Niet naar menselijke maatstaven en berekening…

Dit vonnis is geveld door de wachters,
dit oordeel geveld door de heilige engelen,
opdat de levenden weten dat de hoogste God
boven het koningschap van de mensen staat:
Hij bepaalt wie het ambt krijgt toebedeelt,
zelfs de laagste onder de mensen
kan daartoe verheven worden.
(Uit Daniël 4 : 7-15 vers 14)

Hij ademt eerbied voor de Heer;
Zijn oordeel rust niet op uiterlijke schijn,
noch grondt hij zijn vonnis op geruchten.
Over de zwakken velt hij een rechtvaardig oordeel,
de armen in het land geeft hij een rechtvaardig vonnis.
(Uit Jesaja 11 de verzen 3-4)

Geciteerd: Naar menselijke berekening was Christus’ geboorte uit Maria niet te verwachten. Want aldus heeft Jesaja verkondigd (Jesaja 11: 1 v.v.): “Er zal een rijsje voortkomen uit de stam van Jesse en een bloem uit zijn wortel opgroeien, waarop de Heilige Geest rusten zal“. De “stam” en de “wortel” is het geslacht van Jesse of David, in het bijzonder de maagd Maria, het “rijsje” en “de bloem” is Christus.

Welnu, evenals het er niet naar uitziet, integendeel ongelofelijk is, dat uit een dorre stam en een aangestoken wortel een mooi rijsje en een fraaie bloem opgroeit, zo zag het er ook niet naar uit, dat de maagd Maria van zulk een kind moeder zou worden.

Want ik ben van mening, dat zij niet alleen hierom “stam” en “wortel” genoemd wordt, omdat zij bovennatuurlijk, in ongerepte maagdelijkheid moeder is geworden, gelijk het boven de natuur uitgaat, dat een rijsje op een dood stuk hout groeit, maar ook nog om een tweede reden. De koninklijke stam en het geslacht van David, dat eens in grote ere, macht, rijkdom en voorspoed groende en bloeide in de tijden van David en Salomo, stond toen ook bij de wereld in aanzien; maar ten laatste, toen Christus zou verschijnen, hadden de priesters zich deze eer toegeëigend, en het koninklijke geslacht van David was van armoede en verachting als een dood stuk hout, zó dat er geen hoop bestond en het er niet meer naar uitzag, dat daaruit nog eens een koning tot grote eer zou komen.

En juist, als deze voortgang tot onaanzienlijkheid haar diepste punt heeft bereikt, verschijnt Christus en wordt uit de verachte stam, uit het geringe, arme maagdeke geboren; daar groeit het rijsje en de bloem uit haar, die de dochter van heer Annas of Kajafas niet voor haar minste dienares had waardig gekeurd.

Aldus voltrekt zich, wat God werkt en aanziet, in de diepte, terwijl mensen zien en streven alleen naar het hoge. Dat nu is de aanleiding tot haar loflied; dit willen wij thans woord voor woord beluisteren.

Uit: De Lofzang van Maria, het Magnificat, 1521 door Maarten Luther in zijn functie als kapelaan opgedragen aan Johan Frederik, Hertog van Saksen, Landgraaf van Thüringen en Markgraaf van Meissen.

Zie ook:

Bron citaat:  maartenluther-nl-com/Luther ‘Lofzang van Maria’ (pdf)

Bron afbeelding:  Biblia-com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Aandacht en eerbied voor Maria…

En voor de overheid én voor het gewone volk

Hij ontzet machtigen uit hun heerschappij, en verhoogt nederigen en geringen;
Hij verzadigt hongerigen met allerlei goederen en laat rijken ledig;
(Uit Lukas 1 : 45-55 de verzen 52 en 53)

Geciteerd 1: Maar zo logisch is dat helemaal niet, dat de moeder van het kindeke Jezus – die van het ezeltje en de overvolle herberg – centraal staat in een programma van de EO. Omdat je zou denken dat een protestantse omroep niets opheeft met de verering van Maria, de vrouw die van Luther en de andere reformatoren slechts een bijrolletje toebedeeld kreeg, in de schaduw van God en zijn zoon.

Geciteerd 2:Het is verbazingwekkend‘, zegt kunsthistoricus Désirée Krikhaar bij de koffie en de kwarktaart. ‘Maar Jezus’ moeder wordt steeds populairder bij protestanten. Het protestantisme ging uit van ‘in den beginne was het Woord’ en alle plaatjes werden eruit geknikkerd, die van Maria incluis.’

Geciteerd 3 (1): Want de onderdanen mogen zich niet verzetten (Zie o.a. Romeinen 13), uit vrees voor de overheid. Derhalve is het voor alle overheden noodzakelijk, dat zij, omdat zij niet bang behoeven te zijn voor mensen, God nog meer vrezen dan anderen, Hem en Zijn werken goed leren kennen en met zorgvuldigheid wandelen, zoals Paulus zegt in Romeinen 12: “Regeert iemand, zo zij hij zorgvuldig“.

Geciteerd 4: Nu is mij in de gehele Schrift niets bekend, dat hiertoe zo uitnemend dienstig is, als dit heilige lied van de hooggebenedijde (aanbeden) Moeder Gods, dat werkelijk al diegenen, die naar behoren zouden willen regeren tot zegen voor het land en voor zichzelf, zich goed mogen inprenten en onthouden. Hierin zingt zij inderdaad allerliefelijkst van de godsvruchten van wat God voor een Heere is, in het bijzonder welke Zijn werken zijn voor hoog en laag. Laat een ander naar zijn liefje luisteren, dat een werelds lied voor hem zingt, deze zedige maagd is bij een vorst en heer in een sfeer, die haar past; hem zingt zij een geestelijk, rein en heilzaam lied. Het is dan ook geen verkeerde gewoonte, dat dit lied dagelijks in alle kerken bij de vesper, in onderscheiding van andere liederen, op bijzonder plechtige wijze wordt gezongen.

Geciteerd 5: Moge die tedere Moeder Gods mij (door haar voorbede) de geest willen verwerven, om dit haar lied stichtelijk en grondig te verklaren en om daaraan het heilzaam inzicht en het lofwaardig leven te ontlenen, dat aan Uwe Vorstelijke Genade en aan ons het Magnificat allen ten goede komt, opdat wij daardoor in het eeuwige leven (Gode) mogen lofzingen met dit eeuwig “Magnificat” Daartoe helpe ons God! Amen.

* In Lukas 2 : 19 staat: En Maria bewaarde al die woorden in haar hart. Laten wij dat ook doen met de tot ons gesproken woorden van Gods Woord!

(1) De Lofzang van Maria, het Magnificat, 1521 door Maarten Luther in zijn functie als kapelaan opgedragen aan Johan Frederik, Hertog van Saksen, Landgraaf van Thüringen en Markgraaf van Meissen.

Opgemerkt AJ: Maarten Luther heeft met het schrijven en aanbieden van zijn ‘toelichting’ op het Magnificat zijn landsheer een goede dienst bewezen en het zal eerder (geheel) gelezen en meer gewaardeerd zijn dan de inhoud van een (volumineus) dogmatisch geschrift dat bij de koning ‘over de muur gegooid’ werd, zoals gebeurde met de Institutie van Johannes Calvijn en de Geloofsbelijdenis van Guido de Brès.

Zie ook:

Bron citaten 1-2:  deVolkskrant (via Blendle) – ‘Tipje van de sluier‘ – door Cécile Narinx
Bron citaten 3-5:  maartenluther-nl-com/Luther ‘Lofzang van Maria’ (pdf)

Bron afbeelding:  Berea Project

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

De allesomvattende verbondstrouw van God…

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.
(Johannes 3 : 16, NBG51)

De afbeelding hieronder is de zgn. ‘Lutherroos’. In ieder kerkgebouw van een Evangelisch Lutherse gemeente is deze Lutherroos in diverse vormen en maten te vinden.

Wat stelt de Lutherroos voor? We kunnen het beste Luther zelf aan het woord laten. Hij geeft aan dat zijn wapen – later de Lutherroos genoemd – het merkteken van zijn theologie is: “Het eerste is een kruis, geheel zwart; het staat in een hart, dat zijn natuurlijke kleur heeft – om mijzelf steeds in herinnering te brengen, dat het geloof in de Gekruisigde ons zalig maakt. Want wie van harte gelooft, wordt gerechtvaardigd.

Al is het een zwart kruis, dat doet afsterven en pijn moet doen, toch laat ’t dat hart z’n kleur behouden, het verderft de natuur niet, dat wil zeggen: het maakt ons niet dood, maar behoudt ons ten leven. De rechtvaardige leeft immers door het geloof in de Gekruisigde.

Zulk een hart nu moet midden in een witte roos staan om aan te duiden, dat het geloof vreugde, troost en vrede geeft en ons zonder meer midden in een witte, vreugdevolle roos zet. Dit is een andere vreugde en vrede dan de wereld geeft, daarom moet de roos ook wit en niet rood zijn; want wit is de kleur van de geesten en van alle engelen.

Zo’n roos staat in een hemelsblauw veld om duidelijk te maken, dat we in de Geest en in het geloof reeds deel hebben aan de komende hemelse vreugde: we zijn er reeds in, levende in de hoop, al is het nog niet openbaar.

En om dat blauwe veld een gouden ring (1), waarmee gezegd wordt, dat die zaligheid in de hemel eeuwig duurt en geen einde heeft en zoveel kostelijker is dan alle aardse vreugde en genot, zoals het goud schoner is en kostbaarder dan alle andere metalen.”

(1) Opgemerkt: Bij die gouden ring kunnen we dan zeker ook denken aan Gods allesomvattende Vaderlijke verbondstrouw en daarmee aan alle beloften die “ja en amen” zijn in en door  Jezus Christus onze Heer en Heiland: ‘Immers, zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja en in Hem amen, tot verheerlijking van God door ons.‘ (2 Korintiërs 1 : 20, HSV)

Bron: Protestants Nederland (80e jaargang, nummer 10, oktober 2014)

Zie eventueel ook:  ‘Over het nut van (discussies over) verbondsopvattingen…

Bron afbeelding:  Pin by Frankie Moss on Inspirational

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Over het nut van (discussies over) ‘verbondsopvattingen’…

Opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op de kracht van God
(Uit 1 Korintiërs 2 vers 5)

Geciteerd 1: Het genadeverbond heeft in de gereformeerde traditie tot op de dag van vandaag grote aandacht gehad. Tegelijk blijkt dat dit thema heel gevoelig ligt. Daarom is het van belang dat theologen op het scherp van de snede met elkaar in gesprek gaan over de verschillende interpretaties hiervan.

Vraag: Zijn verbondsopvattingen ook maar op enige manier nuttig te maken voor hoe wij onze broeders en zusters in de gemeente van Jezus Christus kunnen of hebben te zien en voor hoe men hen zal aanspreken in de verkondiging en in het onderlinge verkeer?
Antwoord: Nee!

Toelichting 1 (op antwoord ‘nee’): Wij vinden hier niets van terug in het onderwijs van Jezus Christus aan Zijn discipelen en de kinderen van Gods volk (de toenmalige Israëlieten/Joden) en ook niet in het onderwijs en aanspreken van de leden van de gemeenten door de de apostelen zoals we dat kunnen lezen in hun brieven. Ze worden altijd steeds weer met alle ernst aangesproken als kinderen van God die gehoor hebben te geven aan het Woord van God dat hun in de oren klinkt.

Alle Israëlieten worden aangesproken als (gehoorzame of ongehoorzame) kinderen van Gods volk en later worden alle leden van de gemeente (jong en oud!) aangesproken als broeders en zusters en onder de verkondiging/tucht van Gods Woord gesteld, en dat als hoorders die allen de heilige Geest ontvangen hebben. Daarom is er dan ook geen (goede) reden om met woord en daad te doen alsof er nog leden onder hen zijn, die zich eerst nog iets zouden moeten ‘toe-eigenen’, namelijk dat wat zij dan blijkbaar tot nog toe nog niet ‘in Christus’ ontvangen zouden hebben. Wanneer zulke leden er wel zouden zijn, dan zouden de apostelen en wij hen niet eens als leden van de gemeente kunnen zien en aanspreken. Dan zou men deze leden voorlopig in feite nog als ‘onbekeerde heidenen’ hebben te beschouwen en aan te spreken. (In een aantal kerken gebeurd dat in feite wel, helaas!)

Wanneer in de Hebreeënbrief alle (blijkbaar voornamelijk Joodse) leden van de gemeente worden aangesproken, dan horen ze dit: ‘Ziet er dus op toe broeders en zusters, dat niemand van u door een kwaadwillig, ongelovig hart afvallig wordt van de levende God, maar wijs elkaar terecht, elke dag dat dit ‘vandaag’ nog geldt, opdat niemand van u halsstarrig wordt omdat hij door de zonde verleid werd. Want alleen als wij tot het einde toe resoluut vasthouden aan ons aanvankelijk vertrouwen (geloof!), BLIJVEN WE (niet: worden we of worden sommigen misschien nog) deelgenoten van Christus.’ (Hebreeën 3 : 12-14).
We vinden vergelijkbare woorden trouwens ook aan een blijkbaar voornamelijk uit ‘ex-heidenen’ bestaande gemeente, en wel in Kolossenzen 1 : 21-23.

Toelichting 2 (op antwoord ‘nee’): We ‘horen'(lezen) dat Paulus en Petrus de leden van de gemeenten, die aan hun prediking gehoor hadden gegeven en zich hadden laten dopen, direct al zien/beschouwen als ‘zuigelingen’ (zie 1 Korintiërs 3, Efeziërs 2 en 1 Petrus 1 : 22 t/m 2 : 10). Dus deze nieuwe leden (met al hun gebrek aan kennis!) worden direct al gezien en aanvaard als nieuw-geboren kinderen (wedergeboren leden!) van de gemeente van Jezus Christus. Willen ze (verder) groeien in het geloof (en toenemen in de genade) dan zullen ze zich zeker ook aan ‘vast voedsel moeten gewennen’, maar ze zullen zeker ook altijd nog weer als ‘pasgeboren kinderen’ hebben te verlangen naar ‘de zuivere melk’ van Gods Woord: ‘opdat u daardoor groeit en uw redding bereikt’ (zie 1 Petrus 2 : 2).

Dus de op de prediking van de apostelen tot geloof gekomen en toen direct maar gedoopte leden van de gemeente* en in de gemeente geboren en daar gedoopte kinderen dienen we – net als de apostelen – allen te beschouwen en aan te spreken als ‘zuigelingen’ die met de heilige Geest zijn gezalfd. Ook Johannes schrijft/spreekt ouderen én jongeren in de gemeente(n) aan als kinderen van God die allen gezalfd zijn met de heilige Geest (zie 1 Johannes 2 : 12-29).

* Paulus spreekt in de brief aan de Galaten over kinderen die hij ‘verwekt’ heeft en wanneer ze hem later nog zoveel moeite bezorgen, dan spreekt hij erover dat hij opnieuw ‘barensweeën’ om hen moet doorstaan, alsof ze nog weer ‘opnieuw geboren’ moeten worden (Zie Galaten 4 : 19, maar aan de Korintiërs had hij dat ook kunnen schrijven! – zie ook 1 Korintiërs 2 : 1-5 en 2 Korintiërs 3 : 1-6).

In de verkondiging aan de gemeente wordt iedereen dus gezien en aangesproken als ‘zuigelingen’/’nieuwgeboren’ kinderen van God. Toch waarschuwen de apostelen ons dan zeker ook dat we dan toch ook nog tot de ontdekking kunnen komen dat er mensen onder ons (in de gemeenten van Jezus Christus) zijn, die hun naasten niet (werkelijk/op christelijke wijze!) liefhebben en ook dat er valse profeten (‘wolven’) zullen opstaan of binnenkomen, die de gemeente in verwarring brengen (zie o.a. Handelingen 20 : 29, en 1 Johannes 3 : 11 t/m 4 : 21). Maar dat heeft hen toch geen aanleiding gegeven om dat onderscheid dan maar bij voorbaat te gaan maken in de verkondiging en in het aanspreken van de leden van de gemeente (bij huisbezoek bijvoorbeeld). Nee, juist door dat niet te doen zullen degenen die ‘niet bij ons horen’ het niet uithouden om er als kinderen van God gezien en er op aangesproken te worden in Zijn gemeente (zie 1 Johannes 2 : 18-29)

Opmerkingen tot slot:

  • Het spreken over de verbonden in Gods Woord – dat ‘levend en krachtig is’ en dat we eerbiedig hebben na te spreken in de verkondiging – is toch wel wat anders dan wat theologen met en in de theologie aan ‘verbondsopvattingen’ geconstrueerd hebben en die men dan (liefst ook) wil laten heersen over het levende spreken van ‘de Schriften’ en (laten) gebruiken in de verkondiging om daarmee te heersen over de gewetens van de gelovigen.
  • Dat Woord en Sacrament levend en werkzaam zijn in de gemeente van Jezus Christus dat is vanwege het feit dat deze door onze Heer Jezus Christus zijn toevertrouwd aan de apostelen en via hen aan de Gemeente/gemeenten en dat natuurlijk door de kracht van de heilige Geest die met en door Woord en Sacrament werkzaam is in de gemeenten (zie o.a. Matteüs 28 : 16-20, Johannes 20 : 19-31 en 1 Timoteüs 3 : 16).

Zie ook:  ‘De allesomvattende verbondstrouw van God…

Bron citaat: RD opinie – ‘Consensus over het verbond ondanks verschillen‘ – door prof. dr. W. van Vlastuin

De auteur is hoogleraar theologie en spiritualiteit van het gereformeerd protestantisme aan de Vrije Universiteit en initiatiefnemer van de ”Consensus over het verbond”.

Bron afbeelding: BibleWordings-com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Verkondiging van het Evangelie aan de gemeente…

Want ik schaam mij niet voor het Evangelie, want het is een kracht van God (*’dynamis’) tot zaligheid (redding) voor een ieder die gelooft – eerst voor de Jood en ook voor de Griek – want de gerechtigheid van God wordt daarin (= in het Evangelie) bekend gemaakt uit geloof, tot geloof, zoals geschreven is: ‘maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.‘ (Uit Romeinen 1 vers 16-17)

Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijner schepselen.‘ (Jakobus 1 : 18)

Geciteerd: Daar gaat het vooral om de prediking van het Evangelie. Het is het Woord der waarheid, zegt Paulus ook in Kolossenzen 1 : 5. Bij Jakobus is woord (logos) bij uitstek de term om de prediking aan te duiden. Daar komt hij zo meteen in vers 21 nog op terug. Het Woord is dus de korte aanduiding voor de boodschap van God in het Evangelie. Door de verkondiging brengt God mensen tot een nieuw leven. Als de Heilige Geest Zich paart aan het Woord dan komt er leven in het dal van de dorre doodsbeenderen.

Onze plaats leeglaten…

Jakobus benadrukt hier tegenover zijn lezers het grote belang van de Woordverkondiging. Paulus vermaant hen aan wie hij schrijft om de onderlinge bijeenkomst niet na te laten. Dat alles met het oog op de toekomst. Met het oog op de wederkomst van Christus. In zijn tijd waren er ook al mensen, die deze gewoonte hadden. Een gewoonte, die snel aangewend is, maar waar we beter maar niet aan kunnen wennen. Onnodig onze plaats leeg laten is nog nooit voor iemand tot zegen geweest.

Baringsproces…

In de Woordverkondiging is onze goede God immers ook vandaag nog steeds om mensen te vernieuwen. Zo bewerkt de Heere de wedergeboorte.
Het resultaat van dit baringsproces, van deze nieuwe geboorte, is dat de lezers, die het Woord der waarheid geloofd hebben, eerstelingen onder Gods schepselen zijn. Het woord eersteling was de lezers van deze brief wel bekend. Het is een woord dat afkomstig is uit de Joodse ceremoniële eredienst. De eersteling is de eerste vrucht van de oogst.

Eerstelingen…

De eerstelingen van iedere oogst moesten aan de Heere geofferd worden. De eerste vrucht diende tegelijk als een erkenning dat de hele oogst eigenlijk aan God toebehoorde. Zo vertegenwoordigde de eersteling ook de hele oogst. Wie bedoelt Jakobus nu hier in deze tekst met de eerstelingen? Zijn dat de eerste lezers van deze brief geweest? Zijn zij de eerstelingen van de schepselen van God? Zijn zij de eerstelingen van alles wat God geschapen heeft en nog gaat herscheppen? Of worden de gelovigen van alle eeuwen zo aangeduid?

Als het eerste het geval is dan zijn de christenen uit de Joden de eerstelingen. De grote oogst ligt nog in het verschiet. Die oogst ligt op de velden om geoogst te worden. Deze zal ook geoogst worden als de Heere Zijn dienstknechten uitzendt tot aan de einden der aarde. Zijn schuren, of zo u wilt, Zijn huis moet vol worden. Dit is op zich geen verkeerde verklaring, maar het ligt meer voor de hand om bij het woord eerstelingen te denken aan het woord van de profeet Jeremia. Hij noemt het volk Israël de eersteling van Gods oogst (Jeremia 2 : 3).

Zo noemt Jakobus de gelovigen van het Nieuwe Testament de eerstelingen onder de schepselen van God. Is dat geen wonder? De mens, die bij de schepping als laatste werd geschapen, mag in de herschepping de eerste zijn. Gods kinderen mogen van die herschepping dus de eerste zijn.

Vernieuwing van de schepping…

De totale vernieuwing van Gods schepping begint dus bij de mens. Want, één ding weten we dat God alle dingen nieuw zal maken. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Daar zal God zijn alles en in allen. Met die vernieuwing is de Heere volop bezig. Dat de herschepping begint met de mens, geeft wel aan hoe belangrijk de mens in Gods ogen is.

Samenvattend kunnen we zeggen dat Jakobus in dit gedeelte zijn lezers, die in het leven van iedere dag beproevingen hebben te verwerken en verzoekingen moeten weerstaan en waarvan er sommigen in armoede leven, oproept zich toe te vertrouwen aan God. Aan de God Die de gevende, de scheppende en herscheppende God is.

    • Hij is de God Die helpt bij beproeving
    • Hij is de God Die wijsheid schenkt waar deze van Hem wordt afgebeden
    • Hij is de God Die niet brengt in verzoeking
    • Hij is de God Die komt met Zijn goede en volmaakte gaven

In verband met de beproevingen en verzoekingen wijst Jakobus op twee wegen :

    • de weg van het leven
    • het pad van de dood

Waar iemand aan de begeerte toegeeft en er groei is in het leven van de zonde, daar is het eindstation onherroepelijk de dood. Tegen deze donkere achtergrond van doodsdreiging krijgt het spreken van de apostel over het leven en het levenwekkende woord, de prediking, een bijzonder accent.

Bevoorrechte positie…

De lezers/hoorders verkeren in de bevoorrechte positie dat zij in het herscheppende werk van God samen met alle gelovigen eerstelingen mogen zijn. Deze hoge positie brengt ook een geweldige verantwoordelijkheid met zich mee. Dat ze er naar streven om in hun geloof volkomen en onberispelijk te zijn. Dat gaat hij dan in het volgende gedeelte verder uitwerken. Daarin worden ze opgeroepen om daders van het Woord te zijn. Hij gaat ze daar vertellen hoe het geloofsleven op hoog niveau (1)  bereikt kan worden.

Dit alles kan alleen bereikt worden als het wonder van de wedergeboorte in hun leven heeft plaatsgevonden. (2) Dit geschiedt door de prediking van het Evangelie van vrije genade. Wat Jakobus hierover schrijft, kan beschouwd worden als de spil waar de brief om draait. Voor het verdere verstaan van de brief, vooral waar Jakobus zijn lezers aanspoort tot gehoorzaamheid aan de wet van God, is het van het allergrootste belang om dit uitgangspunt in het oog te houden.

Woord én Sacrament…

Het Woord moet het doen, want als het Woord het niet doet, dan kunnen we de kerk binnenhalen wat we willen, maar dat zal blijken tevergeefs te zijn. Sola Scriptura. Het Woord alleen. Door het Woord brengt de Heere tot geloof en geloofsgroei. Het Woord is immers het zaad der wedergeboorte. (2)  Wanneer we dit uit het oog verliezen dan gaan we Jakobus gemakkelijk beschuldigen van wetticisme of moralisme. Daartoe geeft deze brief echter geen enkele aanleiding.

(1) Geloofsleven op hoog niveau’? Laten we zo’n uitdrukking maar niet gebruiken. Onze Heer Jezus Christus geeft ons in zijn onderwijs daar geen enkele aanleiding toe! Hij wijst ons liever op/naar de kinderen en ‘de eenvoudigen’ (zie o.a. Matteüs 18). En ook het onderwijs van de apostelen in de brieven getuigt ervan dat er altijd weer leden van de gemeenten zijn, die de neiging hebben zich boven anderen te verheffen , terwijl juist die ‘zelfverheffers’ het meeste risico blijken te lopen om nalatig te zijn om het geloof (bescheiden en nederig) in praktijk te brengen.  Dat blijkt veelal m.n. ook uit hun oordelen over en veroordelen van anderen. (Lees de waarschuwingen in Matteüs 7 : 1-6, Romeinen 2+3 en 1 Korintiërs 3 en 4)
(2) En dat wederbarende Woord wordt een baby en jonge kinderen en heel de gemeente ook verkondigd  (en is dus werkzaam!) met en door de sacramenten: Doop en Avondmaal. Daarom moeten we niet spreken van een/één moment van wedergeboorte dat we eerst gepasseerd moeten zijn. Een (geloofs)baby begint niet pas te leven na de geboorte en ook hier geldt: wee degene die een ongeboren baby doodverklaard of erger: dood maakt en niet het geduld heeft om de goede afloop van het baringsproces af te wachten! (Zie 1 Korintiërs 3 : 1-4 en verder!)

Elke Schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een heilzaam leven, zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend en voor elk goed doel volledig toegerust is.‘ (Uit 2 Timoteüs 3  de verzen 16-17)

Bron citaat:  Bijbelstudie Jakobus 1 : 12-18 – Nummer 2017-11 – door ds. H. Verheul

Bron afbeelding:  Pinterst

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Het belijden van de Kerk in Zondag 10…

Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven alles te prijzen in der eeuwigheid. Amen.‘ (Uit Romeinen 9 : 1-5 vers 5)

Geciteerd: Als ik zou geloven dat alleen Zijn menselijke natuur voor mij heeft geleden, dan zou Christus een slechte Heiland voor me zijn en zou Hijzelf een Heiland nodig hebben. Als ik echter alle nadruk erop zou leggen dat Christus beide is geweest, waarachtig God en mens, en dat Hij voor mij gestorven is, dan weegt dat veel zwaarder dan alle zonden, dood, hel, nood en zielensmart.

~~~

Ik ben er van overtuigd dat het lijden van deze (wereld)tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard.
(Uit Romeinen 8 : 18-30 vers 18).
In Hem heeft God, die alles naar Zijn wil en besluit tot stand brengt, ons de bestemming toebedeeld om VANAF HET BEGIN* onze hoop te vestigen op Christus tot eer van Gods grootheid.‘ (Efeziërs 1 : 1-13 de verzen 11-12)

Beeld van God, de onzichtbare, is Hij,
Eerstgeborene van heel de schepping:
in Hem is alles geschapen,
alles in de hemel en alles op aarde,
het zichtbare en het onzichtbare,
vorsten en heersers, machten en krachten,
alles is door Hem en voor Hem geschapen.
Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.
Hij is het hoofd van het lichaam, de Kerk.
Oorsprong is Hij,
Eerstgeborene van de doden,
om in alles de Eerste te zijn:
in Hem heeft heel de volheid willen wonen
en door Hem en voor Hem alles met zich willen verzoenen,
alles op aarde en alles in de hemel,
door vrede te brengen met Zijn bloed aan het kruis.
(Uit Kolossenzen 1 de verzen 15-20)

* Opgemerkt: God heeft vanaf het begin van de schepping gewild dat wij mensen en alle schepselen zouden afzien van onszelf en (leren) uitzien naar en onze hoop vestigen op Christus alleen. Dat was geheel volgens Zijn voornemen en plan. Vandaar dat Adam en Eva nog niet eens een begin hebben kunnen maken (1) met het ten uitvoer brengen van wat in de zegen en opdracht van Genesis 2 : 28 besloten lag.
Ze hebben nooit kunnen zeggen: maar we waren inmiddels toch al wel een goed eind op weg. Want er zou maar één begaanbare weg voor het schepsel blijken en die Weg loopt via de Christus, en dus via God Zelf alleen! Het schepsel zelf, hoe goed en mooi en capabel ook, heeft geen enkel bestaan en kracht van zichzelf tegenover of buiten God.
Dat bleek ons mensen al bij het gebeuren in Genesis 3 en ook in Genesis 4-6 en dat blijkt nog altijd en het moet steeds weer blijken tot de wederkomst!
We zullen dus op grond van Gods Woord kunnen belijden dat onze zondeval en ALLE daaruit voortgekomen en nog voortkomende lijden in deze wereld binnen Gods liefde en plan kon en kan bestaan – en ons niet bij toeval trof en treft en overkomt  – omdat onze zondeval en al dat lijden niet opweegt tegen de heerlijkheid die over ons geopenbaard is in Christus Jezus en nog heerlijker zal worden geopenbaard bij Zijn wederkomst op de wolken.

(1) Door de mens in de hof te confronteren met ‘de listige slang’ en de uitkomst van die confrontatie was dus heus niet verrassend voor God. Zie m.n. ook 1 Korintiërs 15 : 35-58.
Geciteerd: ‘ik las in de Studiebijbel een mooie zin: zoals Jezus Christus de Eersteling is van de ontslapenen die is opgestaan en de Heilige Geest de Eersteling onder Godsgaven, zo vormt de gemeente van Christus het begin van de grote oogst, de nieuwe schepping.’  (n.a.v. Jakobus 1 : 18)

NB. Ook de chaos-machten zijn schepsel. God beheerst die volkomen. Daarom was er ook een zevende dag: een dag van rust. Die rust zullen ook wij eens ingaan. Dan is de schepping ook van alle chaos-macht verlost.

Bron citaat: checkluther-com – Meditatie 13 december 2020 – Luther Heritage Foundation (Veenendaal)

Bron afbeelding:  Pic-a-Day – WordPres-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De erfenissen van Augustinus…

Broeders en zusters, toen ik bij u kwam om u het geheim van God te verkondigen, beschikte ook ik niet over uitzonderlijke welsprekendheid of wijsheid. Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus – de gekruisigde. Bovendien kwam ik bij u in al mijn zwakheid en was ik angstig en onzeker. De boodschap die ik verkondigde overtuigde niet door wijsheid, maar bewees zich door de kracht van de Geest, want uw geloof moest niet op menselijke wijsheid steunen, maar op kracht van God.‘ (1 Korintiërs 2 : 1-5)

Geciteerd 1: Hij heeft ook een lastige kant. Net als Calvijn en Barth is hij een persoon met rafelranden. (1) Augustinus kreeg een kind bij een concubine. Op een gegeven moment stuurt hij deze vrouw weg, hoewel hij veel van haar houdt, want hij wil eindelijk een keurig en liefst ook voordelig huwelijk sluiten. Zijn zoon houdt hij bij zich. Maar in plaats van te trouwen kiest hij ervoor zich radicaal aan God te wijden, met een leven van studie en gebed, zonder vrouw. Maar hij heeft dan wel het kind van zijn moeder gescheiden. Ik kan maar niet begrijpen dat hij zijn concubine na zijn bekering niet heeft laten terugkomen om hen te herenigen. Dit schurende gegeven inspireerde me bij het schrijven van de roman.”

Geciteerd 2: „Augustinus heeft de opvatting van de kerk over seksualiteit in later eeuwen in grote mate bepaald. Het is daarom een belangrijk thema in het boek. Na zijn bekering brak Augustinus radicaal met zijn vrije seksuele levensstijl. Aan de ene kant doorziet hij dat seksualiteit een verwoestende kracht is. Die kant laat ik ook zien in mijn roman. Seks doet iets geks met de vrijheid van onze wil. Probeer maar eens te bedenken hoe moeilijk het is om iets wat je wilt niet meer te willen. Of omgekeerd om iets niet meer te willen wat je eigenlijk wel wilt. Augustinus ontwikkelde diepe inzichten in dat soort menselijke mechanismen. Een van de gevolgen van de zondeval was volgens hem dat we met onze eigen wil in de knoop zijn geraakt, en dat we die knoop alleen met behulp van Gods genade kunnen ontwarren. Maar Augustinus slaat door als hij adviseert om alleen nog seks te hebben om kinderen te krijgen, en er verder helemaal van af te zien.

Opgemerkt: Je kunt zo onder de indruk zijn of raken van de impact van je eigen bekering, dat je helemaal vergeet dat je heus ook heel gewoon mens was vóór je bekering en net zo goed daarna ook nog. En dan ga je zo maar anderen lasten opleggen die God jouzelf en je medemensen helemaal niet wil opleggen. Wij moeten niet doen alsof wij onze eigen menselijke natuur – die zondig is en blijft tot onze dood toe – met en door onze bekering wel onder controle kunnen krijgen en/of daarmee inmiddels onder controle gekregen hebben. We kunnen beter Paulus nazeggen: voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in Jezus Christus. Maarten Luther durfde (daarom) te zeggen: ‘zondig dapper’. En die woorden van Paulus en Luther hebben we goed te begrijpen en toe te passen op grond van wat Gods Woord ons leert. Dat moet ons helpen om niet bij (gelovige) medemensen aan te komen aanzetten met zulke vrome leringen als die waarmee Augustinus de kerk/mensheid eeuwenlang opgezadeld heeft en waaronder ook nu nog heel wat mensen lijden.
Augustinus zelf was in zijn jonge(re) jaren* niet in staat om zijn seksualiteit en bijbehorende verlangens en lusten een goede plaats te geven (voorafgaand aan of later in een huwelijk) en hij verzette zich beslist bewust tegen het onderwijs van Gods Woord en het werk dat de heilige Geest daarmee deed in zijn hart en geweten: ‘nu nog maar even niet’ vond hij en zei hij lange tijd tegen zichzelf…
Dan komt het moment van z’n bekering en dan hebben daarna voortaan niet alleen of vooral de apostelen, maar heeft ook hijzelf ons een heel verhaal te vertellen. Alsof het Bijbelse onderwijs en de Bijbelse waarheid met het verhaal van zijn bekering (en o.a. zijn ‘latere bekentenissen’) vooral ook nog met en door zijn (levens)verhaal aangevuld en bevestigd kon en moest worden. In elk geval kon het gretige gehoor dat hij daarna vond die gedachte bij hem wel wekken en wanneer je dan ook nog eens retorisch begaafd en intellectueel goed onderlegd bent…

* We moeten bedenken dat in Augustinus’ dagen het christendom gold als de hoogste wijsheid. De Bijbel stelde Augustinus echter in zijn jonge jaren teleur. Hij vond die te weinig geestelijk, (en zijns inziens) te vol met aardse, onzedelijke verhalen…

Slot: Onze Heer Jezus Christus heeft niet het meest te stellen gehad met de gelovige zondaren onder Gods volk, maar juist met de ‘zeer gelovige’ theologisch goed onderlegde Farizeeën en Schriftgeleerden, die (al vroeg) een hoge dunk hadden van ZICHZELF en hun intellectuele vaardigheden en hun leven naar Gods wet zoals zij dat zagen en invulden. Ze durfden het eenvoudige volk allerlei lasten op te leggen en dat terwijl ze zelf aan het belangrijkste van de wet – de liefde tot God en de naaste en de daaruit voortvloeiende barmhartigheid jegens hun in hun ogen veel zondiger medemensen – niet toekwamen!  Onze Heer Jezus Christus heeft het volk niet belast met het soort van leringen waar eerdere/vroegere en latere theologen zo graag de aandacht aan geven en op vestigen, maar Hij heeft hen geholpen met eenvoudig Pastoraal onderwijs, dat door Gods genade juist door ‘eenvoudigen’ gehoord, aanvaard en begrepen kon worden en begrepen wordt. En de apostelen hebben zich met hun onderwijs en geschriften trouwe navolgers van Hem betoond!

Bron citaten: RD boeken – ‘Theologische roman van Frans Willem Verbaas over Augustinus‘ – door Hans-Willem Westerbeke

(1) Een waagstuk, noemt Frans Willem Verbaas zijn laatste boek. De predikant uit Heusden schreef een theologische roman over de kerkvader Augustinus. „Zoals bij alle grote persoonlijkheden, ontbreken de rafelranden niet.”

Bron afbeelding: Knowing Jesus

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Over schuld(gevoel) en je verzoend weten…

Want u bent tot vrijheid geroepen‘ (Uit/naar Galaten 5 : 13)

Geciteerd: Dat de ethiek toch weer opveert, in jonge generaties, zegt iets over wie de mens is. Niet alleen eindeloos schuldbewust (1), maar ook gezegend met een sterk verantwoordelijkheidsgevoel. Loontjens: “Gelovigen schrijven die ethische impuls in onze geest toe aan God, en ik snap wel dat dat duidelijkheid en houvast geeft. Voor mij is dat verband er niet, maar ik zie ook dat de drang om het goede te doen niet zomaar een gedachte is die ikzelf produceer.

De filosoof Martin Heidegger, die zelf een dubieuze verhouding tot schuld heeft, zegt hierover toch iets moois: dat ons schuldbewustzijn een oordeel is dat van binnenuit komt, maar toch ook van buitenaf, als een blik die van bovenaf op ons neerkijkt. We worden tot de orde geroepen, en dat ‘roepen’ is niet iets wat wij bewust doen. Het gaat juist ook tegen ons in. Heel treffend zegt Heidegger: ‘De roep komt uit mij en toch over mij.’”

Mooi, inderdaad. En met deze wijsheid moeten we verder, als wonderlijke wezens die lijden onder oprispingen van schuld. Loontjens: “Hoewel het niet meteen iets oplost, valt er met dit filosofische inzicht toch meer licht op wie ik ben, op wie wij zijn. Met de mens die je bent, moet je je verzoenen.”

Opgemerkt: Wanneer we door het geloof ons in Christus met God verzoend weten, dan kunnen en durven we vrijmoedig de ‘tot vrijheid geroepen mens’ (zie Galaten 5) te zijn voor het aangezicht van God en mensen. Behalve de voorbeeldige moed van de apostelen is o.a. ook de moed van Maarten Luther daar een goed voorbeeld van! De angstige, zich schuldig wetende en voelende en voortdurend aan zichzelf twijfelende mens Maarten Luther werd een moedig en vrijmoedig mens. Zelfs ook wel eens al te vrijmoedig en soms ook nog weer al te angstig/bezorgd gezien zijn latere boekje over de Joden. De dood echter joeg hem geen (schuld-)angst meer aan!

Bron citaten:  de nieuwe KOERS (via Blendle) – ‘Waarom we ons zo vaak schuldig voelen‘ – door Tjerk de Reus

Zie ook:  ‘Want alzo lief heeft God DE WERELD gehad…

(1) Schuldbesef is niet het monopolie van het christendom. Ook de oude Grieken leden er al onder. Vandaag voelen we ons schuldig omdat de ijskappen smelten. Maar dit schuldbewustzijn, zegt Jannah Loontjens, is vooral positief.

Bron afbeelding: Wellspring Christian Ministries

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Want alzo lief heeft God DE WERELD gehad’…

U moet niet denken dat ik u bij de Vader zal aanklagen; Mozes op wie u uw hoop hebt gevestigd, klaagt u aan. Als u Mozes zou geloven, zou u ook mij geloven, hij heeft immers over Mij geschreven. Maar als u niet gelooft wat hij geschreven heeft, hoe zou u dan geloven wat Ik zeg?‘ (Uit Johannes 5 : 39-47)
Wie Mij afwijst en Mijn Woorden niet aanneemt heeft al een Rechter: alles wat Ik gezegd heb zal op de laatste dag over iemand oordelen.‘ (uit Johannes 12 : 44-50)

Luther gelooft God op Zijn geopenbaarde Woord, dat was hem genoeg!

Geciteerd:Was ik maar Petrus, Paulus of Maria!” zegt iemand. „Dat geschenk is vast voor hen bedoeld, maar ik ben een arme zondaar.” Pas op (waarschuwt Luther) dat je niet in zulke gedachten blijft hangen. Keer terug naar Christus’ woord. De vraag is niet of je Petrus of Maria bent, maar of je bij de wereld hoort.
Pak jezelf eens bij je neus, dan voel je dat je mens bent, net zo goed als anderen. Je mag niet denken: „Ik weet niet of Gods Zoon aan mij gegeven is en of het eeuwige leven mij is beloofd.” Dan beschouw je God als leugenaar. „Als God nu eens persoonlijk zei* dat dit geschenk voor mij is…”
Luthers antwoord is duidelijk: Lieve vriend, God spreekt in het algemeen. Hij sluit niemand buiten, maar wij kunnen wel onszelf buitensluiten. Wie uit ongeloof Christus nog niet heeft willen aannemen, die veroordeelt zichzelf.

* Of: liet Hij dat nu eerst ook maar eens op bijzondere/ontegenzeggelijke manier (inwendig of uitwendig) aan mij blijken.

Opgemerkt: Luther zegt in het citaat ‘die veroordeelt zichzelf’, maar dat is zelfs nog te hoog gegrepen voor een mens, want het is God Die oordeelt en oordelen zal, maar wij hebben hier (op aarde) te maken met Gods geopenbaarde Woord en dat oordeelt ieder die God niet gelooft op Zijn geopenbaarde Woord, zoals dat via de Bijbel onder het werk van de Heilige Geest tot ons komt en daarbij ook nog ‘onweerlegbaar/onontkenbaar’ ondersteund wordt door de sacramenten Doop en Avondmaal.

Slot: Geciteerd: ‘alles wat Ik gezegd heb zal op de laatste dag over iemand oordelen.
Vraag: moet dat iemand op z’n sterfbed wanhopig maken of juist alle hoop geven?

Zie ook: Over schuld en je verzoend weten…

Bron citaat:  RD Opinie – Column: Luther is evangelisch – door dr. G.A. van den Brink.

Bron afbeeldingBible Study

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Over de (onmisbaarheid van) kerkelijke ambten…

Als iemand spreekt, laat hen spreken als woorden van God; heeft iemand een ambt, laat hem het verrichten door de kracht die God verleent; opdat God in alle dingen geprezen wordt door Jezus Christus, voor Wie zij eer en kracht van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen.‘ (1 Petrus 4 : 11)

Als iemand spreekt laat, laat hem spreken als woorden van God

Petrus spreekt hier over een geestelijke regering (niet dus van wereldlijke regering/overheden) van de gewetens voor God, en wat daarbij zal worden gesproken, geleerd, bevolen of gedaan. Met betrekking daarop moet men noodzakelijk weten of het voor God kan gelden en bestaan. Ja, of het van Hem uitgaat en uit Hem voortvloeit. Zodat je kunt zeggen: dat heeft God Zelf zo gesproken en ingesteld. Want onder het volk waar Hij regeert en woont, zal en wil Hij als de ware Huisheer ook Zelf alles spreken en doen, hoewel Hij de mond en de hand van mensen daarvoor gebruikt.

Daarom moet er hier in de eerste plaats en vóór alle dingen op gelet worden, zowel door predikanten als door de toehoorders, dat men een helder en zeker getuigenis heeft dat deze leer werkelijk het ware Woord van God is. Namelijk het Woord dat uit de hemel geopenbaard is aan de heilige, eerste vaders, en vervolgens aan de profeten en apostelen, en door Christus Zelf is bevestigd en bevolen te leren en te prediken.

Want het is onder geen beding toegestaan dat men zó met de leer (ook waar het de kerk en de ambten betreft) zal omgaan dat ieder deze naar zijn zin of goeddunken mag aanpassen aan het menselijk verstand en inzicht. Ook is het niet toegestaan met Gods Woord te spelen en te goochelen, zodat het zich moet laten uitleggen, draaien, uitrekken, verbeteren of wat dan ook, om de mensen te behagen of om vrede en eenheid te scheppen. Want daarmee heeft het geen vaste grond waarop de gewetens zich kunnen verlaten.

Evenmin is het toegestaan dat iemand die een bijzonder aanzien heeft, en meer dan anderen heilig en bekwaam is, machtig in geest en verstand (al zou hij zelfs een apostel zijn), op grond van zijn gaven en het aan hem bevolen ambt zou voorgaan, en macht zou hebben om te leren wat hem bevalt en past. Ook dat de toehoorders verplicht zouden zijn om dit aan te nemen en zich daarop verlaten, omdat het zeker goed wat zo’n (bijzonder) persoon leert.

Heeft iemand een ambt, laat het hem verrichten door de kracht die God verleent

Zo ook in het regeerambt van de kerk, daar zal eerst het getuigenis zijn dat men weet waartoe God dit ambt heeft bevolen en ingesteld. Dit zeg ik, opdat het niet opnieuw aan iemand zou worden toegestaan om op grond van zijn roeping of ambt, uit eigen macht of willekeur iets te ordenen, bevelen en te doen, wat dan voor een Goddelijk werk of tot zaligheid nodig zal worden gehouden.

Wie een kerkelijk ambt wil bedienen en uitoefenen, zal tevoren bewijzen en duidelijk maken uit de Schrift dat aan hem dit ambt door God is bevolen, zodat hij kan zeggen: dat heb niet ik, maar dat heeft God geordend. En daardoor zijn de mensen zeker. wanneer zij deze persoon verkiezen, dat zij niet aan hem, maar aan God gehoorzaam zijn.

Op Zijn bevel en volgens Zijn instelling

Wanneer ik naar de instelling van Christus als zielszorger of kerkdienaar het heilig sacrament uitreik of vergeving spreek, vermaan, troost, enzovoort, dan kan ik zeggen: wat ik doe, dat doe ik niet, maar Christus doet het. Want ik doe dat niet uit eigen voornemen, maar op Zijn bevel en volgens Zijn instelling.

Opdat God in alle dingen geprezen wordt door Jezus Christus, voor Wie zij eer en kracht van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen

Verder is het niet voldoende als je weet dat zowel de roeping en het ambt van God komen. Je moet boven dien weten en de mensen erop wijzen dat de kracht die nodig is om in zo’n ambt bezig en werkzaam te zijn, niet rust op menselijke bekwaamheid of vaardigheid. Want het is alleen Gods kracht die in en door ons werkt!

Dit wil zeggen dat dat alleen dát waarde heeft en gebeuren moet waartoe het ambt is gegeven en ingesteld. Dus niet omdat ik het het zeg en doe, maar uit de kracht van het bevel of de instelling van God, omdat Hij gezegd heeft het zo te doen.

God wil namelijk door dit ambt, indien het volgens zijn bevel en instelling is (verkregen door/gegeven aan een ambtsdrager binnen een gemeente), Zijn werk en wil volbrengen. Zo zal men bij de Doop, het Avondmaal en de biecht niet er niet naar kijken wie de persoon is die het sacrament bedient, of hoe vroom, heilig of waardig die persoon is, enzovoort. Want hier geldt en gebeurt niets vanwege de waardigheid of onwaardigheid van de betreffende mens die het bedient of ontvangt, maar alleen om de waardigheid van Gods bevel en instelling.

Daarom is hier ernstig bevolen dat niemand in de kerk het zal wagen iets – of het nu weinig is of veel, groot of klein – voor te stellen of te doen uit eigen voornemen of op aanraden van enig mens, uit goeddunken, overtuiging en gezindheid, Maar wie iets wil leren of doen, die spreekt en leert zo dat hij tevoren zeker weet dat het in waarheid Gods Woord en instelling is, door Hem bevolen.

Wanneer iemand erover twijfelt, laat hij dan het prediken en ambt uitstellen en ondertussen wat anders doen. Hetzelfde geldt voor anderen. Laten zij niets horen, geloven of aannemen dan wat door het zeker getuigenis van Gods Woord en bevel wordt voorgesteld. Want God wil niet dat met Zijn instellingen wordt gespot.

Maarten Luther: Predigt am Sonntag nach Himmelfahrt Christi (Druck 1525, Valentin Othmar, Augsburg), weergave, EA(2)8, S.311 ff

NB. Niet alles uit het betreffende overdenking (50) werd hier overgenomen.

Zie ook:  ‘Dromerijen als opmaat voor huiskerken…

Bron citaat: Maarten Luther Als goud door vuur beproefd – Korte verklaring van de eerste brief van de apostel Petrus in 60 overdenkingen – Overdenking 48 – Samengesteld, ingeleid door H.C. van Woerden – © 2020 Den Hertog B.V., Houten.

Bron afbeelding:  Heartlight

 

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie