Anders is er geen beginnen aan!

… De Heer… Die jullie… heeft bevrijd. (Uit Exodus 20 uit vers 2)

Geciteerd 1: (…) Wat mij altijd weer raakt, is dat deze tien woorden, zoals ze ook wel worden genoemd, vooraf gegaan worden door de uitspraak dat God het volk – door de belofte aan Abraham Zijn volk! – heeft bevrijd. In die volgorde zit een groot geheim. We kunnen namelijk alleen maar volgens Gods bedoelingen leven als bevrijde mensen.

‘Indien jullie dan met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus zit aan de rechterhand van God.’ (Uit Kolossenzen 3 vers 1)

Geciteerd 2: Als je op de goede manier wilt roemen en troost ontvangen uit deze prediking dat Christus door Zijn sterven en opstanding jou heeft verlost, dan moet je niet blijven in je oude zondige leven, maar een nieuwe huid aantrekken. Zijn sterven en opstanding heeft plaatsgevonden (zie Romeinen 6), zodat ook jij tenslotte aan de wereld zou sterven en met Hem gelijk worden in Zijn opstanding (vgl. 2 Korintiërs 5 vers 15). Dat is: dat je zou beginnen een nieuwe mens te worden, zoals Hij in de hemel is. Dit houdt in: dat je iemand wordt die geen verlangen en liefde meer heeft voor gierigheid en bedrog ten koste van de naaste, maar tevreden is met wat God je aan middelen geeft. Dan wordt je milddadig, welwillend, vriendelijk en liefdevol voor allen die je nodig hebben.

Opgemerkt 1: Begrijpt u nu waarom we – zoals het volk van God eertijds de bevrijdende doortocht door de Rode Zee ontving – we onze Doop ontvangen als bewijs van Gods reddende kracht?! En na die bevrijding mocht het volk gaan luisteren naar wat God hen te zeggen had en wat Zijn bedoeling was van de bevrijding uit de slavernij. Daarom begint God ook met die bevrijding voorop te stellen wanneer Hij tot het volk gaat spreken. En zo was en is het ook met de Doop, die ontvingen Joden en heidenen voordat ze zich stelden onder het onderwijs van de apostelen. En in gemeenten waar de kleine kinderen gedoopt worden, gaat het net zo. Ze worden eerst in Gods vrijheid gezet en dan zullen ze goed luisteren (lees het in Exodus 19) en zullen we de weg naar het ‘beloofde land’ gaan die God ons wijst, zelfs al voert die door de woestijn.

Opgemerkt 2: Lees Exodus 20 de verzen 1-11. Wat een bevrijdende woorden en wat wordt door Hem ons vooral ook rust gegund! Laten we die rust ook zoeken op de zondagen en die gebruiken om ons te laten onderwijzen, maar dat dus niet als slaven, maar als dankbare uit slavernij verloste kinderen: niemand uitgezonderd!

Bron citaat 1: Dag in dag uit 2022 – Meditatie van zaterdag 20 augustus – Leger des Heils | Ark Media
Bron citaat 2: ‘Vrees niet, geloof alleen – dagboek over het geloof’ – Citaat/meditatie van 19 augustus.

Bron afbeelding: Do not Depart
(It Matters What You Think – Memorizing the Word)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De kunst van goed luisteren en goed preken…

‘Dus door te luisteren komt men tot geloof, en wat men hoort is de verkondiging van Christus.‘
(Romeinen 10 Vers 17)

Opgemerkt vooraf: We kunnen ons werkelijk wel afvragen of Maarten Luther lange tijd niet toch een heel slecht luisteraar moet zijn geweest. Waarom bleef hij zich maar aftobben? Waarom nam hij niet genoegen met de officiële kerkleer of met de woorden van zijn leermeester(s)? Waarom bleef hij maar druk met het zelf lezen van de Bijbel en conformeert hij zich niet aan wat de theologische wetenschap van die tijd er (inmiddels) over te zeggen hadden?

Geciteerd 1: Voorafgaand aan de eerste ondervraging in de kapittelzaal, werd de novice (kandidaat monnik) er uitdrukkelijk op gewezen dat het zoeken naar een genadig God de beslissende voorwaarde was voor toelating. De prior vroeg: ‘Wat zoekt u hier?’ en het antwoord moest luiden: ‘een genadige God en uw (Zijn?) barmhartigheid’. (1)

Geciteerd 2: Wanneer de oudere Luther over zijn tijd in het klooster nadenkt, haalt hij nadrukkelijk naar voren dat het juist dit ‘beven en kronkelen’ om de genade van God geweest is dat hem beziggehouden heeft: ‘In het klooster dacht ik niet aan vrouwen, geld of goederen, maar het hart beefde en kronkelde hoe God mij genadig zou zijn’. Het is ook een vorm van zelfkritiek wanneer hij daaraan toevoegt: ‘Want ik was van het geloof afgeweken en verbeeldde mij dat ik God toornig had gemaakt en hem door mijn goede werken opnieuw met mij diende te verzoenen.’ (2)

Geciteerd 3: Geweld (Goddelijk onweersgeweld) had hem in het klooster gedreven. Overmacht (Goddelijke overmacht) had hem er weer uitgehaald. Na vijftien jaar in de monnikspij geleefd te hebben kon hij de ervaren zielzorger van een hele generatie van nonnen en monniken worden, die weliswaar de evangelische vrijheid ontdekt hadden, zich in hun geweten echter nog aan hun gelofte gebonden voelden. Luther is in het klooster de weg van de hoogste en meest subtiele gewetensreligie gegaan, uitgerekend de weg van de ‘religieuzen’, zoals de monniken genoemd werden; hij moest hem gaan, voordat hij kon zeggen: ‘Christus is anders dan Mozes (!3!), de paus, en de gehele wereld; ja Hij is anders, Hij is meer dan ons geweten… Wanneer het geweten schuldig is bevonden, zegt Hij: Geloof!’

Geciteerd 4: Het grondbeginsel dat alleen de Schrift het fundament van de theologie is, kenden ook de middeleeuwse scholastici. Zij hebben dit inzicht methodisch beschermd en gestreden over de consequenties van dit principe voor de kerkelijke traditie. Het Schriftprincipe kon echter pas tot een Schriftpraxis worden, toen ontdekt werd dat de Bijbel niet een verzameling is van verschillende waarheden en bewijsplaatsen (4), maar dat ze een heel eigen boodschap heeft die beslist over leven en dood en daarom vanuit haarzelf, vanuit het centrum uitgelegd dient te worden.

Geciteerd 5: Wie op de goede manier wil luisteren naar de Schrift ziet zich gedwongen tussen de klippen door te varen. Enerzijds dreigt het gevaar alleen te horen wat men graag horen wil en anderzijds is de verleiding groot niet te horen wat men niet horen wil. Luther heeft dit alles eens op een niet mis te verstane wijze beschreven in een preek die hij op zijn doopdag hield:

“Wie de Bijbel wil lezen, die moet er goed op letten, dat hij zich niet vergist, want dit geschrift laat zich ogenschijnlijk gemakkelijk uitbreiden en gebruiken (5), maar het leidt niemand naar zijn eigen neigingen, maar het brengt mensen naar de bron (Bron!), dat betekent naar het kruis van Christus (‘Christus en Die gekruisigd’!), dan zal het zeker goed gaan en niet fout.’

Geciteerd 6: In de eerst tien jaren – zo vertelt hij, heeft hij de Bijbel tweemaal per jaar van begin tot eind gelezen. Zijn indringend bezig zijn met de Schrift leidde tot discussies over de juiste exegese, vervolgens tot strijd met theologen en prelaten en tenslotte met strijd om de kerk. Maar het waren niet alleen de vele bedrukte bladen tussen de banden van het boek, die de botsingen der geesten veroorzaakten. De Reformatie kon in die tijd zo diep indringen in het volk, omdat Luther uit het hem al lange tijd vertrouwde Schriftprincipe een verrassende consequentie getrokken had. De Schrift moet preek worden! Onder de druk van ketterijen werd de levende apostolische verkondiging voor vervalsing beschermd (6), omdat (doordat) ze in een boek (onze Bijbel) werd vastgelegd. Dankzij de verkondiging wordt dit proces van conservering weer ongedaan gemaakt en uit de Schrift van toen ontstaat de verkondiging voor vandaag.

Geciteerd slot: De Bijbel is dus een noodzakelijk kwaad (of goed)! Noodzakelijk is ze, omdat anders de geest van mensen zich als heilig uitgeeft, zonder als on-geest ontmaskerd te kunnen worden. “Een kwaad’ wordt de Schrift, wanneer ze als een papieren paus in heiligheid verstart (7), in plaats van als levend Woord in de kerk in het openbaar gehoord te worden. Het Evangelie is weliswaar (met inktletters!) toevertrouwd aan vergeelde bladzijden (8), maar het zal met frisse woorden een vrolijke boodschap worden (‘voor ieder die oren heeft om te horen wat de Geest tot de gemeenten zegt’ – AJ).

(1) Ik heb niet meer geciteerd, maar het verdient zeker de aanbeveling om meer te lezen over wat daar gezegd en gedaan wordt bij de opnameceremonie van kandidaat-monnik. We horen daar woorden zoals die later ook weer gehoord worden in (met name) de kerken van de nadere reformatie: hoe vind ik een genadig God voordat ik vast en zeker geloven kan en mag dat ik mijzelf voor een waar kind van God kan en mag houden.
(2) Dat ” kronkelen’ deed ik tijdens mijn opnames in de psychiatrische instellingen. Alleen wist ik maar al te goed dat het doen van goede werken en veel Bijbellezen en bidden mij niets zouden helpen, al deed ik dat bidden en lezen in (en over) de Bijbel juist dáár ook. Ik durfde toen echter niet meer te geloven in een genadig God, omdat ik meende dat een waar kind van God al veel verder zou zijn geweest in het nalaten van zonden en het vol vertrouwen doen van goede werken dan zoals ik dat weer had gedaan. Ik meende dat woorden zoals te lezen zijn in Hebreeën 10 de verzen 26-31 op mij van toepassing waren.
(3) God heeft de eer aan zichzelf gehouden. Wij kunnen niet roemen in mensen. Zelfs ook niet in mensen als Mozes of Abraham of Johannes de Doper (‘meer dan een profeet’)! (Zie resp. Johannes 6 : 32-33, 8 : 53-59 en Lukas 7 : 24-28)
(4) Dit zullen we o.a. ook bij het binnen de gemeenten/kerken nadenken en spreken over huwelijk, homoseksualiteit en gender hebben te bedenken en toe te passen. M.i. zit het Bijbels Beraad M/V met hun aanpak niet op het spoor dat Gods Woord ons wijst, al gaat het niet alleen daar mis binnen de kerken.
(5) Met en door een geschrift als de Institutie van Johannes Calvijn of de geschriften van een Gisbertes Voetius bijvoorbeeld.
(6) We moeten hierbij dus niet denken aan bescherming van vroegere en/of huidige belijdenisgeschriften die dienen moeten om ketterijen te weerspreken en weren.
(7) Dat kan bijvoorbeeld door alleen nog maar een Latijnse of een Statenvertaling te willen/durven gebruiken. Dan maakt men de geschreven Schrift los van het levende werk dat de Geest kan en wil doen met en door het Woord en waartoe Hij machtig genoeg is om bij dat werk heus niet alleen van een vroegere vertaling afhankelijk te zijn.
(8) Gods Woord is toevertrouwd aan de gemeente van Jezus Christus hier op aarde. We kunnen beter niet spreken van ‘apostolische successie’, maar van het doorgeven van het getuigenis van de apostelen zoals de heilige Geest dat wil doen door de verkondiging van het Woord en de bediening van de Sacramenten in de gemeenten van Jezus Christus hier op aarde. Het getuigenis van de apostelen zal naar de belofte van onze Heer ‘doorgaan tot aan de voltooiing der wereld’ (zie slot van Matteüs 28 en Handelingen 10 : 39-43)

Bron citaten: Boek ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – van Heiko A. Oberman (1930-2001), verkreeg doctoraat in de theologie in Utrecht (1957) en was hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (Arizona, USA).

‘Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde. Ik moet een doop ondergaan en ik wordt hevig gekweld zolang die niet volbracht is. Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen op aarde? Geenszins zeg ik jullie, ik kom verdeeldheid brengen. Vanaf heden zullen vijf in één huis verdeeld zijn: drie tegen twee en twee tegen drie. De vader zal tegenover zijn zoon staan en de zoon tegenover zijn vader, de moeder tegenover haar dochter en de dochter tegenover haar moeder, de schoonmoeder tegenover haar schoondochter, en de schoondochter tegenover haar schoonmoeder.’ (Uit Lukas 12 de verzen 49-53)

Bron afbeelding: A Reason for Hope

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De psalmisten: nooit wanhopig en toch niet stoïcijns…

‘Heer, God, mijn Redder, overdag schreeuw ik het uit, ’s nachts zit ik stil voor u neer.’
(uit Psalm 88 het 1e vers)

Geciteerd 1: Maar het verleden laat zich moeilijk helemaal uitwissen. Ik heb nog steeds behoefte aan een houvast. Aan een manier om om te gaan met de angsten die nog af en toe de kop opduiken. Die vond ik onlangs in een boek. Een boek over een filosofische stroming van meer dan tweeduizend jaar geleden: Hoe word je een stoïcijn? van Massimo Pigliucci.
Opgemerkt 1: ‘Nog steeds behoefte aan houvast’. Dat kan niet anders betekenen dan dat er behoefte aan houvast is die buiten jezelf ligt. Want het blijkt altijd weer – en ook de schrijver van dit artikel kan er niet omheen – dat de mens het verlangde houvast niet bij en in zichzelf vindt.

Geciteerd 2: Stel, zo schreef een van de stoïcijnen, dat een hond vastgebonden zit aan een kar. De kar vertrekt, maar de hond heeft daar weinig zin in. Dat dier heeft twee opties: hij blijft zich met alle macht verzetten of hij wandelt mee en probeert van die tocht te genieten. Aangezien de hond absoluut niets kan veranderen aan de snelheid en de richting van de kar kan hij het best voor de laatste optie kiezen.
Opgemerkt 2: Dit herinnert me aan wat Dietrich Bonhoeffer schreef over het Bijbelse profeet-zijn (1) en dat een profeet a.h.w. aan Gods wagen gebonden wordt en zich laat meevoeren, zoals vroeger een Romeinse keizer bij een triomftocht* wel overwonnen tegenstanders meevoerde…
* De door een Romeinse keizer behaalde zege moest een “rechtvaardige zege” (victoria iusta) zijn en dus in een “rechtvaardige oorlog” (bellum iustum) zijn behaald.

Geciteerd 3: Een van de centrale ideeën van het stoïcisme is dat het niet de gebeurtenissen zélf zijn die ons ongelukkig of angstig maken, maar ons oordeel erover. En dat laatste kan je wel sturen.
Opgemerkt 3: Dat is wat maakt dat de Psalmisten nooit wanhopen en ook geen vluchtweg gezocht en gevonden hebben in het stoïcisme.

Geciteerd 4: Deze stoïcijnse levenshouding wordt in het boek van Pigliucci mooi uitgewerkt. Je vindt er concrete tips die je deze manier van denken aanleren. Ik grijp er vaak naar terug. Natuurlijk is therapie vaak nuttig en ik ben al mijn therapeuten enorm dankbaar. Maar het is heel fijn om te beseffen dat ik het – mede dankzij dit boek – ook zelf kan.
Opgemerkt 4: De schrijver is blijkbaar (nog) niet stoïcijns genoeg om zijn therapeuten al te willen en kunnen afdanken: Je kunt toch niet weten of je ze alsnog weer nodig hebt als het met het stoïcijnse denken toch even niet lukt…

(1) ‘God, U voerde mij onweerstaanbaar, zodat ik me aan U overgaf. Heer, U hebt mij overgehaald en ik heb mij laten overhalen. Als een argeloze heeft u mij gegrepen en nu kom ik niet meer los van U. Nu sleept U mij weg als Uw buit, bindt ons aan Uw zegewagen en sleurt ons achter U aan, dat wij geschonden en gepijnigd aan Uw triomftocht deelnemen. Konden wij het weten, dat uw liefde zo’n pijn doet, dat Uw genade zo hard is? U bent mij te sterk geworden en U hebt overwonnen. Toen in mij de gedachte aan U sterk werd, werd ik zwak. Toen U het van mij gewonnen had, was ik verloren; daar was mijn wil gebroken, daar was mijn kracht te gering, daar moest ik de lijdensweg gaan, daar kon ik niet meer tegenstribbelen, daar kon ik niet meer terug, daar was de beslissing gevallen. Niet ik heb beslist, U heeft beslist. U hebt mij aan U gebonden in voor- en tegenspoed. God, waarom bent U ons zo verschrikkelijk nabij?’
Bovenstaande citaat is afkomstig uit ‘Bonhoeffers zelfidentificatie met Jeremia [2] – Belangstelling voor de profeten’- door A. Alderliesten (Culemborg) – in Protestants Nederland, februari 2015 (volgens Digibron)

Bron citaten 1-4: De Correspondent – ‘Deze 2000 jaar oude wijsheden helpen mij mijn moderne angsten te bedwingen’ – door Ruben Mersch (Correspondent Gezondheid)

‘Heer, Rechter van de wereld.
Doe mij recht Heer,
ik ben onschuldig, mij treft geen blaam.
Roep de goddelozen een halt toe
en wees de rechtvaardige tot steun.
U die hart en nieren doorgrondt
bent een Rechtvaardige God.’
(Uit Psalm 7 de verzen 9-10)

Bron afbeelding: YouTube (Bible Reading Psalm 7 – Geüpload door Doris S Wheeler)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Je voor een dode laten dopen…

‘Wat zullen anders zij doen die voor de doden gedoopt worden, als de doden helemaal niet opgewekt worden? Waarom worden zij dan nog voor de doden gedoopt?‘ (1 Korinthe 15:29)

We lezen van mensen die zich voor doden lieten dopen. Misschien wel voor hun geliefde ouders of voor een kind dat al gestorven was voordat ze van het Evangelie hoorden. Wat een liefde* en (mogelijk) ook wat een besef dat ze zelf niets aan hun eigen behoud hadden kunnen en hoeven bijdragen. Zelfs hun geloof niet. Hun Doop had hun gewezen op de enige offerande van Christus aan het kruis en dat ze in Zijn dood met Hem begraven werden en dat om ook te delen in Zijn opstanding. Laten we dat zeker altijd weer bedenken bij leven en sterven van een dopeling…
* Denk hierbij bijv. aan de vrienden van de verlamde man, die de liefde (laten we dat eerst noemen) en geloof hadden om hun verlamde vriend bij Jezus te willen brengen. Ze werden niet afgewezen…

Een dopeling (iemand aan wie de Doop bediend is) mag het volgende weten: Het Evangelie (met al Gods beloften/toezeggingen daarin) is ook voor hem of haar, geen twijfel mogelijk! Zo iemand is met Christus begraven in Zijn dood en heeft deel aan Zijn opstanding gekregen en dat om voortaan een nieuw (wedergeboren) leven te leiden door de kracht van de heilige Geest, Die ook hem of haar geschonken is en wordt.

Nu kan dat besef van wat de Doop voor ons inhoudt (denk aan een pas gedoopte heiden en/of een pas gedoopte zuigeling) nauwelijks of (nog) niet aanwezig zijn en zelfs ook het geloof hechten aan wat met en door de Doop aan ons betekend en verzegeld is kan (nog, of inmiddels) niet veel (meer) voorstellen of zelfs ongeloof vinden, waardoor de oproep (verplichting) en de zegen van onze Doop aan ons voorbij gaat in het leven van alledag. Toch kan de/onze Doop daarmee niet ongedaan gemaakt worden. Dat zullen we echt goed moeten leren begrijpen, want anders is de Blijde Boodschap van het Evangelie geen Blijde Boodschap meer voor iedereen die het horen kan en vraagt of hij of zij dan niet ook gedoopt kan/mag worden (1) maar ook niet voor degenen die mogelijk korte of langere tijd in zonden of in onverschilligheid of ongeloof geleefd hebben. De apostelen riepen hen/ons toe: ‘Laat u/jullie dopen en u/jullie zullen de heilige Geest ontvangen.‘ En ook (tot gedoopten!): ‘In naam van Christus vragen wij u: Laat u met God verzoenen‘; en: ‘laat de goedheid die Hij U bewijst niet tevergeefs zijn.‘ (Zie 2 Korintiërs 5 en 6).

Wat de (door de apostelen en hun medewerkers) gedoopten op grond van hun Doop zichzelf mochten toerekenen, dat zou hun pas later (helemaal) duidelijk (gemaakt) worden d.m.v. het onderwijs van de apostelen. En dat is ook vandaag nog niet anders in gemeenten/kerken waar men ook de pasgeboren kinderen (al) doopt of ook die mensen doopt die aangeven (graag) gedoopt te willen worden (1), zonder het Evangelie al (goed) te hebben begrepen en/of – in onze ogen – voldoende onderwijs daarover hebben ontvangen.

(1) Zie Handelingen 2 de verzen 37-40 en 8 de verzen 35-38 (deze dus zonder de tussen haken later toegevoegde woorden!) en denk bijvoorbeeld ook aan alle mensen die behoorden tot het huis van de gevangenbewaarder en ook mee gedoopt werden, tenzij ze dat expliciet geweigerd zouden hebben, maar daar horen/lezen we niet van. (Zie Handelingen 16 de verzen 30-34).

N.a.v. Galaten 5 de verzen 19-21 nog dit: Gedoopt zijn wil ons zeggen dat we delen in Christus dood én in Zijn opstanding om een nieuw leven te leiden. Juist die zekerheid van onze Doop (een onmiskenbaar feit!) mag ons elke dag de rust en de moed geven om lof en dank te brengen aan onze God en Vader van onze Heer Jezus Christus door de kracht van de heilige Geest. We moeten niet zien op onszelf, maar op Hem Die Zich aan en voor ons gaf. Dan worden we niet moedeloos (vanwege vroegere zonden en ook altijd nog dagelijkse zonden) maar ontvangen we steeds weer hoop en nieuwe moed om ook vandaag weer de goede strijd te willen en kunnen strijden. Niet omdat we menen het al gegrepen/verkregen te hebben (een rein en smetteloos leven), maar, net als Paulus, jagen we ernaar omdat we door Christus gegrepen zijn.
NB. Ook Paulus werd – ondanks zijn bijzondere roeping en handoplegging door Ananias – gedoopt (zie Handelingen 9 vers 18-19)

‘Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd. Wij zijn dus gezanten van Christus (2), alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen. Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.’ (Uit 2 Korintiërs 5 de verzen 17-21)

(2) Let erop dat ook wij (en iedereen die het hoort of leest) hier nog altijd door de apostel(en) – en niet door onze voorgangers of broeders en zusters – vermaand worden. Onze Heer beloofde met Zijn discipelen en met hun getuigenis te zullen zijn – door de kracht van Zijn Geest – tot aan de voltooiing der wereld.

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Dorst naar gemeenschap…

‘Mijn ziel dorst naar de levende God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?‘ (Uit Psalm 42 vers 3)

Geciteerd: De gewone dorst is een sterk verlangen naar water. Alle gelovigen zijn en blijven mensen die (dagelijks) dorst hebben naar God. Dat geldt niet alleen als zij zich bovenmatig aftobben om genade te ontvangen, om gered te worden en om hun toevlucht tot God te nemen. Nee, die dorst is er ook wel eens op bijzondere momenten als zij veel indrukken hebben van hun blijvende geestelijke zwakheid. Het hart kan wel eens buitengewoon verlangen om de genezing te ontvangen uit Jezus’ volheid. Ja, net zomin als een gezond mens zijn dagelijkse drinken missen kan, net zomin kan een gelovige de dagelijkse werking van Gods Geest missen. Die moet immers zijn leven onderhouden en hem in staat stellen de dingen die hij/zij doet op goede manier te doen (verg. Jesaja 27 vers 3).
Deze dorst naar de gemeenschap met de levende God is zelfs een blijvend kenmerk van het gelovige hart. Hoe goed het hart Hem ook kent en hoeveel liefde het ook van Hem ontvangt, toch raakt het nooit verzadigd. Het kan zelfs gebeuren dat op momenten dat onze ziel de grootste vreugde ervaart, het verlangen naar de volkomen verzadiging en onmiddellijke genieting het sterkst is. Dit wordt ‘het verlangen van de nieren’ genoemd. Het is een voortdurend zuchten in deze tabernakel: ‘En niet alleen dit, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zelf, zeg ik, zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam‘ (Romeinen 8 vers 23).
We zien hier dus (in Psalm 42) dat we van David in vele opzichten kunnen zeggen dat zijn hart naar God dorstte. Hij wordt getekend als een godzalige man die gekweld werd door vele inwendige en uitwendige omstandigheden. Hij moest steeds voor zijn vijanden vluchten en miste daardoor de intieme omgang met de Heere. Hij zag gelovig uit naar de volkomen verzadiging, zoals hij het zelf onder woorden bracht: ‘maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken‘ (Psalm 17 vers 15).

‘Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader, die de vader is van elke gemeenschap in de hemelsferen en op aarde. Moge Hij vanuit zijn rijke luister uw inwendige mens (uw ziel) kracht en sterkte schenken door zijn Geest, zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde. Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u vervuld zou worden tot heel de volheid van God.‘ (Uit Efeziërs 3 de verzen 14-19)

Bron citaat: Reveil-serie – ‘Wat verlangt uw hart’ – Preek van Johannes Temmink (1701-1768) – No. 586, augustus 2022

‘Heer niet trots is mijn hart, niet hoogmoedig mijn blik,
ik zoek niet wat te groot is voor mij en te hoog gegrepen.’
(Uit Psalm 131, een pelgrimslied van David, het eerste vers)

Bij de afbeelding: Een hert(hart) dat rust in de schaduw van de Almachtige…

Bron afbeelding: Xiamen International Christian Fellowship

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over (geestelijk) hartsverlangen gesproken…

‘Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan, en voor de levende God verschijnen?‘ (Uit Psalm 42 vers 3)

Geciteerd: Dat iemand leeft, kan heel duidelijk aangetoond worden als men ziet dat hij kan spreken en verstandig nadenken; dat hij kan staan, lopen en werken; dat hij kan eten en drinken, en zo meer. Dat zijn echter niet de enige bewijzen. Als iemand deze handelingen niet kan uitvoeren, kan men op grond daarvan niet besluiten dat hij niet leeft. Een pasgeboren kind of iemand die ernstig ziek is, kan dit ook niet en toch geven ze overtuigende tekenen van leven. De pogingen om overeind te komen, het kreunen en kermen van pijn, het huilen vanwege ziekte of verlies zijn onmiskenbare bewijzen dat er gevoel en leven is, hoewel zwak en gebrekkig.
Zo is het ook in het leven van de genade. Als er sprake is van een levend geloof dat spreekt; als de ziel kan jubelen en springen en als dit haar geestelijk voedsel is; als de ziel krachtig in de Heere is en niet verleid wordt; als de ziel als een held de vijand in het slijk van de staten overwint, loopt en niet moe wordt, wandelt en niet mat wordt – dan gaat het goed met de ziel en zij leeft.
Maar als we zouden beweren dat we van de gelovigen moeten denken dat ze het leven uit God niet bezitten, omdat ze deze kentekenen niet altijd altijd laten zien, dan doen we Gods kinderen groot onrecht en verdriet aan. (1)
Het geestelijk leven op aarde is vaak nog heel onvolmaakt en aan veel levensgevaarlijke ziekten onderhevig, zwak als bij pasgeboren kinderen. Zelfs in de meest standvastige kinderen van God. Het lijkt er soms op dat er geen levenstekenen gezien worden dan alleen vruchteloze pogingen om zichzelf (en anderen?) moed in te spreken of enige geestelijke werkzaamheden te verrichten. De ziel kan vaak in haar verdriet niet anders doen dan zuchten en klagen: Ik ellendig mens. Ze treurt omdat ze haar gemis beleeft; ze roept om genade, genezing en voedsel tot versterking.

Geciteerd 2: Deze preek is een voorbereiding op het Heilig Avondmaal, en de boodschap van deze tekst is in het kader van onze vervolgpreken naar mijn gedachte heel geschikt om het genadeleven te beproeven van hen die aan (de viering van) het Heilig Avondmaal willen deelnemen. De tekst laat ons een gelovige zien die in eigen leven niet veel goede werken vindt. Er kan niet blij geroemd worden in een sterk geloof, maar er wordt alleen gezucht vanwege het gemis van de ziel en gekermd om de hulp van God, Die de God van zijn of haar leven is.

Opgemerkt: (1) Wanneer echtgenote en kinderen en broeders en zuster (van het pastoraat) dat in mij waren blijven zien: een diep gelovig kind van God, die in welvaartstijd steeds weer diep – vanwege zichzelf en zijn gebrekkige ijver t.a.v. Jezus’ opdracht ‘zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid’ – teleurgesteld werd en daardoor herhaald in een geestelijke (!) crisis over zichzelf geraakte, dan hadden zij mij hun liefde en zorg niet onttrokken. Nu haakten ze af, terwijl ze er zelf (herhaald!) aan hadden willen en mogen meewerken om hun broeder geestelijk/Geestelijk weer op weg te helpen. Voor mij is dat laatste toch altijd nog weer reden om geen van hen (als broeders en zusters in de Heer!) te willen mijden of af te schrijven en waar nodig hen te willen wijzen – middels mijn ‘godsdienstig geschrijf’* – op hoe met elkaar te gaan in het spoor (de voetstappen) van onze Heer en Heiland.
* En daarbij heb ik niet alleen hen (mijn ‘verwanten’ en broeders en zusters in eigen gemeente) op het oog, maar allen die verlangen om ook vandaag (weer) het Christelijk geloof met Woord (en hun woorden daarbij) en daad te belijden.

Leestips: Psalm 42-43, Jakobus 4 en deze preek (zie informatie bij/onder ‘Bron citaat’).

Bron citaat: Reveil-serie – ‘Wat verlangt uw hart’ – Preek van Johannes Temmink (1701-1768) – No. 586, augustus 2022
NB. Deze preek (of abonnement op prekenserie) aanvragen kan per email: reveil@pietersgroede.nl)

‘Nader tot God, dan zal hij tot u (ouderen) en jullie (jongeren) naderen. Reinig uw handen zondaars; zuiver uw/jullie hart, weifelaars. Weeklaag, wees treurig en laat uw tranen vloeien. Laat uw lachen veranderen in droefheid en uw vreugde in somberheid. Verneder u/jullie voor de Heer, dán zal Hij (!**) u/jullie verheffen.‘ (Uit Jakobus 4 uit de verzen 4-17 de verzen 8-10)
** Verwacht het hierbij werkelijk van Hem (zie o.a. het leven van Jozef en de woorden van Psalm 37)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De ‘theologenstand’ opgeheven?

‘Want het Koninkrijk Gods is niet spijze en drank, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door de Heilige Geest.‘ (Romeinen 14 vers 7)

Geciteerd: Wanneer wij het geloof hebben ontvangen, dan vragen wij ook: ‘O Heere, geef mij Uw Geest, zodat ik weet wat ik doe. Lieve Heere, ik weet niets van wat ik kan en mag doen.’ Wat God hem of haar nu opdraagt, het mag zijn wat het wil, hij doet het zonder mopperen tot nut (heil!) van zijn naaste. Hij gaat geen eigen werk verzinnen en wat hij of zij doet, dat wordt gedaan in geloof. Daarom alleen zijn de werken goed.
Zó gebiedt God aan de moeders dat zij hun kinderen zullen verschonen, die in bad doen en zullen aankleden. Zij doen daarmee een goed werk. Hoewel het maar verachtelijke werkjes schijnen te zijn. Zo doet ook de vader een goed werk als hij zijn huisgezin verzorgt en als hij op één dag honderd klusjes doet, dan zijn die allemaal goed. Ook als hij hout hakt of de kachel aanmaakt, dan doet hij daarmee een goed werk.
Werkelijk, hij doet daarmee beter dan een monnik die veel rozenkransen bidt, want alleen door de heilige Geest en door het geloof zijn alle werken goed. Hiermee wordt de hele monniken- en nonnenstand opgeheven.
Het rijk Gods bestaat immers niet in kleding (!) gebaren, slecht eten en kwaad drinken, nee het bestaat in waarheid en in gerechtigheid. Dat zegt Paulus ook in Romeinen 14 vers 17: “Het Rijk van God is niet gelegen in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de heilige Geest.’

Opgemerkt 1: Door het hele gewone dagelijkse bidden en Bijbellezen zullen we zien en begrijpen wat Gods wil is voor ons bezig zijn op een bepaalde dag. En voor mij betekende dat indertijd zorg dragen voor ons gezin en daarom ben ik God dankbaar dat ik dat indertijd ook zo heel gewoon heb gedaan en dat er niet naar heb gestreefd om naast mijn dagelijkse werk voor gezin en inkomen ook nog allerlei andere zaken na te streven (op kerkelijk of maatschappelijk terrein of op het gebied van hobby’s bijvoorbeeld). Dat helpt zeker verklaren waarom er in ons gezin steeds weer een goede sfeer heerste en waarom we al die jaren een ‘vrolijke kerkgang’ hadden en dat iedere zondag weer (2x!). Maar ook dat we in tijden van moeite en ziekte en problemen nog meer dan anders naar elkaar wilden omzien en zorg dragen voor elkaar en waar nodig elkaar ook weer vergeven. En dat heeft geduurd totdat één en meer buitenstaanders meenden dat dat zó niet langer kon en maar diende te blijven voortgaan, blijkbaar omdat ze dat elkaar zó in alles willen dienen in huwelijk en gezin (en daarin onder en voor elkaar de minste willen zijn) niet kenden vanuit eigen praktijk in huwelijk en gezin.
NB. Die buitenstaander(s), die hadden in hun carrière en op maatschappelijk en/of kerkelijk terrein zoveel bereikt, dat ieder hen natuurlijk* graag tot voorbeeld stelt en men meent dat wat zij te zeggen hebben de toon moet aangeven, zelfs als dat het huwelijks- en gezinsleven (van een ander of van henzelf) betreft…
* Maar Bijbels/Geestelijk gezien is dat helemaal geen goed te gebruiken criterium!

Opgemerkt 2: We zullen heel Gods Woord hebben te lezen en toe te passen als pastoraat voor/aan de gemeente en dus ook aan onszelf. Zelfs de brief aan de Romeinen is van begin tot einde pastoraat en valt daarom ook veel eenvoudiger te lezen wanneer we erkennen dat we heel Gods Woord zó dienen te lezen en begrijpen en toepassen. Onze Heer Jezus, dé Goede Herder, heeft met heel Zijn leven en met alles wat hij sprak en deed ons daarin hét voorbeeld gegeven!

Leestips: Romeinen 15 : 1-13 en de brieven aan Timoteüs en Titus en ook de meditatie van 14 augustus in Dag in Dag uit 2022.

‘Jezus wist dat Zijn tijd gekomen was en dat Hij terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die Hem in de wereld toebehoorden lief, en Zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan…’ (Uit Johannes 13 uit het eerste vers)

Bron citaat: ‘Vrees niet, geloof alleen – dagboek over het geloof’ – Citaat/meditatie 14 augustus – samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Den Hertog BV, Houten.

Bron afbeelding: YouTube (PresHomesVideo)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wij-gevoel creëren tegen klimaat- en levensmoeheid?

‘Leg je leven in de handen van de HEER, vertrouw op Hem, Hij zal dit voor je doen: het recht zal dagen als het morgenlicht, de gerechtigheid stralen als de middagzon.‘ (Uit Psalm 37 de verzen 5-6)

Geciteerd: Was ik er dan van doodgegaan als ik (1) niet naar Rammstein was gegaan? Natuurlijk niet. Maar tegelijk voelde ik de adrenaline door mijn aderen stromen toen het weigevoel een wij-gevoel werd en de massa zich even wentelde in luidkeelse samenhorigheid. Zou het kunnen dat ik niet de enige was die hier brandstof (sic) heeft getankt om er weer voor even (!) tegen te kunnen?
We zijn murw van de nieuwsbulletins die ons dag na dag, uur na uur, treffen als mokerslagen: versneld smeltende gletsjers, afstervende koraalriffen, mislukte oogsten, oncontroleerbare branden, uitdrogende rivieren en daarbovenop rondwarende virussen, de ellende van Oekraïne en de dreiging van een nieuwe wereldoorlog. Als almaar meer mensen zich daarvoor afsluiten, is dat niet een teken van ontkenning maar van erkenning van de realiteit. Het is een manier om overeind te blijven. Ecomoeheid, klimaatmoeheid, nieuwsmoeheid … we moeten erover waken dat we niet collectief doorschieten naar levensmoeheid.
Opgemerkt: Bieden we in de kerken tegenwoordig niet dezelfde remedies aan de gelovigen als dat de wereld dat doet: niet meer dan even (!) en noodzakelijk steeds weer herhaald – liefst in een stadion of (openlucht) theater – een WIJ-gevoel creëren?

(1) Kris Peeters (socioloog en antropoloog, auteur van Weg van het systeem. Wakker in een ander tijdperk) ging kijken naar Rammstein* én reed met de auto naar Spanje. Noodzakelijke brandstof voor het volle leven. Want klimaatmoeheid wordt heel snel levensmoeheid.
* Zie afbeelding: Rammstein in Oostende – Ontsnappen aan eco-doom

‘Velen zeggen: “Wie maakt ons gelukkig?” –
HEER, laat het licht van Uw aanschijn over ons schijnen.
In U vindt mijn hart meer vreugde
Dan zij in hun koren en wijn.

In vrede leg ik mij neer
en meteen slaap ik in,
want u HEER, laat mij wonen
in een vertrouwd en veilig huis.’
(Uit Psalm 4 de verzen 7-9)

Bron citaat: De Standaard (via Blendle) – ‘Ecoschaamte voor Rammstein? Nu even niet’ – door Kris Peeters

Bron afbeelding: Geert van de Velde

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over schuldvergeving en hulpverlening…

‘Tot jullie die naar Mij luisteren zeg ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen.’ (Uit Lukas 6 vers 27)

NB. Bedoeld wordt hier christelijke hulpverlening die zich baseren wil op het onderwijs van Gods Woord.

Wanneer we slachtoffers – of vermeende slachtoffers, want het is lang niet altijd zomaar duidelijk wie nu werkelijk als dader en wie als slachtoffer moet worden aangemerkt – durven voorhouden dat de ander vergeving schenken niet gekoppeld dient te worden aan het eerst schuld belijden en vergeving vragen door de dader, dan helpen we niet alleen het slachtoffer, maar ook onszelf als hulpverleners. Want dan willen/durven we wat toch ‘hartenwerk’ van God is, bij zowel slachtoffer als dader, in Gods handen te leggen en te laten. Dat scheelt meestal ook een heleboel uitzoek werk (1) en ‘zwartmakerij’, want het slachtoffer zal vooral reden zien om – waar nodig – zelf te veranderen en beseffen dat hij of zij daarin net zo afhankelijk is van God als dat de dader dat is om – waar nodig – te veranderen. Met zo’n nederige en bereidwillige en verwachtingsvolle houding van het slachtoffer kunnen we ook met elkaar God bidden om liefde en wijsheid en kracht en ook Gods zegen vragen over hart en leven van de dader. Dan volgen we ook daadwerkelijk het advies om de ander niet te vervloeken – met daden of woorden – maar juist te zegenen.

(1) Het scheelt werk om uit te zoeken wat waar is en wat niet; en ook met wat er gezegd en gedaan moet worden om de dader ‘in beweging’ te krijgen (bijv. door het verzinnen en opleggen van allerlei sancties) en DV scheelt het ook veel werk aan het slachtoffer zelf!

Leestip: Matteüs 5 de verzen 43-48.

‘Zegen uw vervolgers, vervloek hen niet. Wees blij met wie zich verblijdt, heb verdriet met wie verdriet heeft. Wees eensgezind; wees niet hoogmoedig, maar zet uzelf aan tot bescheidenheid. Ga niet af op uw eigen inzicht. Vergeld geen kwaad met kwaad, maar probeer voor alle mensen het goede te doen. Stel voor zover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven. Neem geen wraak geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want de Heer zegt: “Het is aan Mij om wraak te nemen, ik zal het vergelden.” Maar als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.’ (Uit Romeinen 12 de verzen 14-21)

Zie ook: Schuldvergeving en de vijfde bede van het Onze Vader…

Bron afbeelding: Godly Ladies

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Schuldvergeving en de vijfde bede van het Onze Vader…

‘En vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan iedereen die ons iets schuldig is.‘
(Uit het gebedsonderwijs in Lukas 11 : 1-13 het 4e vers)

Geciteerd (vooraf): Als het Onze Vader gebeden wordt, is de hemel weleens dichtbij, ervaart Paul Eikelboom. Toch wil dat niet zeggen dat elke bede eenvoudig is. Zeker de vijfde niet: die om schuldvergeving.
Opgemerkt (vooraf): Ik zal hieronder nog aan de hand van citaten uit het artikel reageren. Wat verdrietig dat we na zoveel eeuwen van Christus’ onderwijs en werk te hebben gehoord en dat ook hebben kunnen overdenken met elkaar en daarbij ook altijd weer naar Zijn gebedsonderwijs hebben kunnen luisteren om te leren bidden, dat er dan nog zó gesproken kan worden n.a.v. (nu hier dan) de bede over schuldvergeving in het Onze Vader gebed.
(NB. Naast het goede dat heus ook wel te horen valt, ook in dit artikel)

Geciteerd 1: ‘Als het Onze Vader gebeden wordt, is de hemel weleens dichtbij, ervaart Paul Eikelboom. Toch wil dat niet zeggen dat elke bede eenvoudig is. Zeker de vijfde niet: die om schuldvergeving.’
Opgemerkt 1: Zo zullen we het bidden van het Onze Vader nooit voorstellen, juist deze uitspraak zegt veel over de bidder(s)! Wij geloven dat de Heer ons zeer nabij is door Zijn heilige Geest, wij belijden zelfs dat wij gelovigen een tempel van de heilige Geest zijn. Wij zullen onze Heer dus niet op afstand zetten met zulk soort uitspraken. Daarmee zijn we zelfs de heilige Geest aan het bedroeven en uitbannen.
En ook hier wordt weer gewezen op hoe moeilijk wij het wel hebben of hoe moeilijk het ons gemaakt wordt met deze bede. Maar ook dat zullen we niet doen. Wij weten dat wij – juist ook hier bij de schuldvergeving – niets op eigen kracht hoeven te doen en dat niets onmogelijk is bij God. Ook hier geldt: Ik geloof Heer, kom mijn ongeloof te hulp. En ook Jezus woord: ‘Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zeg je tegen die berg: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’ (Uit Matteüs 17 uit vers 20). En tot slot: Juist bij het schuld vergeven kunnen/mogen we ook zeker weten dat we bidden naar Gods wil, en dat bidden naar Gods wil verhoord wordt.

Geciteerd 2: Waarom zegt het gebed „onze” schulden? Schuld is toch iets persoonlijks? „Dat is zo. Maar je kunt ook als gezin schulden hebben. Tegenover de buren bijvoorbeeld, omdat je zo vaak zwijgt. Als gemeente dragen we schulden. Dat beseffen we meestal niet, omdat wij individualistisch denken. Maar de Heere denkt breder.
Opgemerkt 2: ‘Dat is zo’? Nee, dat is beslist niet zo! Onze zonden (thuis of waar dan ook!) staan altijd in verband met het verleden en heden van een wereld vol zonde en schuld waaruit ook onze persoonlijke zonde en schuld voortvloeit! Dat moeten slachtoffers en daders goed beseffen – d.w.z. leren en aannemen uit Gods Woord. Onze Heer moest er Zijn heerlijkheid voor afleggen en een lijdensweg gaan onder ons mensen en door onze zonden en schuld aan het kruis genageld worden… Dus onze zonden en onze schuld zijn dus nooit als een puur individuele zondeschuld – zeg maar: als de meest individuele expressie/actie van de meest individuele beslissing – te zien en te veroordelen.

Geciteerd 3: Wat betekent het om iemand te vergeven? „Ten diepste: een ander niet meer aanrekenen wat hij jou heeft aangedaan. De koninklijke weg is dat iemand vergeving vraagt en dat –op het moment waarop dat kan– die ook geschonken wordt. Daarvoor is werkelijk schuld belijden nodig door een dader. Dat iemand voluit erkent: Ik heb schade aangericht. Als iemand die stap kan zetten, en een slachtoffer kan tot vergeving komen, is dat iets heel bijzonders en voor beiden een helende ervaring.”
Opgemerkt 3: Nee, vergeving zullen wij schenken los van of de dader het opbrengt om schuld te belijden en om vergeving vraagt. Daar is Gods Woord ‘zonneklaar’ over en als we dat nog niet ontdekt hebben en weten, dan is dat zeer verbazingwekkend! God schonk ons vergeving toen wij nog vijanden waren! En ook een zeer belangrijke reden om niet zo ‘te werk’ te zullen gaan, dat is dat wij het slachtoffer (en degenen die hen bijstaan) in een machtspositie brengen die hen niet toekomt en waar o zo gemakkelijk misbruik van wordt gemaakt om de dader tot zaken (houding, woorden, beloftes, etc.) te brengen (dwingen!) waar hij niet achter staat of kan staan en die hij dan maar af/noodgedwongen gaat doen om slachtoffer en hulpverlenenden het naar de zin te maken. Bepalen of iemand dan ook werkelijk een hartelijke schuld gevoelt en schuld belijdt wordt daardoor zelfs heel moeilijk of onmogelijk gemaakt, met alle verdere gevolgen voor het (samen) verder leven van dien!

Geciteerd 4: En zelfs als het daartoe komt, bepaalt altijd een slachtoffer hoe vergeving eruit ziet, nooit de dader. Je ziet nogal eens in pastoraat dat medelijden voor de dader de overhand krijgt. Een slachtoffer moet maar een beetje op gaan schieten met vergeving. Dan kan iemand gevangen raken in de plicht tot vergeven. Maar: een slachtoffer heeft rechten, een dader heeft ze verspeeld. Vergeving zou weleens een hele tijd later kunnen plaatsvinden dan de schuldbelijdenis. Soms hebben we, ook in de kerk, de neiging om de zaken vlotjes glad te strijken. De druk is groot om tot een oplossing te komen en soms ook om de naam van een dader te beschermen. Maar zeker bij misbruik of geweld is er een groot kwaad gebeurd, dat werkelijk ingezien moet worden. Dat kwaad toedekken brengt een ban in het leger.
Opgemerkt 4: ‘een slachtoffer bepaald hoe vergeving er uit ziet’. In ‘Opgemerkt 3’ heb ik al aangegeven dat dit het slachtoffer in een onterechte machtspositie brengt t.o.v. de dader. Ons vergeven dient onvoorwaardelijk te zijn en dat kan dus met en door Gods kracht. Wat anders is dat er mogelijk ook nog recht gedaan moet worden. En daar mag het slachtoffer de daders en anderen op wijzen en zo nodig ook steeds weer op wijzen, zolang de dader (en degenen die hem helpen/bijvallen) weigeren om dat onrecht te erkennen en/of om dat onrecht recht te zetten. Wanneer dat niet gebeurd, dan moeten we dus niet zeggen dat daardoor vergeven moeilijk(er) wordt, maar we kunnen wel aangeven waarom we de dader en degenen die hem bijvallen en/of steunen blijven achtervolgen met ons roepen om recht. En een gelovige brengt zijn zaak en de daders ook altijd weer (en dat zelfs eerst) in gebed bij God. (Zie hierbij ook heel wat Psalmen en Lukas 18 de verzen 1-8)

Geciteerd 5: Heel pastoraal formuleert de Catechismus in Zondag 51: „Gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is, onze naaste van harte te vergeven.” Voornemen: dat is een pastorale, weloverwogen formulering. Er wordt geen klem gelegd om iets te moeten doen wat niet kan. De Heere vraagt niet om dingen te vergeven waar geen vergeving voor is gevraagd. Waar Hij wel naar kijkt, is: hoe ligt het in je hart? Is daar ergens bereidwilligheid, is er dat gebed: „Heere, help mij om niet in haat en toorn te blijven steken?””
Opgemerkt 5: Hier wil ik allereerst nog wat leeswerk voor doen alvorens een (uitgebreider) ‘Opgemerkt’ te schrijven. Toch lijkt me het niet juist om God (alleen) van onze ‘goede voornemens’ te overtuigen. Daarvoor is o.a. en m.n. het onderwijs in Matteüs 18 (m.n. tweede gedeelte) te indringend en overtuigend om het dan nog met ‘goede voornemens’ (af ) te kunnen/willen doen.

Opgemerkt slot: Ik neem aan dat men goed begrijpt dat met deze Bijbelse opvattingen een slachtoffer niets wordt opgelegd en niets gevraagd wordt wat (eerst) in eigen kracht moet worden bereikt. Het is volkomen vergelijkbaar met wat Jezus vroeg van de mensen die genezing aan Hem vroegen voor zichzelf of voor een ander: geloof alleen. Denk aan de vele voorbeelden in de evangeliën en we lezen niet dat dat teveel gevraagd was… We hebben alleen maar verwachting van Hem, en wanneer dat waar is in ons eigen leven, dán durven we dat ook op grond van Gods Woord voor te houden aan anderen. Dus wanneer we dat niet aandurven, dan hebben we allereerst zelf een probleem: klein geloof, waardoor we twijfelen aan wat God ons zegt.

Zie ook: Over schuldvergeving en hulpverlening…

Bron citaten: RD Kerk& religie – ‘Paul Eikelboom: Vijfde bede leert de helende kracht van belijden én vergeven’ – door Geerten Moerkerken

‘Wie deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots.‘ (Onze Heer Jezus aan het slot van Zijn woorden in ‘de Bergrede’, zie Matteüs 7 de verzen 24-27)

Bron afbeelding: Biblia-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie