Waar en wanneer de schoen knelt…

‘En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land.‘ (Uit Handelingen 7 het 33e vers)

Ds. M.R. van den Berg (1) spreekt in zijn boek ‘Als de kerk ter sprake komt’ (1993) aan het slot daarvan over de alsmaar doorgaande en toenemende secularisatie, juist ook binnen de kerken.

Geciteerd: Die schoen knelt trouwens al zeer geruime tijd. Dat heeft funeste gevolgen voor de voeten. Laten we proberen de knelpunten op te sporen. Wie weet, misschien moeten we de schoen wel weggooien om de voet te behouden. Het omgekeerde zou natuurlijk ook kunnen, maar het leven is nog altijd meer dan het voedsel.

Van een voet springen de gedachten makkelijk over naar Voetius, de toonaangevende gereformeerde theoloog uit de 17e eeuw. Toen hij de strijd aanbond met de carthesiaanse nieuwlichterij, was hij zich er terdege van bewust dat de filosofie van Descartes de dood betekende voor het geloof. Maar het is nooit tot hem doorgedrongen, dat zijn eigen denken doortrokken was van diezelfde gifstof die Descartes’ filosofie zo gevaarlijk maakte. Hij liep met de dood in zijn schoenen zonder het te weten. Hij danste een dodendans, denkend dat hij voor de ark uit huppelde.

… Pascal heeft beseft dat de God van de filosofen en theologen niet meer de God van Abraham, Izak en Jakob was…

Geciteerd 2: De ellende is dat een godsidee iets anders is dan de levende God Zelf. (…) Dat deze godsidee omhangen wordt met de vadernaam, blaast er nog geen leven in. (…) Ook de Bantoe in Zuid Afrika kan met zo’n godsidee niets beginnen. Isaiah Shembe, de legendarische stichter van de Nazarenen onder de Zoeloes, heeft de ontoereikendheid van deze godsidee scherp aangevoeld. (…) Shembo’s zoon zei eens, toen zijn vader al vele jaren dood was: ‘Mijn volk, er werd jullie een God verkondigd die geen armen heeft en geen benen, die niet kan zien en die liefde noch medelijden kent. Maar Isaiah Shembe toonde jullie een God die loopt op zijn voeten, die geneest met zijn handen en die gekend kan worden door de mensen, een God die liefheeft en erbarmen kent.’

… Isaiah Shembe was een valse profeet. Hij ging op de plaats van Christus staan. Maar hij heeft scherp het manco van de theologische godsidee gezien.

Geciteerd 3: De God van Israël is echter een concrete levende God, onvergelijkbaar met een speculatieve idee. Hij sprak van mond tot mond met Abraham. Hij daalde neer op de Sinaï. Hij ging als een krijgsheld voor Zijn volk uit. Hij had berouw dat Hij Saul koning gemaakt had. Hij is een levende, handelende God die concreet tastbaar aanwezig is. Dié God is onze God.
Het komt me voor dat we de dreiging van het geseculariseerde denken alleen kunnen weerstaan, als we weer heel duidelijk gaan inzien, dat deze God van de Hebreeën vandaag nog bestaat en dat Hij vandaag niet minder dan in de oud-testamentische tijd actief is en zich manifesteert in het natuurgebeuren en in de geschiedenis en in ons persoonlijk leven. Een God met handen die Hij gebruikt en met ogen die alles waarnemen, met een stem waarvoor de dieren in het oerwoud sidderen en met een Vaderhart dat warm klopt voor zijn kinderen. Wie die God kwijt is, is zijn (Bijbelse) geloof kwijt.

(1) Meint R. van den Berg (1928-2001) begon zijn loopbaan als predikant in de Nederlandse gereformeerde kerk van Maastricht. Van 1961 tot 1968 was hij zendingspredikant in Zuid-Afrika, daarna diende hij de gemeenten van Oegstgeest, Groningen en Utrecht. Op 1 september 1993 ging hij met emeritaat. Hij was een productief schrijver. Tientallen boeken verschenen van zijn hand, zowel op het gebied van de (pastorale) theologie als de literatuur.

Bron citaten: Boek ‘Als de kerk ter sprake komt’ van ds. M.R. van den Berg – Uitgeverij VandenBerg Kampen

‘Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven; en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God.‘ (Uit Efeziërs 6 de verzen 14-17)

Bron afbeelding: SlideToDoc-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Als Christus dit met ons aandurft…

‘En schrijf dit aan de Engel der gemeente van die van Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is en weer levend is geworden: Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (maar u bent rijk), en de lastering van degenen die zeggen dat ze Joden zijn en het niet zijn, maar een synagoge van de satan. Vrees geen van de dingen die gij lijden zult. Zie, de duivel zal enigen van jullie in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt, en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot de dood, en ik zal u geven de kroon van het leven.‘ (Uit Openbaring 2 de verzen 8-10)

Uit een preek gehouden op Zondag 30 mei in 1943

Geciteerd 1: We zijn vele jaren Christen geweest. Wij hadden een schat in de hemel, maar vele andere dingen daarbij: een goede boterham, een plaats in de maatschappij, ook wat kapitaal misschien; we hadden zekere rechten, vrijheid van handelen, vrijheid van beweging, we bepaalden zelf wat we zouden doen, velen hadden een rustig en vol gezinsleven.
Toen waren we Christen, en moeilijk was het niet zolang het leven in Christus bij ons gepaard ging met vele rijkdommen, teveel om op te noemen. Maar waarom waren we Christen? Wat gaf de doorslag? Dat ene, dat we Christus hebben, of al dat andere, dat om Christus’ wil als toegift daarbij kwam?

Zo langzamerhand zijn die extra’s en meer weggevallen: de boterham werd dunner, de welvaart verdween, rechten en vrijheden werden beperkt; we hebben zelf niet meer te beslissen, anderen bevelen over ons, het gezinsleven werd bij velen gebroken…

… Als het hier op aarde zou gaan om ons levensgeluk, dan kunnen we dit niet begrijpen, maar het gaat hierom: dat de kracht van Christus in ons geopenbaard wordt. Of die alléén ons beheerst. We hebben vaak Psalm 73 gezongen: ‘nevens u lust mij niets op aarde‘; maar we zongen het terwijl ons gezin compleet aan tafel zat, en die tafel welvoorzien was. Maar nu zijn er in de meeste gezinnen lege plaatsen, en de kinderen die aan tafel zitten zijn vermagerd; en nu zegt Christus: zing nog eens deze Psalm…

En als de kwestie zo gesteld wordt, slaat de schrik ons om het hart. We vrezen voor al die dingen die ons benauwen, maar we vrezen nog meer voor Christus die ons blootstelt aan een bovenmenselijke krachtproef. Hij zegt niet eens wat wij nog zullen ondergaan; alleen dat het heel wat zal zijn…

Geciteerd 2: Maar nu dit: als Christus dit aandurft met ons, wat dan? Als Christus in onze zwakke krachten de alleenheerschappij van Zijn leven tegenover de macht van de duivel openbaren wil, zoals Hij eens deed in Smyrna, wat dan? Dan hebben we niet te vrezen. Want onze zenuwen houden het niet vol, onze moed niet, onze veerkracht niet, ons geloof niet; ze zijn niet tegen dit geweld bestand. Maar Christus’ kracht is ertegen bestand.

Geciteerd 3: Tenslotte spreken we nog over het einde van deze crisis tussen leven en dood. Dat het einde komen ging, wisten de gelovigen te Smyrna. Want Christus had gesproken over een verdrukking van 10 dagen. Ze mochten dan niet weten, hoe lang dit leed precies duren zou, dit ene wisten ze toch zeker, dat de beproeving een einde nemen zou; ze wisten ook dat niet de duivel de duur van hun verdrukking bepaalde, en niet de Joden, maar Christus. Ze waren ook in het uur van de grote verdrukking niet overgeleverd aan de willekeur van mensen, want Christus was getrouw, en Hij liet niet toe, dat de ellende een dag langer duurde, dan Hij het nodig vond om Zijn kracht te doen blijken.

Ik weet wel het is moeilijk zo te leven. Want de kwesties van leven en dood omringen ons dagelijks, en dat van de tweede dood is zover weg. En zo verteert de spanning ons, en blijven we ongetroost.

Geciteerd slot: Wat we nodig hebben vandaag? Zolang we maar weten wat de Zondag betekent, zolang blijven we alle dagen staan. Want elke dag verkondigt levensafbraak, ondergang in de eerste dood. Maar de zondag verkondigt doorbraak van het eeuwige leven. Leven of sterven: het is de vraag voor ons allen. Maar wie de belofte gegrepen heeft, dat hij of zij onaantastbaar is voor de tweede dood, die dringt de grote vraag van de dag weer tot haar eigen proporties terug.
Zal ik leven? Het leven is mij Christus. Moet ik sterven? Ook dat is mij gewin. Hij heeft de dood overwonnen, en Hij gebruikt hem slechts om de glorie van Zijn leven in ons te openbaren.

‘Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.‘ Amen.

Bron citaten: Boek ‘Een levende hoop – In de wereld, niet van de wereld’ (deel I, Openb. 1-3) – serie preken van B. Holwerda, bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool te Kampen.

Bron afbeelding: SlideServe

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Hoe we kunnen bidden bij het vijfde gebod…

Eenvoudig leren bidden (17) – (1535)

Aan Peter, de Meester Kapper.

Geciteerd: Het vijfde gebod: “Gij zult niet doden.” Hier leer ik, allereerst dat God van me verlangt om mijn naaste lief te hebben, zodat ik hem geen lichamelijk of geestelijk letsel toebreng door woord of daad, en ook niet vanwege woede, afgunst of haat of welke reden dan ook wraak zal nemen op hem, maar beseffen dat ik verplicht ben om hem in alle lichamelijke en geestelijke behoeften te helpen en van bijstand te voorzien. In dit gebod beveelt God me om het bestaan van mijn naaste te beschermen zoals hij op zijn beurt het mijne dient te beschermen.

Ten tweede, zeg ik dank voor deze onuitsprekelijke liefde, voorzienigheid en trouw jegens mij, die blijkt uit het plaatsen van dit machtige schild en sterke muur om mijn fysieke en geestelijke gezondheid te beschermen. Ieder wordt verplicht voor mij te zorgen en mij te beschermen, en ik moet op mijn beurt me ook zo gedragen tegenover anderen. Hij handhaaft dit gebod en, waar en wanneer het niet wordt uitgevoerd, heeft hij het zwaard gevestigd om allen die er niet naar leven te straffen. Was dit uitnemende gebod en verordening ons niet gegeven, dan zou de duivel zo’n bloedbad onder ons mensen aanrichten, dat niemand ook maar een uurtje in veiligheid zou kunnen leven – zoals we dat soms zien gebeuren wanneer Gods toorn is opgewekt en Hij straf brengt over een ongehoorzame en ondankbare wereld.

Ten derde belijd ik met groot verdriet mijn eigen goddeloosheid en die van de wereld, niet alleen dat we zo vreselijk ondankbaar zijn voor zulke grote vaderlijke liefde en goedertierenheid naar ons toe, maar wat nog schandelijker is, dat we dit gebod en onderwijs niet op prijs stellen, het niet willen leren, en het verwaarlozen alsof het ons niet aangaat en wijzelf er niets mee te maken hebben. We zijn zelfvoldaan en voelen geen schaamte dat we in afwijking van dit gebod onze naaste verwaarlozen, verlaten, vervolgen, verwonden en in gedachten zelfs doden (dood wensen). We geven ons over aan woede en toorn en doen schijnheilig alsof we slechts goede en edele dingen voor hebben met onze naaste en het goede voor hem zoeken. Echt, het is de hoogste tijd dat we gaan treuren en klagen over hoezeer we als schurken en blinden hebben gehandeld, als onredelijke, onhandelbare, en ongevoelige mensen, die schoppen en slaan en elkaar verscheuren en verslinden als ongetemde dieren, die geen enkel besef hebben van dit zeer ernstig te nemen goddelijke gebod.

Ten vierde bid ik onze lieve Vader om ons te brengen tot het verstaan van dit heilige gebod en om ons te helpen het te onderhouden en ernaar te leven. Moge Hij ons bewaren voor de moordenaar die de meester is in elke vorm van moord en geweld. Moge Hij ons Zijn genade schenken, dat wij en alle anderen vriendelijk, mild en liefdadig met elkaar zullen omgaan, elkaar van harte vergeven, elkaars fouten en tekortkomingen op een christelijke en broederlijke manier dragen, en dus met elkaar samenwonen in ware vrede en eenstemmigheid, zoals het gebod leert en vereist dat we zullen doen.

NB. Dit is een vertaling van een Engelstalig citaat.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 38, S. (351) 358-375 (Gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, Vol. 43, blz. 193 FF)

Bron citaat: info@martinluther-quotes.nl / http://www.maartenluther.com

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on Discipleship)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het fundament van ons geloof…

‘Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger én voltooier van ons geloof…’ (Uit Hebreeën 12 vers 2)

Jezus zei: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien‘. En daarom konden de apostelen de door hun hoorders te aanvaarden (geloven) Boodschap ook wel samenvatten in die eenvoudige woorden: ‘Jezus Christus, en Die gekruisigd‘. En we hebben en kennen ook de woorden uit Johannes 1 vers 18 ‘Niemand heeft ooit God gezien…’ en ook de korte en bondige samenvatting die we vinden in Johannes 3 vers 16: ‘Want alzo lief had God de wereld…’.

Wanneer we die Boodschap in geloof aanvaarden dan weten we ons het heil toegezegd en geen knappe professor in de theologie en/of kenner van de klassieken heeft er nog wat aan toe te voegen of vanaf te doen. En allen die met dat geloof op weg gaan, die zullen ondervinden: ‘God is ons een toevlucht en sterkte, ten zeerste bevonden een hulp in benauwdheden.‘ (Zie Psalm 46)

Onlangs hoorde ik tijdens een online boekbespreking (‘De hemel op aarde’) dat men ook nog onderscheid weet te maken tussen mensen die Gods Woord ‘alleen maar’ geloven – en volgens een bepaalde theologie in dat geval ook best zichzelf als geredde kinderen van God mogen zien – en mensen die door ondervinding bevestigd hebben gekregen dat ze kind van God zijn. En zo weet men toch weer een bepaalde hiërarchie onder de gelovigen te creëren…

Wie zichzelf op grond van zijn of haar bevindingen pas echt een kind van God weet, die ontkent dat God niet meer dan geloof van ons vraagt, namelijk dat we Zijn Woord voor waar en waarachtig houden. En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond… (Johannes 1 vers 14). Het getuigenis van de apostelen en het werk van de heilige Geest daarmee, dat is het Fundament waarop wij en de gemeente opgebouwd worden in het geloof!

En om het nu – wat die ‘bevinding’ betreft – maar eens in woordgebruik van de Catechismus uit te drukken: Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet ook Gods werk aan hem of haar zou ondervinden.
We hebben onze ogen daarvoor te laten openen door Gods Woord en het werk van de heilige Geest. Hoezeer wij daarbij afhankelijk zijn van het doorgaande onderwijs van Gods Woord leert ons ook heel uitdrukkelijk de brief aan de Hebreeën (dus aan de ‘van huis uit kinderen van God’) en dat m.n. ook in het twaalfde hoofdstuk van deze preek/brief.

Leestip: Hebreeën 12.

‘Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie u ook samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door Zijn Geest.’ (Uit Efeziërs 2 de verzen 19-22)

Aanleiding: Interview met dr. C.A. de Niet en een boekpresentatie (live op RD-nl) van ‘De hemel op aarde’ van Thomas Brooks.

Bron afbeelding: Knowing Jesus-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het ‘vreemde Woord’…

‘Denk eens aan uw roeping, broeders en zusters. Onder u waren er niet veel die naar menselijke maatstaven wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren. Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat NIETS is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen.‘ (Uit 1 Korintiërs 1 de verzen 26-29)

Geciteerd 1: ‘Mijn kennis van de Schrift zal niet voldoende zijn, tenzij ik mij houd aan het vreemde Woord’. Het is werkelijk heel eigenaardig om zoiets te horen uit de mond van een professor in de theologie, die zichzelf soms een evangelist kan noemen en zich met zoveel overtuiging op de Schrift beroept, dat geen enkele van de eerbiedwaardige en geheiligde autoriteiten daartegen opgewassen is.

Geciteerd 2: Het vreemde Woord is het Evangelie, dat niet ‘van mij’ is, maar waardoor ‘ik mij’ moet laten gezeggen. Zoals de Christen alleen in het vertrouwen op de vreemde gerechtigheid van Christus en niet door eigen gerechtigheid voor God kan bestaan, zo moet hem ook de absolutie, het woord van vergeving ‘van buitenaf’ toegezegd worden. Men kan niet vertrouwen op ‘eigen geweten’ (eigen bevindingen en zelfonderzoek!).

Geciteerd 3: Hier stoot men op het beslissende onderscheid tussen zekerheid en stelligheid, tussen waarheid en het aannemen van de waarheid. Luther beschrijft dit onderscheid niet als theorie, maar in het kader van de ervaring van de reformatorische rechtvaardigingsleer: ‘anderen heb ik gered, mijzelf kan ik niet redden’; en dat komt omdat ik mijzelf niet kan bevrijden van mijn twijfel, omdat mijn eigen, zichtbare gerechtigheid mij bij de handen wordt afgebroken en mijn eigen geweten mij in de steek laat. Daarom aldus Luther, heb ik anderen nodig, ben ik aangewezen op de gemeenschap en voorbede van de kerk.
NB. Bij ‘aangewezen zijn op de gemeenschap en de voorbede van de kerk’ zullen wij bij ‘kerk’ niet aan het instituut kerk (RK, PKN, etc.) denken, maar aan een gemeente die zich net als de eerste gemeenten houdt aan het onderwijs van de apostelen en het gebruik van de sacramenten Doop en Avondmaal en waar trouwe voorgangers ook de leden van de gemeenten thuis opzoeken om hen te bemoedigen en aan te sporen met vertrouwen en dankbaarheid te gaan in de voetsporen van onze Heer.

Vanuit dit perspectief van het vertrouwen op het vreemde Woord heeft hij de sacramenten van Doop en Avondmaal leren zien en beleefd, geïnterpreteerd en verdedigd. De duivel, de meester van de subjectiviteit, ligt op de loer in het hart en in het geweten van mensen. Hij staat echter machteloos tegenover het vreemde Woord. Doop en Avondmaal garanderen dat God tegenwoordig is in de draaikolk van de overlevingsstrijd tegen de duivel. Deze beide sacramenten geven een zichtbaar houvast, dat ook met de handen gegrepen kan worden, waardoor het mogelijk is in de naam van God staande te blijven tegen de duivel.

Doop en Avondmaal vormen daarom de vaste bodem waarop de geloofszekerheid van de Christen gegrond is. In dat licht gezien is het ook duidelijk, dat er geen groter bedreiging kan bestaan dan de ondermijning van deze twee sacramenten. Wie Doop en Avondmaal tot mensenwerk (1) maakt, die sloopt het fundament van het Christelijk leven. Immers in dat geval wordt de waarheid en de realiteit van God afhankelijk gemaakt van de overtuigingskracht van het menselijk geweten, dat altijd subjectief is.

De Doop speelt reeds in de grote Reformatiegeschriften uit 1520 een centrale rol. Zij is voor hem het zichtbare teken van de onverdiende rechtvaardiging door de genade van God. In de Doop wordt de ‘vrolijke ruil’ voltrokken, zodat de zondaar de gerechtigheid van Christus ontvangt en Christus de zonden draagt. Dat alles gebeurt niet ‘goedkoop’, maar zelfs ‘voor niets’. (…) Juist het feit dat de Doop zonder privileges aan iedereen de gerechtigheid van Christus schenkt, heef tot gevolg dat zij alle gelovigen tot de priesterlijke stand verheft, want ieder mens ‘die uit de Doop gekropen komt, heeft daardoor reeds de wijding tot priester, bisschop en paus ontvangen’.

Geciteerd 4: In zijn Grote Catechismus (1529) geeft Luther zijn theologische visie op deze kwestie (het ter discussie stellen van de kinderdoop). Hij doet dat door het antwoord dat hij eerder (1522) aan Melanchton had gestuurd zorgvuldig te bewerken., zodat het een voor ieder begrijpelijke samenvatting is geworden van zijn hele theologie. Hij heeft hier een weg gewezen die niet alleen verder gaat dan het middeleeuwse geloof in de sacramenten, maar ook dan de moderne (‘wederdopers’, later m.n. ook de aanhangers/volgers van de ‘nadere reformatie’ – AJ) gelovigheid die het subject in het centrum plaatst.

God heeft de Doop ingesteld en bevolen – daaruit alleen al kan afgeleid worden, dat het geen ‘lichtvaardige zaak’ is, ‘zoals het aantrekken van een nieuwe rode jas’. Gods eigen werk wordt voltrokken door de hand van de mens, want er wordt gedoopt in de naam van God, in de naam van de Vader, van de Zoon en van de heilige Geest. Op dat moment wordt een ‘onuitsprekelijke schat’ ontvangen, namelijk de verlossing van ‘zonden, dood en duivel’.

Geciteerd 5: Een uiterlijk ding noemen de Dopersen de Doop met water en zij stellen de vraag: Wat kan een hand vol water uitrichten voor de redding van de ziel? Aan dit doopwater heeft God echter Zijn woord ‘gehangen’, daarom houdt het geloof zich vast aan het water: God geeft houvast door datgene wat lijflijk is en door de zintuigen kan worden waargenomen. De Christen presteert niets, hij/zij ontvangt ‘slechts’, maar moet aan deze schat wel zijn leven lang werken. De ‘onnozele’ natuur kan het niet begrijpen. Enkel en alleen dankzij de Doop kan zij de aanvechting en het verstand tegenspreken: Ik zal zalig worden aan lichaam en ziel.

Geciteerd 6: Wat Luther fors heeft aangevallen is niet de bijgelovige overwaardering, maar de ongelovige verdringing van de Doop uit het leven van een Christen ten gunste van de boete en de boetvaardigheid. Dat had ondermeer tot consequentie dat de intrede in het klooster, het moment waarop de novicen hun leven gaan wijden aan het doen van boete, aangeduid wordt als ‘tweede doop’ (2). De afwijzing van de kinderdoop en de eis tot doop van volwassenen die zich bekeerd hebben en boete doen kan daarom geen ‘radicale Reformatie’ genoemd worden, maar veel beter ‘radicale Middeleeuwen’. De grote invloed van de Doperse beweging en dat ondanks bloedige vervolgingen komt geheel overeen met de geest van de tijd: de nieuwe leek is de oude monnik.

Geciteerd 7: De moderne theologie luistert vandaag opnieuw naar de kritiek van de Dopersen. Ze weet dat de vroeg-christelijke kerk zwijgt over het probleem van de kinderdoop en ze heeft ingezien dat de centrale Bijbeltekst van Luther, het doopbevel, pas later toegevoegd is aan de evangeliën van Matteüs en Marcus. Het doopbevel is een leerstuk van de oergemeente. Wanneer echter – terecht – niet de Doop als zodanig, maar ‘alleen de kinderdoop’ daarmee ter discussie wordt gesteld, blijft de wedervraag van Luther volledig gelden: De accentverschuiving naar een bewuste beslissing (3) van een volwassene om zich te laten dopen verwisselt de genade van God met het werk van mensen. Niet de doop van de volwassene is het probleem, maar de argumenten tegen de kinderdoop.

De hoogconjunctuur van ‘mondigheid’ en ‘geloofwaardigheid’ eist de volwassendoop. Die ‘mondigheid’ is inderdaad noodzakelijk voor het getuigenis van het geloof, in het bijzonder in een post-christelijke wereld. Voor wie in de zelfanalyse en de daaruit volgende duivelse aanklacht blijft steken, is de kinderdoop echter het rijke Sacrament voor lege handen. Niet pas aan het sterfbed geldt het woord: ‘Wij zijn bedelaars, dat is waar’. Het leven begint ermee.

Bron citaten: Boek ‘Luther, mens tussen God en duivel’, Hoofdstuk VIII ‘Tweedracht binnen de Reformatie’ daarvan §1, van Heiko A. Oberman (bij leven hoogleraar kerkgeschiedenis).

(1) Door deze niet (meer) zondermeer te funderen in Christus en in het geloof, maar bepalend te laten zijn wat mensen op grond van hun bevindingen te zeggen hebben over de waarde van deze sacramenten en het gebruik (benutten) ervan door henzelf.
(2) In een (toenemend) aantal kerkelijke kringen kan het doen van belijdenis geduid worden als een ‘tweede doop’ en velen verlangen (tegenwoordig) daarbij dan ook naar het ontvangen van een tweede doop en maken daar ook praktijk van.
(3) ‘Nu ben ik zover’. Zie ook ‘De ‘oer-gemeente’ kende een vroege Doop‘

‘Door Hem bent u één met Christus, die dankzij God onze wijsheid is geworden. Door Christus zijn wij rechtvaardig en heilig en door Hem worden wij verlost, opdat het zal zijn zoals geschreven staat: ‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij/zij zich dan op de Heer beroemen.‘ (Uit Handelingen 1 de verzen 30-31)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over onze roeping en uitverkiezing…

‘Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus Zelf als de hoeksteen.‘ (De apostel Paulus in Efeziërs 2 de verzen 19-20)

Onze roeping/uitverkiezing zoals die voor de meesten tot ons gekomen is met en door onze Doop als kind, die mogen wij op een heel bescheiden manier vergelijken met de roeping van de discipelen door onze Heer Jezus. Zij mochten de grote liefde en daden die God de Vader in en door Zijn Zoon Jezus Christus hier op aarde had verricht gaan verkondigen aan de mensen als directe oor- en ooggetuigen daarvan. Om Zijn apostelen te kunnen zijn hadden de discipelen eerst ook al luisterend een leerschool doorlopen bij Hem en toen Hij opgevaren was naar de hemel konden ze niets doen zonder Hem, maar alleen door de kracht van Zijn Geest, Die hen geschonken zou worden. (1)

In de levens van Gods uitverkorenen gaat het niet veel anders. Ook zij moeten een leerschool doorlopen na hun Doop en alleen door in alle afhankelijkheid te leven van Gods Woord en het werk van Gods Geest zullen hun ogen steeds meer opengaan voor wat God van hen verwacht in hun leven. We zien dat geïllustreerd in de brieven aan de Korintiërs. Veel te gauw dachten de Korintiërs dat ze het Evangelie inmiddels wel zo’n beetje begrepen hadden, terwijl ze niet beseften wat voor leerschool (2) ze nog hadden te gaan. In 1 Korintiërs 3 wijst de apostel ze als een wijs en geduldig leermeester terecht, al zijn zijn woorden beslist ook verwijtend.

Wij gelovigen kunnen niet bescheiden genoeg zijn onder elkaar en de oproep, om de ander uitnemender te achten dan jezelf, hebben we ons leven lang onszelf voor te (laten) houden uit Gods Woord. (3) Steeds weer zullen we met elkaar de Bijbel opendoen om samen te luisteren naar het onderwijs dat de heilige Geest ons daarmee geven wil en dat in iedere tijd weer om een bepaalde toepassing vraagt in de gegeven omstandigheden. We hebben dagelijks te bidden om wijsheid daartoe.

Slot: Wij die geloven zijn uitverkorenen, en we krijgen dat te horen en hebben dat te geloven, niet om vooral maar zeker te weten dat ons plekje ‘in de hemel’ is veilig gesteld, maar om ook in deze tijd met daden en woorden te blijven getuigen van Gods goedheid dwars door alles en tegen alles in dat afbreuk wil doen aan ons getuigenis afleggen van die Heerlijke waarheid. De dichter en zangers van Psalm 44 deden dat in de OT-tijd en wij mogen het met Paulus nog rijker en vervuld belijden: Er staat geschreven: ‘Om U worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als slachtschapen voor de slacht. Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij Hem die ons heeft liefgehad.‘ (Uit Romeinen 8 uit de verzen 35-39)

(1) Die was hen natuurlijk al wel geschonken en had het geloof in hen gewerkt, maar met Pinksteren in Jeruzalem werd Hij voor iedereen zichtbaar op de apostelen uitgestort.
(2) Een apostolische leerschool! Terwijl sommigen in de gemeente van Korinthe meenden dat ze dat onderwijs van Paulus en de andere apostelen inmiddels wel konden missen.
(3) De apostelen zijn ons ook voorgegaan in dat zich afhankelijk stellen van het werk van de heilige Geest en het de ander hoger achten dan zichzelf. Zij hebben Paulus speciale en late roeping en zijn bediening als apostel volledig erkend als een autonoom werk van de heilige Geest en nooit denigrerend gedaan over het feit dat hij geen leerschool had gehad in het directe gevolg van Jezus, zoals de andere discipelen/apostelen. En Petrus heeft zich in Antiochië zelfs terecht laten wijzen door Paulus (zie Galaten 2 de verzen 11-14) en op het apostelconvent in Jeruzalem kregen Paulus en Barnabas alle ruimte om hun verhaal te doen (zie Handelingen 15 vers 12).

“Kinderen, zolang Christus geen gestalte in u krijgt, doorsta ik telkens barensweeën om u. Hoe graag zou ik bij u willen zijn en op een andere toon met u spreken, want ik maak me zorgen over u.‘ (Paulus in Galaten 4 de verzen 19-20)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Goddelijke zielzorg gesproken…(II)

‘Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet. Hierdoor immers hebben de ouden een goed getuigenis gekregen. Door het geloof aanvaarden wij dat de wereld tot stand gebracht is door het Woord van God, en wel zo dat de dingen die men ziet, niet ontstaan zijn uit wat zichtbaar is.‘ (Uit Hebreeën 11 de verzen 1-3)

Geciteerd 1: Wat historici tegenwoordig reduceren tot een kleine paragraaf in de geschiedenis van de Reformatie was in de 16e eeuw de kern waaraan beslissingen gemeten dienden te worden. De bekendmaking van de eigen positie in het debat rondom het Avondmaal maakte duidelijk waar men wenste te staan: aan de zijde van de geprivilegieerde ‘grote heren’ met hun papen of in de rijen van de burgers die verenigd waren in het ware geloof.

Geciteerd 2: De tegenstelling tussen enerzijds de reformatoren in de steden die zich oriënteren op de gemeenschap en anderzijds Luther, de zielzorger van de goddeloze wereld, is scherp. Luther heeft in de eerste plaats de individuele Christen op het oog. Niet omdat de ‘ziel van de enkeling voor God’ belangrijker zou zijn dan de verantwoordelijke vormgeving van het politieke leven, maar omdat de dienst aan de wereld een sterk (altijd weer gesterkt – AJ) hart noodzakelijk maakt. Want het gaat niet om eer en waardigheid, maar in stad en land, in huis en hof om het verzet tegen de vernietigende macht van de duivel. In de politiek worden Christenen bovenmate op de proef gesteld, juist daarom hebben ze deze bemoediging door het geloof nodig.

Geciteerd 3: Waar het Woord is van de God die de belofte heeft gedaan, daar is het geloof nodig van de mens die zich dit toe-eigent, zodat duidelijk is dat het geloof aan het begin van ons heil staat, namelijk dat geloof dat afhankelijk is van het Woord der belofte. Het is niet de beklemtoning van het geloof die Luther scheidt van Zwingli, maar het ‘hangen aan het Woord’. Deze afhankelijkheid wordt tot het wezen van het denken over het Avondmaal, zowel in de discussie met de pauselijke kerk alsook in de strijd met Zwingli en de door Luther als ‘dwepers’ gescholden tegenstanders.

Geciteerd 4: Van 1 tot 3 oktober werd een op aandringen van landgraaf Philippus van Hessen een godsdienstgesprek gehouden, dat werd bijgewoond door de leiders van de Reformatie in geheel Duitsland, onder wie ook de elkaar bestrijdende ‘hoofden’ Zwingli en Luther. Een spannende, slechts een enkele maal geprikkelde discussie vindt plaats, de eenheid waarop velen hopen, wordt echter niet bereikt.

Uit de verschillende verslagen van het gesprek wordt duidelijk dat de toon waarop men met elkaar omging aan scherpte verloren had, maar wat de zaak betreft bleven zowel Zwingli als Luther op hun eigen standpunt staan. De Wittenberger beriep zich op de ‘heldere’ woorden uit de Schrift: ze zijn ondubbelzinnig en overweldigend – dus ‘voeg je’! In een andere vorm klinkt opnieuw de belijdenis uit Worms. Ik ben in het Woord gevangen, ook dan wanneer niet verklaard kan worden hoe men zich de tegenwoordigheid van Christus in brood en wijn moet voorstellen. De maagdelijke geboorte en de vergeving van zonden gaan op precies dezelfde wijze boven ons verstand (maar dus niet boven ons geloof!) uit.

Geciteerd 5: Toen de kanselier van landgraaf Philippus aandrong op eenheid, kreeg hij als antwoord: ‘Ik (Luther) weet geen ander middel dan dat ze de eer geven aan het Woord van God en samen met ons geloven. Waarop de anderen reageerden: Ze konden het noch begrijpen noch geloven dat het lichaam van Christus werkelijk in brood en wijn aanwezig is’.
Boven deze standpunten kwamen de partijen niet meer uit. De breuk in de Reformatie was daarmee voltrokken en bezegeld. Zwingli was niet bereid af te wijken van zijn argumentatie voor zijn uitleg van de tekst en Luther weigerde principieel het voorschrift van God in het Avondmaal met behulp van rationele argumenten steekhoudend te bewijzen. Het eten van het lichaam moeten wij niet begrijpen, maar in gehoorzaamheid aanvaarden. (…)

Geciteerd 6: Het wonder van het Avondmaal kan verteld worden en er kan over nagedacht worden, maar het kan niet bewezen worden. Deze houding is heden ten dage niet populair, ze wordt als ‘blinde gehoorzaamheid’ verdacht gemaakt. De weg van Luther is dan ook niet de weg die de geestesgeschiedenis van Europa met inbegrip van de protestantse theologie is gegaan. Daar waar echter het gezichtsveld breder wordt en de mythe van de vooruitgang wijkt voor de kennis van de bovenmenselijke en alle tijden beheersende macht van het kwaad, daar wordt het vasthouden van Luther aan het ‘lichamelijke’ Woord, aan de werkelijkheid van God buiten de menselijke persoon tot het effectieve houvast van verwarde Christenen.

Geciteerd 7: De onmondige zuigeling bij het doopvont en de stervende aan wie het laatste Avondmaal wordt uitgereikt, staan niet aan de rand van de kerk van Christus, maar plaatsvervangend voor de mensen die op een dieptepunt zijn aangekomen – of het nu aan het begin, op het hoogtepunt of aan het einde van hun krachten is. Dat God ook buiten de menselijke persoon werkelijk ‘daar’ is en zich buiten de individuele denkkracht en geloofskracht laat vinden, is de blijvende winst van de strijd van toen.
Kinderdoop en werkelijke aanwezigheid van Christus zijn niet alleen onzinnig voor de moderne mens. Ze zijn echter (door alle tijden heen) zinvol voor de mens in tweestrijd, voor de mens tussen God en duivel, voor wie de woorden van Luther gelden: Wij zijn bedelaars, dat is waar.

Opgemerkt tot slot: Van Calvijn is de uitspraak: ik ervaar haar (het Avondmaal) meer dan dat ik haar begrijp. Luther zou gezegd (kunnen) hebben: Ik geloof en belijd haar, dat is meer dan dat ik haar begrijp of ervaar.

Bron citaten: Boek ‘Luther, mens tussen God en duivel’, Hoofdstuk VIII ‘Tweedracht binnen de Reformatie’ §2, van Heiko A. Oberman (bij leven hoogleraar kerkgeschiedenis).

Zie ook: ‘Over Goddelijke zielzorg gesproken…(I)’

‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst hebben.’ (Uit Johannes 6 vers 35)

Bron afbeelding: KJV Bible verses

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Goddelijke zielzorg gesproken…(I)

‘Waarachtig ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en Zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. Wie Mijn lichaam eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem op de laatste dag uit de dood opwekken. Mijn lichaam is het ware voedsel en Mijn bloed is de ware drank. Wie Mijn lichaam eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.‘ (Uit Johannes 6 de verzen 53-56)

Geciteerd 1: Om helderheid te krijgen over de distantie van Luther tot het moderne Protestantisme is in de eerste plaats van belang zich te realiseren dat hij in zijn omgang met de sacramenten geen stap afgeweken is van het grondprincipe ‘alleen door het geloof’. Maar hij strijdt tegelijk op twee fronten.

Geciteerd 2: ‘Wie het lichaam des Heren niet onderscheidt, eet en drinkt zichzelf een oordeel‘ (1 Korintiërs 11 : 29). Luther geeft een nieuwe interpretatie aan dit woord. De apostel verlangt geen ‘waardigheid’, want er is geen mens die voor God ‘waardig’ bevonden zou worden, ook al was hij een heilige. Paulus eist geen waardigheid, maar geloof en vertrouwen in (en eerbiedig ‘gebruik van’ – AJ) de heilsbelofte van Christus: ‘Voor jullie gegeven’.

Geciteerd 3: Iets anders zijn echter de zondaren en aangevochtenen voor wie het sacrament allereerst is ingesteld. Dat is het tweede front waarvoor Luther zich geplaatst ziet en dat pas in de Avondmaalsstrijd met de Zwitsers duidelijk wordt. Deze benadrukken namelijk de vraag van het verstand: wat is het nut van de lijfelijke tegenwoordigheid van Christus in het sacrament, wat is het doel van ‘het eten van het vlees’? Het vlees zelf is niets, alleen Jezus Zelf! Hoe kan het gebrek aan geloof (bij een vertwijfeld lid van de gemeente die aangemoedigd wordt om toch aan te gaan – AJ) ooit vervangen worden door gehoorzaamheid (het vertwijfelde lid zich laat gezeggen en neemt deel aan de viering – AJ). De Reformator ontpopt zich hiermee (volgens ‘de Zwitsers’ – AJ) als ‘neopapist’ en blijkt een gevangene van de Middeleeuwen te zijn.

Geciteerd 4: Op het antwoord van Luther moet goed gelet worden. Het nut van het Avondmaalslichaam ligt daarin dat het geloof in de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus de aangevochten communieganger niet op zichzelf en zijn eigen ziel terugwerpt, maar hem uit zichzelf haalt en hem op Christus richt. De ondubbelzinnige (!), ‘heldere’ instellingswoorden doorbreken de nauwe grenzen van de eigen psyche en wijzen naar buiten en naar God, Die belooft: ‘Hier zal je me vinden’.

God is weliswaar overal aanwezig, maar het is totaal iets anders, of God daar is of dat God voor jou daar is’. Het eerste weet de duivel ook, het tweede zal hij echter nooit beleven. Het Evangelie is geconcentreerd in dat kleine woordje ‘hier’, zonder dit ‘hier’ zou men de hele schepping moeten aflopen en hier zoeken en daar vragen. Maar dan zal niemand zeker kunnen zijn de oneindige God in Zijn rijk geschakeerde schepping ‘voor zichzelf gevonden’ te hebben (of: ook ‘aan zichzelf geschonken’ te weten – AJ).

Wanneer je thuis, aldus Luther je brood eet, dan is God ook dichtbij. Maar wanneer je ‘hier’ toetast, dan eet je Zijn lichaam – God wordt van jou. God legt Zich dus vast op een ‘hier’, waar Hij vast en zeker gevonden kan worden (1), opdat niemand behoeft te ‘dwepen’ om hem ‘overal’ te zoeken. Wat vindt men echter ‘hier’ in het Avondmaal? De lijfelijke Christus, dat wil zeggen dat we Die allemaal nodig hebben, omdat mensen meer zijn dan hoofd en ziel. Die het lichaam van Christus eet, zal ook zijn nut daarvan hebben, dat hij of zij eeuwig leeft en op de jongste dag opstaat… Dat is de hemelse kracht en het nut dat van het lichaam van Christus in het Avondmaal op ons lichaam overgaat’. (2)

De(ze) winst van de Avondmaalsstrijd mag niet veronachtzaamd worden. Het geloof in Gods Woord is onontbeerlijk. Het doorbreekt de geestelijk-psychologische beperking tot de innerlijkheid van het vrome genot (dat men zegt te ervaren tijdens de maaltijd – AJ). De betekenis van deze ontgrenzing is nu juist dat de duivel, kenner van de ziel en vijand van het lichaam, tegengesproken wordt. Hij kan in de psyche binnendringen en haar totaal beheersen en ook de gelovige Christen zo in zichzelf laten kromgroeien en in de analyse van zichzelf misvormen dat hij twijfelt aan God en de wereld. (3) Een ding kan hij echter niet: Hij kan niet echt aanwezig zijn (tegenwoordig zijn, zich meedelen – AJ) in het vlees. De oproep van de instellingswoorden trekt de mens uit het vangnet van de zelfanalyse.

(Wordt vervolgd!)

(1) Zich laat vinden. ‘Zoekt en gij zult vinden’ – juist ook in en door het samen eerbiedig vieren van het Avondmaal laat Hij Zich (her)vinden – zie ook: Openbaring 3 vers 20.
(2) Net zoals bij en door de Doop Christus dood en opstanding zich aan ons ‘meedelen’ (Zie Romeinen 6 de verzen 3-14)
(3) Deze ‘zelfanalyse’ en de foute conclusies die getrokken worden zijn dan ook beslist geen teken/bewijs van ongeloof. Deze komen zelfs voort uit het (diep) geloof (willen) hechten aan Gods Woord! Alleen het zicht op het bevrijdende van Gods Woord is door deze zelfanalyse verduisterd.

Bron citaten: Boek ‘Luther, mens tussen God en duivel’, Hoofdstuk VIII ‘Tweedracht binnen de Reformatie’ §2, van Heiko A. Oberman (bij leven hoogleraar kerkgeschiedenis).

‘Terwijl ze aten, nam Hij een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Neem hiervan, dit is Mijn lichaam.’ En Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. Hij zei tegen hen: ‘Dit is Mijn bloed, het bloed van het Verbond, dat voor jullie vergoten wordt.‘ (Uit Markus 14 de verzen 22-24)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Heeft het grijze midden ons wat te bieden?

‘Wie bedroefd zijn vanwege de samenkomst zal Ik verzamelen, zij zijn uit u;
de smaad drukt als een last op hen.‘ (Uit Zefanja 3 vers 18)

Geciteerd 1: Tussen de groepen volgers in bevindt zich “the silent”, het stille midden. Mensen in deze groep maken geen keuze tussen zwart of wit, maar blijven grijs. Ze vormen een stabiele groep die rust geeft. Bij weinig polarisatie is dit grijze midden de grootste groep. Maar hoe groter de polarisatiedruk, hoe meer mensen uiteindelijk toch een kant kiezen – en hoe kleiner dat grijze midden wordt. Ze waren aanvankelijk niet voor of tegen Zwarte Piet, maar nu de strijd zo hoog oploopt, kiezen ze toch een kant.

Geciteerd 2: Behalve dat een grijs midden radicalisering tegengaat, is de stille groep essentieel om gewoon vreedzaam te kunnen samenleven. Dat grijze midden is betrouwbaar en vormt als het ware de lijm van een samenleving…

Geciteerd 3: Hij pleit er bijvoorbeeld voor dat de overheid meer geld steekt in de journalistiek. Nieuwsvoorzieningen die aan onderzoeksjournalistiek doen, bieden namelijk tegenwicht aan sociale media. (…) Sterke, onafhankelijke journalistiek voorkomt dat het grijze midden meegezogen wordt in dat wij-zij-denken dat op sociale media domineert.

Opgemerkt 1: ‘Het grijze midden is betrouwbaar’… Pas deze ‘grijze midden wijsheid’ nu eens toe op Duitsland voor WO II… Dan is het niet moeilijk om te beseffen dat we van dat grijze midden helemaal geen heilzame werking hebben te verwachten! Het was Dietrich Bonhoeffer’s grote teleurstelling dat het merendeel van de Duitse christenen tot het ‘grijze midden’ wilden behoren! Het grijze midden keek weg van de misdaden tegen gehandicapten en zigeuners en Joden en dat zal het grijze midden altijd weer doen…

Opgemerkt 2: Het is ook nog eens een on-Bijbelse gedachte om het ‘grijze midden’ van een volk min of meer te te kenmerken als ‘een zoutend zout’. Die bederfwerende werking in een samenleving is alleen te verwachten van mensen die nog leven onder betrouwbare verkondiging van Gods Woord en zelf werkelijk ook nog leven bij en van Gods Woord. Maar dat laatste wordt zelfs onder christenen steeds weer over het hoofd gezien en miskend! En wel omdat het – wanneer het er is – alleen met ‘de ogen van het geloof’ te ontdekken valt in verleden en heden. Wanneer echter inmiddels van het merendeel, van wat zout genoemd zou kunnen worden, gezegd moet worden dat het haar kracht verloren heeft (zoals dat voor WO II toch van veel Duitse christenen gezegd moest worden en helaas nu van de o.a. Nederlandse (ex)christenen/christenheid ook), dan dient dat zout, volgens onze Heer, nergens meer toe dan om ‘weggeworpen en door de mensen vertreden’ te worden.

Opgemerkt slot: Ik wil de lezers hierbij graag wijzen op een aantal indringende profetische preken van ds. B Holwerda (bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool van de gereformeerde kerken in Kampen). De preken werden gehouden in september 1945 en zijn verzameld in een tussen 1953-1956 uitgegeven serie prekenbundels, en wel die preken die opgenomen zijn in deel III ‘Ziet, Hij komt met de wolken’* (1953, uitgave van J. Boersma, Enschede).

* Op de afbeelding is deeltje I te zien, maar het gaat me om deeltje III met preken over Openbaring 9-12.

Bron citaten: RD Mens & samenleving – ‘Grijs zijn is vechten tegen polarisatie’ – door Chris Klaasse

Bron afbeelding: Boekwinkeltjes.nl

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

God verkiest het zwakke en onaanzienlijke…

‘Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen, opdat geen vlees (mens) zou roemen voor God.‘ (Uit 1 Korinthiërs 1:27-31)

Die voorkeur (‘dat verkiezen) van God, dat ligt ons ‘van nature’ niet – zelfs het/de zwakke geeft nog de voorkeur en eer aan het/de sterke! (1)

We lezen in Genesis 4 over de woede van Kaïn. Die boosheid van Kaïn is daar niet een voortbrengsel van zijn karaktereigenschappen, maar een diep religieuze afkeer van het besef dat God blijkbaar het zwakke (en later blijkt zelfs ook nog eerst ‘de zondaars’) verkiest en plaatst boven het sterke in deze wereld. Dus ook boven de mooie eerbiedwaardige karakters, die altijd weer de lof van mensen krijgen.(2) Deze werkelijkheid kreeg haar escalatie toen Jezus niet eerst de vrome hoogstaande kerkleiders opzocht en aanwees als eerbiedwaardige na te volgen en te gehoorzamen kerk- en volksleiders, maar zich over het gewone volk ontfermde en wel omdat hun leiders (die herders behoorden te zijn) vooral onder de indruk waren van hun eigen vroomheid, godsdienstigheid en kennis en daardoor niet over het zwakke en zondige met ontferming bewogen konden zijn.(3) Het gewone volk zag op tegen deze leiders en had daarom eerder nog moeite met het optreden van een Johannes de Doper en later ook Jezus – die zich tegen tegen die hoogmoed van de leiders keerden – namelijk om dat goed te begrijpen en te plaatsen omdat het hun zo anders geleerd was.

(1) De heilige Geest moet door die ‘natuurlijke’ voorkeuren en barrières bij ons allen (niemand uitgezonderd!) heen breken, of we nu een aangenaam karakter hebben of niet!
(2) 1 Korintiërs 15 (toegespitst in vers 50) leert ons dat het onze ‘natuurlijke neiging’ is om het schepsel te eren boven onze Schepper en dat was dus zelfs al de zwakte van Adam&Eva voor de zondeval. Het Koninkrijk van God is een puur Geestelijke zaak en dat is het nu al en straks zal het dat in volmaaktheid zijn, namelijk wanneer we – bij de wederkomst en opstanding – ook een Geestelijk lichaam ontvangen.
(3) We dienen te beseffen dat de satan machtig genoeg is om juist ook mensen met ‘mooie karakters’ voor zijn karretje te spannen en dat om mensen te verdelen en tegen elkaar uit te spelen. We hebben daarom allemaal reden om elke dag weer ook de bede ‘en leid ons niet in verzoeking’ te bidden.
Maarten Luther heeft dat indertijd ook gezien en beseft en beleden en zijn medegelovigen daarop willen wijzen. Daarover valt te lezen in deze blog: ‘Onomstotelijke woorden over ons heil…‘

‘Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de Tweede. Zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse Mens hebben.‘ (Uit 1 Korintiërs 15 de verzen 48-49)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie