Hoe we kunnen bidden bij het vijfde gebod…

Eenvoudig leren bidden (17) – (1535)

Aan Peter, de Meester Kapper.

Geciteerd: Het vijfde gebod: “Gij zult niet doden.” Hier leer ik, allereerst dat God van me verlangt om mijn naaste lief te hebben, zodat ik hem geen lichamelijk of geestelijk letsel toebreng door woord of daad, en ook niet vanwege woede, afgunst of haat of welke reden dan ook wraak zal nemen op hem, maar beseffen dat ik verplicht ben om hem in alle lichamelijke en geestelijke behoeften te helpen en van bijstand te voorzien. In dit gebod beveelt God me om het bestaan van mijn naaste te beschermen zoals hij op zijn beurt het mijne dient te beschermen.

Ten tweede, zeg ik dank voor deze onuitsprekelijke liefde, voorzienigheid en trouw jegens mij, die blijkt uit het plaatsen van dit machtige schild en sterke muur om mijn fysieke en geestelijke gezondheid te beschermen. Ieder wordt verplicht voor mij te zorgen en mij te beschermen, en ik moet op mijn beurt me ook zo gedragen tegenover anderen. Hij handhaaft dit gebod en, waar en wanneer het niet wordt uitgevoerd, heeft hij het zwaard gevestigd om allen die er niet naar leven te straffen. Was dit uitnemende gebod en verordening ons niet gegeven, dan zou de duivel zo’n bloedbad onder ons mensen aanrichten, dat niemand ook maar een uurtje in veiligheid zou kunnen leven – zoals we dat soms zien gebeuren wanneer Gods toorn is opgewekt en Hij straf brengt over een ongehoorzame en ondankbare wereld.

Ten derde belijd ik met groot verdriet mijn eigen goddeloosheid en die van de wereld, niet alleen dat we zo vreselijk ondankbaar zijn voor zulke grote vaderlijke liefde en goedertierenheid naar ons toe, maar wat nog schandelijker is, dat we dit gebod en onderwijs niet op prijs stellen, het niet willen leren, en het verwaarlozen alsof het ons niet aangaat en wijzelf er niets mee te maken hebben. We zijn zelfvoldaan en voelen geen schaamte dat we in afwijking van dit gebod onze naaste verwaarlozen, verlaten, vervolgen, verwonden en in gedachten zelfs doden (dood wensen). We geven ons over aan woede en toorn en doen schijnheilig alsof we slechts goede en edele dingen voor hebben met onze naaste en het goede voor hem zoeken. Echt, het is de hoogste tijd dat we gaan treuren en klagen over hoezeer we als schurken en blinden hebben gehandeld, als onredelijke, onhandelbare, en ongevoelige mensen, die schoppen en slaan en elkaar verscheuren en verslinden als ongetemde dieren, die geen enkel besef hebben van dit zeer ernstig te nemen goddelijke gebod.

Ten vierde bid ik onze lieve Vader om ons te brengen tot het verstaan van dit heilige gebod en om ons te helpen het te onderhouden en ernaar te leven. Moge Hij ons bewaren voor de moordenaar die de meester is in elke vorm van moord en geweld. Moge Hij ons Zijn genade schenken, dat wij en alle anderen vriendelijk, mild en liefdadig met elkaar zullen omgaan, elkaar van harte vergeven, elkaars fouten en tekortkomingen op een christelijke en broederlijke manier dragen, en dus met elkaar samenwonen in ware vrede en eenstemmigheid, zoals het gebod leert en vereist dat we zullen doen.

NB. Dit is een vertaling van een Engelstalig citaat.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 38, S. (351) 358-375 (Gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, Vol. 43, blz. 193 FF)

Bron citaat: info@martinluther-quotes.nl / http://www.maartenluther.com

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on Discipleship)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het fundament van ons geloof…

Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger én voltooier van ons geloof…’ (Uit Hebreeën 12 vers 2)

Jezus zei: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien‘. En daarom konden de apostelen de door hun hoorders te aanvaarden (geloven) Boodschap ook wel samenvatten in die eenvoudige woorden: ‘Jezus Christus, en Die gekruisigd‘. En we hebben en kennen ook de woorden uit Johannes 1 vers 18 ‘Niemand heeft ooit God gezien…’ en ook de korte en bondige samenvatting die we vinden in Johannes 3 vers 16: ‘Want alzo lief had God de wereld…’.

Wanneer we die Boodschap in geloof aanvaarden dan weten we ons het heil toegezegd en geen knappe professor in de theologie en/of kenner van de klassieken heeft er nog wat aan toe te voegen of vanaf te doen. En allen die met dat geloof op weg gaan, die zullen ondervinden: ‘God is ons een toevlucht en sterkte, ten zeerste bevonden een hulp in benauwdheden.‘ (Zie Psalm 46)

Onlangs hoorde ik tijdens een online boekbespreking (‘De hemel op aarde’) dat men ook nog onderscheid weet te maken tussen mensen die Gods Woord ‘alleen maar’ geloven – en volgens een bepaalde theologie in dat geval ook best zichzelf als geredde kinderen van God mogen zien – en mensen die door ondervinding bevestigd hebben gekregen dat ze kind van God zijn. En zo weet men toch weer een bepaalde hiërarchie onder de gelovigen te creëren…

Wie zichzelf op grond van zijn of haar bevindingen pas echt een kind van God weet, die ontkent dat God niet meer dan geloof van ons vraagt, namelijk dat we Zijn Woord voor waar en waarachtig houden. En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond… (Johannes 1 vers 14). Het getuigenis van de apostelen en het werk van de heilige Geest daarmee, dat is het Fundament waarop wij en de gemeente opgebouwd worden in het geloof!

En om het nu – wat die ‘bevinding’ betreft – maar eens in woordgebruik van de Catechismus uit te drukken: Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet ook Gods werk aan hem of haar zou ondervinden.
We hebben onze ogen daarvoor te laten openen door Gods Woord en het werk van de heilige Geest. Hoezeer wij daarbij afhankelijk zijn van het doorgaande onderwijs van Gods Woord leert ons ook heel uitdrukkelijk de brief aan de Hebreeën (dus aan de ‘van huis uit kinderen van God’) en dat m.n. ook in het twaalfde hoofdstuk van deze preek/brief.

Leestip: Hebreeën 12.

Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie u ook samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door Zijn Geest.’ (Uit Efeziërs 2 de verzen 19-22)

Aanleiding: Interview met dr. C.A. de Niet en een boekpresentatie (live op RD-nl) van ‘De hemel op aarde’ van Thomas Brooks.

Bron afbeelding: Knowing Jesus-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het ‘vreemde Woord’…

Denk eens aan uw roeping, broeders en zusters. Onder u waren er niet veel die naar menselijke maatstaven wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren. Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat NIETS is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen.‘ (Uit 1 Korintiërs 1 de verzen 26-29)

Geciteerd 1: ‘Mijn kennis van de Schrift zal niet voldoende zijn, tenzij ik mij houd aan het vreemde Woord’. Het is werkelijk heel eigenaardig om zoiets te horen uit de mond van een professor in de theologie, die zichzelf soms een evangelist kan noemen en zich met zoveel overtuiging op de Schrift beroept, dat geen enkele van de eerbiedwaardige en geheiligde autoriteiten daartegen opgewassen is.

Geciteerd 2: Het vreemde Woord is het Evangelie, dat niet ‘van mij’ is, maar waardoor ‘ik mij’ moet laten gezeggen. Zoals de Christen alleen in het vertrouwen op de vreemde gerechtigheid van Christus en niet door eigen gerechtigheid voor God kan bestaan, zo moet hem ook de absolutie, het woord van vergeving ‘van buitenaf’ toegezegd worden. Men kan niet vertrouwen op ‘eigen geweten’ (eigen bevindingen en zelfonderzoek!).

Geciteerd 3: Hier stoot men op het beslissende onderscheid tussen zekerheid en stelligheid, tussen waarheid en het aannemen van de waarheid. Luther beschrijft dit onderscheid niet als theorie, maar in het kader van de ervaring van de reformatorische rechtvaardigingsleer: ‘anderen heb ik gered, mijzelf kan ik niet redden’; en dat komt omdat ik mijzelf niet kan bevrijden van mijn twijfel, omdat mijn eigen, zichtbare gerechtigheid mij bij de handen wordt afgebroken en mijn eigen geweten mij in de steek laat. Daarom aldus Luther, heb ik anderen nodig, ben ik aangewezen op de gemeenschap en voorbede van de kerk.
NB. Bij ‘aangewezen zijn op de gemeenschap en de voorbede van de kerk’ zullen wij bij ‘kerk’ niet aan het instituut kerk (RK, PKN, etc.) denken, maar aan een gemeente die zich net als de eerste gemeenten houdt aan het onderwijs van de apostelen en het gebruik van de sacramenten Doop en Avondmaal en waar trouwe voorgangers ook de leden van de gemeenten thuis opzoeken om hen te bemoedigen en aan te sporen met vertrouwen en dankbaarheid te gaan in de voetsporen van onze Heer.

Vanuit dit perspectief van het vertrouwen op het vreemde Woord heeft hij de sacramenten van Doop en Avondmaal leren zien en beleefd, geïnterpreteerd en verdedigd. De duivel, de meester van de subjectiviteit, ligt op de loer in het hart en in het geweten van mensen. Hij staat echter machteloos tegenover het vreemde Woord. Doop en Avondmaal garanderen dat God tegenwoordig is in de draaikolk van de overlevingsstrijd tegen de duivel. Deze beide sacramenten geven een zichtbaar houvast, dat ook met de handen gegrepen kan worden, waardoor het mogelijk is in de naam van God staande te blijven tegen de duivel.

Doop en Avondmaal vormen daarom de vaste bodem waarop de geloofszekerheid van de Christen gegrond is. In dat licht gezien is het ook duidelijk, dat er geen groter bedreiging kan bestaan dan de ondermijning van deze twee sacramenten. Wie Doop en Avondmaal tot mensenwerk (1) maakt, die sloopt het fundament van het Christelijk leven. Immers in dat geval wordt de waarheid en de realiteit van God afhankelijk gemaakt van de overtuigingskracht van het menselijk geweten, dat altijd subjectief is.

De Doop speelt reeds in de grote Reformatiegeschriften uit 1520 een centrale rol. Zij is voor hem het zichtbare teken van de onverdiende rechtvaardiging door de genade van God. In de Doop wordt de ‘vrolijke ruil’ voltrokken, zodat de zondaar de gerechtigheid van Christus ontvangt en Christus de zonden draagt. Dat alles gebeurt niet ‘goedkoop’, maar zelfs ‘voor niets’. (…) Juist het feit dat de Doop zonder privileges aan iedereen de gerechtigheid van Christus schenkt, heef tot gevolg dat zij alle gelovigen tot de priesterlijke stand verheft, want ieder mens ‘die uit de Doop gekropen komt, heeft daardoor reeds de wijding tot priester, bisschop en paus ontvangen’.

Geciteerd 4: In zijn Grote Catechismus (1529) geeft Luther zijn theologische visie op deze kwestie (het ter discussie stellen van de kinderdoop). Hij doet dat door het antwoord dat hij eerder (1522) aan Melanchton had gestuurd zorgvuldig te bewerken., zodat het een voor ieder begrijpelijke samenvatting is geworden van zijn hele theologie. Hij heeft hier een weg gewezen die niet alleen verder gaat dan het middeleeuwse geloof in de sacramenten, maar ook dan de moderne (‘wederdopers’, later m.n. ook de aanhangers/volgers van de ‘nadere reformatie’ – AJ) gelovigheid die het subject in het centrum plaatst.

God heeft de Doop ingesteld en bevolen – daaruit alleen al kan afgeleid worden, dat het geen ‘lichtvaardige zaak’ is, ‘zoals het aantrekken van een nieuwe rode jas’. Gods eigen werk wordt voltrokken door de hand van de mens, want er wordt gedoopt in de naam van God, in de naam van de Vader, van de Zoon en van de heilige Geest. Op dat moment wordt een ‘onuitsprekelijke schat’ ontvangen, namelijk de verlossing van ‘zonden, dood en duivel’.

Geciteerd 5: Een uiterlijk ding noemen de Dopersen de Doop met water en zij stellen de vraag: Wat kan een hand vol water uitrichten voor de redding van de ziel? Aan dit doopwater heeft God echter Zijn woord ‘gehangen’, daarom houdt het geloof zich vast aan het water: God geeft houvast door datgene wat lijflijk is en door de zintuigen kan worden waargenomen. De Christen presteert niets, hij/zij ontvangt ‘slechts’, maar moet aan deze schat wel zijn leven lang werken. De ‘onnozele’ natuur kan het niet begrijpen. Enkel en alleen dankzij de Doop kan zij de aanvechting en het verstand tegenspreken: Ik zal zalig worden aan lichaam en ziel.

Geciteerd 6: Wat Luther fors heeft aangevallen is niet de bijgelovige overwaardering, maar de ongelovige verdringing van de Doop uit het leven van een Christen ten gunste van de boete en de boetvaardigheid. Dat had ondermeer tot consequentie dat de intrede in het klooster, het moment waarop de novicen hun leven gaan wijden aan het doen van boete, aangeduid wordt als ‘tweede doop’ (2). De afwijzing van de kinderdoop en de eis tot doop van volwassenen die zich bekeerd hebben en boete doen kan daarom geen ‘radicale Reformatie’ genoemd worden, maar veel beter ‘radicale Middeleeuwen’. De grote invloed van de Doperse beweging en dat ondanks bloedige vervolgingen komt geheel overeen met de geest van de tijd: de nieuwe leek is de oude monnik.

Geciteerd 7: De moderne theologie luistert vandaag opnieuw naar de kritiek van de Dopersen. Ze weet dat de vroeg-christelijke kerk zwijgt over het probleem van de kinderdoop en ze heeft ingezien dat de centrale Bijbeltekst van Luther, het doopbevel, pas later toegevoegd is aan de evangeliën van Matteüs en Marcus. Het doopbevel is een leerstuk van de oergemeente. Wanneer echter – terecht – niet de Doop als zodanig, maar ‘alleen de kinderdoop’ daarmee ter discussie wordt gesteld, blijft de wedervraag van Luther volledig gelden: De accentverschuiving naar een bewuste beslissing (3) van een volwassene om zich te laten dopen verwisselt de genade van God met het werk van mensen. Niet de doop van de volwassene is het probleem, maar de argumenten tegen de kinderdoop.

De hoogconjunctuur van ‘mondigheid’ en ‘geloofwaardigheid’ eist de volwassendoop. Die ‘mondigheid’ is inderdaad noodzakelijk voor het getuigenis van het geloof, in het bijzonder in een post-christelijke wereld. Voor wie in de zelfanalyse en de daaruit volgende duivelse aanklacht blijft steken, is de kinderdoop echter het rijke Sacrament voor lege handen. Niet pas aan het sterfbed geldt het woord: ‘Wij zijn bedelaars, dat is waar’. Het leven begint ermee.

Bron citaten: Boek ‘Luther, mens tussen God en duivel’, Hoofdstuk VIII ‘Tweedracht binnen de Reformatie’ daarvan §1, van Heiko A. Oberman (bij leven hoogleraar kerkgeschiedenis).

(1) Door deze niet (meer) zondermeer te funderen in Christus en in het geloof, maar bepalend te laten zijn wat mensen op grond van hun bevindingen te zeggen hebben over de waarde van deze sacramenten en het gebruik (benutten) ervan door henzelf.
(2) In een (toenemend) aantal kerkelijke kringen kan het doen van belijdenis geduid worden als een ‘tweede doop’ en velen verlangen (tegenwoordig) daarbij dan ook naar het ontvangen van een tweede doop en maken daar ook praktijk van.
(3) ‘Nu ben ik zover’. Zie ook ‘De ‘oer-gemeente’ kende een vroege Doop

Door Hem bent u één met Christus, die dankzij God onze wijsheid is geworden. Door Christus zijn wij rechtvaardig en heilig en door Hem worden wij verlost, opdat het zal zijn zoals geschreven staat: ‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij/zij zich dan op de Heer beroemen.‘ (Uit Handelingen 1 de verzen 30-31)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over onze roeping en uitverkiezing…

Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus Zelf als de hoeksteen.‘ (De apostel Paulus in Efeziërs 2 de verzen 19-20)

Onze roeping/uitverkiezing zoals die voor de meesten tot ons gekomen is met en door onze Doop als kind, die mogen wij op een heel bescheiden manier vergelijken met de roeping van de discipelen door onze Heer Jezus. Zij mochten de grote liefde en daden die God de Vader in en door Zijn Zoon Jezus Christus hier op aarde had verricht gaan verkondigen aan de mensen als directe oor- en ooggetuigen daarvan. Om Zijn apostelen te kunnen zijn hadden de discipelen eerst ook al luisterend een leerschool doorlopen bij Hem en toen Hij opgevaren was naar de hemel konden ze niets doen zonder Hem, maar alleen door de kracht van Zijn Geest, Die hen geschonken zou worden. (1)

In de levens van Gods uitverkorenen gaat het niet veel anders. Ook zij moeten een leerschool doorlopen na hun Doop en alleen door in alle afhankelijkheid te leven van Gods Woord en het werk van Gods Geest zullen hun ogen steeds meer opengaan voor wat God van hen verwacht in hun leven. We zien dat geïllustreerd in de brieven aan de Korintiërs. Veel te gauw dachten de Korintiërs dat ze het Evangelie inmiddels wel zo’n beetje begrepen hadden, terwijl ze niet beseften wat voor leerschool (2) ze nog hadden te gaan. In 1 Korintiërs 3 wijst de apostel ze als een wijs en geduldig leermeester terecht, al zijn zijn woorden beslist ook verwijtend.

Wij gelovigen kunnen niet bescheiden genoeg zijn onder elkaar en de oproep, om de ander uitnemender te achten dan jezelf, hebben we ons leven lang onszelf voor te (laten) houden uit Gods Woord. (3) Steeds weer zullen we met elkaar de Bijbel opendoen om samen te luisteren naar het onderwijs dat de heilige Geest ons daarmee geven wil en dat in iedere tijd weer om een bepaalde toepassing vraagt in de gegeven omstandigheden. We hebben dagelijks te bidden om wijsheid daartoe.

Slot: Wij die geloven zijn uitverkorenen, en we krijgen dat te horen en hebben dat te geloven, niet om vooral maar zeker te weten dat ons plekje ‘in de hemel’ is veilig gesteld, maar om ook in deze tijd met daden en woorden te blijven getuigen van Gods goedheid dwars door alles en tegen alles in dat afbreuk wil doen aan ons getuigenis afleggen van die Heerlijke waarheid. De dichter en zangers van Psalm 44 deden dat in de OT-tijd en wij mogen het met Paulus nog rijker en vervuld belijden: Er staat geschreven: ‘Om U worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als slachtschapen voor de slacht. Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij Hem die ons heeft liefgehad.‘ (Uit Romeinen 8 uit de verzen 35-39)

(1) Die was hen natuurlijk al wel geschonken en had het geloof in hen gewerkt, maar met Pinksteren in Jeruzalem werd Hij voor iedereen zichtbaar op de apostelen uitgestort.
(2) Een apostolische leerschool! Terwijl sommigen in de gemeente van Korinthe meenden dat ze dat onderwijs van Paulus en de andere apostelen inmiddels wel konden missen.
(3) De apostelen zijn ons ook voorgegaan in dat zich afhankelijk stellen van het werk van de heilige Geest en het de ander hoger achten dan zichzelf. Zij hebben Paulus speciale en late roeping en zijn bediening als apostel volledig erkend als een autonoom werk van de heilige Geest en nooit denigrerend gedaan over het feit dat hij geen leerschool had gehad in het directe gevolg van Jezus, zoals de andere discipelen/apostelen. En Petrus heeft zich in Antiochië zelfs terecht laten wijzen door Paulus (zie Galaten 2 de verzen 11-14) en op het apostelconvent in Jeruzalem kregen Paulus en Barnabas alle ruimte om hun verhaal te doen (zie Handelingen 15 vers 12).

Kinderen, zolang Christus geen gestalte in u krijgt, doorsta ik telkens barensweeën om u. Hoe graag zou ik bij u willen zijn en op een andere toon met u spreken, want ik maak me zorgen over u.‘ (Paulus in Galaten 4 de verzen 19-20)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Goddelijke zielzorg gesproken…(II)

Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet. Hierdoor immers hebben de ouden een goed getuigenis gekregen. Door het geloof aanvaarden wij dat de wereld tot stand gebracht is door het Woord van God, en wel zo dat de dingen die men ziet, niet ontstaan zijn uit wat zichtbaar is.‘ (Uit Hebreeën 11 de verzen 1-3)

Geciteerd 1: Wat historici tegenwoordig reduceren tot een kleine paragraaf in de geschiedenis van de Reformatie was in de 16e eeuw de kern waaraan beslissingen gemeten dienden te worden. De bekendmaking van de eigen positie in het debat rondom het Avondmaal maakte duidelijk waar men wenste te staan: aan de zijde van de geprivilegieerde ‘grote heren’ met hun papen of in de rijen van de burgers die verenigd waren in het ware geloof.

Geciteerd 2: De tegenstelling tussen enerzijds de reformatoren in de steden die zich oriënteren op de gemeenschap en anderzijds Luther, de zielzorger van de goddeloze wereld, is scherp. Luther heeft in de eerste plaats de individuele Christen op het oog. Niet omdat de ‘ziel van de enkeling voor God’ belangrijker zou zijn dan de verantwoordelijke vormgeving van het politieke leven, maar omdat de dienst aan de wereld een sterk (altijd weer gesterkt – AJ) hart noodzakelijk maakt. Want het gaat niet om eer en waardigheid, maar in stad en land, in huis en hof om het verzet tegen de vernietigende macht van de duivel. In de politiek worden Christenen bovenmate op de proef gesteld, juist daarom hebben ze deze bemoediging door het geloof nodig.

Geciteerd 3: Waar het Woord is van de God die de belofte heeft gedaan, daar is het geloof nodig van de mens die zich dit toe-eigent, zodat duidelijk is dat het geloof aan het begin van ons heil staat, namelijk dat geloof dat afhankelijk is van het Woord der belofte. Het is niet de beklemtoning van het geloof die Luther scheidt van Zwingli, maar het ‘hangen aan het Woord’. Deze afhankelijkheid wordt tot het wezen van het denken over het Avondmaal, zowel in de discussie met de pauselijke kerk alsook in de strijd met Zwingli en de door Luther als ‘dwepers’ gescholden tegenstanders.

Geciteerd 4: Van 1 tot 3 oktober werd een op aandringen van landgraaf Philippus van Hessen een godsdienstgesprek gehouden, dat werd bijgewoond door de leiders van de Reformatie in geheel Duitsland, onder wie ook de elkaar bestrijdende ‘hoofden’ Zwingli en Luther. Een spannende, slechts een enkele maal geprikkelde discussie vindt plaats, de eenheid waarop velen hopen, wordt echter niet bereikt.

Uit de verschillende verslagen van het gesprek wordt duidelijk dat de toon waarop men met elkaar omging aan scherpte verloren had, maar wat de zaak betreft bleven zowel Zwingli als Luther op hun eigen standpunt staan. De Wittenberger beriep zich op de ‘heldere’ woorden uit de Schrift: ze zijn ondubbelzinnig en overweldigend – dus ‘voeg je’! In een andere vorm klinkt opnieuw de belijdenis uit Worms. Ik ben in het Woord gevangen, ook dan wanneer niet verklaard kan worden hoe men zich de tegenwoordigheid van Christus in brood en wijn moet voorstellen. De maagdelijke geboorte en de vergeving van zonden gaan op precies dezelfde wijze boven ons verstand (maar dus niet boven ons geloof!) uit.

Geciteerd 5: Toen de kanselier van landgraaf Philippus aandrong op eenheid, kreeg hij als antwoord: ‘Ik (Luther) weet geen ander middel dan dat ze de eer geven aan het Woord van God en samen met ons geloven. Waarop de anderen reageerden: Ze konden het noch begrijpen noch geloven dat het lichaam van Christus werkelijk in brood en wijn aanwezig is’.
Boven deze standpunten kwamen de partijen niet meer uit. De breuk in de Reformatie was daarmee voltrokken en bezegeld. Zwingli was niet bereid af te wijken van zijn argumentatie voor zijn uitleg van de tekst en Luther weigerde principieel het voorschrift van God in het Avondmaal met behulp van rationele argumenten steekhoudend te bewijzen. Het eten van het lichaam moeten wij niet begrijpen, maar in gehoorzaamheid aanvaarden. (…)

Geciteerd 6: Het wonder van het Avondmaal kan verteld worden en er kan over nagedacht worden, maar het kan niet bewezen worden. Deze houding is heden ten dage niet populair, ze wordt als ‘blinde gehoorzaamheid’ verdacht gemaakt. De weg van Luther is dan ook niet de weg die de geestesgeschiedenis van Europa met inbegrip van de protestantse theologie is gegaan. Daar waar echter het gezichtsveld breder wordt en de mythe van de vooruitgang wijkt voor de kennis van de bovenmenselijke en alle tijden beheersende macht van het kwaad, daar wordt het vasthouden van Luther aan het ‘lichamelijke’ Woord, aan de werkelijkheid van God buiten de menselijke persoon tot het effectieve houvast van verwarde Christenen.

Geciteerd 7: De onmondige zuigeling bij het doopvont en de stervende aan wie het laatste Avondmaal wordt uitgereikt, staan niet aan de rand van de kerk van Christus, maar plaatsvervangend voor de mensen die op een dieptepunt zijn aangekomen – of het nu aan het begin, op het hoogtepunt of aan het einde van hun krachten is. Dat God ook buiten de menselijke persoon werkelijk ‘daar’ is en zich buiten de individuele denkkracht en geloofskracht laat vinden, is de blijvende winst van de strijd van toen.
Kinderdoop en werkelijke aanwezigheid van Christus zijn niet alleen onzinnig voor de moderne mens. Ze zijn echter (door alle tijden heen) zinvol voor de mens in tweestrijd, voor de mens tussen God en duivel, voor wie de woorden van Luther gelden: Wij zijn bedelaars, dat is waar.

Opgemerkt tot slot: Van Calvijn is de uitspraak: ik ervaar haar (het Avondmaal) meer dan dat ik haar begrijp. Luther zou gezegd (kunnen) hebben: Ik geloof en belijd haar, dat is meer dan dat ik haar begrijp of ervaar.

Bron citaten: Boek ‘Luther, mens tussen God en duivel’, Hoofdstuk VIII ‘Tweedracht binnen de Reformatie’ §2, van Heiko A. Oberman (bij leven hoogleraar kerkgeschiedenis).

Zie ook:Over Goddelijke zielzorg gesproken…(I)’

Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst hebben.’ (Uit Johannes 6 vers 35)

Bron afbeelding: KJV Bible verses

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Goddelijke zielzorg gesproken…(I)

Waarachtig ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en Zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. Wie Mijn lichaam eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem op de laatste dag uit de dood opwekken. Mijn lichaam is het ware voedsel en Mijn bloed is de ware drank. Wie Mijn lichaam eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.‘ (Uit Johannes 6 de verzen 53-56)

Geciteerd 1: Om helderheid te krijgen over de distantie van Luther tot het moderne Protestantisme is in de eerste plaats van belang zich te realiseren dat hij in zijn omgang met de sacramenten geen stap afgeweken is van het grondprincipe ‘alleen door het geloof’. Maar hij strijdt tegelijk op twee fronten.

Geciteerd 2: ‘Wie het lichaam des Heren niet onderscheidt, eet en drinkt zichzelf een oordeel‘ (1 Korintiërs 11 : 29). Luther geeft een nieuwe interpretatie aan dit woord. De apostel verlangt geen ‘waardigheid’, want er is geen mens die voor God ‘waardig’ bevonden zou worden, ook al was hij een heilige. Paulus eist geen waardigheid, maar geloof en vertrouwen in (en eerbiedig ‘gebruik van’ – AJ) de heilsbelofte van Christus: ‘Voor jullie gegeven’.

Geciteerd 3: Iets anders zijn echter de zondaren en aangevochtenen voor wie het sacrament allereerst is ingesteld. Dat is het tweede front waarvoor Luther zich geplaatst ziet en dat pas in de Avondmaalsstrijd met de Zwitsers duidelijk wordt. Deze benadrukken namelijk de vraag van het verstand: wat is het nut van de lijfelijke tegenwoordigheid van Christus in het sacrament, wat is het doel van ‘het eten van het vlees’? Het vlees zelf is niets, alleen Jezus Zelf! Hoe kan het gebrek aan geloof (bij een vertwijfeld lid van de gemeente die aangemoedigd wordt om toch aan te gaan – AJ) ooit vervangen worden door gehoorzaamheid (het vertwijfelde lid zich laat gezeggen en neemt deel aan de viering – AJ). De Reformator ontpopt zich hiermee (volgens ‘de Zwitsers’ – AJ) als ‘neopapist’ en blijkt een gevangene van de Middeleeuwen te zijn.

Geciteerd 4: Op het antwoord van Luther moet goed gelet worden. Het nut van het Avondmaalslichaam ligt daarin dat het geloof in de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus de aangevochten communieganger niet op zichzelf en zijn eigen ziel terugwerpt, maar hem uit zichzelf haalt en hem op Christus richt. De ondubbelzinnige (!), ‘heldere’ instellingswoorden doorbreken de nauwe grenzen van de eigen psyche en wijzen naar buiten en naar God, Die belooft: ‘Hier zal je me vinden’.

God is weliswaar overal aanwezig, maar het is totaal iets anders, of God daar is of dat God voor jou daar is’. Het eerste weet de duivel ook, het tweede zal hij echter nooit beleven. Het Evangelie is geconcentreerd in dat kleine woordje ‘hier’, zonder dit ‘hier’ zou men de hele schepping moeten aflopen en hier zoeken en daar vragen. Maar dan zal niemand zeker kunnen zijn de oneindige God in Zijn rijk geschakeerde schepping ‘voor zichzelf gevonden’ te hebben (of: ook ‘aan zichzelf geschonken’ te weten – AJ).

Wanneer je thuis, aldus Luther je brood eet, dan is God ook dichtbij. Maar wanneer je ‘hier’ toetast, dan eet je Zijn lichaam – God wordt van jou. God legt Zich dus vast op een ‘hier’, waar Hij vast en zeker gevonden kan worden (1), opdat niemand behoeft te ‘dwepen’ om hem ‘overal’ te zoeken. Wat vindt men echter ‘hier’ in het Avondmaal? De lijfelijke Christus, dat wil zeggen dat we Die allemaal nodig hebben, omdat mensen meer zijn dan hoofd en ziel. Die het lichaam van Christus eet, zal ook zijn nut daarvan hebben, dat hij of zij eeuwig leeft en op de jongste dag opstaat… Dat is de hemelse kracht en het nut dat van het lichaam van Christus in het Avondmaal op ons lichaam overgaat’. (2)

De(ze) winst van de Avondmaalsstrijd mag niet veronachtzaamd worden. Het geloof in Gods Woord is onontbeerlijk. Het doorbreekt de geestelijk-psychologische beperking tot de innerlijkheid van het vrome genot (dat men zegt te ervaren tijdens de maaltijd – AJ). De betekenis van deze ontgrenzing is nu juist dat de duivel, kenner van de ziel en vijand van het lichaam, tegengesproken wordt. Hij kan in de psyche binnendringen en haar totaal beheersen en ook de gelovige Christen zo in zichzelf laten kromgroeien en in de analyse van zichzelf misvormen dat hij twijfelt aan God en de wereld. (3) Een ding kan hij echter niet: Hij kan niet echt aanwezig zijn (tegenwoordig zijn, zich meedelen – AJ) in het vlees. De oproep van de instellingswoorden trekt de mens uit het vangnet van de zelfanalyse.

(Wordt vervolgd!)

(1) Zich laat vinden. ‘Zoekt en gij zult vinden’ – juist ook in en door het samen eerbiedig vieren van het Avondmaal laat Hij Zich (her)vinden – zie ook: Openbaring 3 vers 20.
(2) Net zoals bij en door de Doop Christus dood en opstanding zich aan ons ‘meedelen’ (Zie Romeinen 6 de verzen 3-14)
(3) Deze ‘zelfanalyse’ en de foute conclusies die getrokken worden zijn dan ook beslist geen teken/bewijs van ongeloof. Deze komen zelfs voort uit het (diep) geloof (willen) hechten aan Gods Woord! Alleen het zicht op het bevrijdende van Gods Woord is door deze zelfanalyse verduisterd.

Bron citaten: Boek ‘Luther, mens tussen God en duivel’, Hoofdstuk VIII ‘Tweedracht binnen de Reformatie’ §2, van Heiko A. Oberman (bij leven hoogleraar kerkgeschiedenis).

Terwijl ze aten, nam Hij een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Neem hiervan, dit is Mijn lichaam.’ En Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. Hij zei tegen hen: ‘Dit is Mijn bloed, het bloed van het Verbond, dat voor jullie vergoten wordt.‘ (Uit Markus 14 de verzen 22-24)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Heeft het grijze midden ons wat te bieden?

Wie bedroefd zijn vanwege de samenkomst zal Ik verzamelen, zij zijn uit u;
de smaad drukt als een last op hen.‘ (Uit Zefanja 3 vers 18)

Geciteerd 1: Tussen de groepen volgers in bevindt zich “the silent”, het stille midden. Mensen in deze groep maken geen keuze tussen zwart of wit, maar blijven grijs. Ze vormen een stabiele groep die rust geeft. Bij weinig polarisatie is dit grijze midden de grootste groep. Maar hoe groter de polarisatiedruk, hoe meer mensen uiteindelijk toch een kant kiezen – en hoe kleiner dat grijze midden wordt. Ze waren aanvankelijk niet voor of tegen Zwarte Piet, maar nu de strijd zo hoog oploopt, kiezen ze toch een kant.

Geciteerd 2: Behalve dat een grijs midden radicalisering tegengaat, is de stille groep essentieel om gewoon vreedzaam te kunnen samenleven. Dat grijze midden is betrouwbaar en vormt als het ware de lijm van een samenleving…

Geciteerd 3: Hij pleit er bijvoorbeeld voor dat de overheid meer geld steekt in de journalistiek. Nieuwsvoorzieningen die aan onderzoeksjournalistiek doen, bieden namelijk tegenwicht aan sociale media. (…) Sterke, onafhankelijke journalistiek voorkomt dat het grijze midden meegezogen wordt in dat wij-zij-denken dat op sociale media domineert.

Opgemerkt 1: ‘Het grijze midden is betrouwbaar’… Pas deze ‘grijze midden wijsheid’ nu eens toe op Duitsland voor WO II… Dan is het niet moeilijk om te beseffen dat we van dat grijze midden helemaal geen heilzame werking hebben te verwachten! Het was Dietrich Bonhoeffer’s grote teleurstelling dat het merendeel van de Duitse christenen tot het ‘grijze midden’ wilden behoren! Het grijze midden keek weg van de misdaden tegen gehandicapten en zigeuners en Joden en dat zal het grijze midden altijd weer doen…

Opgemerkt 2: Het is ook nog eens een on-Bijbelse gedachte om het ‘grijze midden’ van een volk min of meer te te kenmerken als ‘een zoutend zout’. Die bederfwerende werking in een samenleving is alleen te verwachten van mensen die nog leven onder betrouwbare verkondiging van Gods Woord en zelf werkelijk ook nog leven bij en van Gods Woord. Maar dat laatste wordt zelfs onder christenen steeds weer over het hoofd gezien en miskend! En wel omdat het – wanneer het er is – alleen met ‘de ogen van het geloof’ te ontdekken valt in verleden en heden. Wanneer echter inmiddels van het merendeel, van wat zout genoemd zou kunnen worden, gezegd moet worden dat het haar kracht verloren heeft (zoals dat voor WO II toch van veel Duitse christenen gezegd moest worden en helaas nu van de o.a. Nederlandse (ex)christenen/christenheid ook), dan dient dat zout, volgens onze Heer, nergens meer toe dan om ‘weggeworpen en door de mensen vertreden’ te worden.

Opgemerkt slot: Ik wil de lezers hierbij graag wijzen op een aantal indringende profetische preken van ds. B Holwerda (bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool van de gereformeerde kerken in Kampen). De preken werden gehouden in september 1945 en zijn verzameld in een tussen 1953-1956 uitgegeven serie prekenbundels, en wel die preken die opgenomen zijn in deel III ‘Ziet, Hij komt met de wolken’* (1953, uitgave van J. Boersma, Enschede).

* Op de afbeelding is deeltje I te zien, maar het gaat me om deeltje III met preken over Openbaring 9-12.

Bron citaten: RD Mens & samenleving – ‘Grijs zijn is vechten tegen polarisatie’ – door Chris Klaasse

Bron afbeelding: Boekwinkeltjes.nl

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

God verkiest het zwakke en onaanzienlijke…

Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen, opdat geen vlees (mens) zou roemen voor God.‘ (Uit 1 Korinthiërs 1:27-31)

Die voorkeur (‘dat verkiezen) van God, dat ligt ons ‘van nature’ niet – zelfs het/de zwakke geeft nog de voorkeur en eer aan het/de sterke! (1)

We lezen in Genesis 4 over de woede van Kaïn. Die boosheid van Kaïn is daar niet een voortbrengsel van zijn karaktereigenschappen, maar een diep religieuze afkeer van het besef dat God blijkbaar het zwakke (en later blijkt zelfs ook nog eerst ‘de zondaars’) verkiest en plaatst boven het sterke in deze wereld. Dus ook boven de mooie eerbiedwaardige karakters, die altijd weer de lof van mensen krijgen.(2) Deze werkelijkheid kreeg haar escalatie toen Jezus niet eerst de vrome hoogstaande kerkleiders opzocht en aanwees als eerbiedwaardige na te volgen en te gehoorzamen kerk- en volksleiders, maar zich over het gewone volk ontfermde en wel omdat hun leiders (die herders behoorden te zijn) vooral onder de indruk waren van hun eigen vroomheid, godsdienstigheid en kennis en daardoor niet over het zwakke en zondige met ontferming bewogen konden zijn.(3) Het gewone volk zag op tegen deze leiders en had daarom eerder nog moeite met het optreden van een Johannes de Doper en later ook Jezus – die zich tegen tegen die hoogmoed van de leiders keerden – namelijk om dat goed te begrijpen en te plaatsen omdat het hun zo anders geleerd was.

(1) De heilige Geest moet door die ‘natuurlijke’ voorkeuren en barrières bij ons allen (niemand uitgezonderd!) heen breken, of we nu een aangenaam karakter hebben of niet!
(2) 1 Korintiërs 15 (toegespitst in vers 50) leert ons dat het onze ‘natuurlijke neiging’ is om het schepsel te eren boven onze Schepper en dat was dus zelfs al de zwakte van Adam&Eva voor de zondeval. Het Koninkrijk van God is een puur Geestelijke zaak en dat is het nu al en straks zal het dat in volmaaktheid zijn, namelijk wanneer we – bij de wederkomst en opstanding – ook een Geestelijk lichaam ontvangen.
(3) We dienen te beseffen dat de satan machtig genoeg is om juist ook mensen met ‘mooie karakters’ voor zijn karretje te spannen en dat om mensen te verdelen en tegen elkaar uit te spelen. We hebben daarom allemaal reden om elke dag weer ook de bede ‘en leid ons niet in verzoeking’ te bidden.
Maarten Luther heeft dat indertijd ook gezien en beseft en beleden en zijn medegelovigen daarop willen wijzen. Daarover valt te lezen in deze blog: ‘Onomstotelijke woorden over ons heil…

Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de Tweede. Zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse Mens hebben.‘ (Uit 1 Korintiërs 15 de verzen 48-49)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Onomstotelijke woorden over ons heil…

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.‘ (Uit Matteüs 6 vers 13)

Geciteerd 1: De explosies in de ziel van Luther, die hij zelf beschrijft als helse pijnen veroorzaakt door aanvechtingen, hebben vergaande gevolgen gekregen. Niet alleen als Bijbels theoloog, maar ook als psychologisch bedreven zielzorger is de reformator geheel eigen wegen gegaan, die bepaald niet zonder gevaar waren. In ieder geval was het denkbaar dat de innerlijke spanning hem gebroken zou hebben of dat hij, omgekeerd, ze zou hebben gesublimeerd.
Er bestond wel degelijk het gevaar dat de monnik zich zich in zelfanalyse zou verstrikken en als gevolg daarvan zichzelf klem zou zetten. Dan was zijn creatieve kracht en hoge intelligentie gesloopt door zijn aangeboren overgevoeligheid. Voor dat gevaar heeft zijn mentor, zijn ‘vader in Christus’, Johannes von Staupitz hem behoed: ‘Door Staupitz heeft de Here Jezus mij herhaaldelijk op wonderbaarlijke wijze opgericht en gesterkt‘.

Geciteerd 2: De aanvallen van de duivel zijn doelgericht en effectief, ze slaan het slachtoffer neer en beroven hem van alle vreugde die men aan God en mensen beleven kan. (…) Het afschuwelijke van de aanvechtingen en de toestand waarin Luther geraakte was dat die dagen een eeuwigheid leken te duren. Op zulke momenten leek er geen uitweg te zijn en was er geen kijk op dat er ooit een einde aan zou komen.

Geciteerd 3: In zijn grote Catechismus plaatst Luther de aanvechting die het gevolg is van een aanval van de duivel, in het middelpunt van zijn verklaring van de zesde bede uit het Onze Vader: ‘En leid ons niet in verzoeking‘. Zijn uitleg corrigeert de middeleeuwse voorstelling dat de duivel ieder mens door zijn vleselijke verlangens in verzoeking zou brengen.

Leid ons niet in verzoeking‘ betekent dat God ons de kracht en sterkte geeft om tegenstand te bieden. Het betekent echter niet, dat die aanvechting weggenomen of opgeheven wordt. Want niemand kan ontkomen aan verzoeking en prikkeling, zolang we hier op aarde leven en de duivel om ons heen hebben.

Geciteerd 4: Aanvechtingen voelen moeten we allemaal, alhoewel niet bij iedereen op dezelfde manier, maar sommigen meer en zwaarder: de jeugd wordt vooral aangevochten door het lichamelijke, wie volwassen is en ouder wordt, door de wereld. Anderen die met geestelijke dingen omgaan, de ‘sterke Christenen’ (1), door de duivel zelf.

Geciteerd 5: De verzoeking moet ons bewaren voor een vals gevoel van zelfvertrouwen. Daarom moeten wij Christenen er tegen gewapend zijn en ons dagelijks bewust zijn dat we voortdurend aangevochten worden. Niemand mag zo zelfverzekerd en onachtzaam leven als zou de duivel ver weg zijn van ons, maar wij moeten juist voortdurend bedacht zijn op zijn streken en ze pareren. Want ook al ben ik op het moment kuis, geduldig en vriendelijk en leef in een vast geloof, de duivel kan mij op hetzelfde moment een dergelijke pijl in het hart schieten, dat ik nauwelijks op de been blijf. Hij is een vijand die nooit verslapt of moe wordt. Wanneer één aanvechting ophoudt, komen er steeds weer andere en nieuwe voor in de plaats.

Geciteerd 6: Dankzij aanvechtingen veranderen abstracte theologische grondbeginselen in een blijde boodschap. Op die momenten wordt de belijdenis ‘alleen uit genade‘ of ‘alleen uit geloof‘ tot existentiële ervaring. Immers, wie bloot staat aan de aanvallen van de duivel leert in te zien dat hij, omdat hij zichzelf geen steun kan verlenen, alleen uit geloof leeft en alleen uit genade overleeft. Bescherming en beschutting is dan ook uitsluitend bij God en in het gebed te vinden. Zo wordt aan de duivel, levensgevaarlijk als hij is, geen ruimte gegeven, maar zijn macht wordt ingeperkt en hij wordt gedwongen de Christen te oefenen in zijn geloof.

Geciteerd 7: Wanneer men Luther ziet als een eenzame figuur die voorop loopt, een ontdekkingsreiziger die zijn eigen tijd en wereld achter zich laat, dan blijft er voor een figuur als Johannes von Staupitz alleen de rol als voorbijganger over.
Deze vicaris-generaal en promotor heeft meer gepresteerd dan beteugeling van de aanvechtingen die Luther had in verband met de leer van de predestinatie (2). Met de woorden van de reformator kan gezegd worden dat Staupitz hem ‘eruit geholpen’ heeft, omdat hij in staat was principiële, Bijbelse en daarmee onomstotelijke antwoorden te geven. Op dat punt heeft Johannes von Staupitz de theologie van Luther blijvend beïnvloed.

(1) Uit het vervolg van de citaten hier blijkt wel dat hiermee beslist geen ‘in zichzelf’ sterke Christenen bedoeld worden of Christenen die menen inmiddels ‘stevig in hun schoenen te staan’. Je zou voor ‘sterke Christenen’ kunnen lezen: Christenen die altijd weer verlangen en zoeken te leven in navolging van hun Heer en voor het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, ongeacht welke resultaten zij daarmee inmiddels geboekt hebben. Gold dat niet net zo voor de discipelen, die zich door Jezus hadden laten roepen en daarmee in Zijn gevolg waren gekomen en daar ook mochten blijven ondanks al hun (toch steeds weer blijkende) zonden en tekortkomingen (zelfs ook in geloof)…
(2) Later – nadat hij definitief het kloosterleven heeft verlaten – doet hij ook verslag van ‘andersoortige’ aanvechtingen.

Zie ook:

Bron citaten: Boek ‘Luther, mens tussen God en duivel’ (Hoofdstuk VI ‘De aangevochten reformator’ §1 en §2) van Heiko A. Oberman (bij leven hoogleraar kerkgeschiedenis).

Bron afbeelding: SlidePayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Geen andere (uit)weg dan ‘toevlucht nemen tot’…

Een ding mag u niet over het hoofd zien, geliefde broeders en zusters: voor de Heer is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Heer is niet traag met het nakomen van Zijn belofte, zoals sommigen menen; Hij heeft alleen maar geduld met u, omdat Hij wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat.‘ (Uit 2 Petrus 3 de verzen 8-9)

Geciteerd 1: Uit de bronnen valt af te leiden dat Luther diep besef had van de heiligheid van God en van Zijn toorn over onheiligheid en zonde (1). Zijn herinneringen laten de conclusie toe dat hij er als het ware voor geschapen was in die angstige twijfel over zichzelf te vervallen die in de handboeken beschreven worden als de ziekte der gewetensnood. Iemand die zo gestructureerd is had geen monnik en al helemaal geen bedelmonnik der observanten moeten worden, zou men vandaag de dag van oordeel zijn. Toentertijd werd echter precies andersom geredeneerd: iemand die zo onzeker was over zichzelf moest de zekere weg naar het klooster kiezen. Luther heeft daar inderdaad die specifieke genezings- en heilsmethoden van zijn tijd kunnen beproeven – overigens met het gevolg dat zijn twijfel groeide.

Geciteerd 2: De ontdekking dat alleen die mens voor God waarlijk rechtvaardig is die uit (of van) genade leeft, gaat gepaard met een herwaardering van de aanvechting. In twee opzichten wordt herwaardering duidelijk: de aanvechtingen zijn geen ziekten en er zijn dus geen geneesmiddelen om een einde aan de kwaal te maken. Aanvechtingen behoren veeleer tot de typerende levensvoorwaarden van alle Christenen. Alleen het vaste geloof in Gods onveranderbare belofte maakt het mogelijk aanvechtingen te weerstaan (2) – niet te overwinnen. (3) De wet van God (4) toont afschrikwekkend duidelijk aan hoever het met de mens gekomen is. Iedereen wordt radicaal als onwaardig ontmaskerd. De wet van God, dat is voor de duivel het onomstotelijke bewijs: geen heil. Pas nu wordt duidelijk dat er geen andere uitweg is voor de mens dan dat hij zijn toevlucht neemt tot de barmhartigheid van God. (5)

Geciteerd 3: De duivel wil het liefst alle Christenen tot aan de rand van de openbaring dringen, ze in verzoeking brengen en een blik te werpen in het wezen van God – namelijk doordringen in de verborgen wil van God – en ze uiteindelijk daarin te laten vallen waarin hijzelf gevallen is: in het niets. Met deze handelswijze onthult de duivel zijn diepst verlangen: hij is ‘niet alleen leugenaar, maar ook moordenaar’.

Geciteerd 4: Toen Luther opriep zowel op het terrein van het geloof als op het terrein van de wereld weerstand te bieden aan de duivel, hem als leugenaar te ontmaskeren en als moordenaar te brandmerken, op dat moment werd zijn eigen theologische en psychologische ommekeer voor kerk en maatschappij een doorbraak die de weg naar de toekomst opende. (…) Was de wereld voor die tijd de brede, absoluut zekere weg naar de hel en leefde ze in verbond met de duivel, zo openbaart ze zich nu, in de reformatorische duivelsspiegel’ als de door God gewilde en in stand gehouden wereld waarin geleefd mag en kan worden, draagster van planten, dieren en mensen. Werden de goede werken eerst gedaan met het oog op God, om aan Zijn hoge gerechtigheid te voldoen, nu wordt ze omwille van de mensen gedaan met het oog op de aarde, in dienst van het leven (6) en het overleven tot aan de jongste dag. De Reformatie van de kerk is het werk van God – aan het einde. De verbetering van de wereld is het werk van de Reformatie – nu al.

Opgemerkt: Of Luther die slotzin ook zo had willen opschrijven (of onderschrijven) zoals hier aan het slot van dit betoog? De Kerk is bederfwerend* en staat in dienst van het koninkrijk van God door de verkondiging van het Woord. Daarom is de wereld nog altijd niet rijp voor de ‘Dag van het Oordeel’ en wil God nog geduld met haar hebben. Toch draagt de Kerk ook bij aan de bespoediging van de komst van die dag, maar dan in positieve zin – zie 2 Petrus 3 vers 12 (onderaan geciteerd).
* Zie Matteüs 5 de verzen 13-16.

(1) Zie o.a. hoofdstuk IV $6.
(2) Luther durft hierbij ook op het geloof van anderen te wijzen en dat te hulp te roepen wanneer iemand zelf in geloof tekort schiet en aan Gods genade en zijn of haar eeuwig behoud alleen nog maar twijfelen kan. Dan mag zo iemand toch gemaand en geholpen worden om deel te nemen aan de viering van het Avondmaal op het geloof van die anderen die om hem of haar heen staan als broeders en zusters. Net zoals die verlamde, die zelf niet naar Jezus kon gaan, maar die door het geloof van zijn vrienden toch bij Jezus terecht kwam… (zie Markus 2 : 1-12)
(3) Niet in die zin dat men zich van alle soorten van aanvechtingen definitief kan ontworstelen.
(4) En het onderwijs van onze Heer Jezus Christus in de Bergrede nog eens te meer.
(5) Dat maakte ook het Oude Testament al duidelijk maar Gods barmhartigheid werd helemaal openbaar toen Zijn Zoon Jezus Christus Zich openbaarde aan het volk van God. Johannes begint er ‘juichend’ over aan het begin van zijn Evangelie.
(6) Behoort toch te zijn: met het oog op en in dienst van het koninkrijk van God.

De dag van de Heer zal komen als en dief. De hemelsferen zullen die dag met dreunend geluid vergaan, de elementen gaan in vlammen op, de aarde wordt blootgelegd en alles wat daarop gedaan is komt aan het licht. Als dit allemaal op die manier te gronde gaat, hoe heilig en vroom moet u dan niet leven, u die uitziet naar de dag van God en het aanbreken daarvan bespoedigt! Die dag gaan de hemelsferen in vlammen op, en de elementen vatten vlam en smelten weg. Maar wij vertrouwen op Gods belofte en zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.
Omdat u hier naar uitziet, geliefde broeders en zusters, moet u zich inspannen om smetteloos, onberispelijk en in vrede door Hem te worden aangetroffen. Bedenk dat het geduld van onze Heer uw redding is.
‘ (Uit 2 Petrus 3 de verzen 14-15)

Bron citaten: Boek ‘Luther, mens tussen God en duivel’ (Hoofdstuk VI ‘De aangevochten reformator $1 ‘Christenvervolging “vandaag”‘ ) van Heiko A. Oberman (bij leven hoogleraar kerkgeschiedenis).

Bron afbeelding: Tozer Bible Class

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie