‘De genade van God (niet) kleineren’*…

Mijn ziel verheft Gods eer;
mijn geest mag blij den Heer
mijn Zaligmaker noemen,
die, in haar lage staat,
zijn dienstmaagd niet versmaadt,
maar van zijn gunst doet roemen.
(Uit ‘Lofzang van Maria‘, gezang 66, Liedboek van de Kerken)

* Want dan wordt de troost die van Maria’s  onwaardigheid en ‘lage staat’ uitgaat van ons weggenomen. Zie hieronder.

> Verkeerd wordt Maria geëerd, wanneer men haar eigen verdienste roemt.
Ongaarne luistert zij naar de dwaze praatjesmakers, die veel over haar verdienste prediken en schrijven. Dezen willen daarmede een bewijs geven van de grootheid van hun eigen kennis en beseffen niet, dat zij het “Magnificat” onderdrukken, de Moeder Gods logenstraffen en de genade van God kleineren.
Want voor zoveel men haar waardigheid en verdienste toekent, voor zoveel doet men de goddelijke genade afbreuk en kleineert de waarheid van het “Magnificat”. De engel groet haar ook alleen maar als de door God begenadigde*, en zegt, dat de Heere met haar is, waarom zij onder alle vrouwen gezegend is.
Derhalve zijn diegenen, die haar zoveel lof en eer opdringen en dit alles aan haar toeschrijven, er niet ver vandaan, om uit haar een afgod te maken, alsof het er bij haar om begonnen was, dat men haar zou eren en van haar goeds verwachten: Terwijl zij het toch van de hand wijst en wenst, dat God in haar geprezen worde en door haar ieder tot oprecht vertrouwen op Gods genade worde gebracht.
* De groet van de engel begint letterlijk naar de Latijnse Bijbel: “Gegroet zijt gij, die vol van de genade (Gods) zijt” (Lukas 1 : 28).

> Maria wil ons niet tot haarzelf, maar alleen tot God leiden.
Wie haar daarom op de rechte wijze eren wil, die mag haar niet afzonderlijk plaatsen voor zich, maar moet haar voor God en diep beneden God plaatsen en haar “ledig” maken en het oog vestigen op haar nietigheid. Alsdan verwondere hij zich over Gods overvloedige genade, die zulk een gering en nietig mensenkind zo rijk en genadig aanziet, omvangt en zegent.
Door deze aanblik moet u er dus toe gedrongen worden, om voor zulk een genade God lief te hebben en te loven, en moet u u er door laten aansporen, van zulk een God alle goeds voor u te verwachten, die geringe, verachte, nietige mensen zo genadig aanziet en niet versmaadt.
Zo moet uw hart jegens God in het geloof, in de liefde en in de hoop worden versterkt. Wat schoners, meent u, kan haar ten deel vallen, dan wanneer u op zulk een wijze door haar tot God komt en ’t van haar leert, op God te vertrouwen en te hopen, ook indien u veracht en tot niets gemaakt wordt, in welk opzicht ook, in leven of sterven? Zij begeert niet, dat u tot Maria, maar dat u door haar tot God komt.
Aan de andere kant moet u leren vrezen voor al het hoge, waarnaar de mensen haken, wanneer u bemerkt, dat God zelfs bij Zijn eigen Moeder een voornaam uiterlijk noch aantrof noch begeerde.

> De ervaring van haar genade maakt Maria tot een vertroostend voorbeeld.
Maar de kunstenaars, die ons de zalige Maagd zodanig schilderen en op het doek brengen, dat niets verachtelijks aan haar valt op te merken, maar louter schoons en verhevens, wat doen zij anders dan dat zij ons alleen voor de Moeder Gods en niet voor God Zelf plaatsen?
Hierdoor maken zij ons beschroomd en angstig en verbergen het vertroostend genadebeeld: zoals men in de vastentijd de beelden verbergt. Want dan is geen voorbeeld meer voorhanden, waardoor wij ons kunnen troosten, maar wordt zij boven alle voorbeelden uitgeheven.

En toch zou en wou zij graag het allervoornaamste voorbeeld van de genade van God zijn, om de ganse wereld jegens de goddelijke genade tot vertrouwen, tot liefde en tot lof aan te sporen; alle harten moesten door haar zulk een vertrouwen op God verwerven, dat zij met volkomen overtuiging zouden kunnen zeggen:

O, u zalige Maagd en Moeder Gods, welk een grote troost heeft God ons aan u getoond, omdat Hij uw onwaardigheid en nietigheid zo genadig heeft aangezien; hierdoor kunnen wij ons ook in de toekomst bewust worden, dat Hij naar dit voorbeeld ook ons arme, nietige mensen niet zal verachten, maar genadig zal aanzien”.

> Het geloof zoekt bij Maria een voorbeeld, het bijgeloof hulp.

Uit: De Lofzang van Maria, het Magnificat, 1521 door Maarten Luther in zijn functie als kapelaan opgedragen aan Johan Frederik, Hertog van Saksen, Landgraaf van Thüringen en Markgraaf van Meissen.

Bron citaat:  maartenluther-nl-com/Luther ‘Lofzang van Maria’ (pdf)

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s