, en een beker die tot overvloeiens toe is gevuld. Hij neemt deze metaforen van de tafel, olie en beker uit de oudtestamentische aanbidding van God door de Joden en zegt praktisch hetzelfde als wat hij eerder had gezegd – namelijk dat degenen die Gods Woord hebben, rijkelijk worden voorzien van alles wat nodig is voor lichaam en ziel – alleen worden deze zegeningen hier nu door hem aangeduid met andere beelden en allegorieën. Eerst gebruikt hij dan het beeld van de tafel waarop het toonbrood altijd geplaatst moest worden (Exodus 25 : 30; 40 : 23). “

U nodigt mij aan tafel voor het oog van de vijand, u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over
‘ (Psalm 23 vers 5)

Geciteerd 2:Hier bekent de profeet ronduit dat hij vijanden heeft. Hij zegt echter dat hij zich tegen hen verdedigt en hen op deze manier terugdrijft doordat de Heer voor hem een tafel heeft klaargemaakt ondanks en tegen die vijanden van hem. Is dat niet een wonderlijke Beschermer?
Ik zou denken dat Hij voor hem een machtige muur zou bouwen, een sterke wal, een diepe gracht aanleggen, hem voorzien van een pantser en ander wapentuig die bij het strijd voeren van nut zijn en waardoor hij veilig zou kunnen zijn voor zijn vijanden of ze op de vlucht zou kunnen jagen…
Maar nee, Hij maakt een tafel voor hem klaar, waaraan hij moet eten en drinken en waarmee en waardoor zijn vijanden worden verslagen. Ook ik zou wel strijd willen voeren op zo’n manier, dus zonder enig gevaar te duchten, zonder zorg, moeite en werk, om dan mijn vijanden overwonnen te zien door niets anders te doen dan aan tafel zitten en eten, drinken en genieten. 

Door middel van deze woorden: Gij bereidt een tafel voor mij voor het oog van mijn vijanden“, wil de profeet de grote, schitterende en wonderbaarlijke kracht van het kostbare Woord van God aangeven. Het is alsof hij wil zeggen: “U, o Heer, biedt mij zoveel goede gaven en voedt mij zo heerlijk en rijk aan de tafel* die U voor mij hebt bereid.
Dat wil zeggen, U overlaadt mij zo overvloedig met de grenzeloze kennis en kracht van Uw dierbare en kostbare Woord*, dat ik door dit Woord niet alleen inwendig (geestelijk), in mijn hart – ondanks mijn schuldige geweten, ondanks zonde, angst, de verschrikking van de dood en Uw toorn en oordeel – wordt getroost; maar daarbij ook uitwendig (mentaal en fysiek) een moedig en onoverwinnelijk held wordt, zodat al mijn vijanden me niet kunnen overwinnen.

* Opgemerkt AJ: Kunnen of moeten we hierbij ook (al) aan onze Doop en het Avondmaal denken waardoor wij onoverwinnelijk gesterkt worden door de gemeenschap met Christus, zoals wij die ontvangen door de kracht van de heilige Geest met en door onze Doop – hier aangeduid door de zalving met olie (zie 1 Johannes 2 de verzen 20-27) – en bij en door het nuttigen van het gebroken brood en het drinken uit de beker aan de Avondmaalstafel?!

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 51, S. 271 ev (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 12, p. 147 ev)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron afbeelding: Steppes of Faith – Medium

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Oh, dat elite-denken dat in ons allen zit!’

Want er is maar één God, en maar één Bemiddelaar tussen God en mensen, de Mens Christus Jezus, Die Zichzelf gegeven heeft als losgeld voor allen, als het getuigenis voor de vastgestelde tijd.‘ (Uit 1 Timoteüs 2 de verzen 5-6)

Geciteerd 1: Dat in de plaats van de priesterstand voor altijd nu de gemeente gekomen is, waar allen voor God van hetzelfde Genadebrood eten en uit één beker drinken, dat is een van de grootste ergernissen. Het moet ons helder voor de geest staan, dat de natuurlijke mens, de mens zoals hij van nature is, geen welgevallen kan hebben in een gemeente, die van genade alleen leeft. De natuurlijke mens heeft een welgevallen in orden en verbonden, maar niet in het éne Verbond, welks Heer en enige Hoofd Christus is.

De natuurlijke mens

Geciteerd 2: De natuurlijke mens is een geboren drager van ordelintjes en een geboren lid van een of ander geheim genootschap, die een instinctmatige behoefte aan een leider niet vermag te onderdrukken. Zijn vurigst verlangen is óf zelf te behoren tot een stand en tot de elite, óf de elite te bewonderen en toe te juichen, al was het maar op het voetbalveld of bij motorraces. Het “elite-denken” zit ons in het bloed. En het zit tegenwoordig ook in de lucht.

Heeft niet Adolf Hitler het aankweken van een raszuivere elite gepredikt? En wat wij thans in het Oosten en in het Westen zien, is dat niet juist ook weer dat aankweken van een elite van technici als beheersingsapparaat en de georganiseerde hiërarchie van specialisten? Oh, dat elite-denken dat in ons allen zit! Zich boven anderen verheffen, op de anderen neerzien, daarmee begint het soms. Aan het einde van alle hiërarchieën echter, de technische en de culturele, de intellectuele en de priesterlijke, brandden altijd weer de vergassingsovens en de brandstapels.

Gods genade in Christus

Geciteerd 3: Maar Christus heeft op de plaats van de hiërarchie eens en voorgoed de gemeente gezet. Maar, zo vragen wij ons af, is de gemeente op haar beurt dan niet óók weer een schare uitverkorenen? Zeker! Let evenwel op het onderscheid! Wanneer wij anders van “uitverkorenen” spreken, dan zijn het gewoonlijk min of meer “de upper ten”, dat wil zeggen de mensen, die krachtens hun eigen voortreffelijkheid zichzelf als uitverkorenen beschouwen en zich als zodanig doen gelden. Maar het uitverkoren-zijn van de christelijke gemeente berust niet op een zekere intellectuele of materiële voortreffelijkheid, maar op de rekening van eigen onvermogen en eigen schuld, positief gezegd: op het weet hebben van Gods genade.

In Christus gemeente wordt geen “zuiver ras” gekweekt, daar wordt eigenlijk niets gekweekt, maar daar wordt gedankt, liefgehad en geleden. De enige verkiezingsgrond is Christus’ genade. “Denk weer aan uw roeping, broeders en zusters,. Onder waren er niet veel die naar menselijke maatstaven wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren. Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen” (1 Korintiërs 1 : 26-29). Zo bestaat de gemeente uit mensen, die niet door zichzelf en niet door mensen, maar door God verkoren zijn.

Gemeentelijke verantwoordelijkheid

Geciteerd 5: Tenslotte nog een vraag aan de gemeente. Wij hebben gehoord, dat de gemeente nu belast is met de verkondiging. Wanneer de verkondiging niet met volle kracht of zelfs geheel verkeerd gebeurd, dan is dat de schuld van de gemeente. De gemeente draagt de verantwoordelijkheid. Hoe staat het dan met onze ‘Bode-dienst’? Laten we het heel gewoon zeggen: Kunnen wij verkondigen? Het zou er in de kerk en in de wereld anders anders moeten uitzien, als wij het konden!

Waar is het woord, dat weer een boodschap is? Waar is het machtswoord, het: “God sprak: daar zij – en daar werd…”? Waar is het woord, dat aan deuren en vensters klopt, en aan de harten? Waar is de prediking, die is als een vuur? Waar klinkt de alarmsirene, omdat er gepreekt wordt?

De rijen zullen eerder dunner worden

Och, wat er zo zondags tussen 9 en 10 uur achter deuren van onze christelijke kerken gebeurt, dat hoeft de wereld nauwelijks meer te vrezen, laat staan dat het haar lokken en aantrekken zou. Versta dit goed! Wij bedoelen niet dat de kerken vol zouden moeten worden. Wanneer ons het onkreukbare Woord in Zijn volle kracht gebracht wordt, dan zullen de rijen eerder dunner worden. Ook is niet bedoeld dat wij geleerder of eenvoudiger moeten preken. Ach, dat kunnen wij immers allemaal wel! Maar preken met gezag, met autoriteit, met volle kracht, ook al zou het maar gestamel zijn, dát hebben wij hard nodig!

Geciteerd 6: Een christelijke predikant is op grond van het Nieuwe Testament niet priester, maar lid van de gemeente, door Gods genade belast met de taak aan de gemeente het Woord en de Sacramenten te bedienen. Wat ieder gemeentelid op zijn of haar plaats is, elke christelijke vader of moeder, elke gelovige opvoeder van de jeugd en wat ieder ook maar als taak mag hebben in de maatschappij op eigen vakgebied, dat is voor God principieel niet anders, dan wat de dienst is van een predikant in een gemeente.

Bron citaten:De zeven gesprekken van Maleachi – Het derde gesprek‘ – door Walter Lüthi (1)

(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

Span je in om voor God te staan als iemand die betrouwbaar is. Zorg dat je je niet voor je werk hoeft te schamen en verkondig regelrecht de waarheid.‘ (Uit 2 Timoteüs 2 vers 15)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Leven uit het feit van Pasen!

Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen wij het Verbond dat met onze vaderen is gemaakt?‘ (Uit Maleachi 2 vers 10)

Laat ieder horen die deze nood kent

Geciteerd 1:  Er is God zoveel aan gelegen, dat wij Hem als God van het Verbond kennen, dat Hij door het hele Oude Testament heen Zijn Verbond met ons arme mensen, een trouwverbond, ja een huwelijksverbond noemt. Hij noemt Zichzelf de “Man” van Israël, en Israël is de met Hem getrouwde en nu ook (weer) de Hem ontrouwe “vrouw”.
Zij is zo ontrouw, dat Hij haar van tijd tot tijd moet tuchtigen. Maar wanneer Hij haar ook “een korte tijd” verstoten heeft, heeft Hij haar toch aangenomen in eeuwige barmhartigheid.

Geciteerd 2: Deze voorstelling van God als “Man” en Zijn gemeente als Zijn “vrouw’ gaat in het Nieuwe Testament zelfs zover, dat Christus Zichzelf de Bruidegom noemt en Zijn gemeente Zijn bruid. Die Bruidegom is trouw. Hij is letterlijk “trouw tot in de dood.”  Aan het kruis is het trouwverbond van God met ons arme mensen, op de proef gesteld, om te zien of het ook breken zou. En daar heeft het stand gehouden. Daarop doelden we, toen wij zeiden, dat wij de Vader door de Zoon kennen.

In Jezus Christus hebben wij allen één Vader.* En al wordt ook de hele wereld door “onze boze en overspelige natuur” tot atomen verbrijzeld, het blijft een feit, dat Christus aan het kruis het Verbond heeft verzegeld.

Geciteerd 3: De situatie ten tijde van de profeet (Zie Maleachi 2 de verzen 10-16) en in de tijd waarop dit gesprek plaats heeft, is in Israël, kort gezegd, als volgt: de moedelozen zijn werkelijk bezorgd over de achteruitgang van de gemeente, over het verval van de eredienst over de liederlijkheid van de priesters. En zij zouden zelfs ook wel boete willen doen met het vrome oogmerk daardoor een verbetering te krijgen. Daarom “bedekken zij”, zoals de Bode hen toevoegt, “het altaar van de HEER met tranen, geween en gezucht, omdat Hij Zich niet meer wendt tot de offergave, noch iets met welgevallen uit uw hand aanneemt. En jullie vragen: Waarom? (Maleachi 2 de verzen 13-14). Deze moedelozen kunnen niet begrijpen – en dat hoort bij het karakter van hun moedeloosheid – waarom God hen zo geheel en al verlaten heeft, niet meer op hun gebeden let en hun offergave niet meer aanziet. “Waarom dat?” Zo luidt de oude bijna klassieke vraag van de moedelozen van alle tijden.

Geciteerd 4: God geeft door Zijn Bode het korte, harde, maar duidelijke en heilzame antwoord: “Daarom!” Wanneer de moedeloze mensen menen dat dit ongemotiveerd gebeurt en dat God Zijn gemeente zonder oorzaak tuchtigt, dan antwoord Gods Bode: “Daarom!” En dan wordt hij heel duidelijk. Er zijn twee oorzaken…

Geciteerd 5: Over deze dubbele zonde spreken de priesters niet, maar de Bode heeft een boodschap, en het is niet aan zijn believen of gevoelen overgelaten of hij haar brengen wil: “Niemand plege trouwbreuk jegens de huisvrouw zijner jeugd” (Maleachi 2 : 15). Heeft hij de goede dagen met haar gedeeld, dan dele hij ook de moeilijke met haar. “Daarom dat de HEER getuige geweest is tussen u en de huisvrouw uwer jeugd, tegen wie gij trouwbreuk hebt gepleegd” (Maleachi 2 : 14). (…) Dus daarom helpt al dat gezucht en geween en al dat bidden niets, als niet dáár de bekering begint, “want Ik haat de echtscheiding, zegt de Heere, de God van Israël” (Maleachi 2 : 16).

Geciteerd 6: Maar de Bode gaat verder en stelt vast, dat zo iemand dan ook jegens God trouwbreuk heeft gepleegd. Daarmee raakt hij echter een groot mysterie. Zoals God de verhouding tussen Zich en Zijn gemeente, Zijn eeuwig Verbond een huwelijk noemt, zo noemt de Bode het hier nu omgekeerd, van het huwelijk uit gezien, de verhouding tussen man en vrouw, het huwelijk, een verbond.

Evengoed als het Verbond van God met ons mensen ondanks onze ontrouw onverbrekelijk is, even goed is dat ook zo met het huwelijksverbond van twee mensen. “Ik haat de echtscheiding, zegt de Heere“, omdat de echtscheiding het verbond schendt.

Geciteerd 7: Als de nood het hoogst is, dan is de redding nabij.” Daarom spreekt de Bode van het huwelijk als van een verbond. Daarom spreekt Paulus van het huwelijk als van een verborgenheid tussen Christus en Zijn gemeente. Daarom betreedt Christus als het ware dit slagveld als de Heer en de Heiland van het huwelijk. Zoals Hij het hoofd van de gemeente is, zo is Hij, boven de man, het Hoofd van het gezin. Omdat het huwelijk in bijzondere zin een zee van bloed en tranen is, daarom is hier de Geneesheer en de barmhartige Samaritaan in bijzondere zin aanwezig als Heer, ook over de huwelijksnood.

Laat toch ieder horen die deze nood kent, en, wie kent deze nood niet? Wie kan hier ergens anders staan dan in de sfeer van de vergeving, wie kan hier uit iets anders leven, dan uit het feit van Pasen? Jullie, die in het huwelijk begraven bent, jullie, die in het huwelijk gevangen zijn, die aan het huwelijk te gronde zijn gegaan, jullie die in het huwelijk gevallen zijn, en jullie, voor wie het huwelijk hierom een pijnlijke geschiedenis is, omdat het voor u niet weggelegd was een huwelijk te sluiten, en vooral jullie die gescheiden zijn, die niet maar als geamputeerden, maar als levend gehalveerden moeten verder leven – hoort het toch: Christus is in heel bijzondere zin de Heer en Geneesheer van het huwelijk. Deze verborgenheid is groot.

Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen we dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen het Verbond, dat met onze vaderen is gemaakt? Hebben wij niet allen één Vader, op beide wereldhelften en in beide huwelijkshelften? Eén Vader, in de éne Zoon?!

Bron citaten: ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ ‘Het vierde gesprek  “Hebben wij niet allen één Vader?“‘ – door dr. Walter Luthi (1)

(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Politiek | Plaats een reactie

‘Het Woord van God kan niet gebroken worden’*…

Zo staat er ook geschreven: “De eerste mens, Adam, werd een levend aards wezen.” Maar de laatste Adam werd een levendmakende geest. Niet het geestelijke is er als eerste, maar het aardse; pas daarna komt het geestelijke. De eerste mens kwam uit de aarde voort en was stoffelijk, de tweede mens is hemels. Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de tweede. Zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.‘ (Uit 1 Korintiërs 15 de verzen 45-49).

Geciteerd 1: Remonstranten spreken terughoudend over ‘zonde’, maar wijzen op de ‘menselijke beperkingen en hun tekortschieten’ en het belang van het ‘onder ogen zien van je eigen donkere, imperfecte kant’. Hoe past u dat op uzelf (1) toe?
De mens is een imperfect wezen. Ik heb de indruk dat Remonstrantse gedachte is: de mens mag dan geneigd zijn tot alle kwaad, maar óók tot een heleboel goeds. En je hebt het vermogen om daarin te kiezen. Na een moment van inkeer, kan er ook een moment van vergeving komen. Dat is een van de meest fundamentele dingen van het christendom.”

Geciteerd 2: Sinds uw achtste jaar staat uw leven in teken van ziekte en verdriet. Best heftig.
(…) Lees het van dankbaarheid getuigende antwoord in het interview (zie bronverwijzing onderaan).

Opgemerkt 1: Wanneer we de eerste hoofdstukken van Genesis goed hebben leren lezen, dan zullen we inderdaad niet kunnen en durven spreken van een ‘perfecte mens’ voor de zondeval en een ‘totaal verdorven mens’ na de zondeval. De mens was in die zin al beperkt in zijn vermogens voor de zondeval, namelijk doordat hij niet wist te onderscheiden tussen goed en kwaad. Om dat wel te kunnen was de mens op de woorden van God en het doorgaande spreken van en met Hem aangewezen. Het was dus ook niet zo dat in het paradijs de wet van God al in de harten van Adam en Eva geschreven was en dat ze die kwijtraakten op het moment dat ze van ‘de boom van kennis van goed en kwaad’ gegeten hadden. We kunnen dat o.m. afleiden uit de woorden die Paulus later zal schrijven aan de gemeente in Korinthe (hoofdstuk 15 vanaf vers 35).

Toen de Satan met zijn woorden kwam aanzetten bij Adam en Eva, toen hebben deze twee helaas niet hun vertrouwen gegeven aan het eerder gesproken woord van God en ook zijn ze niet bij God eerst nog weer te rade gegaan, maar zij hebben vertrouwd op hun natuurlijke verstand (beoordelingsvermogen) en op wat voor hun als schepsel voor ogen was: de boom en zijn vrucht waren aantrekkelijk om te zien en ook daarom leek het hun een poging en de moeite waard om langs die weg meer kennis en inzicht te krijgen.

Opgemerkt 2: Het is dus niet (eens) nodig de door de satan aangereikte (hoogmoedige) gedachte van ‘als God te willen zijn’ bij Adam en Eva als doorslaggevend te veronderstellen. Het leek hun geen verkeerde gedachte en zelfs een goede weg om op deze manier en gebruikmakend van hun menselijke zelfstandigheid en capaciteiten wijs te worden en te leren onderscheiden waar het op aan komt in het leven. Maar over dat vermogen en over die capaciteiten beschikte de ‘natuurlijke mens’ ook in het paradijs niet!

Door de ‘eigenzinnige daad’ van Adam en Eva werd van de kant van de mens de liefde/vertrouwensband met God gebroken, maar daarom gebeurde dat nog niet van Gods kant! Omdat het Woord van God niet gebroken kan worden, daarom moest de mens nu wel sterven, maar dat dus niet omdat God van Zijn kant de liefde voor de mens en deze wereld had opgegeven. Dat blijkt al onmiddellijk uit Gods spreken met en beloven aan (en ook handelen met) de mens direct na de val.

Opgemerkt 3: Net als voor de val was en is de mens voor het onderscheid tussen goed en kwaad ook nu helemaal aangewezen op het Woord van God. En net als in het paradijs meent de mens – ‘van nature’ of als ‘natuurlijke mens’ – toch steeds weer dat het toch ook zonder dat goed luisteren naar en je helemaal toevertrouwen aan Gods Woord en Geest (a) kan (of moet) lukken om dat onderscheid goed te kunnen maken.

Het verschil tussen Adam en Eva (in het paradijs) en ons mensen van nu is dus veel minder groot dan dat men vanuit de theologie wel aan ons heeft willen voorhouden. Ze waren toch minder ‘goddelijk/Goddelijk’ dan zoals men dat wel wil voorstellen (o.a. met de gedachte dat bij hen de wet van God al – ‘van nature’ of door de Geest? – in het hart geschreven was/lag).

(a) Dus dat wij ons door de bediening van Woord en Sacrament – ‘Christus komt tot ons in het gewaad van Woord én Sacrament’ – helemaal toevertrouwen aan God de Vader zoals Hij Zich in Zijn Liefde geopenbaard heeft door Zijn Zoon onze Heer Jezus Christus en zoals wij delen in Hun gemeenschap door de kracht van Zijn heilige Geest. (Zie Johannes 14 de verzen 15-31)

* Geciteerd 3: Men kan op goede gronden aannemen, dat de Heere Jezus het gehele Oude Testament als het Woord Gods beschouwde. In Johannes 10 : 35 zegt de Heere Jezus, dat de Schrift niet kan gebroken worden, d.w.z. alles, wat in de Heilige Schrift staat, staat onbeweeglijk vast. Zo lezen we in Matteüs 5 : 18, dat geen tittel of jota van de Wet zal voorbijgaan. Het woordje Wet ziet hier op het geheel der voorschriften van het Oude Testament. In vers 17 staan de Profeten er naast. Het gaat dus om het gehele O.T.

(1) Wopke Hoekstra. Hoewel hij zelf “écht heel weinig” in de kerk te vinden is, baart het hem zorgen dat Nederland seculariseert. Een portret.

Bron citaten 1+2: Reporters Online (via Blendle) – ‘Wopke Hoekstra: ‘Jezus’ lijdensverhaal relativeert mijn eigen leven‘ – door Sjoerd Wielenga
Bron citaat 3: digibron-nl – ‘De Schrift kan niet gebroken worden‘ – Gereformeerd Weekblad, auteur ‘L.V.’

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Het probleem van de ‘nadere reformatie’…

U (gemeente van Korinthe) bent een bouwwerk van God. Overeenkomstig de taak die God mij uit genade heeft opgelegd, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort. Laat ieder er op letten hoe hij bouwt, want niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt – Jezus Christus Zelf.
(Uit 1 Korintiërs 3 de verzen 9b t/m 11)

Geciteerd: De Nadere Reformatie keerde zich tegen het geestelijk verval in de Gereformeerde Kerk in de Republiek. De leer was goed, maar hoe stond het met het leven? De kerk beleed de rechtvaardiging door het geloof alleen, maar waar bleven de werken? Vandaar dat Teellinck in zijn ”Toetssteen” veel spreekt over goede werken, zij het dat die alleen voortvloeiden uit het geloof in Christus.
Teellinck keert zich in zijn ”Toetssteen” uitvoerig tegen schijngeloof en naamchristenen. Hij verstaat daaronder mensen die wel de beloften van het Evangelie aannamen, maar niet leefden naar de geboden van God. Teellinck stelt dat „al onze voortreffelijke theologen” ervan uitgaan dat het geloof –in de zin van de vereniging met Christus– aan de bekering voorafgaat. Het geloof neemt Christus aan zoals Hij in de beloften van het Evangelie wordt aangeboden, maar dan vraagt God wel van de mens dat hij afscheid neemt van de wereld en zich werkelijk aan Christus overgeeft. „Iemand kan niet geloven zolang hij zich niet wil bekeren en aan God wil overgeven.”

Opgemerkt: Het probleem van de theologen van de ‘nadere reformatie’ is dat zij een eigen oplossing hanteerden voor het probleem van het verval van de kerk. Omdat zij afgingen op wat voor ogen was, meenden ze dat een (meestal belangrijk) deel van de gemeente wel ‘onbekeerd’ moest zijn. Ze konden dan wel gedoopt zijn, maar dat was heus nog geen garantie dat je met een werkelijk lid van de gemeente van Jezus Christus te maken had. Daarmee namen ze de troost* uit de gemeente weg en onderwijl preekten ze wel de werken, want een ‘bekeerd’ mens, die moest je daar uiteindelijk wel aan kunnen herkennen. En zo raakten ze er aan gewend om elkaar voortdurend ‘geestelijk’ de maat te nemen.
Waarom hielden ze zich niet aan de verkondiging van Gods Woord? In de brieven van de apostelen en die van onze Heer Jezus Christus vonden ze toch genoeg aanleiding en stof om te beseffen dat ze helemaal niet met een specifiek ‘geestelijk verval’ te maken hadden? En het OT doet heus niet onder voor het NT om ‘geestelijk verval’ onder de aandacht te brengen. Toch konden de profeten nooit tegen hun volksgenoten zeggen: ja, jullie moeten je eerst bekeren voordat je je mag rekenen tot Gods volk… Nee, omdat ze kinderen van het Godsvolk waren, daarom kregen ze uit de mond van profeten die striemende woorden te horen en hadden ze zich daaraan gewonnen te geven. Een heiden kreeg dat niet zó te horen!

* En daarmee ook de dankbaarheid, terwijl onze werken toch alleen uit dankbaarheid gedaan zullen worden.  Zie ook Lukas 7 de verzen 40-43 en Lukas 19 de verzen 7-10.

Bron citaat: RD Kerk & religie – ‘Willem Teellinck keerde zich tegen goedkope genade zonder de werken‘ – Door Klaas van der Zwaag

Bron afbeelding:  SlideShare

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Goede vrijdag: ‘merkwaardige dag’!

Die dag zal zeker komen, brandend als een oven. Wie hoogmoedig zijn of wie zich goddeloos gedragen, zullen dan slechts stoppels zijn die door de hitte van die dag worden verschroeid – zegt de HEER van de hemelse machten. Geen wortel of tak zal er van hen overblijven. Maar voor jullie die ontzag voor Mijn naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt. Huppelend als kalveren die op stal hebben gestaan zullen jullie naar buiten komen. Dan vertrappen jullie de wettelozen; op de dag die Ik voorbereid, zullen zij niet meer zijn dan stof onder jullie voeten – zegt de HEER van de hemelse machten.
(…) Voordat de dag van de HEER aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur Ik jullie de profeet Elia, en hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders. Anders zou ik het land volledig moeten vernietigen.‘ (Uit Maleachi de verzen 19-21 en 23-24)

Geciteerd 1: Wat een merkwaardige dag, waarop tegelijk geslagen en gespaard wordt vertrapt en gedanst, gehuild en gejubeld! Wat een merkwaardige dag, die branden zal zoals een oven brandt en die tegelijk ook zal lichten als de zon! –

Daarmee zijn we gekomen aan een punt waar wij niets meer hoeven uit te leggen: dat doet vanaf nu een Ander. Christus heeft namelijk herhaaldelijk over dit laatste hoofdstuk uit het Oude Testament gesproken. Daaruit kunnen wij opmaken dat Hij deze verzen bijzonder belangrijk vond. Wij bladeren een klein eindje verder, tot wij in het Nieuwe Testament komen…

Geciteerd 2:  In Maleachi staat, dat Elia nog komen moet voor die verschrikkelijke dag; Christus zegt, dat Elia al gekomen is (Marcus 9 : 11-13); bijgevolg was Johannes de Doper de man “aan wie zij gedaan hebben al wat ze gewild hebben.

Die grote verschrikkelijke dag is dus de dag van Jezus Christus. Het is de dag, welke Zacharias ziet, en de grijze Simeon, het is de dag, die de Doper vlakbij ziet! De dag waar alle vingers der eeuwen heen wezen en waarop alle Boden van Amos tot Maleachi doelen, is de dag van Christus. Nog nauwkeuriger gezegd: De dag waarop tegelijk geslagen en gespaard wordt, vertrapt en gedanst, gehuild en gejubeld, die branden zal als een oven en die stralen zal als de zon, kan dat een andere dag zijn, dan juist de – Goede Vrijdag?

Toen heeft de aan het einde van het Oude Testament tot slaan opgeheven vuist geslagen op Hem van Wie wij nu zingen: “Lijdt Hij die smaad, die slagen? Ja, ik kost Hem die slagen. Ik sloeg Hem al die wonden.” Toen is de banbliksem van het Goddelijk gericht ingeslagen, maar zie, vóór hij de aarde bereikte, heeft hij Zijn hoofd getroffen.

Zo nauw neemt God het met de rechtvaardigheid in de hemel en op de aarde, en zo nauw neemt Hij het tegelijkertijd met Zijn liefde, dat Hij, om de aarde niet te moeten slaan, de slag liever Zelf krijgt, de neersuizende vuist liever Zelf opvangt, en Hem slaat, Die van eeuwigheid af bij Hem is.

Geciteerd 3: Nog slechts één onderdeel van het beloftewoord van de Bode is nog niet in vervulling gegaan: dat is het woord over het jonge vee, dat huppelen zal van vreugde over zijn bevrijding. Dit woord wijst over de Goede Vrijdag heen naar nog een andere dag, die God zal doen aanbreken; dat zal de laatste, “de jongste dag” zijn, de dag der voleinding…

Geciteerd 4: Ook het laatste boek van het Nieuwe Testament heeft een laatste woord. Dat luidt aldus: “Kom Here Jezus! De genade van onze Here Jezus Christus zij met u allen! Amen.” (Openbaring 22 : 20-21)

Bron citaten: ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ ‘Het zevende gesprek  “Zie de dag die komt!“‘ – door dr. Walter Luthi (1)

(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

Bron afbeelding: Knowing-Jesus.com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

‘Met een goed verhaal en zonder angst’…

Omdat God ons in Zijn barmhartigheid deze taak gegeven heeft, verzaken wij onze plicht niet. Integendeel we hebben ons afgekeerd van heimelijke lafheid: we gaan niet sluw te werk, we vervalsen het Woord van God niet, maar maken de waarheid openlijk bekend.
(Uit 2 Korintiërs 4 de verzen 1-2)

Geciteerd 1:Van Paulus kun je als christen leren dat je juist aanwezig moet zijn in de publieke ruimte, met een goed verhaal en zonder angst’, zegt theoloog Arco den Heijer.

Geciteerd 2:  Het beeld van Paulus, als Jood en Romein, sprekend, gebarend en handelend in het spoor van de profeten en van Griekse grootheden als Socrates en Demosthenes, is volgens Den Heijer passend voor iemand die door de God van Israël geroepen is een boodschap van behoud te brengen aan alle volken.
Bovendien weerlegt het de gedachte dat christenen aanhangers van een nieuw bijgeloof zouden zijn, dat niet past bij de Romeinse leefwijze, of van een leer die zich richt tegen het Joodse volk, de Joodse wet, en de tempel van Jeruzalem. Het is van belang Paulus in het spoor van de profeten te situeren om de in Romeinse ogen verwerpelijke nieuwheid van de christelijke beweging te weerleggen.”

Opgemerkt: Waarom meldt Paulus de Korintiërs dan dat hij daar bij hen in al zijn zwakheid kwam en angstig en onzeker was en dat hij beslist ook niet met een ‘goed verhaal’ kwam. In Athene had hij met zijn verhaal ook al nauwelijks indruk kunnen maken en God kwam hem in een visioen bemoedigen en melden dat Hij (!) veel volk had in Korinthe en dat Paulus – ondanks alles wat hem daar al weer overkomen was – niet bang moest zijn maar blijven spreken. (zie Handelingen 9 : 9-11)
Paulus zegt over dat ‘goede verhaal’ dat hij moest en bleef spreken, dat dat voor de Joden een ergernis was en voor de Grieken een dwaasheid. Dat er toch mensen aandacht gaven aan zijn boodschap en tot geloof en bekering kwamen, dat schreef hij beslist niet toe aan zijn ‘goede verhaal’ (Boodschap) en welsprekendheid, want zegt hij: uw geloof moest niet steunen op menselijke wijsheid – want het evangelie bestaat niet uit woorden – maar berust op kracht van God, namelijk zoals Hij daarmee wilde werken in de harten van – meest eenvoudige! – mensen in Korinthe door Zijn heilige Geest.

Geciteerd 3:  Paulus’ rede is voor de Atheners uiterst pijnlijk geweest. We kunnen ons moeilijk voorstellen wat het voor die mensen betekend moet hebben, dat Paulus sprak over (een hem bekende) onbekende God, over het niet-kennende dienen en over de onwetendheid. Wie meent, dat Paulus hun in het gevlei kwam (of wilde komen, bijv. door helemaal in hun stijl te spreken – AJ) verstaat de geest van deze Atheners niet.
Hij kon onmogelijk iets gezegd hebben dat hen onaangenamer was. Hij sprak in een stad die zich de bakermat en oorsprong van alle menselijke wijsheid achtte. Een stad die een eeuwenoude traditie van wijsheid bewaarde. En daar gewaagde hij van onwetendheid, en zei, dat het beste dat ze nog hadden het altaar voor een onbekende god was.
Vóór alles wilde hij hun de illusie benemen, als zouden ze in hun wijsheid iets hebben, waarop ze konden vertrouwen. Had hij daar gesproken van Gods toorn, de ongerechtigheid van de mensen en van goddeloosheid, dan hadden ze hem niet kunnen begrijpen. Maar hij spreekt van hun onwetendheid. Dat is niet mis te vatten. Nu staan ze voor de keus: geloven of verwerpen. Ze kiezen in overgrote meerderheid voor het laatste.

Geciteerd 4: Zijn hoorders konden Paulus niet indelen. De stoïsche en epicuraeïsche wijsgeren konden het niet. Maar nu blijkt dat mensen met een (brede) religieuze belangstelling het ook niet kunnen. Want zijn verkondiging laat van die belangstelling niets over, maar spreekt het oordeel uit over die verzameling godsdiensten. Ook in het vervolg (van zijn rede) is Paulus stelling een tegenstelling, zijn these een antithese.
De God die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, en laat zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, omdat Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft.
Hiermee is het standpunt van religieuze mensen afgewezen. Zij verzamelen godsdiensten, maar God woont niet in tempels met handen gemaakt. Daar spreekt Paulus het duidelijk uit, dat hij niet een van de velen onder de verkondigers is. Opnieuw weten de mensen van een brede belangstelling voor geloofszaken dat Paulus niet een van de hunnen is…

Bron citaat 1-2: RD Kerk & religie – ‘Promovendus Den Heijer: Eerste christenen stonden midden in de cultuur‘ – door Klaas van der Zwaag

Bron citaat 3-4:Eerst de Jood, maar ook de Griek‘ – Hoofdstuk ‘V. Geschiedenis en evangelie‘ – van prof. K.J. Popma (1903-1986)

Van Grieken en niet-Grieken, van wijzen en onwetenden ben ik een schuldenaar; vandaar ook mijn bereidheid om ook u te Rome het Evangelie te brengen‘.
(Uit Romeinen 1 de verzen 14-15)

Bron afbeelding:  SlideShare

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Over onze gemeente/kerk-keus gesproken…

Christus Jezus heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle zonde vrij te kopen, ons te reinigen en ons tot zijn volk te maken, dat vol ijver is om het goede te doen.
(Uit Titus 2 vers 14)*

Heer, ik wil?

Geciteerd: Het is verdrietig om te ontdekken dat heel veel christenen denken dat Christus alleen gekomen is om ons vrij te kopen van de zonde. Want dat is alleen maar (hoewel het ook al een eindeloos kostbaar geschenk is!) het middel tot een hoger doel. Van zonde bevrijd kan ons leven helemaal in het teken staan van het goede.
We kunnen Zijn volk zijn, stralend van schoonheid door Hem. We kunnen vol ijver ons richten op het doen van het goede, het ware en het schone. Dat is Gods verlangen: een prachtig volk, een stralende bruid, een liefdevolle gemeenschap voor zijn glorie.
Bid: Heer, ik wil deel uitmaken van een volk dat helemaal voor U is.

Opgemerkt: Zullen we niet (eerder) elke dag danken dat wij deel (mogen) uitmaken van een volk dat onze Heer Zich gekocht heeft met Zijn bloed. En natuurlijk verwacht Hij van Zijn volk dat ze ‘volijverig zijn in goede werken‘. (zie Bijbelgedeelten onderaan!)
Maar in ons leven leren we DV (we zien dat helaas lang niet bij al Gods kinderen gebeuren!) – dagelijks dankend en biddend door Geest en Woord geleid! – wat nu werkelijk de goede werken in ons leven geweest zijn en nog weer kunnen zijn vandaag, namelijk ‘die God voor Zijn kinderen tevoren bereid heeft opdat wij daarin zouden wandelen‘ (naar Efeziërs 2 : 10)
Dat zijn toch altijd weer andere werken dan die ons eigen hart ons ingeeft en voorhoudt en waar onze medemensen graag over roemen! Lees 1 Korintiërs 13 er nog maar eens op na om na te gaan hoever we dáár al mee gekomen zijn in ons samenleven en onze werken.
En wijs ons nu eens een periode in de Bijbelse en in de Kerkgeschiedenis aan waar er een Godsvolk te vinden was waarvan je zeggen kon: dat was nu echt nog eens een volk dat er helemaal voor U is geweest en waar ik graag deel van had uitgemaakt.
En wijs ons vandaag eens gemeenten aan – met hoeveel woorden ze zichzelf misschien ook aanbevelen – waarvan je dat zou kunnen of moeten zeggen.
Bij de hoogdravende woorden die men durft te spreken om zich ermee aan te bevelen en de bij deze gedachten behorende liederen die men zingt, getuigen ze van van veel overmoed en gebrek aan (Bijbelse) zelfkennis en dus van hoogmoed. Het is beslist levensgevaarlijk om in dergelijke zichzelf aanbevelende gemeenten te verkeren! Wij mensen kunnen over onszelf en onze gemeenten werkelijk niet ootmoedig** genoeg denken en spreken!

* Lees deze brief aan Titus (weer) eens in z’n geheel om te beseffen te midden van wat voor ‘Godsvolk’ (gemeente van Jezus Christus) Titus goede leiding had te geven.
** Gisteren las ik dat rabbi Biniyomin Jakobs stelde/stelt: ‘te bescheiden bestaat niet’. Dat is helemaal waar wanneer we spreken over onze eigen goede werken en die van onze gemeente(n).

Bron Citaat: Tijd met Jezus – Meditatie van 17 maart 2021 – ds. Jos Douma.

Broeders en zusters in naam van de Heer Jezus vragen we u met klem te leven zoals wij het u geleerd hebben, dus zo dat het God behaagt. U doet dat al, maar wij sporen u aan dat nog veel meer te doen.
(…) ‘Over de onderlinge liefde hoeven wij u niets te schrijven, want u hebt zelf van God geleerd hoe u in liefde met elkaar moet omgaan. U doet dat al met de gelovigen in heel Macedonië, maar broeders en zusters, wij sporen u aan het nog veel meer te doen en er een eer in te stellen in alle rust uw eigen zaken te behartigen en uw eigen brood te verdienen. Dat hebben wij u opgedragen, opdat u een eerzaam leven zult leiden in de ogen van hen die niet tot de gemeente behoren, en u van niemand afhankelijk bent.
(Uit 1 Tessalonicenzen 4 vers 1 en de verzen 9-12)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

‘Lusten en lasten van de tweezaamheid’…

Hij zei: ‘Hebt u niet gelezen dat de Schepper de mens bij het begin mannelijk en vrouwelijk heeft gemaakt? En Hij vervolgde: ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één worden; zij zijn dan niet langer twee maar één. Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden. (Uit Matteüs 19 de verzen 4-6)

Geciteerd 1: Op de drempel van de Nieuwe Tijd leidden de geschriften van Desiderius Erasmus en Thomas More tot een verschuiving in het denken over huwelijk en seksualiteit. Hoewel beide denkers geen tegenstander waren van het celibaat, in tegendeel, achtten zij dit een voor velen te hoog gegrepen ideaal. Maarten Luther dacht langs dezelfde lijnen. Hij vond kuisheid pas zuiver als het niet alleen in de praktijk werd gebracht, maar ook werd gedragen door de geest. Omdat dit voor de meesten onbereikbaar is, moesten huwelijk – en seksualiteit daarbinnen – worden gezien als wezenlijke onderdelen van de schepping Gods.

Geciteerd 2: Wat Luthers theologie zo aanschouwelijk en aansprekelijk heeft gemaakt, was niet zijn oppervlakkige retoriek, maar verstrengeling van God met lichamelijkheid. Anders dan ooit voor en na hem heeft hij het Woord van God als scheppende kracht gezien (1): ‘God sprak en het was er‘. Gods Woord schept zinnelijke lichamelijkheid. De grote scholen uit de Middeleeuwen, het filosofisch idealisme van de moderne tijd en de op de existentie gerichte moderne theologie betrekken het ‘Woord’ van God op de ‘geest’ van de mens of op zijn geweten, maar altijd op het bewustzijn. De Middeleeuwen wordt de materialisering van de genade aangewreven en de Reformatie als getuige voor de ‘vergeestelijking’ van de mens opgeroepen.

Geciteerd 3: Het Woord is vlees geworden‘ (Johannes 1 : 14), aldus verkondigt de evangelist Johannes het wonder van de geboorte van Christus. De theologie echter heeft dit vlees, afhankelijk van de confessie, veranderd in hetzij ‘kerk’ of ‘prediking’. Van deze verandering heeft Feuerbach gedacht dat het ging om het wezen van het Christendom.

Voor Luther is deze vergeestelijking, dit streven naar het ‘hogere’, juist het ‘on-wezen’ van het Christendom. De rechtvaardige vergeestelijkt zich niet in het geloof, maar leeft uit het geloof, en dit leven is door God geschapen en bedoeld. Om de eerste regel van de geloofsbelijdenis te kunnen funderen is de ervaring van een mensenleven noodzakelijk:
Wat bedoel je‘, vraagt hij in de grote Catechismus, ‘met het woord “Ik geloof in God, de Vader, Almachtige Schepper…”?
Antwoord: Dat bedoel en geloof ik, dat ik een schepsel van God ben, dat betekent dat hij mij gegeven heeft en onophoudelijk onderhoudt lichaam, ziel en leven, ledematen klein en groot, alle zinnen, inzicht en verstand…’.

Geciteerd 4: De door Luther voltrokken identificatie van ‘hogere’ en ‘lagere krachten’ in de mens toont aan dat er iets totaal nieuws is begonnen. Het verrassende – ook in de 16e eeuw bijzonder aanstootgevend – element is de belijdenis van de sexuele drijfveren als een kracht van God, ja, zelfs als Gods vitale aanwezigheid (in de mens/het schepsel – AJ).
De Schriftuurlijke basis voor zijn opvatting vindt Luther in een vers uit het boek Genesis dat zo belangrijk voor hem is geworden dat hij steeds opnieuw probeert het in goed Duits te vertalen. Uiteindelijk kiest hij voor de versie: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is. Ik zal voor hem een hulp maken die om hem heen is‘ (Genesis 2 : 18).

Geciteerd 5: De volgende exegese van Luther (van deze tekst uit Genesis), die het fundament vormt van zijn gedachten over sexualiteit en huwelijk, markeert inderdaad een sprong welke een nieuw tijdperk inluidt: ‘Dit is het Woord van God, krachtens welke… de mannelijke, natuurlijke neiging tot de vrouw geschapen en onderhouden wordt. Dat mag niet door gelofte of wet gehinderd worden. Want het is Gods woord en werk.
Niet pas in het huwelijk maar in alle sexuele neigingen is de kracht van God aan het werk. Het huwelijk is alleen de juiste wijze om haar te gebruiken, de werkelijk geestelijke, door God ingestelde staat, om de sexualiteit te beleven. (…) Voor Luther is God in de aantrekkingskracht tussen man en vrouw zo levensecht aanwezig, dat hij het verbond tussen man en vrouw sticht en zelfs de geslachtelijke band van het huwelijk zelf is.

(1) Tot bij de viering van het Avondmaal met brood en wijn toe waarin wij Jezus lichaam en bloed deelachtig worden:

De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet de gemeenschap van (met) het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet de gemeenschap van (met) het lichaam van Christus?” (1 Korintiërs 10 : 16)

Bron citaat 1:  historiek-net – ‘De status van het huwelijk in de late Middeleeuwen‘ – door Jeroen Savelkouls

Bron citaten 2-5:Luther, mens tussen God en duivel’ – Hoofdstuk ‘X. In weerwil van de duivel: Vreugde in het huwelijk en vrede met de wereld‘ – van Heiko A. Oberman (bij leven hoogleraar kerkgeschiedenis)

Voor de ongehuwden heb ik geen voorschrift van de Heer, dus geef ik mijn mening, als iemand die door de barmhartigheid van de Heer betrouwbaar is. Ik meen dat het vanwege de huidige beproevingen voor een mens goed is te blijven wat hij of zij is. Hebt u een vrouw beloofd met haar te trouwen, verbreek die belofte dan niet; bent u niet gebonden aan een vrouw, zoek er dan ook geen. Het is weliswaar niet zo dat u door te trouwen zondigt, en ook wanneer een meisje trouwt zondigt ze niet, maar het huwelijk wordt een zware belasting die ik u graag zou besparen.
Wat ik bedoel broeders en zusters, is dat er maar weinig tijd rest. Laat daarom ieder die een vrouw heeft zo leven dat het hem niet in beslag neemt, ieder die verdriet heeft zo dat hij er niet door wordt beheerst, ieder die vreugde voelt zo dat hij er niet in opgaat, ieder die bezit verwerft alsof het niet zijn eigendom is, ieder die in deze wereld leeft alsof ze voor hem niet meer van belang is. Want de wereld die wij kennen gaat ten onder.
(Uit 1 Korintiërs 7 de verzen 25-31)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie