De Schrift moet preek worden!

Draag dit alles over in je onderricht. Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt, maar wees voor de gelovigen een voorbeeld in wat je zegt, in je leefwijze, in liefde, geloof en zuiverheid. In afwachting van mijn komst moet je je toeleggen op het voorlezen uit de Schrift, op de prediking en het onderricht. Veronachtzaam de genade die je geschonken is niet; je dankt haar aan de profetische woorden die de raad van oudsten over jou, onder handoplegging, heeft uitgesproken. Richt je hierop, maak het je eigen, zodat voor iedereen duidelijk wordt dat je vorderingen maakt. Neem je in acht, houd je aan de leer en blijf dat doen; dan red je zowel jezelf als hen die naar je luisteren.‘ (Paulus in 1 Timoteüs 4 de verzen 11-16)

Geciteerd 1: De doorslaggevende belemmering om de Schrift te verstaan wordt echter veroorzaakt door de innerlijke weerstand die de mens heeft tegenover het Woord van God. De exegeet die gebruik maakt van wetenschappelijke, objectieve methoden, moet tot en subjectieve luisteraar worden. Dat betekent voor Luther dat hij in de allereerst plaats zondaar* moet worden! Hij moet belijden hoe het er met hem zelf voorstaat, want het Woord van de Schrift ontmaskert alle mensen als zondaren (Romeinen 5 : 12) en daarmee als vijanden van God (Romeinen 5 : 10).

Opgemerkt: Was dat ook niet de voorbereiding die Johannes de Doper vroeg op de komst van onze Messias, Die het levende Woord Zelf is en wiens Woord en optreden alle mensen zou ontdekken aan hun zondaar-zijn, niet alleen ‘notoire zondaren’ maar juist ook de meest vrome hoogstaande mensen onder het Godsvolk.
* ‘De luisteraar en exegeet moet zondaar worden’, m.a.w. men moet zich eerst (en ook steeds weer!) vernederen onder het Woord. Die vernedering wordt uitgebeeld door onze Doop waarvan Paulus zegt dat we daar met Christus begraven worden in Zijn dood om onze zonden.

Geciteerd 2: ‘Nu hebben jullie de Bijbel’, bron van het leven, oer-konde van God en daarmee zowel fundament als maatstaf van alle kerkelijke autoriteiten, of dat nu kerkvaders, concilies of pausen zijn dan wel geleerde doctores. Schrift en kerk behoren ‘op één hoop’, maar niet op de manier dat de Schrift alleen de letter zou zijn en de kerk de Geest die door middel van de kerkelijke leer de dode letter tot leven moet wekken. De kerk is schepping van het Woord, het Woord echter niet de schepping van de kerk.

Alleen de Schrift maakt dit Woord openbaar. Maar juist daarom is zij niet het boek der waarheden, dat een volledig, onomstotelijk theologisch leerboek zou bieden of waaraan verdere waarheden toegevoegd zouden moeten worden, bijvoorbeeld door het afkondigen van nieuwe dogma’s. De Bijbel bevat slechts één waarheid, maar die is dan ook beslissend: ‘dat Jezus Christus, onze God en heer, voor onze zonden gestorven is en omwille van onze gerechtigheid is opgestaan’.

‘Door de gekruisigde heeft de Christen alles wat hij weten moet, maar hij weet nu ook wat hij niet moet weten’.

Geciteerd 3: Het college van Luther over de Psalmen (1513-1515) is het eerste onweerlegbare getuigenis voor de verwachting van Luther uit de woorden van de Schrift het Woord van God te kunnen ‘kloppen’. Dat gaat veel verder dan de formulering van een Schriftprincipe. Het grondbeginsel dat alleen de Schrift het fundament van de theologie is, kenden ook de middeleeuwse scholastici, zij hebben dit inzicht methodisch beschermd en gestreden over de consequenties van dit principe voor de kerkelijke traditie. Het Schriftprincipe kon echter pas tot Schriftpraxis worden, toen ontdekt werd dat de Bijbel niet een verzameling is van verschillende waarheden en bewijsplaatsen, maar dat ze een geheel eigen boodschap heeft die beslist over leven en dood en daarom vanuit haarzelf, vanuit haar centrum uitgelegd dient te worden.

Geciteerd 4: De gedachte het kruis van Christus de maatstaf te laten zijn van de uitleg van de Schrift, getuigt van reformatorische beslissingen die al lang voor de grote ommekeer (1517-18) plaats gevonden hebben.
In de eerste tien jaren (te plaatsen voor 1517) – zo vertelt hij, heeft hij de Bijbel tweemaal per jaar van begin tot eind gelezen. Zijn indringend bezig zijn met de Schrift leidde tot discussies over de juiste exegese, vervolgens tot strijd met theologen en prelaten en tenslotte tot strijd om de kerk.

De Schrift moet preek worden!

Geciteerd 5: De Reformatie kon in die tijd zo diep binnendringen in het volk, omdat Luther uit het hem al lange tijd vertrouwde Schriftprincipe een verrassende consequentie getrokken had. De Schrift moet preek worden!
Onder de druk van ketterijen werd de levende apostolische verkondiging (ook die van het OT in het ‘NT-licht’ – AJ) voor vervalsing beschermd, omdat ze in een Boek werd vastgelegd. Dankzij de verkondiging wordt dit proces van conservering weer ongedaan gemaakt en uit de Schrift van toen ontstaat de verkondiging van vandaag.
(Zie daarbij bijv. ook 2 Petrus 1 de verzen 20-21 en 2 Timoteüs 3 de verzen 14-17).

Opgemerkt: Luther’s college over de Psalmen was niet alleen poging om te komen tot de goede exegese (door ‘bekloppen’) van de teksten, maar beslist ook al verkondiging en dat ontwikkelde zich verder door gedurige dialoog met collega doctoren en studenten. Het was op die manier ook echt ‘Kerk-werk’. Zijn werk (en de uitkomsten daarvan) kunnen we dus beslist niet zien als ‘studeerkamer-theologie’ van een intelligente (of geniale) eenzame monnik.

Geciteerd 6: De Bijbel is dus een noodzakelijk kwaad! Noodzakelijk is ze, omdat anders de geest van mensen zich als heilig uitgeeft, zonder als on-geest ontmaskerd te kunnen worden. ‘Een kwaad’ wordt de Schrift, wanneer ze als een papieren paus in heiligheid verstart, in plaats van als levend Woord in de kerk in het openbaar (en in verstaanbare/begrijpelijke taal (1) – AJ) gehoord te worden. Het Evangelie is weliswaar toevertrouwd aan ‘vergeelde bladzijden’, maar zal met frisse woorden een vrolijke boodschap (verkondiging) worden.

(1) Lees ook wat Luther gezegd en geschreven heeft over het belang van de Bijbel in ‘begrijpelijke en gangbare taal van en voor het volk. We lezen daarover in hoofdstuk V, paragraaf 6 ‘Nu hebben jullie de Bijbel ).

Zie ook deze blog met woorden van prof. dr. K.J. Popma: ‘Elke gelovige exegeet bij de gratie Gods…

Bron citaten: Boek ‘Luther, mens tussen God en duivel’ (Hoofdstuk V $6 ‘De doorbraak van de Refomatie’) van Heiko A. Oberman (bij leven hoogleraar kerkgeschiedenis).

Ik roep je dringend op, ten overstaan van God en van Christus Jezus, Die zal oordelen over levenden en doden, ik bezweer je bij Zijn komst en heerschappij: Verkondig de Boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet, wijs terecht, bestraf en vermaan met alle geduld dat het onderricht vereist. Want er komt een tijd dat de mensen de heilzame leer niet meer verdragen, maar leraren om zich heen verzamelen die aan hun verlangens tegemoet komen en hen naar de mond praten. Ze zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzinsels. Jij echter moet in alles nuchter zijn, je lijden aanvaarden, je werk als verkondiger van het Evangelie doen, je dienende taak vervullen.’ (Paulus in 2 Timoteüs 4 de verzen 1-5)

Bron afbeelding: JeffRandleman-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het goud van de Reformatie niet verzilverd…

Daar wij nu een groter hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden.’ (Uit Hebreeën 4 de verzen 14-16 het 14e vers)

Geciteerd: Van den Brink ziet een uittocht van christenen uit heel orthodoxe kerken naar wat minder orthodoxe kerken en daarna vaak naar evangelische groepen. „Mozaiek zou nergens zijn zonder instroom uit onze gemeenten.” Vragen als ”Hoe krijg ik een rechtvaardig God?” en over de toe-eigening van het heil zijn volgens hem voor velen een ver-van-je-bed-show.

Opgemerkt 1: De winst van de Reformatie was niet dat toen (veel meer) mensen in navolging Maarten Luther gingen worstelen met de vraag ‘hoe krijg ik een genadig God’ en hoe kan en moet mij inspannen voor de ‘toe-eigening van het heil’, want met die eerste vraag worstelden juist veel mensen vóór de Reformatie en het was de bevrijdende (her)ontdekking en door Luther luid verkondigde boodschap dat wij – op grond van Gods Woord – zeker weten – het geloof is een zeker weten van de dingen die wij niet zien maar die ons wel gezegd worden! – een ons genadig God hebben en dat wij geen enkele reden hebben om aan die Blijde Boodschap te twijfelen. Maar heel die winst is teniet gedaan door theologen die dat ‘zeker weten’ even later toch weer onderuit wisten te halen, namelijk door de mensen voor te gaan houden dat men eerst toch wel een weg van ‘toe-eigening van het heil’ moest gaan en achter de rug hebben voordat ze zeker konden/mochten geloven en zeggen dat ze werkelijk tot Gods vrijgekochte kinderen behoren (zoals beleden in/met Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus) en op grond daarvan dan ook (eindelijk) deel zouden kunnen nemen aan de vieringen van het Avondmaal.

Opgemerkt 2: Een belangrijke (of in feite dé) oorzaak hiervan was dat predikanten en theologen met zorg en verdriet zagen dat veel (of zelfs een meerderheid) van de gedoopte kerkmensen er een levenspraktijk op nahielden die ver beneden het door hen noodzakelijk en geloofwaardig geachte niveau van een waar christenleven lag. Maar in plaats van deze mensen (broeders en zusters!) – net als de profeten vroeger de kinderen van Israël en later de apostelen – met klem en onder tranen Gods Woord te blijven voorhouden*, en dat met een ernst zoals we die in het NT met name ook vinden in de brief aan de Hebreeën, meende men er beter aan te doen heel die bij de Reformatie ons teruggeschonken zekerheid, zoals die ons al met onze Doop geschonken wordt, met kracht van theologische redeneringen onderuit te halen. En dat moest er wel toe leiden dat de ons bij de Reformatie weer geschonken Christelijke vrijheid vervangen werd door allerlei vormen van kerkelijke en sociale drang en dwang en eerst maar volgens allerlei Bijbelse en onBijbelse regels een wettisch leven leiden met daarbij de hoop (of niet meer dan ‘een heel klein hoopje’) dat de Geest op een bepaald ogenblik een mens zou toespreken en in het hart grijpen.
* Zie ook Handelingen 20 de verzen 17-20 en ook 28-31.

Opgemerkt 3: Het moet ons daarom niet bevreemden dat waar die bij de betreffende theologische opvattingen ontstane sociale gemeenschappen wegvallen of zijn weggevallen de leegloop van de kerken in een stroomversnelling komt. Maar omdat in die kringen toch ook altijd wel nog een eerbiedig willen luisteren naar Gods Woord gevonden werd en wordt, mogen we nog wel hopen en bidden dat God mensen daar toch ook nog de ogen (harten) blijft openen voor die heel Blijde Boodschap die hen door Woord en Doop en Avondmaal verkondigd wordt!

Maar wat u betreft, geliefde broeders en zusters, ook al spreken wij zo, wij zijn overtuigd van iets beters, waaraan uw heil hangt. Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en de liefde, die gij voor Zijn Naam getoond hebt door de diensten, welke gij de heiligen bewezen hebt en nog bewijst. Maar het is ons verlangen, dat ieder van u dezelfde ijver (inzet) blijft betonen tot de verwezenlijking van de hoop tot het einde toe, opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zullen zijn van hen, die door geloof en geduld de beloften beërven.‘ (Uit Hebreeën 6 de verzen 9-12).

Bron citaat: RD Opinie – ‘„Geen paniek bij krimpende kerk”’ – van RD Correspondent

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De realiteit van de onwankelbare liefde van God… (I)

Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Daarom zal uit de werken der wet geen vlees (geen mens/sterveling) gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.‘ (Uit Romeinen 3 de verzen 19-20)

Geciteerd 1: De doorslaggevende belemmering om de Schrift te verstaan wordt veroorzaakt door de innerlijke weerstand die de mens heeft tegenover het Woord van God. De exegeet die gebruik maakt van wetenschappelijke, objectieve methoden, moet tot subjectieve luisteraar worden. Dat betekent voor Luther dat hij in de allereerste plaats zondaar moet worden! Hij moet belijden hoe het er met hem voorstaat, want het Woord van de Schrift ontmaskert alle mensen als zondaren (Romeinen 5 : 12) en daarmee als vijanden van God (Romeinen 5 : 10). (1) Juist daarom speelt het thema ‘ootmoed’ zo’n grote rol en wel op een ongehoord moedige en tot nu toe nooit eerder gewaagde wijze: ootmoedig zijn houdt in dat God gerechtvaardigd wordt (2) De rechtvaardiging van God betekent instemmen met Zijn gerechtelijke uitspraak: alle mensen zijn zondaren. God recht doen noemt Luther ‘geloofsgehoorzaamheid’, die vooraf gaat aan alle gerechtigheid door het geloof.
(1) Zie ook Johannes 9 vers 41
(2) Zie ook Lukas 7 vers 29 en Romeinen 3 vers 4

Geciteerd 2: Tot de centrale problemen van het kerkelijk leven uit die tijd behoorde de vraag naar boete, biecht en straf. Het is een bewijs van de verankering van de theologie van Luther in de prediking en de zielzorg van de kerk dat hij juist die thema’s tot de zijne maakt. Luther keerde zich tegen alle ‘werkheiligheid’ en zelfgenoegzaamheid, ook tegen de ademloze jacht naar zelfrechtvaardiging, wanneer hij de boete niet als een tijdelijke noodmaatregel voor een zondaar ziet, maar leert verstaan als de grondvorm van ieder christelijk leven. Het is niet slechts een ‘kerkelijke plicht’, waaraan elke Christen zich minstens eenmaal per jaar diende te onderwerpen, maar voortdurende belijdenis van de ootmoed: Alleen God is rechtvaardig.

Geciteerd 3: Het lijkt waarschijnlijk dat Luther in zijn serie colleges die hij gedurende twee semesters gaf – van november 1515 tot september 1516 – en die gewijd waren aan de brief aan de Romeinen in de eerste maanden van 1516 aangekomen is bij het derde hoofdstuk. In zijn korte aantekening bij het twintigste vers van dit hoofdstuk legt hij de gerechtigheid Gods uit op een wijze die hij in 1545 als een bevrijdende ontdekking beschreven heeft. Alle consequenties staan hem (dan in 1516) nog niet helder voor de geest. De gevolgtrekking, die hij echter wel uitdrukkelijk maakt, luidt dat de mens als zondaar voor God niets kan presteren, maar alleen door genade gerechtvaardigd wordt: ‘ergo sola gratia iustificat‘.
Deze genade wordt door het geloof alleen gegrepen – ‘sola fide’- in het vertrouwen op het Woord van Christus. De stem van de nu al ‘reformatorische’ exegeet klinkt nog ongeoefend en een rij van ontdekkingen wordt nog niet gedaan. Daarom blijft het innerlijk berouw dat ervaren kan worden, de zelfbeschouwing’ zoals Luther het woordelijk noemt, nog een voorwaarde voor de gerechtigheid uit het geloof.
Pas in het begin van 1518 wordt het geloof zo zeer als vertrouwen uitgelegd, dat een Christen als biechteling zich volledig mag, maar ook moet toevertrouwen aan het Woord over de kwijtschelding van de schuld. Hij wordt opgewekt om af te zien van zijn innerlijke toestand: daarmee heeft hij ook de laatste voorwaarde laten vallen.

Geciteerd 4: In het in druk verschenen commentaar op de brief van de apostel Paulus aan de Galaten is die ontwikkeling tot een afsluiting gekomen die Luther in zijn Rückblick (1545) ter gelegenheid van de verschijning van zijn verzamelde werken gepubliceerd heeft. We schrijven het jaar 1519 en vinden de reformatorische ‘ontdekking’ van de gerechtigheid door het geloof als thema duidelijk uitgesproken. Het staat hem nu wel helder voor de geest. De ootmoedige zelfveroordeling is weliswaar niet geheel verdwenen, maar wordt als aanvechting en verleiding van het geweten uitgelegd. Terwijl ik geheel en al zondaar ben, kan ik mij toch op God verlaten, die zich ertoe verplicht heeft mij te zullen redden. De nieuwe gerechtigheid valt niet te bewijzen, in zoverre ze ‘niet berust op onze werken: Ze is veeleer afhankelijk van de belofte van God en Die liegt nooit’.
Geloof is niet meer in de eerste plaats geloofsgehoorzaamheid, maar vertrouwen stellen op de realiteit van de onwankelbare liefde van God. God is rechtvaardig, omdat Hij aan Zijn woord gehouden kan worden en trouw blijft aan Zijn belofte.

(Wordt vervolgd)

Bron citaten: Boek ‘Luther, mens tussen God en duivel’ (Hoofdstuk V $5 ‘De doorbraak van de Refomatie’) van Heiko A. Oberman (bij leven hoogleraar kerkgeschiedenis).

Lees ook:Eerst lege handen maken?

Bron afbeelding: Scripture Images

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Eerst lege handen maken?

Het is onder vorige generaties niet aan mensen onthuld, maar nu door de Geest geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten: de heidenen delen ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte, op grond van het Evangelie. Van dat Evangelie ben ik een dienaar geworden door de gave van Gods genade. Mij, de allerminste van alle heiligen, is de genade geschonken om de heidenen de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus te verkondigen…’
(Paulus in Efeziërs 3 de verzen 5-8)

Geciteerd 1: De erfenis die de Heere aan ons kwijt wil, is ontzagwekkend groot. (…) Wie delen in deze nalatenschap? Gods kinderen. We zijn geneigd om om ons ten opzichte van de Heere niet op te stellen als een kind, maar als een werknemer. We proberen door onze goede manier van leven een plekje in het hemelse testament te krijgen. Luther stond er ook zo in. Hij was werknemer, geen kind. Maar een erfenis kun je niet verdienen, je kunt het alleen maar ontvangen. Luther ontdekte dat hij door Christus’ offer een kind van God mocht zijn en zo een erfgenaam. Hebt u dat ook ontdekt?

Geciteerd 2: Gooi alles wat je zelf in handen hebt weg en ontvang deze erfenis met lege handen. Luther schrijft ergens: ‘Geloof is een lege hand.’ Alleen met lege handen kunnen we ontvangen.

Opgemerkt 1: ‘Luther stond er ook zo in’? Door de ‘heersende leer van de kerk’ (!) in zijn dagen voelde Luther zich opgezadeld met werk (een taak/eis) waarvan hij ontdekte dat hij er helemaal niet geschikt voor was en dus onmogelijk door hem tot een goed einde kon worden gebracht. Daarom zag Hij God nog meer/eerder als een tiran (een toornende Rechter, waarvoor hij dodelijk beangst was) dan als een soort werkgever, die hem na gedane arbeid wel zou (willen/moeten) belonen.

Opgemerkt 2: ‘Luther ontdekte…’, Hebt u dat ook ontdekt? Luther las in Gods Woord dat hij door Christus offer een kind van God is (door de Doop ook een erfgenaam van Abraham – zie Galaten 3 vers 27) en dat hij dát geloven mocht (behoorde te geloven, want het is helemaal waar, wij vermogen niets tegen de waarheid, alleen voor de waarheid!) en meer werd er van hem en wordt er van ons niet gevraagd. En daarom ging hij de mensen niet vragen: heb jij/hebben jullie het ook al ontdekt? Nee, hij ging met die herontdekking van de blijde Boodschap – net als de apostelen – de kerk en wereld in: Mensen jullie zijn erfgenamen! Geloof het maar, Gods Woord laat het ons weten en wie het niet gelooft (geloven wil), die gelooft ‘de leugenaar van den beginne’ en maakt Gód tot leugenaar.

Opgemerkt 3: ‘Geloof is een lege hand’. Dat is wel waar, maar we hoeven niet eerst zelf onze handen leeg te maken om te geloven! Juist door te geloven worden onze handen leeg gemaakt! Want geloof laat zich onderwijzen uit Gods Woord en dan komen we tot de ontdekking dat onze handen nog zoveel anders vasthouden en nog naar andere dingen grijpen… De apostelen worden niet moe om ons erin te onderwijzen dat we door het geloof zullen zien op die erfenis en dat we daarom al het andere hebben los te laten. De apostel Paulus wijst ons er ook op dat de apostelen klein en zwak en arm werden gehouden om daardoor werkelijk anderen rijk te maken, namelijk door hen dat ook daadwerkelijk voor te leven (en niet alleen voor te houden) wat het is om in dit leven te gaan voor de erfenis die door en in Christus Jezus voor ons is zeker gesteld. (zie o.a. 2 Korintiërs 1 en Filippenzen 3 de verzen 12-14)

Opgemerkt 4: Hoe kunnen wij ons een beeld vormen van die ontzagwekkend grote erfenis? Dat kunnen we niet in ons eentje! Paulus schrijft in Efeziërs 3:
Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader, die de vader is van elke gemeenschap in de hemelsferen en op aarde. Moge Hij vanuit zijn rijke luister u innerlijke kracht en sterkte schenken door zijn Geest, zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde. Dan zult u met alle heiligen in staat zijn de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte te begrijpen, ja de liefde van Christus te kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u geheel vervuld zult raken van de volheid van God. Aan Hem die door de kracht die in ons werkt bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij vragen of denken, aan Hem komt de eer toe, in de kerk en in Christus Jezus, van geslacht op geslacht, tot in alle eeuwigheid. Amen.

Lees ook: ‘De kerk van Christus en Luthers ‘kruistheologie’… (I)

Bron citaten: De Waarheidsvriend (28 oktober 2021) – ‘Een prachtige erfenis’ – Meditatie-Reformatie – van ds. M.W. Westerink

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

God spreekt Zelf in de bediening van Woord én Sacrament…

Ik zal jullie ook een vraag stellen: Doopte Johannes in opdracht van de hemel
of van mensen?
‘ (Lucas 20 vers 4).

Geciteerd 1: In 1519 reist Luther van Wittenberg naar Leipzig. Daar zal hij het debat aangaan met doctor Johannes Eck. Kort voordat de confrontatie tussen beide geweldenaars plaatsvindt, preekt Luther. De kerk zit afgeladen vol, want iedereen wil deze (inmiddels – AJ) beroemde monnik horen. Maar tijdens de preek verlaat een luisteraar schreeuwend en mopperend de kerk. Het is niemand minder dan Eck in eigen persoon.
Waarom was Eck zo verontwaardigd? Luther preekte over Mattheüs 16:19: „En Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven; en wat u bindt op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en wat u ontbindt op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.
Dit vers vormt exact de kern van het komende debat: waar vindt de vergeving van zonden plaats, in de sacramenten of in de prediking? Wat is het doel van de zogeheten sleutelmacht? Kan ik weten van Gods vergeving, en mag ik zeker zijn?

Geciteerd 2: Er komt dus een geweldige nadruk te liggen op het belang van geloof. Wie deze woorden van de Zaligmaker niet gelooft, maakt Hem tot een leugenaar. In zijn ”Sermoen over het sacrament van de biecht” (1519) schrijft Luther: „Er is geen grotere zonde dan dat men het artikel van de vergeving der zonden niet gelooft. Deze zonde wordt de zonde tegen de Heilige Geest genoemd. Zie dus wat voor een genadige God en Vader wij hebben! Want door ons te wijzen op het gevaar van die allergrootste zonde, beveelt Hij ons te geloven dat onze zonden vergeven zijn.”

Geciteerd 3: Logisch, dat Eck boos was. Het was zo’n andere visie dan zijn eigen visie. Volgens Eck krijg je vergeving in de sacramenten van doop, biecht en mis – als je tenminste voldoende berouw hebt en op voorwaarde dat de priester zich niet vergist. In Ecks benadering heb je nooit zekerheid van de vergeving der zonden. De priester kan zich vergissen, de biechter ook. Hoe weet je of God in de hemel vergeving schenkt?

Opgemerkt 1: We weten dat het Luthers worsteling geweest is om de vergeving van zijn/onze zonden uit de Schrift te begrijpen en te geloven. Hij kon geen vrede vinden met wat de Rooms Katholieke kerk/leer hem daarover aanreikte. Hieronder woorden van Luther uit 1525 zoals uitgesproken bij het behandelen van Exodus 16 : 14-21, hier alleen het slotwoord over de geestelijke betekenis van het manna.

Geciteerd 4: U kunt op meer plaatsen in de heilige Schrift horen dat al Gods gaven en wonderen, wanneer zij niet bij of in het Woord van God begrepen zijn, niets helpen. Als Gods Woord niet bij het water van de Doop zou zijn, dan was het niets. (1) Idem: als Gods Woord niet bij het manna [of brood] zou zijn, dan zou het deze kracht niet hebben. Dat bedoelt Christus als Hij zegt: ‘Zij hebben het allen gegeten en zijn evenwel gestorven‘ (vgl. Johannes 6 : 49), want zij hebben het daarmee verbonden Woord niet gegeten, daarom werden zij ook niet behouden.

Dit alles heeft ook een geestelijke betekenis. Op deze manier heeft God door het manna het ware Manna willen aanwijzen, dat Hij, Christus Zelf is, zoals Hij in de tekst van Johannes het ook uitlegt (Johannes 6 : 50). Hij zegt: “Dit is het Brood” en wijst op het ‘echte Manna’, dat is op Zichzelf. Hij zegt: “Nu weet u wat het echte Manna is dat uw vaders gegeten hebben.

U echter weet hoe en in welke vorm [gestalte] Christus het Brood is, maar men moet het niet eten op de manier zoals de Joden het begrepen. Zij zeiden: “Hoe kan deze ons vlees aan ons geven?” (Johannes 6 : 25). Want zij dachten dat zij Zijn vlees met hun tanden moesten verscheuren en [Zijn bloed] met hun mond drinken. Maar zoals het een geestelijke spijs is, zo moet men die ook geestelijk eten.

Eten betekent hier geloven. Door het geloof moet men de spijs ontvangen, namelijk dat Christus’ vlees voor ons gedood [verbroken] en Zijn bloed voor ons vergoten is. Christus wil zeggen: wie gelooft dat ik door de Vader gezonden ben, opdat Ik Mijn vlees en bloed voor u – en voor allen die zalig zullen worden – geef, die heeft het ware Manna en zal niet sterven. Want dit is ons geloof, dat wie gelooft in Christus, voor onze zonden gestorven, die zal zalig worden.
Men moet geloven in Christus, gestorven en opgestaan uit de dood. ‘Wie het vlees en het bloed van Christus eet en drinkt, die heeft het eeuwige leven‘ (Johannes 6 : 54)

Maarten Luther: Predigten über das 2. Buch Mose, 1524-1527, vgl. WA 16, 304, 19-305,24

Geciteerd 5: Bij dit Sacrament willen wij als eerste leren waar het vooral om gaat (net als bij de Doop), namelijk dat het voornaamste punt is: Gods Woord, ordening of bevel. Want het is door geen mens bedacht of verzonnen, maar zonder iemands raad of overleg door Christus ingesteld. Daarom, evenals de Tien Geboden, het Onze Vader en het Geloof zichzelf gelijk blijven in hun wezen en hun waarde, ook al zou u die nooit meer houden, bidden of geloven, zo blijft ook dit hoogwaardig sacrament onwrikbaar bestaan, zodat er niets vanaf gedaan of genomen wordt, ook al gebruiken en behandelen wij het onwaardig.
Dacht u dat God naar ons doen of geloof vraagt om daarnaar Zijn ordening te veranderen? Ook in alle aardse dingen blijft alles zoals God het geschapen en verordend heeft, onverschillig hoe wij het gebruiken en behandelen. Dit moet men altijd weer beklemtonen. Want daarmee kan men doorgaans het gezwets van alle sektariërs weerleggen, want zij zien de sacramenten zonder Gods Woord als iets wat wij (mensen) doen.

Maarten Luther: Der Grosse Katechismus, 1529, vgl. WA 30.1, 222,21-223,21

(1) Opgemerkt AJ: Bij de Doop gelooft de gemeente het bij de Doop verkondigde Woord ook ten bate van de dopeling en later mag de dopeling het bij zijn of haar Doop verkondigde Woord gelovig aanvaarden als (toen) heel specifiek tot hem of haar (uit)gesproken.

Geciteerd 6: In de Naam van God gedoopt worden betekent niet door mensen, maar door God Zelf gedoopt worden. Daarom: al gebeurt het door een mensenhand, het is in waarheid toch Gods eigen werk, waaruit iedereen zelf kan afleiden dat het groter is dan welk werk ook dat door een mens of een heilige wordt gedaan. Want welk werk kan men doen dat groter is dan Gods werk? (…) Waarom? Omdat de Persoon [God Zelf], verhevener en voortreffelijker is. (…) Leer dus hieruit de juiste betekenis te verstaan als men u vraagt wat de Doop is, antwoord dan dat de Doop niet alleen gewoon water is, maar water dat in Gods Woord en gebod besloten is en daardoor geheiligd. Het is dus niets anders dan Goddelijk water, niet omdat het water in zichzelf beter zou zijn dan ander water, maar omdat Gods Woord en gebod erbij komt.
(…) Ja vriend, wie weet niet, dat als het Woord van het water gescheiden wordt, water gewoon water is. Hoe durf je echter in Gods ordening in te grijpen en het beste kleinood er vanaf te scheuren waarmee God het verbonden heeft en waarin God het besloten heeft en God niet wil dát het daarvan gescheiden wordt. Want dit is de eigenlijke inhoud van het doopwater: Gods Woord of gebod en de Naam van God. Deze schat is groter dan hemel en aarde.
(…) Het is zoals ook Augustinus heeft geleerd: “Als het Woord bij het element of natuurlijk wezen komt, wordt het een sacrament.” Dat wil zeggen: een heilig, Goddelijk ding en teken.

Maarten Luther: Der Grosse Katechismus, 1529, vgl. WA 30.1,213, 12-214,21

Bron citaten 1-3: RD Opinie – ‘Luther: Vergeving is verdiend in heilsfeiten, maar gebeurt tijdens prediking’ – door dr. G.A. van den Brink
Bron citaten 4-6: Boek – ‘Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus – Samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden sr.

Alle mensen die dit hoorden, ook de tollenaars, brachten hulde aan God en Zijn gerechtigheid: zij hadden zich immers door Johannes laten dopen. Maar de Farizeeërs en de wetgeleerden verwierpen het plan van God: zij hadden zich immers niet door hem laten dopen.’ (Uit Lukas 7 de verzen 29-30)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De (werkelijke) nood van Gods kudde… (II)

Hoewel ik hoop spoedig naar je toe te komen, schrijf ik je dit alles voor het geval ik mocht worden opgehouden. Dan weet je hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat wil zeggen de Gemeente (Kerk) van de levende God, fundament en pijler van de waarheid. (…) Wanneer je dit alles aan de broeders en zusters voorhoudt, zul je een goed dienaar van Christus Jezus zijn, gevoed door de woorden van het geloof en de juiste leer, waarvan je een trouw aanhanger bent.’ (Uit 1 Timoteüs 3 de verzen 14-15 en 4 vers 6)

Geciteerd 1: Gods Woord wordt door het onderhouden van goede scholen en door de opvoeding van de jeugd voor ons en onze nakomelingen behouden. Want dat zijn de plantjes waardoor Gods kerk als een mooie tuin aangelegd wordt en gaat groeien. Ieder die een christen wil zijn, is verplicht om naar vermogen hieraan bij te dragen en dit te steunen. (WA 51, 40-41)

Geciteerd 2: Onze lieve Heere Jezus zegt in Mattheüs 19:14: ‘Laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk der hemelen.’ (…) Hier horen we duidelijk dat de kinderen, die we naar Christus brengen of laten komen, kinderen en erfgenamen van het Koninkrijk der hemelen zijn, dat wil zeggen rechters en heren over de wereld en haar God, de duivel en al hun macht. Wat zal een arm mens zich zalig voelen als hij waardig voor God wordt bevonden om eraan mee te werken dat een kind bij Christus komt. Dit moet hij weten: daarmee doet hij een voortreffelijk, loffelijk en christelijk goed werk. Want dit is zeker: als je zorgt dat kinderen naar school gaan, en er ook geld voor geeft om dit te laten gebeuren, dan heb je zeker kinderen bij Christus gebracht en daaraan meegewerkt. Ik spreek hier nu niet van de jongensscholen en de onfatsoenlijke huizen, maar van scholen waar men kinderen onderwijst in de wetenschappen, in een deugdzaam leven en in de ware dienst aan God, waar ze leren om God en Zijn Woord te belijden en zo mensen te worden die de kerk, het land en de mensen, de huizen en huisgenoten goed regeren. (WA 30.II, 520)

Opgemerkt 1: We weten dat de apostelen een heel eenvoudig Evangelie verkondigden aan hun (nieuwe) hoorders en wanneer die geloof hechtten aan het door hen verkondigde Woord en zich lieten dopen, dan werden ze direct al ten volle als leden van een gemeente aanvaard en opgenomen en – met liefde en wijsheid en geduld – ook aangesproken op hun (nieuwe) verantwoordelijkheid. Allereerst hun verantwoordelijkheid om de samenkomsten van de gemeenten bij te wonen om daar in liefde samen ‘het brood te breken’ en om verder onderwezen te worden in de leer van de apostelen. En dan hebben die (nieuwe) gelovigen ook de verantwoordelijkheid om hun kinderen (en zelfs ook anderen in hun huis voor wie ze verantwoordelijk waren!) bij Jezus te brengen en dat doen ze in de eerste plaats door ook hen te laten dopen: ‘Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die onze God ertoe roepen zal.‘ (Handelingen 2 vers 39, 10 vers 44, 16 vers 31)

Opgemerkt 2: Het doel van Timoteüs opdracht in de gemeenten is: Het voorleven van de liefde die voortkomt uit een rein hart, een zuiver geweten en een oprecht geloof (zie 1 Timoteüs 1 vers 5). Bij deze door Paulus geformuleerde opdracht waarschuwt hij Timoteüs direct al voor degenen die wilden beginnen met het Wetsonderwijs, namelijk dat waar ook Paulus als Farizeeër in het verleden druk mee was geweest. Maar die mensen hebben nog niets van het Evangelie begrepen. Timoteüs wordt ook in de tweede brief uitdrukkelijk opgeroepen om wat hij van Paulus gezien en geleerd heeft voor te leven en door te (blijven) geven en daarbij tegelijkertijd ook uit te zien naar betrouwbare mensen die – net als hij – zich inspannen om voorbeeldig te leven en daarbij ook geschikt blijken om anderen te onderwijzen.

Opgemerkt 3: Ook wanneer Paulus bediening ten einde loopt geeft hij Timoteüs en Titus geen opdracht om (theologische) scholen te stichten. Blijkbaar zijn (goede) scholen geen voorwaarde voor het behoud van Gods Woord en het voortbestaan van christelijke gemeenten. Zorgen voor de voortgang van de verkondiging van Gods Woord door betrouwbare mensen is wel nodig en daar kan men in de gemeente ook altijd weer om bidden. De nog jonge Timoteüs werd al voldoende bekwaam geacht, geschoold als hij was in de bediening van Paulus, om deze taak in de door Paulus gestichte gemeente(n) op zich te nemen…

Opgemerkt 4: De voortgang en het behoud van Gods Woord wordt door de apostelen (lees: de heilige Geest) toevertrouwd aan leden van de gemeenten en ze vertrouwen dat de heilige Geest er zorg voor draagt dat Gods Woord niet verloren gaat. Hij doet dat door steeds opnieuw gemeenten betrouwbare mensen te schenken en die bekwaam te maken tot de verkondiging van Gods Woord en om daarmee ook leiding te geven in de gemeente (o.a. door huisbezoeken).
In gezinnen is het de verantwoordelijkheid en taak van de ouders dat ze de samenkomsten van de gemeente waartoe ze behoren niet verzuimen en dat ze hun kinderen in liefde opvoeden vanuit het onderwijs van Gods Woord. Over het stichten van goede scholen ten bate van het (godsdienstig) onderwijs en het behoud van Gods Woord in deze wereld wordt in het Nieuwe Testament niet gerept.

Opgemerkt 5: Alhoewel we dus geen Bijbelse opdracht vinden voor het stichten en onderhouden van (goede, christelijke) scholen ontslaat dat ouders en leidinggevenden en overheden natuurlijk nog niet van de opdracht en plicht om kinderen en jongeren (en zo gewenst/nodig ook ouderen) op scholen deugdelijk te laten onderwijzen op allerlei gebied. En dan geldt (voor christenen) ook daar de opdracht om de leerlingen/studenten te (laten) voorgaan en onderwijzen door mensen die dat scholingswerk willen doen met de opdracht van Paulus aan Timoteüs in gedachten. En daarom zullen onderwijsgevenden ook op de christelijke scholen de Bijbel niet dicht laten om deze ook daar laten spreken door hun daden en woorden. En dat geldt voor/op (christelijke) theologische hogescholen en universiteiten natuurlijk niet minder.

Als een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, moeten die godvruchtig voor haar huishouding zorgen. Zo betalen ze hun voorouders terug, en dat is God welgevallig. Een weduwe die helemaal alleen staat, houdt haar hoop op God gevestigd en blijft smeken en bidden, dag en nacht. Maar een weduwe die losbandig leeft, is levend dood. Houd hun dit voor, zodat ze een onberispelijk leven kunnen leiden. Wie niet voor eigen familie zorgt, zelfs niet voor huisgenoten, heeft het geloof verloochend en is slechter dan een ongelovige.‘ (Uit 1 Timoteüs 5 de veren 4-8)

Bron citaat 1: checkluther-com – Citaten oktober 2021 – Luther Heritage Foundation

Bron afbeelding: Biblia-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De blijde droefheid…

Te dien dage zal de rouwklacht groot zijn te Jeruzalem,
zoals de rouwklacht van Haddad Rimmon in de vlakte van Megiddo.

(Uit Zacharia 12 het 11e vers)

Rouwklacht en feestuur!

Geciteerd 1: Te dien dage, dat is op de dag van het grote feest, het feest van de Geest, als over het huis van David en de inwoners van Jeruzalem zal worden uitgestort de Geest der genade en der gebeden (vers 10)… dan zal… de rouwklacht groot zijn in Jeruzalem.

Geciteerd 2: De eerste lezers en hoorders van Zacharia zullen hier niet veel van begrepen hebben. En evenzeer zullen ze in het duister getast hebben, bij het vernemen van de reden, waarom ze zo bitter bedroefd zouden zijn: “Degene die ze doorboord hebben, over hem zullen ze rouw bedrijven” (vers 10). Het zou dus nog veel erger zijn dan indertijd de rouwklacht over koning Josia (zie 2 Kronieken 35 de verzen 24-25). Daar was het droefheid over een gevallen koning, hier over een vermoorde koning. De droefheid van Megiddo wordt oneindig zwaarder en dieper, omdat nú bij de inwoners van Jeruzalem het vreselijke zelfverwijt knaagt: wij hebben onze eigen Koning dorstoken. De vorst des levens hebben wij gedood. Het Nieuwe Testament verspreidt over dit raadsel het volle licht…

Geciteerd 3: In het koninkrijk van God wordt altijd gezongen én altijd geklaagd. De klaagmuur wordt er evenmin afgebroken als de triomfboog. Er klinkt iets hoog-feestelijks in dat: te dien dage zal de rouwklacht groot zijn te Jeruzalem. Hoe dieper de rouwklacht uit het hart komt, des te hoger zal de jubel stijgen. Het ‘miserere’ vergezeld immers het ‘jubilate amen’.

Zo Gij, Here, de ongerechtigheden gadeslaat, Here, wie zal dan bestaan?Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.

Zelfs zal, naarmate de Geest voortschrijdt, de rouwklacht over de zonde worden verinnigd en verdiept. De Catechismus herinnert er de christen, die in het stuk van de dankbaarheid, dus in de binnenste feestzaal zich bevindt, aan, dat hij zijn zondige aard hoe langer hoe meer leert kennen. Hij zag eerst verschillende zonden, maar daalt af tot zijn zondige aard. Hij ontdekt de slechte akker, waarop al die zonden welig groeien, de vuile bron waaruit al die slechtheden opborrelen. Zo iemand zegt niet meer: Ik heb zonde, of ik doe zonde, maar ik ben zonde.

Hoe verder zo iemand vordert op de moeizame weg van de heiligmaking, des te slechter wordt hij. Natuurlijk niet in werkelijkheid. We wáren altijd al slecht. Veel meer nog dan we ooit bij benadering zouden weten. Wie zal z’n verborgen afdwaling doorzien? En wie is de man, die op ’t nauwkeurigst kan zijn dwalingen doorgronden? Maar we leren dit al beter zien. Als ik vuil ben, dan ben ik vuil, ook al heb ik dat zelf in de spiegel nog niet ontdekt.

Gelukkig dat de Here ons de spiegel (van het Woord) voorhoudt. Welgelukzalig is de mens over wie de Geest der genade zó ontzaglijk genadig is, dat Hij ons de ogen wijd open zet voor onze zondige aard. Zo lang dit niet zo is, beelden we ons maar wat in, en zwetsen we maar wat, en denken we dat we dit zo goed doen en dát ook. We zitten het liefst op een troon, als het kon op twaalf tronen tegelijk. Maar de ‘allerheiligsten’ waar de Catechismus ergens van rept, moeten van die troon niets meer hebben. Daar zijn ze al lang afgetuimeld. Zij bidden liever:

Here, laat de laagste plaats
Onder hen mij zijn gegeven
Nooit heeft iemand zoveel kwaad
Tegen zoveel licht bedreven.

Deze ‘rouwklacht’ is een grote vooruitgang op de weg der genade. Opwassen (groeien) in de genade betekent zoveel dieper thuisraken – door Woord en Geest – in de kennis van onze ellende. Dat is een grote zegen. God zegent ons op een andere manier dan wij geneigd zijn te denken. Bijvoorbeeld door ons mooie zondagse pak aan flarden te scheuren, en ons daarenboven geestelijk – en soms ook ‘stoffelijk’ (lichamelijk) – te tuchtigen. We ontvangen een ontzaglijke zegen in de kerk(en) wanneer we onszelf niet meer overeind kunnen houden. Dat is het uur van de rouwklacht te Jeruzalem. Het feestuur tegelijk. We leren dan zien wat zonde en wat genade is. We komen tot de erkentenis hoe schandelijk we de Heiland behandeld hebben en bespottelijk gemaakt, en hoe goedertieren (vriendelijk en zonder verwijt) de Heiland met óns handelt.

We begrijpen nu dat het geen vergissing is, als de profeet het grote feest in de kerk aankondigt als een klaaghuis, dat tot een huis van maaltijden zal worden. En we komen tot de erkentenis, hoezeer we ons hebben vergist, toen we aan het begin meenden, dat dit profetische woord over de heilstijd te Jeruzalem ons overvalt als een donderslag bij heldere hemel.

Bron citaten: Boek – ‘De twee getuigen (Haggaï en Zacharia)’ – door ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding: Bible Verse Images

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Leren om met Zijn liefde lief te hebben’…

Zij zullen opzien naar Hem die zij doorstoken hebben
(Johannes 19 vers 37)

Geciteerd 1: Zoals eerder vermeld stellen christelijke commentatoren op Zacharia 12 : 10 schijnbaar unaniem dat de Joden aan het einde der dagen hun immense dwaling zullen erkennen, degene die doorboord is (Jezus) omarmen en dan over Hem rouwen. Deze uitleg roept echter een prangende vraag op: waarom zou iemand rouwen om iemand die niet meer dood is. De rouw in Zacharia 12 : 10-14 is voor een overleden persoon, niet voor iemand die 2000 jaar geleden is opgestaan.

Geciteerd 2: Dierbare broeders en zusters! Laten wij opzien naar Christus, die aan het kruis doorboord is! Hij is de meest overweldigende openbaring van Gods liefde, een liefde waarin eros en agape, boven iedere tegenstelling verheven, elkaar verlichten. Aan het kruis bedelt God zelf om de liefde van Zijn schepsel: Hij dorst naar de liefde van ieder van ons. De apostel Thomas heeft in Jezus de “Heer en God” herkend, toen hij zijn hand in de zijdewond had gelegd. Het is niet verrassend dat veel heiligen in het hart van Jezus de meest onroerende uitdrukking van het mysterie van deze liefde zien. Men zou zonder meer kunnen zeggen dat de openbaring van Gods eros ten opzichte van de mens in feite de hoogste uitdrukking van Zijn agape is. Waarlijk, slechts de liefde, waarin de vrije zelfgave en het hartstochtelijke verlangen naar wederkerigheid verenigd zijn, schenkt een roes die het zwaarste offer licht maakt. Jezus heeft gezegd: “Wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal Ik allen tot Mij trekken” (Joh. 12, 32). Het antwoord dat de Heer vol verlangen van ons verwacht is vooral dat wij Zijn liefde aanvaarden en ons naar Hem toe laten trekken. Daarbij is het niet voldoende dat wij Zijn liefde alleen maar aanvaarden. Zulke liefde en zo’n inzet moeten worden doorgegeven aan anderen: Christus “trekt mij tot zich”, om zich met mij te verenigen, opdat ik leer de broeders en zusters met Zijn liefde lief te hebben.

Geciteerd 3: Kijken wij met vertrouwen op naar de doorboorde zijde van Jezus, waaruit “bloed en water” vloeide (Joh. 19, 34). De kerkvaders hebben deze elementen beschouwd als symbolen van het Doopsel en de Eucharistie. Door het water van het Doopsel wordt voor ons, in de kracht van de heilige Geest, de intimiteit van de liefde van de Drie-eenheid ontsloten…

Lees de meditatie (waaruit geciteerd) in z’n geheel: Zij zullen zien op Hem die zij doorstoken hebben

Zie ook: Gepromoveerd tot hemelwezens en Rouw als wanklank op het feest

Bron citaat 1: ‘Niemand “rouwt” voor iemand die uit de dood is opgestaan – door Rabbi Tovia Singer’ – FB-post van Angelique Aila Bat Noach (FB-post ook bron afbeelding)

Bron afbeelding: FB-post

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Rouw als wanklank op het feest?

Te dien dage zal de rouwklacht groot zijn te Jeruzalem, zoals de rouwklacht
van Haddad-Rimmon in de vlakte van Megiddo.
(Uit Zacharia 12 het 11e vers)

Geciteerd 1: Dit komt wel als donderslag bij heldere hemel! Profeten doen het toch dikwijls wonderlijk en meestal zeggen ze precies het omgekeerde van wat iedereen zou kunnen verwachten. Wat Zacharia nú zegt tenminste, moét een vergissing zijn, zouden we zo denken. Let maar eens op…

Geciteerd 2: Maar nú komt de Pinksterdag – Zacharia ziet die dag in het verlengde liggen van de zwarte dag van de kruisiging. Die Pinksterdag was eigenlijk dé grote dag, die de heilstijd zou inluiden, en zie, op deze feestdag, op deze dag, de roem der dagen, die Israëls God geheiligd heeft, scheuren de rouwklachten de hemel, want: als zij dit hoorden, werden zij verslagen in hun hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: “Wat zullen wij doen, mannenbroeders?
Was dit geen wanklank op het feest? Nee, het was juist de voorbereiding tót het feest.
De Geest die was uitgestort opende de ogen voor de Christusverwerping, en neigde de harten tot Hem, die door hen en hun leiders was versmaad en verworpen (zie ook Handelingen 3 de verzen 13-19). De verslagen harten werden de vruchtbare akker voor het Evangelie: U komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als de Here onze God er toe roepen zal.

Geciteerd 3: Was het feestuur geboren in Jeruzalem zonder verslagenheid van hart over de versmading van Christus, het zou een oppervlakkige feestroes zijn geweest. De hartelijke vreugde in God door Christus kan alleen bestaan naast het hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden bedroefd en vertoornd hebben. In het huis van de Vader kan men niet beginnen vrolijk te zijn, als de verloren zoon niet is teruggekeerd met de snik van berouw: ik heb gezondigd tegen de hemel en voor U. Het stuk van de verlossing en dat van de dankbaarheid zijn volkomen ondenkbaar zonder het stuk van de ellende. Die rouwklacht, waarover de profeet spreekt, is zelfs niet een donker voorportaal waar men eerst doorheen moet, om in de feestzaal te komen. Evenmin als de Catechismus beweert, dat hartelijk leedwezen over de zonde voorwaarde tót bekering is, maar een integrerend bestanddeel ervan. Paulus, die jubelt over zijn verlossing, klaagt tegelijk: ik ellendig mens. Bedroefd maar altijd blij. Blij en altijd bedroefd.

Geciteerd 4: Bij het licht van het Nieuwe Testament zien we, dat de gelovige ook in andere opzichten Christus-gelijkvormig worden en zijn, althans behoren te worden en zijn. Overal klinkt dit ons tegen: dit gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus was. In zachtmoedigheid. In vergevingsgezindheid. In lijdzaamheid. In gehoorzaamheid. Hier krijgen we een antwoord, hoe de levenshouding van de christen moet zijn in deze wereld. Vooral in moeilijke tijden! Als hemelwezens! (…) Zijn wandel is in de hemel, maar ook op de aarde. (…) Vergelijkbaar met Mozes,, die van de berg afdaalde naar de vlakte, maar dan zó dat zijn aangezicht straalde, en hij om zo te zeggen een brok hemel met zich meenam naar de aarde.

Zie ook:Gepromoveerd tot “hemelwezens”‘ en ‘Leren om met Zijn liefde lief te hebben

Bron citaten: Boek – ‘De twee getuigen (Haggaï en Zacharia)’ – door ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding: Bible For You

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Gepromoveerd tot ‘hemelwezens’…

Die van Davids huis zullen zijn als hemelwezens.
(Zacharia 12 vers 8m )

Geciteerd 1: Zacharia ziet voor Gods volk een moeilijke tijd. Hij zegt dat zonder omwegen: “al de volken zullen zich tegen haar (Jeruzalem) verzamelen (Zacharia 12 vers 3b). Dit is in ronde woorden gezegd, wat even tevoren in beeldspraak heette: “Zie, Ik maak Jeruzalem tot een schaal van bedwelming voor al de volken in het rond.” (vers 2).

Geciteerd 2: Men mag deze woorden niet beperken tot het Oude Testament en de grijze historie. Wat voor Jeruzalem gold, geldt evenzeer voor de kerk van heden, en zal al meer werkelijkheid worden naarmate wij opschuiven naar het eind der eeuwen. De profetie van Zacharia lijkt een zwak voorspel van de eschatologische rede van Jezus. Als wij de oude profeet horen zeggen: “al de volken van de aarde zullen zich tegen haar verzamelen“, dan heeft dat een merkwaardige overeenkomst met met het woord van onze Heiland: gij zult gehaat worden door alle volken.

Geciteerd 3: Het karakter van de oorlogen zal zich dus hoe langer hoe meer wijzigen. Niet meer oorlog van volk tegen volk, maar een van alle volken tegen de Kerk. Het oorlogsdoel zal straks niet meer zijn het bevredigen van territoriale wensen en de beëindiging van een bepaald regime, maar zeer bepaald de vernietiging van de Kerk. En in die oorlog blijft niemand neutraal. Jullie zullen gehaat worden door alle volken. Dat is zo onbegrensd mogelijk. (…) We worden door Jezus opgeroepen om op de tekenen der tijden te letten.

Geciteerd 4: Wel moeten we daarbij oppassen om te zeggen: het is hier of het is daar. (…) Of de huidige volkerenbeweging de uiteindelijke vervulling is van Zacharia’s profetie, weten we niet met zekerheid. Dat ze er een voorafschaduwing van is, dat is zeker.

Geciteerd 5:En Jeruzalem zal blijvend bewaard worden op haar plaats te Jeruzalem“. Deze uitkomst is stellig niet te danken aan de kracht van de verdedigers. Dát zijn maar zwakke mensen. Die verdedigers hebben integendeel erkend: onze kracht ligt niet in paarden of wagens, maar in de Heer van de hemelse legermachten.

Geciteerd 6: God zou hén beschermen, dát wisten ze, want de profeet had beloofd: “te dien dage zal de Here de inwoners van Jeruzalem als een schild beschutten.” (vers 8a). Maar deze wetenschap leidde niet tot werkeloosheid of lijdelijkheid, maar integendeel tot verhoogde krachtsinspanning. God schakelt zijn kinderen niet uit maar in. Hij legt de handen op hun boog. Hij promoveert ze tot medearbeiders en medestrijders. Elke strijder zou moedig worden als een jonge leeuw. Zacharia zegt het nog sterker: Die van het huis van David zullen zijn als hemelwezens. (…) Er komt door het geloof iets bovenaards in zwakke mensen. Zij worden onoverwinnelijk.

Geciteerd 7: Als Zacharia het daarbij niet laat, maar er aan toevoegt: “die van het huis van David zullen zijn als de Engel des Heren voor hen uit“, dan heeft hij in de verte Christus Zelf gezien. De Kerk is onoverwinnelijk omdat Christus haar Koning is, Die de macht van de satan en wereld heeft verbroken. En wat Zacharia hier van het huis van David, d.i. van de Kerk, profeteert, kan zonder veel omhaal van woorden aldus worden verklaard: dat de gelovigen uit Christus al hun kracht zullen putten, en met Zijn mogendheid zullen worden aangedaan en het is daaraan allen te danken, dat de Kerk toekomst zal hebben.

Zie ook: Rouw als wanklank op het feest en Leren om met Zijn liefde lief te hebben.

Bron citaten: Boek – De twee getuigen – Haggaï en Zacharia’ – door ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding: Scripture Images

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie