‘Godsmannen’ geef ons een ‘godsbeeld’ waarmee we uit de voeten* kunnen…

Toen het volk zag dat Mozes maar niet van de berg terugkwam, gingen ze naar Aäron. Ze zeiden tegen hem: “Kom, maak goden voor ons die ons kunnen leiden. Want we weten niet wat er is gebeurd met die Mozes, die man die ons uit Egypte heeft gehaald.” Aäron antwoordde: “Geef mij de gouden oorringen van jullie vrouwen, zonen en dochters.” Toen haalden ze allemaal hun gouden ringen uit hun oren en gaven die aan Aäron. Hij smolt ze en maakte er een gouden beeld van in de vorm van een kalf. Toen riepen ze: “Kijk, Israël, dit is jullie god! Dit is de god die jullie uit Egypte heeft gehaald!”‘ (Uit Exodus 32 de verzen 1-4)

Geciteerd 1: De Bijbel geeft ons geen eenduidig Godsbeeld, de Bijbelse talen en culturen staan ver van ons af en we kunnen ons Gods aanwezigheid maar moeilijk voorstellen. Dit alles levert een bonte verzameling hoofdstukken op, waarin ik eerlijk gezegd weinig lijn kon ontdekken.

Geciteerd 2: Een typerend citaat inzake het Bijbelse Godsbeeld, naar aanleiding van Hosea en Amos: „God is emotioneel – en Hij is heel verschillend emotioneel…”.

Opgemerkt: Of moeten we net als Mozes ‘op weg’ gaan en dan voortdurend met Hem ‘onderweg’ zijn en blijven en daartoe aangespoord worden door onze ‘godsmannen’ (=voorgangers / predikanten / theologen)?!
Dat geldt toch zeker voor de gedoopte volwassenen en kinderen, die de ‘Rode Zee’ reeds zijn doorgegaan, die moeten met de discipelen mee achter Jezus aan, de woestijn in en het kruis dat voor hen klaarligt op zich nemen en de wereld en de boze weerstaan met het hun van God gegeven Woord.

Maar Mozes hield vol: “Neemt u mij toch niet kwalijk, HEER, stuur toch iemand anders, wie U maar wilt.” Nu werd de HEER kwaad op Mozes. “Je hebt toch een broer, de Leviet Aäron!” zei Hij. ‘Ik weet dat die welbespraakt is. Hij is al naar je onderweg…’ (Uit Exodus 4 de verzen 13-14)

Zie ook Exodus 21 de verzen 18-21 en Hebreeën 12 de verzen 18-24.
(In Exodus houdt het volk maar liever wat afstand van God, maar dat is in de Nieuw Testamentische gemeente ondenkbaar!)

*Ermee uit de voeten kunnen‘: Ergens mee overweg kunnen, iets aankunnen, weten hoe je het aanpakt, bestuurt of behandelt. Iets de baas zijn, het controleren, ergens vaardig in zijn.

N.a.v. RD Kerk & religie – ‘Moeilijke teksten in de Bijbel besproken‘ (1) door Prof. dr. Rob van Houwelingen

(1) In ”God lééft” heeft prof. dr. A. van de Beek veertien Bijbelstudies en zeven preken gebundeld. Volgens de ondertitel gaat het over moeilijke teksten in de Bijbel, maar de besproken moeilijkheden zijn divers.

Bron afbeelding:  Explore the Bible

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Onverschilligheid voor het verschil…

God sprak: ‘Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; (…) En God schiep de mens als zijn beeld; als beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. (…)’ (Uit/naar Genesis 1 de verzen 26-27)

‘Over belang en rijkdom van verschil’*

Opmerking vooraf: Lees eerst de tekst in de afbeelding en daarna de citaten en het opgemerkt hieronder. Het is ook mogelijk – en zelfs nog beter – om via de link onderaan direct het bronbestand, waaruit hieronder geciteerd is, te lezen. (1)

Geciteerd 1: In Genesis 1 : 26-27 zegt God: laten we de mens maken naar ons beeld en gelijkenis. Het is wel merkwaardig dat in de Hebreeuwse tekst letterlijk staat: ‘mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen‘. Voor de Joodse traditie is God niet seksueel, maar schept Hij de mens volgens het seksuele verschil. Ook dat verschil behoort tot het ‘beeld zijn van God’. Dus komt dat verschil van God zelf en heeft het een positieve waarde.
In de christelijke wereld is seks lang als vloek ervaren (of getypeerd – AJ). Dat klopt echter niet met het scheppingsverhaal. Seksualiteit is een scheppingsgave. Dat seksualiteit irrationeel en dynamisch is, en aanleidig kan geven tot geweld, heeft te maken met de manier waarop wij met de positieve scheppingsgave omgaan.

Geciteerd 2: Vandaag in onze cultuur, beleven we een soort relativering van het seksuele verschil. Alle mensen zijn gelijk. Mede door de emancipatiegedachte hebben we het verschil tussen man en vrouw gerelativeerd als een cultuurgegeven. Xavier Lacroix noemt dat ‘onverschilligheid voor het verschil‘.

Geciteerd 3: In de naam van gelijkheid, wat op zich zeer waardevol is, wordt gedaan of alle verschillen onbelangrijk zijn. We zien dat ook bij de universele rechten van de mens: elk onderscheid op basis van ras, religie, sekse,… mag geen aanleiding geven tot discriminatie, omdat alle mensen gelijk zijn. Op zich een prima standpunt, maar het betekent ook dat daarmee de verschillen, die er wel degelijk zijn, gerelativeerd worden.

Geciteerd 4: Vroeger, vanuit het naturalisme, werd het verschil tussen man en vrouw veel sterker benadrukt. De man werd voorgesteld als meer rationeel, meer de publieke figuur. Terwijl de vrouw als emotioneel werd gekarakteriseerd, meer betrokken op het gezinsleven. Daarom waren ze wezenlijk, van nature van elkaar onderscheiden, wat ook hun positie en verhouding in de samenleving bepaalde.
Zo komt men tot stereotypen, die man en vrouw in hun ‘wezen’ opsluiten. De emancipatiegolf heeft zich daartegen verzet om de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man ongedaan te maken.
De tekst van Genesis 1 blijft ons echter achtervolgen en leert ons dat we niet onverschillig mogen zijn voor het verschil, ook niet voor het man-vrouw-verschil.

* Opgemerkt: Het is toch opmerkelijk dat in onze moderne geseculariseerde samenleving/maatschappij, waar men de verschillen tussen de beide seksen zoveel mogelijk probeert te ontkennen en/of te camoufleren, men de transgenders, die blijkbaar wel sekseverschillen zien en (menen te) ervaren, juist – zelfs op zeer jonge leeftijd al – wil bijvallen in dat opmerken en ervaren van de sekse-ongelijkheid en dat men hen alle ruimte wil geven voor het laten uitvoeren van een gendertransitie…

(1) Dit leerzame artikel wil ik de lezers van harte aanbevelen.

Bron citaten:  urv.be/link naar pdf op het internet  of  link naar lokale pdf
* URV = Unie van de Religieuzen van Vlaanderen

Bron afbeelding: Citaten uit het betreffende artikel

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Waakt en bidt…

De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.*
(Psalm 23 : 1)

Van dr. Maarten Luther (1536)
Op een avond na gebed aan de eettafel uiteengezet.

Psalm 23 (16)

Hij verkwikt mijn ziel, Hij leidt mij op het rechte pad omwille van
Zijn naam. Hij leidt me in de rechte sporen

(Psalm 25 : 3)

Geciteerd: “De HEER”, zegt hij, “brengt mij niet alleen in groene weiden en bij het frisse water waardoor mijn ziel verkwikt wordt. Hij leidt mij ook over de juiste paden, zodat ik niet verdwaal en terecht kom in de woestenij en daar omkom. Dat wil zeggen, Hij houdt mij bij de gezonde leer, opdat ik niet misleid zal worden door valse leraars, noch ervan afvallen vanwege verleiding of overtreding; opdat ik zal weten hoe ik moet wandelen en in leer en leven daarom niet van de wijs gebracht zal worden door de heiligheid en het strenge leven van huichelaars; en dat ik steeds zal beseffen wat tot de juiste leer, het ware geloof en de ware aanbidding behoort.”

Het werk en de mooie vrucht van het zuivere Woord is dus dat degenen die zich er stevig aan vastklampen, er niet alleen kracht en troost voor hun ziel van ontvangen, maar dat ze daarnaast ook beschermd worden tegen valse leerstellingen en valse heiligheid. Het is waar dat velen deze schat ontvangen, maar zonder deze te kunnen behouden. Want zodra een mens zelfvoldaan en aanmatigend wordt en denkt dat hij zichzelf inmiddels veilig gesteld heeft, zal hij spoedig verloren gaan; nog voordat hij kan opzien, is hij al op een dwaalspoor gebracht. De duivel kan zich ook vertonen in heiligheid en zichzelf vermommen, zoals de apostel Paulus zegt (2 Korintiërs 11 : 14), als “een engel des lichts“. Zijn dienstknechten doen dan alsof ze predikers van de gerechtigheid zijn en gaan de kudde van Christus binnen in schaapskleren, maar van binnen zijn ze roofzuchtige wolven (Matteüs 7 : 15).

Daarom zullen we waken en bidden, zoals de profeet in het laatste vers van deze Psalm aangeeft, dat onze Herder ons trouw wil houden aan de schat die Hij ons geschonken heeft. Degenen die hierin falen, verliezen zeker de schat, en, zoals Christus zegt (Lukas 11 : 26), wordt hun laatste toestand erger dan de eerste. Want later worden ze de meest giftige vijanden van het christendom en doen ze veel meer kwaad met hun valse leringen dan de tirannen met het zwaard. Paulus sprak en schreef uitdrukkelijk over valse leraars (profeten) die de leden van de door hem gestichte gemeenten in Korinthe en Galatië op een dwaalspoor hadden gebracht en die later alle gemeenten in Klein Azië op een dwaalspoor hebben gevoerd (2 Timoteüs 1 : 15). “

Maarten Luther: Dr.Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 51, S. 271 ev (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 12, p. 147 ev)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen.‘ (Lucas 21 : 36)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

‘Apostolische wijsheid en geduld’ versus ‘dwepers en drijvers’… (IV)

Let dus goed op welke weg u bewandelt, gedraagt u niet als dwazen, maar als verstandige mensen. Gebruikt uw dagen goed, want we leven in een slechte tijd. Wees niet onverstandig maar probeer te begrijpen wat de Heer wil.
(Uit Efeziërs 5 de verzen 15-17)

Geciteerd: De historicus Groen van Prinsterer (1) ziet verband tussen de gemoedstoestand van de bevolking in de Nederlanden die leidden tot de beeldenstorm in 1566 en de prediking. De beeldenstorm was naar aard en karakter oproer en misdaad en verzet tegen het wettige gezag. (2) In een geordende staat mag men zich niet vergrijpen aan het bezit van anderen – ook al zijn het ‘afgodsbeelden’ – en deze stuk slaan.

Hoe Calvijn over beeldenstorm dacht blijkt overtuigend in een brief die hij in 1561 schreef aan de Kerkenraad van de Gereformeerde kerk te Sauve (Cevennes) waar onder aanvoering van de predikant ook een beeldenstorm had plaatsgevonden.

Calvijn schreef er o.a. dit van: “Als ieder de regel van Efeziërs 10 : 5 volgde,  …dan waart gij nu niet in zulk een angst van iedere dag verwoesting van uw kerken te zien en wij hadden u niet aan te raden en te vermanen om het kwaad te verhelpen.
Wij bedoelen de dwaze daad die te Sauve geschied is, beelden te verbranden en een kruis om te hakken. Wij zijn zeer verwonderd zulk een dwaasheid te vinden bij een leraar. Hij zegt het met een goed geweten te hebben gedaan, maar het is onverdragelijke verstoktheid van hart. Wil hij ons dat doen geloven, dan moet hij ons bewijzen dat het op de Schrift gegrond is. Maar wij weten juist het tegendeel.
(…) Het is toch wonderlijk dat (de predikant) zo dom is, dat hij er niet eens aan denkt, hoe hij een bres heeft geopend voor den vijand om alles te gronde te richten. Maar dat is juist het toppunt van boosheid, dat hij er zich nog op verheft.
Wij bidden u broeders, uit medelijden met de arme kerken, die anders aan de afslachting worden prijsgegeven, dat gij de verantwoordelijkheid voor deze daad van u afwerpt en u afscheidt van den aanstoker”.

In 1564 overleed Calvijn. Wat zou hij gezegd hebben van de beeldenstorm in 1566 op grote schaal in de Nederlanden? Een beeldenstorm die mee op aanstichten van predikanten, waaronder Petrus Dathenus (3), werd veroorzaakt? Hij zou de kerkenraden gesmeekt hebben zich af te scheiden van de aanstokers, om zo mogelijk afslachting van de arme ‘kerken Christi’ te voorkomen.
Dat is echter niet gebeurd. Zelfs Marnix (4) schreef een ‘Verdediging van de Beeldenstorm’, hoewel dit boekje niet is uitgegeven. Maar de redeneringen die de overtreding moesten goedpraten en billijken waren talrijk.

Maar de gevolgen stelden Calvijn in het gelijk. Aanvankelijk kregen de gereformeerden naast luthersen en roomsen vrijheid van vergadering. Maar Filips II maakte zich gereed om nu – na de beeldenstorm – met een schijn van recht, met één slag álle burgerlijke vrijheid en burgerrechten van de Nederlanden te vernietigen.

(1) Guillaume Groen van Prinsterer (Voorburg 1801 – Den Haag 1876) was een antirevolutionair Nederlands politicus en historicus. Groen streed tegen ongeloof en revolutie in staat en kerk en kwam op voor het christelijk onderwijs.
(2) De protestanten mochten in 1566 vrij prediken in elke stad, maar dienden daartoe eerst een eed af te leggen dat zij zich in politieke zaken aan de overheid (waaronder Prins Willem van Oranje) zouden onderwerpen. Maar zij hielden die eed niet.
(3) Petrus Dathenus (Kassel in Vlaanderen ca 1531 – Elbing in West-Pruisen, 1588) was een persoon die een belangrijke rol speelde bij de calvinistische Reformatie in de Zuidelijke Nederlanden. Datheen werd in 1578 voorzitter van de Synode van Dordrecht. Van 1578 tot 1584 was hij stadspredikant van het toen radicaal calvinistische Gent. In deze stad was hij met Herman Moded leider van de orthodoxe partij, en zodoende kreeg hij onenigheid met de tolerante Willem van Oranje. Oranje was van mening dat iedereen gewetensvrijheid had, maar Datheen stelde dat de overheid partij moest kiezen voor de ware godsdienst en dat dientengevolge een protestantse overheid geen rooms-katholieke kerken hoefde te tolereren.
(4) Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde, heer van West-Souburg (Brussel 1540 – Leiden 1598), was een Zuid-Nederlandse schrijver, diplomaat, geleerde en raadgever van Willem van Oranje.

Zie ook de vorige/vervolg blogs:

Bron citaten:Burgerlijke of Kerkelijke Politiek’* – Referaat gehouden op een toogdag der A.R.J.A. op 17 oktober 1931, door A. Janse – (tweede druk, N.V. “De Graafschap”, Aalten, 1932)

*
De citaten zijn deels bewerkt:  gedeelten weggelaten of deels ietwat gewijzigd. Er komt nog een verantwoording achteraf!

Bij de afbeelding: Het Smeekschrift der Edelen in de Nederlanden was een verzoekschrift dat ongeveer 200 edelen, verenigd in het Eedverbond der Edelen onder leiding van Hendrik van Brederode, op 5 april 1566 aanboden aan de landvoogdes Margaretha van Parma.

Bron afbeelding: IsGeschiedenis

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

‘Apostolische wijsheid en geduld’ versus ‘dwepers en drijvers’… (III)

Erken omwille van de Heer het gezag van de bestuurders die door de mensen zijn aangesteld: van de keizer, de hoogste autoriteit, en van de gouverneurs, die hij heeft aangesteld om misdadigers te straffen en om te belonen wie goed doen.‘ (…) ‘Houdt iedereen in ere, hebt uw broeders en zusters lief, heb ontzag voor God en eerbiedig de keizer.‘  (Uit 1 Petrus 2 de verzen 13-14)

Geciteerd: Het gaat over de verdrukte Nederlanden in de brief die graaf Jan aan zijn broer Lodewijk schrijft.  Al vele jaren worden de aanhangers van de nieuwe leer daar vervolgd en gedood. Opnieuw heeft koning Filips de plakkaten aangescherpt, menende God een dienst te bewijzen met het doden van ‘ketters’.

Groot was de druk die op Lodewijk werd uitgeoefend. Een lid van het verbond van edelen (1) wees hem verwijtend op de heren (onder andere op zijn broer de Prins) die geen geweld wilden gebruiken. (…) De vurige graaf Lodewijk was geschud en geslingerd. En dagelijks bereikten hem vragen over hetzelfde probleem. Toen heeft hij zich tot zijn broer Jan op de Dillenburg gewend:

Lang heeft Jan nagedacht over het antwoord, God smekend om licht en wijsheid in deze moeilijke zaak. En nu kan hij niet anders, dan in alle eenvoudigheid wijzen op wat God gebiedt:  “Wij moeten ons ernstig tot God wenden , opdat Die ons licht en wijsheid geve. Wij moeten naar Gods wil en raad handelen en niet naar menselijk goeddunken. Hij toch alleen is het die alles regeert en ook tegen aller mensen wil en wens Zijn zaak doorzet.
Op Hem moeten we ons verlaten en alle ongeoorloofde middelen afwijzen. Naarstig gebed en voorzichtigheid zijn hier van node”.
Graaf Jan is Luthers. En de luthersen verwerpen elk geweld tegen de regerende vorst. Het gebed is het sterkste wapen. Lodewijk staat meer met de calvinisten in contact. (2)

Dan vindt in de Nederlanden in 1566 een uitbarsting plaats. De beeldenstorm gaat als een vloedgolf over de Nederlanden. Overal worden kerkdeuren opengebroken. Zelfs in Brussel, de residentie van de landvoogdes, dreigt een beeldenstorm los te breken.
Lodewijk ziet als protestant geen heiligschennis in het breken van beelden, maar diep geschokt is hij wel. Hij beseft, evenals de Prins, welke gevolgen dit losbarstende geweld kan hebben.

Het gerucht van de beeldenstorm dringt ook tot de Dillenburg door. Graaf Jan is woedend. Hij geeft de calvinisten alle schuld. Hij heeft ze nooit vertrouwd. En nu dit! De andere lutherse vorsten in Duitsland keren zich vol afschuw af van die onstuimige calvinisten in de Nederlanden. De meeste van hen hebben nooit van harte de Nederlandse zaak gesteund. Maar hun deuren gaan nu helemaal op slot. Hun geldbuidels ook.
Graaf Jan klopt nu zeker tevergeefs bij hen aan. En hij heeft juist veel geld nodig voor de vele soldaten, die hij al enige tijd geleden in opdracht van de Prins heeft moeten werven.

Wat zal koning Philips doen? Men hoopt door een bedrag van drie miljoen gulden bijeen te brengen dat godsdienstvrijheid bij koning Philips gekocht kan worden. Het plan mislukt. Dan weet Lodewijk de edelen nog zover te krijgen een nieuw smeekschrift voor vrije prediking van Gods Woord op te stellen. Het is vergeefse moeite.

Graaf Jan zendt lutherse predikanten naar de Nederlanden. Zij moeten proberen de calvinistische broeders te kalmeren. Het lutherse standpunt betreffende de onderwerping aan de overheden, kan misschien enige rust brengen.
En als de calvinisten zich nu konden onderwerpen aan de Ausburgse Confessie? Het zou koning Philips beslist milder kunnen stemmen. Mooie plannen. Goed bedoeld, maar de uitwerking is averechts. De lutherse predikanten veroorzaken door hun felheid (3) meer verwijdering dan toenadering.

Het meest knellende probleem voor graaf Jan en de Prins en de leidende personen van het verbond der edelen is nu dat de voor de Prins geworven soldaten niet meer betaald kunnen worden. Graaf Jan heeft diep in zijn beurs getast, maar er is meer nodig. Veel meer!
De wachtende soldaten krijgen steeds meer belangstelling voor het geld van hertog van Brunswijk en voor het Spaanse leger dat gevormd wordt.
Geld van de Duitse vorsten is ook niet meer te verwachten. De beeldenstorm heeft de hele Nederlandse zaak in een kwaad daglicht gesteld.

(1) Het Verbond der Edelen (ook Compromis) was een verbond van de lagere adel, voornamelijk uit de Zuidelijke Nederlanden, dat in 1565 de opheffing vroeg van de Inquisitie en de verzachting van de vervolgingen van de protestanten met maatregelen tegen de ketters.
(2) Calvijn schrijft in zijn ‘Institutie’ dat lagere overheden in bepaalde omstandigheden het recht hebben om het zwaard tegen de overheid op te heffen.
(3) Waren het werkelijk juist de lutherse predikanten, die toen fel te keer gingen, of heeft de schrijver zich hierin (vanwege voorkeur?) toch ‘vergist’?

Zie ook de vorige/vervolg blogs:

Bron citaten:  ‘De verdrukte Nederlanden* uit ‘Graaf Jan van Nassau – Een krachtig vorst met kinderlijk vertrouwen’ – door N. Verdouw – Uitgeverij/Boekhandel Gebr. Koster – Barneveld.

*
De citaten van het betreffende hoofdstuk zijn bewerkt:  gedeelten weggelaten of deels bewerkt. Er komt nog een verantwoording achteraf!

Bron afbeelding: Nederlandinfoblog-nl

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

‘Apostolische wijsheid en geduld’ versus ‘dwepers en drijvers’… (II)

opdat de harten met welwillendheid en mildheid gewonnen worden
(Uit hervormingsplan ‘Overwegingen, …’, zie hieronder).

In 1564 krijgt graaf Jan de zeggenschap over zeven provincies van Dietz. Dit vanwege een overeenkomst met de roomse keurvorst van Trier.  Daarmee ontvangt hij ook het van de keizer geschonken recht om te bepalen welke godsdienst in die provincies toegestaan wordt. Nu kan de graaf ook daar de reformatie ten uitvoer gaan brengen.

Hij overlegt eerst uitvoerig met met de Dillenburger geestelijken. Het is weer de hoofdopziener van de kerk, magister Bernardi, die heel actief is. Hij stelt een hervormingsplan op. Het stuk krijgt de titel: “Overwegingen, op welke wijze in het graafschap Dietz een christelijke reformatie van klooster en kerken tot stand gebracht kan worden“.

Eerlijk en zonder omwegen schrijft Bernhardi eerst over de plicht van de overheid. Graaf Jan leest met instemming:

Iedere overheid is ambtshalve verplicht, de valse godsdienst af te schaffen en de zuivere leer, tezamen met de ware godsdienst met de grootste vlijt te bevorderen.” Met veel Bijbelse voorbeelden bewijst Bernardi de waarheid van deze stelling.

Het tweede deel van de “Overwegingen” gaat meer over de weg waarlangs de reformatie tot stand gebracht moet worden.

Steeds weer worde erop gewezen, dat men zeer langzaam en voorzichtig en geleidelijk moet optreden, opdat de harten met welwillendheid en mildheid gewonnen worden.
Veel moet men voorlopig van het pausdom dulden. (…)
Met behoud van een zeker pensioen en verzorging, moet men oud geworden geestelijken en hen die met het pausdom niet willen breken, laten stoppen.”

Een heel verstandig voorstel doet Bernardi als hij schrijft, dat men eerst bij de mensen moet informeren, of er enigen zijn die de reformatie zelf ook begeren.
Misschien zijn er wel die het pausdom uit onwetendheid aanhangen. De predikanten kunnen dan met zulke mensen spreken . Op die manier zou het zover kunnen komen, dat de onderdanen zelf zélf aan de graaf gaan vragen of hij een reformatie in hun land wil uitvoeren.

En de Heere zegent op wonderlijke wijze het werk. Het lijkt erop dat de geestelijken uit Dillenburg geen grote moeite hoeven te doen om de mensen te winnen. De nieuwe leer schiet op veel plaatsen wortel. Al in 1564 komen er uit Dietz van twee kanten hervormingsverzoeken. Die worden met blijdschap begroet.

Het klooster Dierstein en het parochie-bestuur van de St. Peter, in de hoofdplaats van Dietz wenden zich tot de graaf met het verzoek of hij evangelische predikanten wil inzetten. De toenmalige abdis en priore en de gehele kloosterraad vragen op 7 september 1564 aan graaf Jan of hij hen kan voorzien van:  “ijverige en geleerde, christelijke evangelische predikanten om het heilzame Woord van onze Heere Jezus Christus te prediken en voor te dragen, mede overeenkomstig de Ausburgse Confessie. Daarmee zou het goddelijk Woord geplant en wat ondeugdelijk is uitgeroeid worden.

Over het algemeen is de bevolking door aanrading en geleidelijkheid tot de nieuwe leer over te buigen. Graaf Jan gaat uit van het spreekwoord (zoals hij dat zelf ook zei): “De gestadige drup holt de steen”.

Zie ook de vorige/vervolg-blogs:

Bron citaten:  ‘Nog meer werk!* uit ‘Graaf Jan van Nassau – Een krachtig vorst met kinderlijk vertrouwen’ – door N. Verdouw – Uitgeverij/Boekhandel Gebr. Koster – Barneveld.

* De citaten van het betreffende hoofdstuk zijn bewerkt:  gedeelten weggelaten of deels bewerkt. Er komt nog een verantwoording achteraf!

Bron afbeelding: Decal Digitale Communicatie

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

‘Apostolische wijsheid en geduld’ versus ‘dwepers en drijvers’… (I)

Maar, broeders en zusters, ik kon tot u nog niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus. Ik heb u melk gegeven, geen vast voedsel; daar was u nog niet aan toe. En ook nu nog niet.
(Uit 1 Korintiërs 3 de verzen 1-2)

Geciteerd:  Graaf Jan (broer van Willem van Oranje) nodigt de hoofdopziener van de kerk uit op de Dillenburg. Een ervaren raadgever is Magister Bernardi. Nog maar 27 jaar was hij, toen de vader van graaf Jan hem op de Dillenburg het ambt van hoofdopziener aanbod. De toenmalige opziener was oud geworden. Was het mee daardoor dat wantoestanden nog niet waren opgeruimd of weer binnengeslopen en dat de leer van de hervorming niet meer aan invloed won?

Samen bespreken ze wat eerst gedaan moet worden. De opziener twijfelt daar niet lang over. De manier waarop veel pastoors worden aangesteld bevalt hem niet. Tot nu toe is er dikwijls erg onnauwkeurig gehandeld. Allerlei bedenkelijke personen waren benoemd. Vaak ook gebruikte men geestelijken voor ándere baantjes: als kelners, als boekhouders op de burchten der edelen en nog veel meer. Met vasthoudendheid pleit Bernardi voor een ordelijk beroepen van geestelijken.
Er moet onderzoek ingesteld worden naar hun opleiding en hun levenswandel. Het best kan dat gebeuren door synoden, maar ook de hoofdopzieners kunnen dat namens de graaf of landsheer doen.”

Graaf Jan is het volledig met hem eens. Een bevel wordt uitgevaardigd. De predikanten moeten bij het aanvaarden van hun ambt voortaan een eed afleggen. Zij moeten zweren dat ze de “ware, christelijke leer” zullen handhaven, “zoals deze in de profetische en apostolische Geschriften door de heilige Geest geleerd wordt en in de Augsburgse Confessie (1) en andere geschriften van Melanchton (2) beschreven is.”

Ook de roomse gewoonten bij de doop (3) komt ter sprake. Het is de wens van graaf en opziener, dat alleen dié gebruiken gehandhaafd blijven, die overeenkomstig Gods Woord zijn. Ze willen hiermee niet overhaast te werk gaan en wel enige tijd “met de zwakken zwak” zijn, maar gehoopt wordt dat de mensen “alle bijgeloof nu uit het hart genomen zal worden”.

Bernhardi gaat zijn veelomvattend werk beginnen. Trouw bezoekt hij de gemeenten. Op veel plaatsen vindt het bevel van Graaf Jan bijval. Men ziet in, dat alleen een ordelijk kerkelijk leven het welzijn van de gemeente dient. De reformatie in lutherse zin, zoals die door Willem de Oude (4) was begonnen, wordt op deze manier door Graaf Jan voortgezet. Soms staat zijn broer Lodewijk (5) hem hierin bij. Niet alleen in Nassau Dillenburg. Ook in Nassau-Beilstein. Een gebied dat graaf Jan door erfenis verkreeg. Ook in Hanau, waarover graaf Jan voogd werd. Opnieuw was daar een regerend graaf op jonge leeftijd overleden.

Ook spoort graaf Jan al zijn vrienden aan om tot de hervorming in lutherse zin over te gaan. Zijn invloed is groot. In verschillende graafschappen begint het licht van de hervorming voor het eerst door te dringen. In Solms-Braunfels, Sayn, Isenburg, Wied, in het land-graafschap Hessen-Kassel.

Zie ook de vervolg-blogs:

(1) De Augsburgse confessie is de door Melanchton opgestelde geloofsbelijdenis van de reformatorische beweging, met een verdedigende strekking, die op de rijksdag te Augsburg op 25 juni 1530 werd voorgelezen aan keizer Karel V.
(2) Philipp Melanchthon (Bretten (de Palts), 16 februari 1497 – Wittenberg (Saksen), 19 april 1560) was een Duits filosoof en theoloog. Hij was de rechterhand van Maarten Luther en daarmee een belangrijk geestelijke.
De Augsburgse Confessio was gematigd van toon, daar Melanchton en Maarten Luther én veel Duitse vorsten (landsheren en graven) hoopten nog op een verzoening met de Rooms-Katholieke Kerk om een scheuring te voorkomen.
(3) Roomse doopgebruiken: Het kind wordt naar het doopvont gedragen. De ‘peten’ of getuigen mogen het om de beurt vasthouden. Zij moeten vanaf nu toezien op de opvoeding van de dopeling en… zullen hem of haar regelmatig wat schenken. Dan treedt de priester naar voren. Plechtig bezweert hij het water om ‘de duivel uit te bannen’ en dan volgen bezwerende woorden. Het zout wordt daarna met gelijksoortige woorden toegesproken. Een van de vrouwen geeft het de priester. Het moet de onvruchtbaarheid van het water opheffen. Met het mengsel van water en zout doopt de priester het kind, over hem of haar aanroepende de naam van de Drie-enige God. Dan bestrijkt hij tot slot neus en oren van het kind met gewijde zalfolie. Dan is het kind ‘als lid van het lichaam van Christus’ aangenomen
(4) Willem de Oude – Ook wel Willem de Rijke genoemd, de vader van Willem van Oranje.
(5) Lodewijk van Nassau (Dillenburg, 10 januari 1538 – Mook, 14 april 1574) was een jongere broer van Willem van Oranje. Hij was de vertrouwensman en secretaris van Willem van Oranje. Dat zij een goede band hadden blijkt uit de vele correspondentie tussen Lodewijk en Willem die bewaard is gebleven.

Bron citaten:  ‘Het gevaar van Rome én Geneve* uit ‘Graaf Jan van Nassau – Een krachtig vorst met kinderlijk vertrouwen’ – door N. Verdouw – Uitgeverij/Boekhandel Gebr. Koster – Barneveld.

* De citaten van het betreffende hoofdstuk zijn bewerkt:  gedeelten weggelaten of deels bewerkt. Er komt nog een verantwoording achteraf!

Bron afbeelding:  Yumpu-com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

‘Zonder Mij kunt gij niets doen’…

Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem,
die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.
(Uit Johannes 15 vers 5, NBG51)

Toen ze gegeten hadden, sprak Jezus Simon Petrus aan: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, meer* dan de anderen hier?’ Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.’ Hij zei: ‘Weid mijn lammeren.’ Nog eens vroeg hij: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je me lief?’ Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.’ Jezus zei: ‘Hoed mijn schapen,’ en voor de derde maal vroeg hij hem: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van me?’ Petrus werd verdrietig omdat hij voor de derde keer vroeg of hij van hem hield. Hij zei: ‘Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd.’ Jezus zei: ‘Weid mijn schapen.  (Uit Johannes 21 de verzen 15-17)

Geciteerd: Wat betekent in de eerste keer dat Jezus naar Petrus’ liefde vraagt precies ‘dan de anderen’? Want dat is bijzonder bij de eerste vraagstelling: ‘Heb je mij lief, meer dan de anderen hier?’ Hier is die vraag eigenlijk al beantwoord: die anderen, dat zijn de leerlingen. Maar dan zou Jezus dus vragen of de liefde die Petrus voor Hem heeft groter is dan de liefde die de andere leerlingen voor Hem hebben.
Maar is dat reëel om dat te vragen en er ook op te antwoorden? Vraagt Jezus van Petrus om te beweren dat zijn liefde voor Jezus groter is dan de liefde voor Jezus van de anderen? Dat lijkt me vreemd. In de oude vertaling staat: ‘Heb je mij lief meer dan dezen?’ En het is heel goed mogelijk dat Jezus op dat moment met zijn hand wijst naar de vissen die daar liggen: ‘Hou je meer van mij dan van die vissen?’ Want Petrus is een echte visserman. Dat heeft zijn hart. Maar Jezus dwingt hem nu om zich af te vragen waar zijn hart het meeste naar uit gaat: naar de vissen en het vissersbestaan of naar Jezus en het volgen van Hem. Het antwoord bevestigt ook dat deze uitleg beter past: ‘Ja Heer, U weet dat ik van ú houd!

* Opgemerkt:Meer dan de anderen‘. We zullen hierbij bedenken dat Jezus niet alleen Simon Petrus, maar ook de andere discipelen en ook ons onderwijst met Zijn woorden. Petrus had nogal eens opvallend blijk gegeven van Zijn liefde voor Jezus en vertrouwen geven aan Zijn Woord. Had hij ook niet van Jezus zelf een bijzonder ‘compliment’ gekregen toen Hij als eerste antwoord gaf op de vraag van Jezus: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ En toen beleed: ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God.’
Het moet nu volkomen duidelijk worden dat Petrus inmiddels geen verwachting(en) meer heeft van zichzelf en geen enkele reden meer ziet en te berde brengt om nog aannemelijk te maken dat er van hem inderdaad toch wel iets meer verwacht kon en mocht worden dan van de anderen.
Het was van het grootste belang dat de andere discipelen dat begrepen en ook wij hebben dat goed te beseffen. En de reden daarvan is dat onze Heer Jezus Christus Petrus daar als discipel en latere apostel expliciet de opdracht gaat meegeven: ‘Weid Mijn lammeren‘. En voor die opdracht, voor dat weiden van Zijn lammeren vindt geen enkel mens enige bekwaamheid* in zichzelf.
Zelfs de liefde voor onze Heer en Heiland maakt ons daartoe niet zomaar bekwaam! (1,2) En dat niet alleen omdat die liefde zelf ook steeds weer bewerkt moet worden door onze Drie-enige God, maar omdat het weiden van Zijn lammeren een bekwaamheid is die de heilige Geest in ons werken moet. En om die bekwaamheid had Petrus, hadden de apostelen en ieder die een taak heeft in het weiden van de lammeren van God dagelijks te bidden.

(1) ‘En toen Hij met hen samen was, beval Hij hun dat zij niet uit Jeruzalem weg zouden gaan, maar de belofte van de Vader zouden verwachten, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt; want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.‘ (…) ‘Dezen bleven allen eensgezind volharden in het bidden en smeken, met de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broers.‘ (Uit Handelingen 1 de verzen 4-5 en 14)

(2) Zie ook 2 Korintiërs 2 : 14-17: ‘…Want wij zijn een geur van ChristusEn wie is tot zulk een taak bekwaammaar wij spreken in Christus uit zuivere bedoelingen, ja, op gezag van God en voor Gods aangezicht.

Bron citaat:  geloven/gelovenmetpetruspreek9.pdf

Bron afbeelding: Bible Verses KJV on Twitter

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

‘Wij zijn bedelaars: dat is waar!’*

En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op
in de lering en vermaning des Heeren.‘ (Efeziërs 6 : 4)

Geciteerd: Bij al het andere dat ouders te doen hebben, mogen ze door hun kinderen de zaligheid verkrijgen. Als zij hun kinderen meenemen naar de kerkdienst, hebben ze inderdaad twee handen vol goede werken gedaan. Want wat zijn de hongerigen, dorstigen, naakten, gevangenen, zieken en vreemdelingen tegenover de zielen van je eigen kinderen? Met kinderen thuis wordt je huis een armenhuis en wordt jij een vader van armen*, zodat zij leren op God te vertrouwen, in Hem te geloven en Hem te vrezen, hun hoop op Hem te vestigen en Zijn Naam te eren. Zodat zij leren om de tijdelijke dingen te verachten, moeiten geduldig te verdragen en niet bang te zijn voor de dood (…).

*Wij zijn bedelaars: dat is waar!‘ Dat schreef Maarten Luther, zie onderaan (1). Dat armenhuis (of het nu ouderlijk thuis, een christelijke gemeente of een christelijk weeshuis betreft) wordt geheel ‘gefinancierd’ en van het nodige voorzien door een Weldoener en ook de ‘vaders en moeders’ van deze armenhuizen leven dus geheel van ‘de geef’.

De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.‘ (…) ‘Zijn vader zei tegen de oudste: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou.‘ (Uit Lukas 15 vers 12 en vers 31)

Opgemerkt 1: Wij leven met onze kinderen en als gemeente van al de schatten van onze Vader Die Hij ons in en door Christus geschonken heeft en ook dagelijks nog weer schenkt. In de gemeente van Jezus Christus wordt dat beleden en ervaren door jong en oud. En de kinderen gaan ons voor in het gelovig aanvaarden van die waarheid wanneer hen daar thuis en in de gemeente van verteld wordt. Laten onze daden en woorden dan niet in tegenspraak zijn met het Woord dat we horen en belijden!

Paulus zegt in Handelingen 14: ‘Hij heeft in het verleden alle volken hun eigen weg laten gaan (als ‘verloren zonen’) maar toch blijk gegeven van Zijn goedheid: vanuit de hemel heeft Hij u regen geschonken en vruchtbare seizoenen (naar Gods belofte aan Noach en zijn zonen), Hij heeft u overvloedig te eten gegeven en u zodoende vreugde gebracht.‘ (Uit Handelingen 14 de verzen 16-17)

Opgemerkt 2: Alle mensen leven van het kapitaal van de Vader (geen mens kan bestaan zonder Hem), maar in de gemeente van Jezus Christus daar leven we van het Kapitaal dat de Zoon voor ons verworven heeft door Zijn dood aan het kruis en daarom leven we daar ook werkelijk samen met onze hemelse Vader, namelijk door inwoning van Zijn heilige Geest en het werk dat Hij door Woord en Sacrament wil doen.
En zo leven we daar door Gods genade ook in werkelijk gemeenschap met elkaar, tenminste wanneer we daar leven naar de regel van Zijn koninkrijk: God liefhebben boven alles en je naaste(n) als jezelf. Dat geeft ons hier nog altijd dagelijks een strijd tegen onze eigen natuur, de wereld en de duivel die we op geen enkele manier in en uit eigen kracht kunnen voeren willen we daar overwinningen op behalen.

(1) ‘Wij zijn bedelaars: dat is waar!‘ Dit schreef Maarten Luther op een briefje dat hij op zijn schrijftafel in Eisleben liet liggen kort voor zijn dood in februari 1546.
Men kan geneigd zijn om Luthers woord over de bedelaars, die wij zijn, te plaatsen in de context van onbehagen en misbaar, dat zo dikwijls het leven van oudere mensen heeft vertroebeld.  Wij zijn bedelaars: dat is waar. Er blijft geen roem over ook al heeft men honderd jaar lang met Christus en de apostelen en de profeten de kerk geregeerd. Ja, juist dan weten we eerst goed hoe zwak van moed en hoe klein wij zijn van krachten. En toch is Luthers woord geen uiting van zwaarmoedigheid. Zijn uitspraak bevat zelfs, zoals we nu willen betogen (zie de pdf-bijlage), de sleutel die Luther hanteerde om de Schriften te verstaan.

pdf-bijlage (betoog van prof. dr. W. van ’t Spijker):  Wij zijn bedelaars: dat is waar!

Bron citaat: checkluther-com – Meditatie 24 januari 2021 – Luther Heritage Foundation (Veenendaal)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

‘Dierbare mythen’… (III)

die gezamenlijk optrekken en/of kerkelijke eenheid
hielpen blokkeren en/of ondergraven.

Vervolg van:  ‘‘Dierbare mythen’… (II)

Geciteerd: Nog onwaarschijnlijker is, dat het neo-calvinisme van de SSR-U in 1951 gedomineerd werd door een ‘eenzijdige vrijgemaakte verbondsvisie’. De discussie die leidde tot de oprichting van de VGSU ging namelijk over een kerkelijk vraagstuk.

De VGSU werd dus opgericht, zo men wil, vanwege een radicale, kerkistische poging tot oplossing van verdeeldheid van het lichaam van Christus, maar niet vanwege een eenzijdige vrijgemaakte verbondsvisie.  Daarover waren alle SSR-leden in die jaren het namelijk eens.

De Utrechtse SSR-leden – vrijgemaakt, synodaal, christelijk gereformeerd, Bonders en andere hervormden en allerlei soorten GerGemmers – verwierpen Kuypers veronderstelde wedergeboorte hartgrondig. Geen van hen geloofde in een God die iets belooft, totdat het tegendeel blijkt.

Er werd rondom de Vrijmaking wel veel gesproken over doop en verbond. Niemand had het daarbij overigens over een ‘eenzijdige vrijgemaakte verbondsvisie’. De synodocratische synode die kende een eenzijdige verbondsvisie, die bovendien bindend opgelegd werd.

Het ging de ‘vrijgemaakten’ niet om wat tegenwoordig wel eens verbondsautomatisme wordt genoemd. Het ging over de betrouwbaarheid van Gods beloften. Werden die in de doop verzekerd en verzegeld, of waren die afhankelijk van het menselijk antwoord daarop. Kon men die voor vast en bondig houden, of pas wanneer de mens zich bekeert?

Citaat slot: Wordt het geen tijd om althans de historische feiten te gaan delen en dierbare mythen als ‘vrijgemaakt verbondsautomatisme’ als zodanig te (h)erkennen?!

(Einde citaten)

Bron citaten: ND (2001) – ‘Verbondsautomatisme en andere dierbare mythen‘ – door prof. dr. G.J. Schutte

Zie ook:  ‘‘Dierbare mythen’… (I)‘ en (II)

Geliefde broeders en zusters, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben. Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden. Dat wij in Hem blijven en Hij in ons, weten we doordat Hij ons heeft laten delen in Zijn Geest. En we hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen: dat de Vader zijn Zoon gezonden heeft als Redder van de wereld. Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem en blijft hij in God. Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.
(Uit 1 Johannes 4 de verzen 11-16)

Bron afbeelding:  Mountain Top Musings – blogger

Geplaatst in Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie