‘Ik zal niet bang zijn’…

De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.*
(Psalm 23 : 1)

Van dr. Maarten Luther (1536)
Op een avond na gebed aan de eettafel uiteengezet.

Psalm 23 (19)

Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad;
want Gij zijt bij mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij.

(Psalm 23 : 4)

Geciteerd: (…) Maar zij die de grote god Mammon of hun buik dienen, lijken voor de wereld de lieve schapen aan wie het aan niets ontbreekt en die, zoals de psalm zegt, God rijkelijk ondersteunt, troost en beschermt tegen alle gevaren en tegenslagen. Want ze hebben wat hun hart verlangt: eer, bezit, vreugde, plezier en ieders gunst. Ze hoeven ook niet bang te zijn dat ze vanwege hun geloof vervolgd en vermoord zullen worden.

Daarom zeg ik: volg de wereld in deze zaken niet, noch uw verstand en eigen inzicht, omdat die oordelen naar de uiterlijke schijn, zodat je een dwaas wordt en de profeet als een leugenaar beschouwt omdat hij zegt: “mij ontbreekt niets.” U echter klampt zich vast aan Gods Woord en belofte, zoals ook al eerder werd gezegd. Luister naar uw Herder en naar wat Hij ook maar tegen u zegt. Oordeel naar Zijn stem en niet naar wat je ogen zien en je hart voelt.

Het is alsof de psalmdichter wil zeggen: “Wat mij betreft, ik ben inderdaad zwak, verdrietig, angstig en omgeven door allerlei soorten gevaar en ongeluk. Vanwege mijn zonde zijn mijn hart en geweten ook niet tevreden. Ik ervaar zulke vreselijke verschrikkingen van dood en hel dat ik bijna wanhopig ben. Maar hoewel de hele wereld en ook de poorten van de hel (Matteüs 16 : 18) zich tegen mij verzetten, zal dat me niet ontmoedigen.
Ja, ik zal niet bang zijn voor al het kwaad en al het verdriet dat ze misschien op mij kunnen leggen; want de Heer is met mij. De Heer is mijn Raadgever, Trooster, Beschermer en Helper – de Heer, zeg ik, die hemel en aarde en alles wat erin is, heeft geschapen uit nog minder dan één onbeduidend stofdeeltje, dat wil zeggen uit het niets. Aan Hem is de hele schepping onderworpen: engelen, duivels, mensen, zonde, dood, enz.; kortom, Hij heeft alles in zijn macht. En daarom vrees ik geen kwaad.”

Asaf spreekt ook zo in Psalm 73. Daar troost hij de christenen vanwege de grote ergernis die daarin gelegen is dat de goddelozen zo goed gedijen op aarde, terwijl de geliefde heiligen van God voortdurend worden gekweld, en zegt : “Wie buiten U heb ik in de hemel? Naast U wens ik geen ander op aarde. Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam, de Rots van mijn bestaan, al wat ik heb, is God, nu en altijd.” (Psalm 73 : 23)

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 51, S. 271 ff (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 12, p. 147 ev)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  Pinterest (zie ook afbeelding)

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Wat je zegt ben je zelf…*

Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft Hij tot ons gesproken door zijn Zoon, Die Hij heeft aangewezen als enig Erfgenaam en door Wie Hij de wereld heeft geschapen. In Hem schittert Gods luister, Hij is zijn evenbeeld, Hij schraagt de schepping met Zijn machtig woord; Hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit, ver verheven boven de engelen omdat Hij een eerbiedwaardiger naam heeft ontvangen dan zij.‘ (Uit Hebreeën 1 de verzen 1-4)

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.‘ (Uit Johannes 1 de verzen 1-5)

Opgemerkt: Toen Adam en Eva in de hof wandelden met God waren ze als zuigelingen (1), ook in het geloof. Ze wisten nog nauwelijks iets van God hun Schepper en helemaal nog niets van Gods Geliefde Zoon, terwijl God toch alles in en door en omwille van Hem geschapen had (2) Eer Adam was Hij. God was in de paradijstuin nog maar net begonnen met Zijn spreken tot en met de mens…
De mens had wel een goed verstand gekregen, maar de kennis van God Zelf en van Zijn schepping was nog zo minimaal – God had eerst Zelf een hof geplant voor de mens om daar te kunnen beginnen aan Gods opdracht (3) – dat de mens heel goed beseffen kon dat God niet voor niets dagelijks kwam om te ‘wandelen’ met hen. Zoals later Henoch ‘wandelde’ met God (4), zo mochten Adam en Eva dagelijks ‘wandelen’ met God om Hem over van alles en nog wat te bevragen en daarover met Hem te spreken en te voorkomen dat ze op eigen inzicht zouden vertrouwen en daar naar handelen. (5)

* Dat blijkt volkomen in en door woord en werk onze Heer Jezus Christus, Die het levende Woord van God Zelf is.

(1) 1 Korintiërs 3 : 1-3.
(2) Kolossenzen 1.
(3) Genesis 2 : 26-28 en 8-9 en 15-17.
(4) Henoch leefde in nauwe verbondenheid met God. (Genesis 5: 23, NBV)
(5) Spreuken 3 : 5-8.

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Dat liefde en trouw ons niet verlaten*…

Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
(Uit Romeinen 4 vers 25)

Geciteerd 1: Spreek over rechtvaardiging als vergeving. Deze oproep van dr. G. A. van den Brink (RD 13-2) vraagt om een inhoudelijke reactie. Het is namelijk van groot belang om de eenheid van Gods eigenschappen steeds in het oog te houden. God heeft immers al Zijn eigenschappen lief. Zijn volk krijgt ze ook lief.

Geciteerd 2: Toch kan ik niet meegaan met Van den Brink als hij een andere „taal en toon” zoekt in ons spreken over Gods rechtvaardigheid. Hij stelt voor om het spreken over rechtvaardiging vooral te vullen vanuit de vergeving van zonden. Ook legt hij Luther zo uit dat Gods barmhartigheid ”basaler” is dan Gods rechtvaardigheid. In het hiernavolgende wil ik proberen een en ander uit te leggen.

Geciteerd 3: De reformatorische theologie heeft het eisende recht van God gehandhaafd. Dat zijn geen overblijfselen uit de middeleeuwen, maar Bijbelse grondwaarheden. Het is goed dat Van den Brink artikel 23 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis aanhaalt. Maar dan is het ook belangrijk om de Heidelbergse Catechismus (HC) aan te halen (Zondag 4 en 5). Daarin klinkt Gods rechtvaardige eis tot betaling duidelijk door. God eist Zijn beeld terug, van ons allemaal!

Opgemerkt: We vinden in Gods Woord niet geschreven dat God rechtvaardigheid is. Wel dat God liefde is. M.i. kan ons dat helpen om duidelijk te maken wat Luther uit Gods Woord begrepen heeft en voor ons willen verwoorden, zoals ook dr. G.A. van den Brink het weer voor ons heeft willen verwoorden. Zelf wil ik dan in dit verband daarbij dan nog het volgende zeggen.
Wat Maarten Luther uit Gods Woord begrepen heeft (m.i.), dat is dat er van de mens niets gevraagd kon en kan worden wat past bij Gods volmaakte liefde. Wanneer we dat uit Gods Woord hebben begrepen, dan zien we ook de mens als natuurlijk schepsel (de eerste Adam, zie 1 Korintiërs 15 : 45-49) op de juiste plaats. Dus niet een zó hoogstaand schepsel dat God veel (eigenlijk alles!) verwachten kon en wilde en mocht van dit schepsel wat betreft het beheer van Zijn schepping. (a) Nee, beslist niet, want wat we ‘zien gebeuren’ de eerste de beste keer dat Gods betrouwbaarheid ‘im Frage’ wordt gesteld (door een medeschepsel), dat is het falen van de mens in het geven van wederliefde aan God: namelijk door geen geloof te hechten aan Zijn Woord!
Geloof (=vertrouwend liefhebben of liefhebbend vertrouwen) is het enige wat God van de mens (Adam&Eva) vroeg (1)  en ook nu nog van ons vraagt. (2) En God heeft in en door onze Heer Jezus Christus van Zijn kant definitief laten blijken, dat Hij al onze liefde en vertrouwen vanaf het eerste begin met ons waard is geweest en daarom ook nu nog altijd weer waard is! Als God zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, zal Hij dan (in Zijn Liefde) ons niet alle dingen schenken?, roept Paulus uit. (Zie Romeinen 8 de verzen 31-39).
Zijn vergevende liefde heeft dus (vooral) met ons gebrek aan geloof te maken, niet met het tekort schieten in het volbrengen van de wet! (3) De Wet was er niet in het paradijs en ook nog niet ten tijde van Abraham. De Wet is pas later via Mozes aan het volk Israël gegeven en toch niet voor niets werd daarbij een hele offerdienst (als voorafschaduwing) gegeven.

Zie ook:  ‘Wat je zegt ben je zelf…

* Zie Spreuken 3  de verzen 1-5.
(1) De liefde eist niet, de liefde geeft en vraagt in en met dat geven om wederliefde! Je kunt niet Iemand/iemand wantrouwend liefhebben. Zie 1 Korintiërs 13 : 7.
(2) Zie Romeinen 3 : 21-31.
(3) Natuurlijk is het overtreden van de Wet ook een blijk van gebrek aan geloof. ‘De ​liefde​ is de vervulling van de wet‘ (Zie Romeinen 13 : 10) en zie ook deze woorden op Psalmboek-nl waarbij gebruik gemaakt wordt van het onderwijs van HC Zondag 3 en 4.
(a) De mens zou wandelen met God met daarbij ook het verlangen van Hem onderwijs te ontvangen.

Wie is een God als U,
Die schuld vergeeft
en aan de zonde voorbijgaat?
U blijf niet woedend
op wie er van Uw volk nog over zijn;
liever toont U hen Uw trouw.
Opnieuw zult U zich over ons ontfermen
en al onze zonden teniet doen.
Onze zonden werpt U in de diepeten van de zee.
U bewijst Jakob Uw trouw
en Abraham Uw goedheid,
zoals U gezworen hebt aan onze voorouders,
in de dagen van weleer.
(Uit Micha 7 de verzen 18-20)

Bron citaten:  RD Opinie – ‘Houd eenheid van Gods eigenschappen in het oog‘ – door ds. J.M.D. de Heer

Bron afbeelding:  Knowing Jesus

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

‘Omwille van Zijn naam’…

De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.*
(Psalm 23 : 1)

Van dr. Maarten Luther (1536)
Op een avond na gebed aan de eettafel uiteengezet.

Psalm 23 (17)

Hij verkwikt mijn ziel, Hij leidt mij op het rechte pad omwille van
Zijn naam. Hij leidt me in de rechte sporen

(Psalm 25 : 3)

Geciteerd: Omwille van Zijn naamDe naam van God is de prediking van God, waardoor Hij wordt verheerlijkt en bekend gemaakt als de genadige, barmhartige, geduldige, waarachtige en getrouwe; hoewel wij kinderen van de toorn zijn (Efeziërs 2 : 3) en schuldig aan de eeuwige dood, vergeeft Hij ons al onze zonden en ontvangt Hij ons als Zijn kinderen en erfgenamen. Dat is Zijn naam, en die naam laat Hij verkondigen door het Woord. Hij wil door deze middelen gekend, verheerlijkt en geëerd worden; en, volgens het eerste gebod, zal Hij Zichzelf ook aan ons openbaren, precies zoals Hij de mensen over Hem laat prediken (Exodus 20 : 5-6).

Dus, zonder ophouden, versterkt en herstelt Hij onze ziel geestelijk en weerhoudt Hij ons ervan in dwalingen te vervallen, en voedt Hij ons ook lichamelijk en weert Hij alle tegenslagen af. Maar alleen degenen die zich aan Zijn Woord vastklampen, en die vrijmoedig geloven en belijden dat ze alle gaven en bezittingen van lichaam en ziel van God ontvangen hebben louter uit genade en goedheid, dat wil zeggen, uitsluitend ter wille van Zijn naam en niet vanwege hun eigen daden en verdiensten – alleen zij geven Hem de eer die het precies zo doen als ons zojuist is gezegd.

Ze danken Hem voor zijn zegeningen en verkondigen deze zegeningen ook aan anderen. Geen hoogmoedige heiligen, zoals ketters en schismatische geesten of vijanden en godslasteraars van het Woord van God, kunnen Hem deze eer schenken, want zij verheerlijken niet Zijn naam maar die van henzelf.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 51, S. 271 ff (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 12, p. 147 ev)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  DailyVerses-net

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

‘Er is zoveel om voor te danken’…

Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog voor jullie het Hem vragen.’
(Uit Matteüs 6 vers 8b)

Geciteerd: Ze zeggen wel eens dat het Onze Vader het volmaakte gebed is. Maar ik mis dus de dank. Het woordje amen komt te snel. En er is zoveel om voor te danken… (1)

Opgemerkt: Maar het Onze Vader is werkelijk een gebed voor dankbare mensen en het is een gebed dat overloopt van dank! Het leert ons in alles ‘afzien’ van onszelf en ‘opzien’ tot God van Wie wij alles verwachten (mogen).
Alleen al de eerste woorden! Dankzij onze Heer Jezus Christus mogen wij God Onze Vader noemen en laat God Zich Onze Vader noemen. Beseffen we dan niet hoeveel dankbaarheid er meeklinkt en doorklinkt in die eerste woorden van dit gebed. Wie kan zich een betere vader wensen? Deze woorden plaatsen ons in de gemeenschap met onze Drie-enige God en met onze broeders en zusters en ze maken ons daar elke dag weer van bewust! We staan er niet alleen voor deze nieuwe dag. God zij dank niet!
Maar ook de volgende beden zijn gegeven als uitingen van dankbaarheid. We mogen in alles wat we gaan doen deze dag Gods Naam heiligen en er is geen mens of afgod op deze aarde die van ons de heiliging van zijn eigen naam mag vragen of eisen!
Dan de bedeUw koninkrijk kome‘. Dankbaar belijden we daarmee dat we het niet van aardse koninkrijken verwachten, maar dat we samen met alle mensen, vooral ook met hen die lijden door allerlei oorzaken, uitzien naar en mee (willen) werken aan de komst van dat koninkrijk. Dat is een werkelijk hoopvol en hoopgevend bestaan, niet alleen voor onszelf, maar voor alle mensen om ons heen en waarmee God ons in contact brengt op onze levensweg.
Ook hetUw wil geschiede‘ willen en kunnen bidden, dat kan alleen met een dankbaar en vertrouwend hart. Niet wij weten wat goed is voor ons en anderen, maar alleen onze God en Vader. Daarom weten we ons niet afhankelijk van eigen wijsheid en kracht om de loop der dingen (mee) te (helpen) bepalen. Daarom kunnen we ook (tijdig) loslaten, want we leren en kunnen en durven het aan Gods wil over te laten en ons daarin ook steeds weer ‘laten meenemen’.
En dan de bedeGeef ons heden ons dagelijks Brood‘. Dat bidden is een gelovig amen zeggen op de vaste belofte dat het hemelse Manna, Christus, door de kracht van de heilige Geest ons geschonken is en wordt! Waardoor we ook de nieuwe dag – net als eertijds het Godsvolk in de woestijn elke dag weer het manna ontving – ons verzekerd weten van de kracht en wijsheid die nodig is om ook de nieuwe dag eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid te zoeken.
En daarbij mogen we met een dankbaar hart beseffen dat God ons zegt en belooft, wanneer we dat ook daadwerkelijk doen, Hij al precies weet wat wij nodig hebben om ook daadwerkelijk met die opdracht bezig te kunnen zijn en dat Hij ons als een goed vader ook al dat nodige schenken wil!
En als Christus ons gegeven is en wordt, dan zijn we er ook van verzekerd dat onze zonden ons vergeven zijn en dat wij niet in eigen kracht ook anderen zullen (hebben te) vergeven. Dat mogen we wel heel dankbaar bedenken bij de bede ‘zoals ook wij anderen vergeven die ons iets schuldig zijn‘.
Niet nodig, dunkt me, om dan nog bij de nog volgende bedes van dit gebed aan te geven waarom die ook alleen met een gelovig en dankbaar hart en een dankbaar besef gebeden en uitgesproken kunnen worden. We besluiten dit gebed toch niet voor niets met ‘Amen‘. Ons gebed is vast en zeker gehoord en verhoord!

Bron citaat: Petrus een kwartaalblad van de Protestantse kerk in Nederland – ‘Er is zoveel om voor te danken’ – door Thea Westerbeek

(1) Thea Westerbeek (56) over het Onze Vader, het gebed dat Jezus ons leerde en dat wereldwijd bekend is. In het eerste kwartaalnummer van Petrus 2021 vertelt zij welke vijf regels uit dit gebed haar raken. Thea is hoofdredacteur van Elisabeth een christelijk magazine dat al sinds 1930 bestaat.

Bron afbeelding: CLC Boeken en Muziek (Jubileumnummer Elisabeth)

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

‘Apostolische wijsheid en geduld’ versus ‘dwepers en drijvers’… (VIII)

Er staat geschreven: ‘Ik bleef vertrouwen, daardoor kon ik spreken.’ In datzelfde vertrouwen spreken ook wij, omdat we geloven en weten dat Hij die de Heer Jezus heeft opgewekt ook ons, net als Jezus, zal opwekken en ons samen met u naar Zich toe zal voeren.‘ (Uit 2 Korintiërs 4 de verzen 13-14)

Moeizaam proces…

Geciteerd 1: De (calvinistische) reformatie in Nassau Dillenburg verloopt moeizaam. De tegenstand onder de bevolking neemt sterk toe. De gebeurtenissen in de andere Duitse gebieden hebben daar invloed op. Verschillende predikanten laten duidelijk weten dat ze ook niet zo voor vernieuwing zijn.

Predikant Geldenauer wijst zijn gemeente in Herborn erop dat Luther, terwille van de zwakken in het geloof niet alle roomse gebruiken afschafte. Hij wijst erop hoe het daarna veel erger is geworden. Het gebod van God is niet rechtgedaan. Hij wijst zijn gemeenteleden vervolgens op het uitdrukkelijke bevel van de graaf. Ook hem zijn ze gehoorzaamheid verschuldigd.

Maar… kerkelijk Herborn wijst de voorgestelde veranderingen met beslistheid af. (1) Onder leiding van enkele woord- en penvoerders wendt men zich met een verzoekschrift tot de landsheer op de Dillenburg. Ze zijn meest arme, onverstandige mensen (1) en weten niet beter of “wij hebben naast de reine leer ook de heilige sacramenten rein en zuiver te houden“.
Dáár zouden ze graag mee door willen gaan en niets nieuws willen invoeren. Maar ook staat in de brief dat wanneer graaf Jan bij zijn besluit blijft dat hij dan maar een algemene synode bijeen moet roepen. Daar kan dan over de viering van het Avondmaal een beslissing worden genomen.

Na nog weer vele gesprekken met de kerkleden in Herborn wilde predikant Geldenauer met Kerst het heilig Avondmaal vieren. Het brood stond klaar om te breken. Geheel volgens Gods Woord. Geen altaar. Geen hostie. Maar de gemeente nam deze ‘nieuwigheden’ niet. Er ontstond een groot tumult. De kerkbezoekers waren met veel lawaai de kerk uitgestormd!

Dominee Pezelius – de Lutherse(!) hofprediker op de Dillenburg (2) – heeft toen aangeboden zijn ambtsbroeder te komen helpen. In maart heeft hij toen in Herborn gepreekt over de Avondmaalsleer. Met Luthers eigen woorden toonde hij aan wat de Bijbelse manier van Avondmaalviering is. Met de aanvoerders van het ‘verzet’ had hij vriendelijk doch dringend gesproken. En met succes! De gemeente van Herborn vroeg zelfs of Pezelius hun predikant niet kon worden. Hém wilden ze wel.

Steeds weer blijkt – zowel in Duitsland alsook in de Nederlanden waar graaf Jan stadhouder van Gelderland is geworden – dat het zo nodig is dat er geschikte predikanten gevonden worden en dat predikanten gesteund en geholpen worden om de vrede te bewaren en dat vooral ook door voortdurend gebed, waar graaf Jan zijn predikanten en raadsheren ook toe oproept:

“Wilt u ervoor zorgen, dat God de Almachtige overal in onze kerken voortdurend wordt gebeden, of het Hem behaagt zijn aangevangen werk te volbrengen en Zijn kerk in deze en andere landen te bewaren en steeds meer uit te breiden”.

Warm in het hart…

Geciteerd 2: In het tekort aan predikanten wordt gelukkig steeds meer voorzien, vooral ook in de Nederlanden. Pelezius mag ook melden, dat de reformatie in Nassau Dillenberg zélf zo wonderlijk doorzet. Het Heilig Avondmaal onder de Bijbelse tekenen van brood en wijn is in de stadskerk gevierd. En… tot nu toe had de oude gravin moeder Juliana van Stolberg niets willen weten van al die nieuwigheden. Maar nu?

Afgelopen zondag is in de Dillenburger stadskerk het Heilig Avondmaal gehouden. Het werd zeer goed bezocht. Ook uw vrouwe-moeder, uw echtgenote en dochters en het personeel van de vrouwenkamer en het hof zijn tot de tafel des Heeren gegaan. Ook verscheidene burgers. Bij elkaar zestig personen”. (…) “Ik hoop , zo de Heere wil, dat het voorbeeld van uw moeder (waarom ik haar ook in de stadskerk heb gevraagd) veel goeds zal doen bij het andere gewone volk, dat zich vanwege de nieuwe gebruiken, tot nu toe ten dele afzijdig heeft gehouden”.

Het wordt graaf Jan, die al langere tijd in de Nederlanden verbleef, warm in het hart. Wat een vooruitgang in zijn geliefd graafschap! De Heere heeft grote dingen gedaan! Het verlangen naar huis wordt hem te sterk en doet hem in augustus besluiten naar huis af te reizen.

Al direct na zijn aankomst mag de graaf iets verheugends meemaken. Op 2 oktober wordt op de Dillenburg een grote kerkvergadering gehouden. Het is de tweede keer dat dit gebeurt. De vorige synode was in juli van dat jaar. Een geordend kerkelijk leven begint zich in Nassau-Dillenburg af te tekenen. Ook wordt het verzoek van predikant Geldenauer toegestaan. Pelezius wordt predikant van Herborn en Geldenauer neemt zijn plaats als hofprediker op de Dillenburg in.

Wanneer de graaf na drie maanden weer terugkeert naar de Nederlanden, in Gelderland, waar de graaf als stadhouder is aangesteld en daar aan reformatie gewerkt heeft en werkt hoort hij daar ook goede berichten. Er komen steeds meer geschikte predikanten naar Gelderland. (3) En aan het eind van 1578 vergaderen de meeste Gelderse gereformeerden in een eigen kerkgebouw. Een ware omwenteling vond plaats. Graaf Jan mocht daarbij een middel zijn in Gods almachtige hand.

(1) Herinner dat helaas ook geliefde predikanten, die door de vader van graaf Jan waren aangesteld, het veld hadden moeten ruimen voor predikanten die de ‘calvinistische leer en gebruiken’ liefst per direct wilden invoeren en in praktijk brengen. (zie ook (VII))
(2) Met name ook vanwege de wens van de moeder van de graaf was er toch nog steeds een lutherse predikant hofpredikant op de Dillenburg.
(3) O.a. predikanten die eerder uit de Palz verdreven waren, maar ook in Nederland geborenen die hun vaderland hadden verlaten om in Heidelberg te gaan studeren.

Zie ook de vorige/vervolg-blogs:

Bron citaten:  Hoofdstuk ‘Innerlijke verandering‘   uit ‘Graaf Jan van Nassau – Een krachtig vorst met kinderlijk vertrouwen’ – door N. Verdouw – Uitgeverij/Boekhandel Gebr. Koster – Barneveld.

* De citaten van het betreffende hoofdstuk zijn bewerkt:  gedeelten weggelaten of deels bewerkt. Er komt nog een verantwoording achteraf!

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

‘Apostolische wijsheid en geduld’ versus ‘dwepers en drijvers’… (VII)

Innerlijke (en uiterlijke) verandering

Geciteerd 1: De grote zaal van de Dillenburg. Aandachtig luisteren de daar vergaderde mannen. Prins Willem, Graaf Jan, Marnix van St. Aldegonde, Maximilian Mörlin de hofprediker van de Dillenburg en Lodewijk die het gesprek tussen de gereformeerde theologen Marnix (gereformeerd) en Mörlin (luthers) georganiseerd heeft. Marnix (die zelfs in een geschrift de beeldenstorm in de Nederlanden heeft verdedigd) zet de gereformeerde standpunten uiteen, terwijl Mörlin de lutherse standpunten verdedigt. Niet alleen het Avondmaal maar ook de beelden en ceremoniën komen ter sprake.

Een onbekende schrijft naderhand in een brief aan Lodewijk: U bent onder uw broeders de eerste geweest die tot erkenning van de gereformeerde religie gekomen bent. U hebt ook dit Dispuut in de Dillenburg georganiseerd (…) En bij dit debat kwam de waarheid bij uw broeders snel aan het licht. Zij hebben in de vreze Gods over de zaak hoe langer hoe meer nagedacht. Totdat zij met Gods hulp, ook tot het ware geloof gekomen zijn en hierna de reformatie in hun land, God zij geloofd, ingevoerd hebben”. (a)

Geciteerd 2: Graaf Jan gaat de godsdienst der gereformeerden, die hij vroeger verachtte (1) nu zien als de meest zuivere. Ook als de meest heilzame voor zijn graafschap. Hij voelt het: Gods Woord en Gods eer zijn in het geding. Dan moeten alle menselijke opvattingen wijken. Dan valt ook mensenvrees weg. Ja, er zal veel strijd aan verbonden zijn. Dat blijkt wel in de Nederlanden. Het zal ook spoedig blijken in zijn eigen graafschap… (2)

Geciteerd 3: Bernardi, de predikant van Siegen,  hij kan het niet begrijpen. De vroegere hoofdopziener van de kerk in Nassau. Zelf krijgt hij steeds meer last van de calvinistische vluchtelingen die in Siegen zijn neergestreken. Ze liggen zo dwars. Ze willen niet buigen. Ze kunnen niet zwijgen als het over beelden gaat, over duivelsbezweringen, over… Er is maar één middel om de rust te doen terugkeren. De vluchtelingen moeten weg!

Bernardi pakt de ganzenveer. Dringend verzoekt hij graaf Jan de vreemdelingen te laten vertrekken. En ook… graaf Jan zou zich beter wat terughoudender kunnen opstellen tegenover die calvinisten in de Nederlanden.

Graaf Jan schrijft terug: Bernhardi u zult zich herinneren hoe ik altijd ná de Heilige Schrift aan de Ausbergse Confessie trouw ben gebleven. Ook heb ik een hekel aan de lastige, onnodige en schadelijke strijd over het Avondmaal. Ik heb deze strijd in de kerk niet graag toegelaten, maar veelmeer geprobeerd die te helpen voorkomen.

Het is te merken in de brief dat graaf Jan niet meer wil dat de calvinisten zo zwart gemaakt worden (3). Aan het einde van zijn brief stelt hij drie vragen waarop hij van Bernardi antwoord verwacht.

Ten eerste: kunnen de calvinisten voor broeders gehouden worden?
Ten tweede: kunnen de predikanten die over het Avondmaal anders denken, toch de Ausburgse Confessie onderschrijven?
En ten derde: kan de duivelsbezwering bij de doop afgeschaft worden?
(Dringend pleit hij nu voor dit laatste.)

Bernhardi komt spoedig met een antwoord. Dat antwoord bevredigt graaf Jan niet. Het wordt Geldenauer, de calvinistische predikant van Herborn, voorgelegd. De eerste vraag is wel heel duidelijk door Bernardi beantwoord.

Calvinisten zijn slechts dan voor broeders te houden, als zij zich niet van de lutherse kerkgemeenschap afscheiden: “maar als zij zich echter (zoals hier in Siegen) aan onze gemeente onttrekken, de kerkdienst niet bijwonen, sacramenten en kerkordening minachten en ons voor rooms en bijgelovig uitschelden, dan moeten we voor zulke wolven waarschuwen!”

Bernardi wil de duivelsbezweringen bij de doop niet heftig gaan verdedigen, “maar ze is nu eenmaal sinds lange tijd gewoonte hier”. Als dit gebruik nu afgeschaft gaat worden terwille van enkele buitenlanders die zich eraan stoten, dan zal dit bij de eigen bevolking alleen maar onrust teweeg brengen. En dan maakt Bernardi duidelijk waarom de eerste hervorming van rooms tot luthers op minder weerstand bij de bevolking stuitte, dan dat een tweede hervorming van luthers naar calvinistisch dat zal doen.

De uiterlijke ceremoniën vullen de ogen van de mensen. Zij worden eerder beoordeeld dan de leer. Daarom zal zo’n verandering op dit moment voor velen betekenen, dat wij ons ook in de leer gelijkstellen aan de calvinisten. Men zal dus niet alleen ons, maar ook onze heer (graaf Jan) ervan verdenken, dat wij de Ausburgse Confessie willen verlaten”.

De calvinistische predikant Geldenauer weerlegt de antwoorden van Bernardi. Uitvoerig gaat hij op de brief in. Tenslotte komt hij tot de uitspraak, dat in de Ausburgse Belijdenis geen enkel hoofdpunt te vinden is dat door de calvinisten wordt aangevochten. (4)

Graaf Jan is het met Geldenauer eens. Maar… dit betekent een grote nederlaag voor Bernardi. Een nederlaag die hij niet kan verwerken. Het gaat niet goed met hem. Ook over zijn levenswandel komen er klachten. (5) Bovendien zet Bernardi zich scherp af tegen de hulp van Prins Willem aan de Nederlanden. Hij noemt het een calvinistische onderneming waarvan geen van de deelnemers levend terug zal terugkeren. De prins heeft als dienaar van koning Philips geen recht om in de Nederlanden de religie ‘te veranderen’. Welke vruchten de calvinistische leer brengt dat heeft Bernardi in Siegen wel ervaren!

Het punt van de hulp aan de Prins ligt heel gevoelig bij graaf Jan. Daar moet Bernardi niet mee aankomen! De harde woorden van Bernardi over die hulp kan hij niet toelaten. Hij laat Bernardi gevangennemen, hoe ingrijpend en te betreuren hij dit ook vindt. Zijn vroegere en zeer gewaardeerde hulp bij de eerste reformatie in het graafschap, is zich nu echt te buiten gegaan. En hoe velen sleept hij niet met zich mee, als hij zo kwetsend over zijn broer en de Nederlandse zaak blijft spreken. In de herfst van 1572 moet Bernardi het land verlaten. Graaf Jans hofprediker Mörlin volgt hem spoedig. In een afscheidsbrief aan gravin-moeder Juliana – die weinig op heeft met de calvinisten – waarschuwt Mörlin ernstig voor de gevolgen die komen.

Thans benoemt graaf Jan Geldenauer tot hofprediker en kerkelijk hoofdopziener. Krachtig krijgt hij daarbij ook steun van zijn broer Lodewijk. De kerken in Siegen worden gezuiverd van beelden en van allerlei anderen “opsmuk”. Hij laat de mensen voorhouden: aan de afschaffing van deze uiterlijkheden is geen verandering van de leer verbonden. Maar er is meer hulp nodig. Graaf Jan en zijn broer Lodewijk zien het (nu ook? – AJ). Om het gewenste doel te bereiken zijn predikanten nodig. En dié zijn er te weinig. (6)

(a) Opgemerkt AJ: De onbekende briefschrijver stelt de zaken onjuist voor. De reformatie is beslist niet door Graaf Jan of door Prins Willem ‘in hun land’ (Nassau en de Nederlanden) ingevoerd. Dat was al eerder en door anderen gedaan. Het citeren van deze brief wekt toch wat de indruk dat daarmee een soort samenvatting van het resultaat van het ‘religie gesprek’ wordt gegeven. Maar zeker is dat de Prins niet dankzij en tijdens of kort na dit gesprek het gereformeerde geloof  plots is gaan zien of heeft aangenomen als het (enige) ware geloof.

(1) ‘Verachtte’? Of keurde hij vooral de felheid en de verkeerde praktijken van de calvinisten af?
(2) Moest voor de ‘eer van God’ nu alle geduld met broeders en zusters wijken?
(3) Werden de calvinisten ‘zwart’ gemaakt of waren er goede redenen (genoemd) waarom men niet blij kon zijn met hun aanwezigheid.
(4) Mijn conclusie (AJ) kan niet anders zijn dan dat predikant Geldenauer niet op de praktische argumenten/bezwaren van Bernardi is ingegaan, maar alleen/vooral verdedigd heeft dat de calvinisten de ware leer aanhangen en dat die niet in tegenspraak is met de Ausburgse Confessie. Dat kon en moest blijkbaar de doorslag geven bij de graaf en de bevolking.
(5) Dit rijtje ‘plotselinge’ minpunten van de gewaardeerde, oude maar altijd nog ijverige Bernardi wordt hier wel opgesomd, maar wat is de historische feitelijkheid van dit rijtje. Of was er reden gekomen om Bernardi nu maar om allerlei redenen ‘af te schrijven’.
En is het niet typerend dat hier van ‘nederlaag’ geschreven wordt? Moet er niet eerder verdriet en grote teleurstelling bij Bernardi worden gesproken?!
(6) Dus blijkbaar eerst een ‘beeldenstorm” houden in de kerken van Siegen en dan pas tot het besef komen dat er predikanten nodig zijn om de noodzaak van die ‘beeldenstorm’ aan het kerkvolk uit te leggen. Zie ook Bernardi’s plan en inzet voor reformatie in (I) en (II) en eventueel ook deze overdenking bij/op de 3e zondag van Advent.

Zie ook de vorige/vervolg-blogs:

Bron citaten:  Hoofdstuk ‘Innerlijke verandering‘   uit ‘Graaf Jan van Nassau – Een krachtig vorst met kinderlijk vertrouwen’ – door N. Verdouw – Uitgeverij/Boekhandel Gebr. Koster – Barneveld.

* De citaten van het betreffende hoofdstuk zijn bewerkt:  gedeelten weggelaten of deels bewerkt. Er komt nog een verantwoording achteraf!

Bron afbeelding:  Duinroosboeken – Tholen

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

‘Apostolische wijsheid en geduld’ versus ‘dwepers en drijvers’… (VI)

Een berooide balling

Geciteerd 1: April 1567. Landvoogdes Margaretha eist van alle Nederlandse edelen een nieuwe eed van trouw aan de koning. Ook Willem van Oranje moet deze eed afleggen. Hij weigert. Op 10 april verlaat hij Antwerpen. Op zijn kasteel in Breda laat hij zoveel mogelijk goederen inpakken. Dan reist hij met z’n tweede vrouw Anna van Saksen, met zijn kinderen en met een groot gevolg van personeel naar Duitsland. Graaf Jan heeft alles gereed. Altijd al is de Dillenburg een gastvrij huis geweest voor iedereen die in nood zat. Hoeveel temeer nu.

Graaf Jan valt op hoe moeilijk zijn broer het heeft. Aan goede zorg ontbreekt het hem niet. Dankbaar is Prins Willem voor alles wat hij hier ontvangt. Maar zijn gedachten zijn bij zoveel andere zaken. Is het vooral zijn persoonlijke geloofsstrijd?
Op 12 juni 1567 vraagt zijn (calvinistische) broer Lodewijk aan een vriend of deze een lutherse predikant wil zenden, “omdat zijne Genade onder tegenspoed en kruis ligt. Van dag tot dag en hoe langer hoe meer, heeft hij bijzonder grote liefde en neiging tot de prediking van Gods Woord en beijvert zich zeer om daar ook dagelijks uit getroost te worden”.
Daarbij komt ook de gedachte aan de verdrukte Nederlanden. Zijn grote zorgen heeft hij onlangs nog in een brief omschreven”:

“In zoverre wij het overzien kunnen, is het, dunkt mij, met deze landen gedaan en zal een jammerlijke en bloedende verwoesting volgen, waarbij vele duizenden vrome en oprechte christenen om het leven zullen komen, indien God de Almachtige het niet verhoedt”.

Bij al deze zorgen komt het stille verdriet dat de prins heeft over zijn tweede vrouw, Anna van Saksen.
Dan wordt het augustus 1567. Een bode brengt de boodschap. Op 22 augustus is hertog Alva – de ijzeren hertog – in Brussel aangekomen en heeft Margaretha als stadhouder afgelost. Veel ernstige berichten volgen. De graven Egmond en Hoorne worden gevangen genomen en onthoofd. Het schrikbewind van Alva neemt een aanvang. Het volk van Nederland zucht. Ook roept het tot God in deze nood.

Onrust in het Graafschap

Geciteerd 2: Januari 1567. (We gaan hier eerst enkele maanden terug in de tijd).
Graaf Jan ontvangt een hulpverzoek van de hertog van Gulik. De hertog wil in zijn gebied de reformatie doorvoeren. Hoe kan hij dat het beste aanpakken? Dat werk heeft de volle belangstelling van graaf Jan en hij gaat vervolgens op zijn eigen grondige manier met dit verzoek aan de slag. Hij legt zijn Nassause kerkopzieners en raadgevers enkele vragen voor. Hoe kan hij het Gulikse hof het beste adviseren over de afschaffing van beelden en onnodige rooms gebruiken?

Men ziet dat de gewone man veelal het hart op deze (beter af te schaffen – AJ) uiterlijke zaken zet. Bedenk daarbij dat het voor veel vrome mensen beter is om het direct van het begin zonder ceremoniën te doen. Als het later nog gebeuren moet kan er zo snel weer nieuwe onrust komen.
Of is het (toch) beter eerst de gróte afgoderij af te schaffen en daarbij al het andere, wat men met een goed geweten dulden en verdragen kan, te laten blijven totdat het volk goed onderwezen en gebouwd is?”

Het is vooral zijn kerkelijke raadgever Bernardi – zie ook (I) en  (II), die in duidelijke woorden zegt dat de graaf beslist niet de calvinistische kant op moet gaan. In zijn antwoord schrijft hij onder andere:

Men moet met de afschaffing van beelden en andere vrij goede ceremoniën op betere tijden wachten. Het kan bovendien niet ontkend worden, dat zo’n beeldenstorm in de kerken van de Ausburgse belijdenis niet gebruikelijk is. Ja het is bijna schandelijk! Het wordt tot nu toe alleen in de calvinistische kerken veel gedaan.”
En ook:Wij kunnen beslist niet aanraden de calvinistische prediking toe te staan. Hun leer (wat betreft het Avondmaal) is in strijd met de bepaling van de religievrede in de Ausburgse belijdenis. Bovendien moeten we er voor waken dat gewone mensen door zo’n leer en prediking aangestoken en tot het calvinisme bewogen en getrokken worden”.
En als een predikant toch een calvinistische leer op de kansel brengt?
Hij moet dan door enkele daartoe aangestelde theologen gevraagd en overreed worden. of hij zijn mening wil laten varen en zich wil voegen naar onze leer. Wanneer zo iemand dan na twee of drie keer vermanen toch met preken doorgaat, dan moet hem bevolen worden het land te verlaten. Dit is nodig. Het voorkomt grote onrust bij de mensen”.

Met deze antwoorden gaat graaf Jan naar Gulik. Een kerkenordening wordt opgesteld, die toch weer vooral lutherse kenmerken draagt.

Geciteerd 3: De berichten uit de Nederlanden vervullen graaf Jan met grote zorg. Zijn verkenners en geheime contacten vertellen hem op welke plaatsen brandstapels roken en welke vooraanstaande edelen met vele anderen naar het buitenland vluchten. Hij stelt zijn graafschap wijd open voor de vluchtelingen uit het westen. Enkele tientallen gezinnen vestigen zich bij Siegen.

Graaf Jan wil het voorzichtig aanpakken. Ze moeten eerst beloven dat ze de Ausburgse Confessie aanvaarden. Hij weet hoe gevoelig het ligt binnen zijn graafschap. Hij wil geen onrust en problemen. Maar die problemen komen wel. De Nederlanders kunnen het niet eens zijn met de duivelsbezweringen bij de lutherse doop. Liever laten ze hun kinderen maandenlang ongedoopt. Ook bij de prediking en het Avondmaal blijven de vluchtelingen steeds meer weg. Dat kan niet goed gaan.

Bernhardi maakt als predikant van Siegen de problemen van nabij mee. Het geeft hem veel verdriet en ergernis. Hij beklaagt zich erover bij de prins. Deze stuurt enkele waarnemers. Ze moeten een nauwkeurig onderzoek instellen. Met hun bevindingen gaan ze terug. Graaf Jan hoort de juiste toedracht. Hij vaardigt een bevel uit. Een bevel dat enerzijds de eigen bevolking gerust stelt:

De vreemdelingen kunnen zich schikken naar de gebruiken hier te lande (die overeenkomstig het Woord van de heilige Schift zijn). Als zij het echter niet willen, kunnen ze weer daarheen gaan vanwaar ze gekomen zijn. Ik kan om hunnentwil geen veranderingen in de kerk aanbrengen”.

Streng klinken deze woorden. En ze zijn misschien ook streng bedoeld. Graaf Jan worstelt. Hij voelt zich van binnen onzeker. Is het daarom, dat hij tegelijk een oplossing biedt? Een oplossing die een grote toegeeflijkheid van zijn kant betekent. De vluchtelingen mogen hun pasgeborenen in de slotkerk op de Dillenburg laten dopen. Dominee Villiers – de gereformeerde hofpredikant van Anna van Saksen (2e vrouw van de Prins) – kan dat daar doen. Maar wel onder voorwaarde dat de prinses of haar hofdame getuige willen zijn.

De gereformeerde vluchtelingen zijn blij. Bernhardi beslist niet…

(Wordt vervolgd!)

PS. Onderstaande Schrifttekst (uir Romeinen 14) gekozen vanwege de geringe/ontbrekende bereidheid van de Nederlandse (calvinistische) vluchtelingen om zich (voorlopig) liefdevol en nederig te schikken naar de (nog overgebleven roomse) gebruiken van hun broeders en zusters in de lutherse kerken van het gastgebied. In deze gastgebieden was de reformatie vaak uitgegaan van de graaf of landsheer en de inwoners hadden zich daar al of niet vrijwillig naar geschikt.
NB. Je zou kunnen zeggen dat de Nederlandse vluchtelingen, mee dankzij de Institutie van Calvijn, al snel – sneller dan de lutherse mensen  – goed thuis waren gemaakt/geraakt in de Bijbelse leer van het geloof, maar helaas nog niet voldoende onderwezen in de Bijbelse praktijk van het geloof.  Schreef Paulus niet ook: ‘De kennis maakt opgeblazen‘.

Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf. Zolang we leven leven we voor de Heer; en wanneer we sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer. Want Christus is gestorven en weer tot leven gekomen om te heersen over de doden en over de levenden. Wie bent u dat u een oordeel velt over uw broeder of zuster? Wie bent u dat u neerziet op een broeder of zuster? (…) Laten we daarom elkaar niet langer veroordelen, maar neem u voor uw broeder of zuster geen aanstoot te geven en hun niet te ergeren.‘* (Uit Romeinen 14 de verzen 7-10 en 13)

* Met dat wegblijven uit de lutherse kerkdiensten ergerden de vluchtelingen hun broeders en zusters in het gastgebied en velden zodoende ook een oordeel over hen!

Zie ook de vorige/vervolg-blogs:

Bron citaten:  De hoofdstukken ‘Een berooide balling‘ en ‘Onrust in het Graafschap uit ‘Graaf Jan van Nassau – Een krachtig vorst met kinderlijk vertrouwen’ – door N. Verdouw – Uitgeverij/Boekhandel Gebr. Koster – Barneveld.

* De citaten van het betreffende hoofdstuk zijn bewerkt:  gedeelten weggelaten of deels bewerkt. Er komt nog een verantwoording achteraf!

Bron afbeelding: SlideShare

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

‘Apostolische wijsheid en geduld’ versus ‘dwepers en drijvers’… (V)

Pilatus liet Jezus bij zich komen en vroeg Hem: ‘Bent U de Koning van de Joden?’ (…) Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als Mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden Mijn dienaren wel gestreden hebben om te voorkomen dat Ik aan de Joden werd uitgeleverd.‘ (Naar Johannes 18 : 33, 35-36, NBV)

Geciteerd: De burgerlijke politiek van Prins Willem zou onder Gods bestel ons land – en de burgerlijke rechten van de kerk – redden. Maar voordat de Prins deze politiek kon doorzetten kwam er na de beeldenstorm eerst vrees en verwarring en afslachting zoals Calvijn daarover in zijn brief al gesproken en voor gewaarschuwd had.

A: De vrees: In Oktober 1566 werd – na de beeldenstorm in de Nederlanden – door predikant Datheen op een kerkelijke vergadering (!) voorgesteld om Philips 3 miljoen goudguldens aan te bieden om godsdienstvrijheid te mogen ontvangen. Maar op 1 december 1566 wordt op een (kerkelijke) Synode te Antwerpen besloten om het geld dat inmiddels verzameld was, te bestemmen voor het werven van troepen! Op 17 december werd nogmaals een kerkelijke vergadering gehouden, waar aan Datheen en Moded en een aantal andere predikanten werd opgedragen om voor verdere regeling van het gewapend verzet tegen de overheid op te treden. Een begroting van de kosten werd door deze predikanten opgesteld en de steden in de omtrek voor een bepaald gedeelte aangeslagen.

Datheen was van deze beweging een van de vurigste voormannen. Hij meende dat God deze kerkelijke geworven “Gideonsbende(n)” zou gaan helpen. Hij zag niet in dat het hier om een politieke strijd ging en dat niet hij en andere predikanten, maar dat Prins Willem en andere Edelen een taak hadden en dat voor deze strijd een vorst eerst de kosten zal berekenen en beraadslagen om te bepalen of hij wel machtig genoeg is om de vijand te weerstaan (Lukas 14 : 31-32).

Richter Gideon behoefde dat niet te doen. De Heer streed voor hem. Maar die voor Christus streden met het zwaard, in de hoop dat hij wel helpen zou (Kruistochten, wederdopers, etc.) kwamen steeds bedrogen uit. Christus zegde zijn discipelen Zijn hulp toe bij de uitbreiding van Zijn koninkrijk door de prediking, niet voor hun slaan met het zwaard. Integendeel voorzegde Hij hen daarbij dat ze door het zwaard zouden vergaan.

Er was echter zeker burgerlijk recht tot gewapend verzet onder landsoverheden als Egmond, Oranje en andere Edelen. Het staatsrecht is ook van God. En dat is ook door lagere overheden tegen de hogere te verdedigen. De Synode van 1 december 1566 had de rechtmatigheid van van opstand in dit geval erkend. Daarvoor had Calvijn de ogen geopend. Maar dat betreft Staatsrechtelijk terrein en vergt een politieke strijd.

Oranje werd aangezocht om de leiding van de opstand op zich te nemen. Hij maakte plannen, onderhandelde, overrekende de kosten, beraadslaagde… vreesde de Doperse elementen… zag Duitse hulp uitgesloten (vanwege de beeldenstorm)… en weifelde. Helemaal volgens Lukas 14 : 30-32. ’t Stond er immers heel hachelijk voor. Alleen Doperse ijver heeft natuurlijk geen oog voor “wereldse” staatsmanwijsheid, die voor afslachting van losse benden vreest.

B. De afslachting: Die kwam inderdaad. De troepen van Philips versloegen het geuzenleger. Groen van Prinsterer zegt (in zijn Handboek): “een slachting, geen veldslag.” Toch was het leger van de regeringstroepen kleiner dan dat van de geuzen. Maar zoals de ordeloze kruistochten door vurige geestelijken georganiseerd deerlijk mislukten, zo zijn ook de ordeloze geuzenbenden, door vurige predikanten samengeroepen, toen vergaan. Opmerkelijk!

Later heeft Willem van Oranje toen hij daarvoor klaar was, staatsrechtelijk en militair de Nederlanden geholpen. ’t Heeft hem zijn goed en zijn leven gekost. Maar er kwam burgerlijke vrijheid en dat kwam de kerk(en) ten goede. De Kerk van Christus kreeg een stil en gerust leven door zijn werk. De latere/verdere actie van Datheen tegen de Prins is echter zeer schadelijk en zelfs kerkverwoestend geweest! (Daarover valt meer te lezen in de betreffende bron waaruit hierboven geciteerd werd).

Zie ook de vorige/vervolg blogs:

Bron citaten:Burgerlijke of Kerkelijke Politiek’* – Referaat gehouden op een toogdag der A.R.J.A. op 17 oktober 1931, door A. Janse – (tweede druk, N.V. “De Graafschap”, Aalten, 1932)

*
De citaten zijn deels bewerkt:  gedeelten weggelaten of deels ietwat gewijzigd. Er komt nog een verantwoording achteraf!

Bron afbeelding:  TopPun-com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

‘Die iets uit niet(s) tot aanzijn roept’…

‘Abraham, welke een vader is van ons allen (…) gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld – voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept. (Uit Romeinen 4 de verzen 16-17)

> Geciteerd: Hij, Die door Zijn Woord de hemel en de aarde heeft geschapen en het licht liet schijnen uit de duisternis, is machtig genoeg om uit niets alles, uit de dood het leven, uit de zonde gerechtigheid, uit de dienstbaarheid aan de duivel en de hel de heerlijke vrijheid van de kinderen van God tevoorschijn te brengen.
(…) ‘Ik kan ervoor zorgen’, spreekt Hij, ‘dat daar waar niets is, iets komt te staan, ik kan verdriet en hartzeer veranderen in louter vreugde.
Ik kan zeggen: Dood en graf, word levend! Hel, word hemel en zaligheid! Gif, word kostbaar medicijn en balsem! Duivel en wereld, word nuttiger voor mijn christenen dan de liefdevolle engelen en vrome heiligen!’

1 Een gebed van David

Hoor mij, HEER, en antwoord mij,
ik ben verzwakt en arm.
2 Behoed mij, want ik ben U toegewijd,
red uw dienaar die op U vertrouwt,
U bent mijn God.

3 Wees mij genadig, Heer,
heel de dag roep ik tot U,
4 verblijd het hart van uw dienaar,
naar U verlang ik, Heer.
5 U, Heer, bent goed en tot vergeving bereid,
uw trouw is groot voor ieder die U aanroept.

6 Hoor mijn gebed, HEER,
luister naar mijn smeken.
7 In dit uur van mijn nood roep ik U aan,
want U geeft mij antwoord.

8 Geen god is u gelijk, Heer,
uw daden zijn zonder weerga.
9 Alle volken, door u gemaakt, komen
en buigen zich, Heer, voor U
en prijzen uw naam.
10 U bent groot, U doet wonderen,
U alleen bent God.

Uit Psalm 86 de verzen 1-10 (NBV) – Lees heel deze Psalm.

Bron citaat:  checkluther-com – Meditatie 7 februari 2021 – Luther Heritage Foundation (Veenendaal)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie