Tak(ken) doorzagen of wegbreken…

‘Wees daarom niet hoogmoedig, maar heb ontzag voor God: als Hij de oorspronkelijke takken al niet gespaard heeft, zou Hij jullie dan wel sparen?‘ (Uit Romeinen 11 uit de verzen 20-21)

Geciteerd 1: ‘Waarom willen jullie je kind laten dopen?’ Het is die vraag aan de ouders waar ik ieder doopgesprek mee begin. Opvallend is dat in de antwoorden allerlei theologische aspecten van de kinderdoop die in de gereformeerde belijdenissen en de doopformulieren genoemd worden, zoals vergeving door het bloed van Jezus Christus, het afsterven van de oude Adam en opgewekt worden tot een nieuw leven, dan vaak niet als eerste worden genoemd.

Geciteerd 2: Daarnaast is het ook goed om met de doopouders door te spreken over de vraag wat voor hen de reden is om te verwachten dat God trouw blijft. Wat mij betreft is een antwoord op die vraag niet mogelijk zonder daarbij zicht te hebben op Israël. Want als God niet trouw blijft aan Israël, wat is dan de reden om te verwachten dat Hij wel trouw blijft aan de gemeente van Jezus Christus?
Terecht heeft Karl Barth eens gezegd: ‘Wie Israël vergeet, zaagt de tak door waarop hij zelf zit.’

Opgemerkt 1: De Doop is inlijving. We worden ‘ingelijfd’ in de dood en opstanding van onze Heer Jezus Christus. En die inlijving gebeurd in het midden van Christus’ gemeente, die Zijn Lichaam is, en waarvan Hij het Hoofd is, en aan wie het Woord en de Sacramenten zijn toevertrouwd, waardoor Christus’ gemeente in deze wereld ‘pijler en fundament van de waarheid’ is. Dat mag een dopeling zich altijd weer ‘voor de geest’ halen, zelfs als de ouders en/of de gemeente waarin hij of zij gedoopt werd ‘op sterven na dood’ blijken te zijn (zie Openbaring 3 de verzen 1-5).
Paulus schrijft: ‘Wij vermogen niets tegen de waarheid, alleen voor de waarheid.’ (zie 2 Korintiërs 13 vers 8 )

Opgemerkt 2:

In Romeinen 11 schrijft Paulus: U moet goed bedenken dat niet jullie de (saprijke) wortel [=Jezus Christus] draagt maar de wortel jullie. En wanneer hij het heeft over de stam waarop wij [‘heidenen’/niet Joden’] geënt zijn naast de natuurlijke takken [de afstammelingen van Abraham, het volk Israël] en over de stam (de edele olijf) die de takken draagt, dan zullen we bij die stam hebben te denken aan het geloof van Abraham, de vader van alle gelovigen en ook aan het gelovige nageslacht/voorgeslacht van/uit Israël. Door het geloof zijn wij ‘heidenen’ verbonden (geworden) met Abraham aan wie de Engel van de Heer zwoer: ‘En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar Mijn stem gehoord hebt.‘ (zie Genesis 22 vers 18).
Israël zullen we (dus) niet hebben te zien als de tak/stam waarop wij (gelovigen) zitten en die we kunnen afzagen en waarbij wij onszelf dan mee wegzagen! Wij (geënte takken) kunnen wel, net zo goed als de natuurlijke takken, worden weggebroken (dat is Gods werk) door ongeloof!

Zie ook deze blog van goedbericht.nl

Leestips: Romeinen 11 en Galaten 3-4.

Bron citaten: De Waarheidsvriend – ‘De kerk kan het ‘verbond’ niet bij Israël weghalen en voor zichzelf in beslag nemen’ – door ds. C.J. Overeem.

‘En als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten.‘ (Uit Romeinen 11 vers 23)

Bron afbeelding: scripture-images-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Onverschilligheid en negeren is ook haten!

‘Maar dit zegt God, de HEER: Ik leg in Sion een fundament, een kostbare hoeksteen. Wie zijn vertrouwen daar op grondvest, hoeft geen andere toevlucht te zoeken.
Ik zal het recht als meetlint hanteren en de gerechtigheid als schietlood. De hagel vernietigt de schuilhoek van je bedrog, het water spoelt jullie schuilplaats weg.‘ (Uit Jesaja 28 de verzen 16-17)

Geciteerd: Komende zondag hebben we Israël als volk van Gods verkiezing extra in het vizier. Liefde tot dit volk mag tot het DNA van elke christen behoren. Dat is geen wet die je de ander oplegt. Het heeft te maken met ‘zicht op Israël’, zoals ooit een serie boekjes heette. Voor wie die liefde niet ervaart, kan Israël zomaar gelijk worden aan elk willekeurig land. Treffend is in dit verband dat de Joods-Amerikaanse Nobelprijswinnaar voor de vrede Elie Wiesel ons leerde dat liefde zich niet verhoudt tot haat, maar tot onverschilligheid (‘ik heb gewoon niets met Israël’), een onverschilligheid waarvan de Joden in de Tweede Wereldoorlog het slachtoffer werden. Wiesel: ‘Onverschilligheid tast alles aan, sust in slaap en doodt nog voordat het doodt.’

Opgemerkt 1: Vanwege de opdracht (Jezus gebod!) tot liefde tot God en de naaste, zullen we haten hebben te definiëren als God en de naaste niet die plaats gunnen en geven die God en de naaste volgens Gods Woord hen toekomen. En dan zullen we zowel het bewuste haten – zoals Hitler haat oppakte (uit zijn omgeving) en ontwikkelde tegen het Joodse volk en uiteindelijk geen middel schuwt om die haat in praktijk te (laten) brengen – als ook het al of niet bewust negeren van God en de naasten in allerlei (dagelijkse) levenspraktijk, hebben te zien als opstand tegen God – zoals die al in het paradijs plaatsvond – door niet gehoor te geven aan wat God ons heeft laten horen/weten.

Opgemerkt 2: Daarom zullen we bij het dagelijkse invulling geven aan wat God ons gebiedt ons laten leiden door Gods Woord en Geest. Want er is ook heel veel ‘goddeloos’ liefhebben en voortrekken van onze naasten. We mogen anderen niet vanuit allerlei belangen voortrekken of juist benadelen. Onze liefde zal oprecht zijn en is niet gediend met vleierij, terwijl kritiek uitoefenen – waar nodig en gepast – daar juist wel bij hoort. Onze Heer heeft dat in Zijn optreden onder het Godsvolk duidelijk laten zien hoe dat in praktijk te brengen.

‘Zet een wacht voor mijn mond, HEER,
een post voor de deur van mijn lippen.
Houd mijn hart ver van het kwaad,
verleid het niet tot goddeloze daden
met hen die onrecht bedrijven,
laat mij niet eten van hun overvloed.

Zou een rechtvaardige mij slaan, het was mij een weldaad,
zou hij mij straffen, het was balsem op mijn hoofd.
Zou ik lijden onder de kwaden, dan nog bleef ik bidden,
en werden hun leiders van de rotsen geworpen,
van mij hoorden ze woorden van deernis.’
(Uit Psalm 141 de verzen 3-6)

Leestips: Psalm 141 en Jesaja 28-29.

Bron citaat: De Waarheidsvriend (Gereformeerde Bond) – blog ‘Vreugde der wet‘ – door P.J. Vergunst

Bron afbeelding: pinterest-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Elke gelovige exegeet bij de gratie Gods…

‘Het woord van God is levend en krachtig, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden.‘ (Uit Hebreeën 4 vers 12)

Geciteerd 1: Indien men spreekt van exegese en daaronder verstaat een onderdeel van de theologische wetenschap en haar resultaat, dan doet men tekort aan het feit, dat elk gelovige, in zoverre als hij/zij gelovig is, de Schrift verstaat. Of zou men moeten zeggen, dat elke gelovige, in zoverre als hij/zij gelovig is, wetenschappelijk exegeet moet heten. Wie dat eist, wil wijzer zijn dan God, Die het wetenschappelijk werk niet aan allen, maar aan enkelen heeft opgedragen.
Heel wat moeilijkheden zouden verdwijnen, wanneer men eenvoudig de stand van zake aldus voorstelt: elke Christgelovige onderwerpt zich aan de Schrift, in die onderwerping is opgesloten dat hij/zij – al is dat altijd en bij iedereen maar ten dele – de Schrift verstaat; in dat verstaan ligt weer begrepen, dat hij/zij haar kan verklaren en toepassen op zichzelf, op een bepaalde situatie en een bepaalde taak; derhalve is elke gelovige, als gelovige, exegeet bij de gratie Gods. (1)

Nu kan het heel goed mogelijk zijn, dat er hier of daar een prediker (predikant/voorganger) gevonden wordt, die dit met geestdrift en nadruk uitroept: elke gelovige een exegeet bij de gratie Gods! Dat klinkt dan beslist niet lelijk. En men voelt zich als het ware een beetje dronken worden, als men dit zegt en hoort. Laten we daarom oppassen. Retoriek is een gevaarlijk ding, en het is tot schade van de kerk en Christenheid, dat in Europa deze onzalige erfenis van de oudheid nog voor een goed deel in dank wordt aanvaard. (…) Want blijkt even later dat deze (kansel)retoriek in de spreekkamer (bijv. bij huisbezoek of in de studeerkamer van de predikant/voorganger) op eens niet meer geldt, en de stijlvolle prediker de eenvoudige gelovige voor hem gaat bewerken met de slavenzweep van zijn theologisch tuchtmeesterschap, dan zal die eenvoudige in het gericht opstaan tegen die welbespraakte theoloog en hem veroordelen.

Toch lijkt hier een uitwegje te zijn. Men kan immers zo redeneren: Elke gelovige vergadert zich uit Gods Woord schatten van geloofskennis, en bij gevolg is elke gelovige in zekere zin een theoloog. Deze conclusie lijkt voor de hand te liggen, maar er zijn overwegende bezwaren tegen aan te voeren.
In de eerste plaats: theologie is wetenschap, het theologisch denken is wetenschappelijk denken, dat zich op typische wijze van het niet-wetenschappelijke onderscheidt. Iets dergelijks kan men niet zeggen van de exegese: exegese is de verklaring, uitlegging, en oorspronkelijk ook toepassing van Gods Woord op een bepaalde tijd, een bepaalde situatie en een bepaalde taak.

Ongetwijfeld heeft de theologische wetenschap veel met de (geloofs)kennis van God te maken. Maar er is groot bezwaar tegen, deze wetenschappelijke kennis met geloofskennis te vereenzelvigen. (…) Want de geloofskennis wordt slechts daar verworven, waar we de wil van de Vader ten opzichte van Zijn kinderen leren verstaan en kennen. We kunnen de wil van de Vader alleen leren kennen uit Gods Woord. ‘De ogen houdt mijn stil gemoed opwaarts om op God te letten‘, dat is: Op Zijn Woord te letten. En als we op Zijn Woord letten, op de manier zoals Hij dat wil, dán zijn we bezig met Schrift-exegese. Daarom is Christus onze grote Exegeet: Hij heeft ons de wil van de Vader volkomen bekend gemaakt.

De exegese is daarom allereerst een geloofswerkzaamheid die plaatsvindt waar wij in geloof ons oor te luisteren leggen bij wat Gods Woord ons te zeggen heeft, en daarbij met het oog van het geloof ontdekken dat Hij een Beloner is van wie Hem ernstig zoeken, en met de hand van het geloof Zijn beloften aangrijpen, dat is gehoorzaam zijn aan Zijn bevel, waarin Hij ons beveelt wat we hebben te geloven (2), – dán zijn we bezig met het vergaren van geloofskennis.

Geciteerd slot: De theoloog is iemand die in zijn theologisch denken niet bezig is met geloofsoefening, maar met het onderzoek van die zijde van het geschapene die we het geloofsleven noemen. Of hij zijn taak in deze recht (op de goede manier) ziet en naar behoren volbrengt, dat hangt o.m. van zijn geloof: want met het geloof verwerven we ons een kijk op onze taak in de wereld; wie dan ook de Heere niet goed vertrouwt en op Zijn Woord niet bouwen durft (3), die moet wel een scheve kijk krijgen op z’n taak en, als hij de theologie bestudeert, een slecht theoloog worden, die het vertrouwen van mede-theologen en de eenvoudige gelovigen niet waard is.

~~~

(1) Vandaar dat we een ander altijd uitnemender zullen/kunnen achten dan wijzelf (en dat wederzijds) waar het de verklaring en toepassing van Gods Woord betreft in eigen omstandigheden, persoonlijk maar ook in de gemeente (kerken) waar wij lid van zijn. Dat is zeer bevorderlijk voor het luisteren naar elkaar, en daarmee ook bevorderlijk voor het gelegenheid geven om elkaar waar nodig en gepast terecht te wijzen (zie o.a. Romeinen 15 vers 14 en Kolossenzen 3 vers 16), maar ook om elkaar ruimte te geven om (nog) van inzicht te (blijven) verschillen. Deze bescheiden houding zal ons tot zegen zijn bij het samenleven in gezin en gemeente/kerk(en)!
(2) Denk hierbij eerst en vooral aan wat onze Heer zegt in Johannes 3 de verzen 16-19, en aan Zijn onderwijs over het bidden in Lukas 11 : 1-13 en aan wat de kerk over dat wat Gods Woord ons te geloven geeft heeft samengevat in de Twaalf Artikelen en het geloofsvertrouwen dat ons m.n. ook ‘geleerd’ en geschonken wordt door en onder de bediening van Gods Woord en Doop en Avondmaal in de samenkomsten van de gemeenten van onze Heer.
(3) We hebben echter ook voorgangers en theologen die hele bouwsels menen te kunnen optrekken op het fundament van Gods Woord en waarvan toch zal blijken dat ze met hun werk niet meer dan bouwsels van hout, hooi en stro hebben opgetrokken (zie 1 Korintiërs 3 de verzen 12-15).

> Lees hierbij ook: ‘De Schrift moet preek worden…‘

Bron citaten: Boek – ‘De vrijheid der exegese’ – door dr. K.J. Popma (1903-1986) – Uitgave van Oosterbaan & Le Cointre N.V. Goes (1944)

Bron afbeelding: Nate Stevens

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Luther als pleitbezorger voor zorg voor ‘mens en dier’

‘U Heer, bent de Redder van mens en dier…’ (Uit Psalm 36 uit vers 7)

Geciteerd: Toen Luther in het openbaar opriep zowel op het terrein van het geloof als op het terrein van de wereld weerstand te bieden aan de duivel, hem als een leugenaar te ontmaskeren en als moordenaar te brandmerken, op dat moment werd zijn eigen theologische en psychologische ommekeer voor kerk en maatschappij een doorbraak die een weg naar de toekomst opende. Het begon allemaal in de Middeleeuwen, toen Luther zich van de wereld afkeerde om voor zichzelf een genadig God te zoeken. Op het ogenblik dat hij de wereld niet naar de verdoemenis wilde laten gaan (o.a. door uit het klooster te treden – AJ), maar opriep tot de strijd voor haar behoud en verbetering, maakte hij een einde aan de Middeleeuwen. Was die wereld vóór die tijd de brede, absoluut zekere weg naar de hel en leefde ze in verbond met de duivel, zo openbaart ze zich nu, in de reformatorische duivelsspiegel’, als de door God in stand gehouden wereld waarin geleefd mag en kan worden, draagster van planten, dieren en mensen. Werd Bijbellezen, bidden en andere goede werken eerst gedaan met het oog op God, om aan zijn hoge gerechtigheid te voldoen, nu worden ze omwille van de mensen gedaan met het oog op de aarde, in dienst van het leven en het overleven tot aan de jongste dag. De Reformatie van de kerk is het werk van God – aan het einde. De verbetering van de wereld is het werk van de Reformatie – nu al.

Opgemerkt: ‘De verbetering van de wereld is het werk van de Reformatie – nu al’. Zoals hoogleraar Heiko A. Oberman het hier formuleert heeft Maarten Luther het nooit gezegd en m.i. ook niet zo willen formuleren/samenvatten. Beter lijkt het me om te zeggen dat christenen met en door het Evangelie alle reden hebben om dankbaar zorg te dragen voor ‘mens en dier’. Ze zullen niet langer naarstig – en liefst afgezonderd van de wereld – op zoek zijn naar heil verwerven voor zichzelf, maar ze zullen zich, als door God geredde en in vrijheid gezette kinderen, dankbaar wijden aan de zorg voor ‘mens en dier’. En dat niet met het oog op verbetering van deze wereld, maar omdat Gods Geest hen daartoe dringt. Zó zullen zij het werk van hun Heer en Heiland navolgen, met alle deemoed en ernst, en daarmee en daardoor – net als hun Heer* – beelddragers zijn van hun hemelse Vader.
* Zie Johannes 14 vers 9.

Leestip: Johannes 14

‘Ik ben ervan overtuigd dat het lijden (van hen die geloven en hun geloof met woord en daad belijden) in deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. Want de schepping is ten prooi aan de zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan onderworpen heeft. Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt.’ (Uit Romeinen 8 de verzen 18-21)

Bron citaat: ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – hoofdstuk VI ‘De aangevochten reformator’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001), verkreeg een doctoraat in de theologie in Utrecht (1957) en was hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (Arizona, USA).

Bron afbeelding: Biblenets-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Maarten Luther als mislukkeling?

‘Want wij vermogen niets tegen de waarheid, wel voor de waarheid.‘
(Uit 2 Korintiërs 13 vers 8)

Geciteerd 1: Luther ziet zichzelf als mislukkeling. Overal in Duitsland grepen vorsten de reformatie aan om een politiek slaatje te slaan uit de hevige machtsstrijd die inmiddels in heel Europa woedde.
Vorsten, keizers en paus bevochten elkaar of gingen juist verbonden aan, de kerk viel uiteen en Europa werd één grote lappendeken van katholieke en protestantse vorstendommetjes.
Ondertussen zat Luther thuis. Hij had steeds minder op met de beweging die hij zelf begonnen was. In gezelschap van zijn echtgenote Katharina, een ex-non die haar klooster had verlaten, en zijn zes kinderen schreef hij psalmen en preken en probeerde hij een nieuwe kerk van de grond te krijgen.
Maar steeds vaker draaiden Luthers pogingen uit op oeverloos gekibbel tussen hem en zijn geestverwanten. Hij maakte een enorm punt van futiliteiten als de doop of het heilig avondmaal.
Hij had het gevoel dat alles tegenzat, en hij keerde steeds meer in zichzelf. Toch ging de hervormer door met zijn werk, en hoewel hij de grip op zijn beweging kwijt was, was hij nog altijd geliefd.

Geciteerd 2: Hoewel hij zichzelf nooit Reformator genoemd en zich ook niet als zodanig gezien heeft – alleen Christus is Reformator en pas de jongste dag zal de ‘Reformatie’ brengen -, blijft toch het feit bestaan, dat hij ‘de zaak begonnen is’ en het Evangelie opnieuw ontdekt heeft. Hij ziet zichzelf als instrument van God en kan zich daarom ‘profeet’ of ‘evangelist’ noemen. Op dit ambt heeft de gemeenste – meest onthullende aanvechting van de duivel het gemunt: ‘Wil jij alleen wijs zijn?’ Zou God het werkelijk toelaten dat zoveel generaties van Christenen in onwetendheid omtrent de waarheid gestorven zijn?
Zijn ontsteltenis over deze kritiek heeft Luther open en eerlijk uitgesproken. Met als gevolg dat hij er zelf geen aanleiding voor heeft gegeven dat tijdgenoten of latere generatie van hem een imposante held konden maken, een redder van kerk en rijk die zich nooit en te nimmer heeft vergist. In een tijd, die ‘vernieuwing’ als ‘terugval’ verwerpt en ‘verandering’ als ‘ketterij’ brandmerkt, moesten de aanvechtingen die zich op zijn ambt richtten, hem tot in het diepst van zijn ziel raken. Wie ‘alleen wijs wil zijn’, wacht de hel en wordt geplaagd door schuldgevoel zijn aanhangers in de armen van de duivel gedreven te hebben. Elke keer weer als de duivel hem zo op de huid zat, restte hem slechts dit ene antwoord: Alleen God is de zekerheid, die ook dan niet aan het wankelen gebracht kan worden, wanneer Christenen sterven die verkeerd zijn voorgelicht.
Zelfs als de gelovigen in ‘Babylonische ballingschap’ gevoerd werden en te lijden hadden onder de leer en onderdrukking van het pausdom, konden zij hun toevlucht nemen tot de onvergankelijke, door God ingestelde ‘schatten van de kerk’: Schrift en sacramenten (Doop en Avondmaal), geloofsbelijdenis (zoals verwoord in de ‘twaalf artikelen’) en het Onze Vader. (…) Dit houvast is echter alleen in de Schrift te vinden – en moet ook steeds weer ‘ontdekt’, dat is: van allerlei bedekking ontdaan worden (AJ) – en daarom kan de duivel alleen bestreden worden met een ‘ondubbelzinnige tekst’. De belijdenis die Luther in Worms ten overstaan van de keizer uitsprak – ‘Hier sta ik, God helpe mij, Amen’ – is een uitdrukking van zijn zekerheid in weerwil van eigen plannen en wensen door God als instrument te zijn geroepen.

Opgemerkt: Voor Luther zijn de sacramenten Doop en Avondmaal dus beslist geen futiliteiten waar oeverloos over gekibbeld kan worden, maar behoren ze tot de onvergankelijke, door God ingestelde ‘schatten van de kerk’, die ons verzekeren van de waarheid van het Evangelie, namelijk: dat God ons om Christus’ wil een genadig en barmhartig God en Vader is.

Zie ook: ‘Een slimme en berekenende Luther te Worms?‘

Bron citaat 1: Historia-net – ‘Maarten Luther: Boze monnik trotseerde paus’ – door Else Christensen
Bron citaat 2: ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – hoofdstuk VI ‘De aangevochten reformator’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001), verkreeg een doctoraat in de theologie in Utrecht (1957) en was hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (Arizona, USA).

‘Omdat God ons in Zijn barmhartigheid deze taak gegeven heeft, verzaken wij onze plicht niet. Integendeel we hebben ons afgekeerd van heimelijke lafheid: we gaan niet sluw te werk, vervalsen het Woord van God niet, maar maken de waarheid openlijk bekend.’ (Uit 2 Korintiërs 4 de verzen 1-2)

Bron afbeelding: Vessels of Blessing

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Een slimme en berekenende Luther te Worms?

‘Paulus, een gevangene van Christus Jezus…’ (Uit Filemon 1 uit het 1e vers)

Geciteerd 1: De afgevaardigden (op de rijksdag te Worms) moesten beseffen welke kwade krachten er vrij zouden komen als we ‘Gods woord beginnen te veroordelen. En we moeten uitkijken, want anders wordt de regeerperiode van onze jonge, nobele prins Karel – op wie na God onze hoop gevestigd is – een moeilijke tijd,’ vleide Luther.
Door Karel te associëren met het woord van God schiep Luther een afstand tussen de keizer en de paus in Rome.
Luther wist nu dat hij de keizer en de rijksdag precies had waar hij ze hebben wilde, en concludeerde dat ‘mijn geweten gevangen is in het woord van God – ik ben niet in staat en niet van zins er iets van terug te nemen’.
Tevreden met de gang van zaken verliet Maarten Luther de overvolle zaal. In de smalle straatjes buiten de rijksdag werd hij toegejuicht door de menigte.

Geciteerd 2: Luther ging zijn weg naar Worms niet als een triomfator, evenmin als een demon of als een wonderdoener. In werkelijkheid klom een zeer aangevochten man uit de reiswagen.
Op de eerste dag toen hij verscheen voor keizer en Rijk was Luther zo bedeesd dat hij nauwelijks te verstaan was. (…) Op het eind van die dag had hij nog bedenktijd gevraagd, opdat ik zonder het Woord van God geweld aan te doen en zonder gevaar voor mijn ziel het juiste antwoord kan geven’. Daarna was het (op de tweede dag) niet meer mogelijk een ontwijkend antwoord te geven of tijd te vragen om na te denken, zijn stellingen af te zwakken of opnieuw in overweging te nemen. De man die de ondervraging leidde, kon zijn spot over de aarzelende monnik niet voor zich houden: men mag toch van iedereen verwachten dat hij elk moment in staat is duidelijk en onverschrokken van zijn geloof te getuigen. En jij zeker. Jij een beroemde en ervaren professor in de theologie! De officiaal uit Trier, Johannes von der Ecken, behandelde de zaak zo soeverein en ironisch dat nuntius Aleander de curie voorstelde hem voor zijn prestatie royaal te belonen.

Geciteerd 3: Op het nageslacht heeft het beroep dat Luther deed op het geweten als de hoogste instantie bij het nemen van een beslissing buitengewoon grote indruk gemaakt. De zinsnede ‘hier sta ik, ik kan niet anders’ werd zo geïnterpreteerd dat de woorden het fundament vormen voor de vrijheid van het geweten. Dat gebeurde vanuit het begrijpelijke verlangen Luther tot een wegbereider van de Verlichting te maken. Tegen deze opvatting moeten echter ernstige bezwaren aangevoerd worden…

Geciteerd 4: Luther heeft het christelijk geweten bevrijd, bevrijd van de raadgevingen door pauselijke decreten en het kanonieke recht. Tegelijkertijd heeft hij het gevangen genomen, gevangen door het Woord van God en verantwoordelijk in dienst aan de wereld. (…) Want de wetenschap dat de gerechtigheid (om niet!) geschonken wordt, bevrijdt de mens van iedere zucht naar loon en stelt hem in staat ‘louter om niets vroom’ te zijn -, niet uit vrees voor straf en hel, maar alleen tot eer* van God en – ‘tot heil van de naaste’.
* Beter: uit louter dankbare liefde tot God.

Zie ook: ‘Luther als mislukkeling?‘

Bron citaat 1: Historia-net – ‘Maarten Luther: Boze monnik trotseerde paus’ – door Else Christensen
Bron citaat 2-4: ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – hoofdstuk IV ‘De aangevochten reformator’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001), verkreeg een doctoraat in de theologie in Utrecht (1957) en was hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (Arizona, USA).

‘Schaam u dus niet voor het getuigenis van onze Here of voor mij, zijn gevangene, maar wees mede bereid voor het Evangelie te lijden in de kracht van God, die ons behouden heeft en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en de genade, die ons in Christus Jezus gegeven is vóór eeuwige tijden, doch die nu geopenbaard is door de verschijning van onze Heiland, Christus Jezus, Die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het Evangelie.‘ (Uit 2 Timoteüs 1 uit de verzen 1-18)

Bron afbeelding: biblenets-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Gods Koninkrijk kunnen zien en belijden…

‘Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van Zijn geliefde Zoon, Die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden.‘ (Uit Kolossenzen 1 de verzen 13-14)

Geciteerd 1: Tegelijk bid ik deze woorden met het oog op de voorlopige gestalte van het Koninkrijk nu. In Christus is dat Koninkrijk op aarde gekomen. Toen de Farizeeërs vroegen waar dat was, antwoordde Hij: „Het Koninkrijk is binnen ulieden.” Dat betekent: „De Koning staat nu midden onder u.” Daar mogen we nu al uit leven.”

Opgemerkt 1: Het probleem van de Schriftgeleerden en Farizeeën was dat ze dat Koninkrijk van God niet ‘zagen’ en anderen verhinderden ze om Jezus (openlijk) te erkennen (zie Johannes 12 : 42-43).
Jezus zegt tegen Nicodemus: ‘Waarachtig (voorwaar, amen) ik zeg u, tenzij iemand wedergeboren wordt kan hij/zij het Koninkrijk van God niet zien’ En ook: ‘Niemand kan het Koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij/zij geboren wordt uit water en Geest.’

Opgemerkt 2: In Lukas 7 lezen we dat wie zich door Johannes de Doper hadden laten dopen (o.a. ook de tollenaars) hulde brachten aan God om wat Jezus hen gezegd had over het Koninkrijk van God, want zo staat er: ‘zij hadden zich immers laten dopen. Maar de Farizeeën en Schriftgeleerden verwierpen de raad van God: zij hadden zich immers niet laten dopen door Johannes.‘ Zij weerstonden het werk van de Geest door de waterdoop van Johannes niet te willen ondergaan en ook door Jezus niet te willen erkennen ondanks alles wat ze over en van Hem hoorden en zagen. Maar het begon dus al bij het minachten van de waterdoop (van Johannes).

Opgemerkt 3: We zullen ons zeker afvragen of Nicodemus na het (blijkbaar liefst geheim gehouden) gesprek met Jezus zich (mogelijk ook in het geheim) heeft laten dopen door de discipelen van Jezus (zie Johannes 3 de verzen 22-30 en 4 de verzen 1-4).
Het is toch ook niet voor niets dat de evangelist Johannes zoveel aandacht geeft in de eerste drie hoofdstukken aan woorden en werk van Johannes de Doper en ook de aandacht van de Farizeeën en Schriftgeleerden voor deze ‘doper in de woestijn’. We horen dat Jezus tegen Nicodemus zegt: ‘”Begrijpt u dit niet, terwijl u een leraar van Israël bent? Waarachtig (voorzeker, amen) ik zeg u: wij spreken over wat we weten en we getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie accepteren ons getuigenis niet.”‘ Wanneer onze Heer hier spreekt over ‘wij’ en ‘ons’ dan zullen we zeker te denken hebben aan Johannes de Doper en wat hij getuigd heeft én gezien! – zie m.n. Johannes 1 de verzen 33-34.

‘Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in eeuwigheid. Amen‘
(Uit Matteüs 6 vers 13)

Bron citaat: RD Kerk & religie – ‘Ds. Koppelaar (HHK) verlangt naar een ontmoeting met de Koning’ – door Maarten Stolk

Bron afbeelding: Sjaak Verboom

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Wat bij de (kerk)mensen in hoog aanzien staat…’

‘Maar Jezus zei tegen hen (de Farizeeën): “U wilt bij de mensen altijd voor rechtvaardig doorgaan, maar God kent uw hart. Wat bij de mensen in hoog aanzien staat, is een gruwel in de ogen van God.“‘ (Uit Lukas 16 vers 15)

Meritocratie: misschien toch ook vrucht van platonisme en calvinisme?

Geciteerd 1: In Nederland heerst volgens Meyer het geloof in een meritocratie. ‘Alles wat je overkomt, is je eigen verdienste. Of je eigen schuld. Door dat geloof kunnen verantwoordelijken wegkijken en elke intellectuele discussie over fundamentele, essentiële, onrechtvaardige verschillen uit de weg gaan. Zelfs het kind dat vandaag geboren is in Heerlen-Noord, had er zelf voor moeten kiezen om bij de ouders weg te kruipen’, zegt Meyer.
Geciteerd 2: Meyer leerde toen twee belangrijke lessen: dat je niet voor anderen moet denken, maar ze zelf vraagt naar hun behoeften en ideeën. En dat ‘ogenschijnlijk kleine overwinningen kunnen leiden tot grote revoluties in de hoofden van mensen’.
Geciteerd 3: Die arbeidersklasse van vandaag noemt Meyer ‘de onmisbaren’. Het gaat hem om de pakketbezorger, de schoonmaker, distributiemedewerker, kassière en de thuiszorgmedewerker. De mensen die het land draaiende houden, maar die bovengemiddeld vaak weinig betaald krijgen en in slechte omstandigheden leven. Mensen die, volgens Meyer, geen toegang tot media, economie en macht hebben.
* Meritocratie (vrij vertaald: geregeerd door degenen die het verdienen) is een maatschappijmodel waarin de sociaal-economische positie van elk individu is gebaseerd op zijn of haar verdiensten (merites).

Geciteerd 4: Laat die oude verzinsels [of fabels] toch los, waardoor men in de christenheid zulke onderscheidingen heeft gemaakt, haar verdeeld heeft in allerlei geestelijke standen en werken. Vertrap ze met uw voeten! Natuurlijk weet ik ook wel dat in de wereld en in het burgerlijk leven niet iedereen gelijk kan zijn, dáár is de een hoger dan de ander. Echter in het leven en de stand van een christen is dit niet van toepassing, dat gaat daar hoog en ver bovenuit. Daarin is van dit verschil in standen geheel geen sprake. Niets op aarde kan hiermee worden gelijkgesteld. Het verkrijgen van God de Vader en van het eeuwige leven door Jezus Christus is een schat die zo groot en zo hoog verheven is, dat geen mensenhart (1) dat genoeg kan bevatten.
Daarom wordt het door de mensen – en juist ook de (intellectueel, financieel) meer bedeelden onder hen (AJ) – ook moeilijk aangenomen. Men ergert zich eraan, men valt op iets anders aan, op iets wat het verstand kan begrijpen, toestemmen en vasthouden. Voor het verstand blijft deze schat altijd vreemd en verborgen.
Het verstand kan het Evangelie niet voor waar houden en niet hoog achten. Ze kan zich er niet geheel en al op verlaten. Ze voelt en tast het niet. Ze zoekt altijd iets in zichzelf (2), om dat te maken tot haar grond. Iets van zichzelf, waarop ze zich kan beroemen. Zodat ze kan zeggen: ‘Kijk eens wat ik allemaal heb gedaan! (2) En nu hoop ik maar dat God het ook zal waarderen en bewonderen.’ (3)

Opgemerkt: Luther ziet dus geen baat van een groot verstand en een hele theologie – ook niet de ‘ethische theologie’? – (4) voor het verstaan van de boodschap van het Evangelie, dat alleen door het verkondigde Woord en het werk van de Geest in mensenharten gewerkt wordt. Blijkbaar is Maarten Luther door Gods genade een heel goed luisteraar geworden en wat hij uit het Woord (5) heeft mogen horen, dát heeft hij ons steeds weer willen voorhouden/verkondigen.

(1) Daarom zijn we ook aan elkaar gegeven in de gemeente zonder onderscheid in standen en rangen!
(2) In bepaalde gemeenten/kerken wordt je (door het curatorium) zelfs niet toegelaten tot de opleiding voor predikant, wanneer je hen niet eerst allerlei bijzonderheden over wat je bij jezelf gevonden en bevonden hebt kunt vertellen.
(3) En zelfs dit klinkt nog te bescheiden, men durft er zich op te laten voorstaan onder de broeders en zusters – voor zover men deze ook daadwerkelijk door het geloof als broeders en zusters aanvaard/beschouwd, want ook daar ontbreekt het wel/zelfs aan, dan zijn het niet meer dan ‘onbekeerde medekerkleden’ voor/van hen.
(4) Zie artikelen serie in Ecclesia: ‘De rijkdom van de ethische theologie (I-VI)’ waar je blijkbaar de genialiteit (zie VI – slot) van een Johannes Hermanus Gunning Jr. (1829-1905) voor/bij nodig hebt om wetenschap en geloof bij elkaar te houden.
(5) Maarten Luther werd op de Rijksdag van Worms (Duitsland, 1521) noodgedwongen teruggedrongen tot op het Woord en zijn hart (geweten) alleen. Calvijn maakte later op de vergaderde clerus in Lausanne (Frankrijk, 1536) indruk door zijn fenomenale kennis van de theologie van de kerkvaders…

‘Voor het overige broeders en zusters, laat de Heer uw vreugde blijven. Ik heb er geen moeit mee te herhalen wat ik u (al eerder) geschreven heb: het is voor uw eigen bestwil. Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken, pas op voor die versnijdenis (van het Evangelie) van ze! Wij zijn het die besneden zijn, wij verrichten onze dienst door de Geest van God en laten ons voorstaan op Christus Jezus, niet op onszelf, hoewel ik reden genoeg zou hebben om op mezelf te vertrouwen. (6) Als anderen menen dat te kunnen, dan kan ik dat zeker.‘ (Uit Filippenzen 3 de verzen 1-4)
(6) Denk hierbij ook aan Paulus opdracht om niet uit te gaan ‘boven hetgeen geschreven is‘ en zie m.n. ook Paulus woorden in 2 Korintiërs 11-13 en ook het vervolg van het hier geciteerde tekstgedeelte uit Filippenzen 3).

Bron citaten 1-3: De Correspondent – ‘Het gaat te weinig over klasse (of: hoe een magnetron het begin van verandering kan zijn)’ – door Hizir Cengiz (Correspondent Twijfel)
Bron citaat 4: ‘Vrees niet, geloof alleen – Dagboek over het geloof’ – Citaat/meditatie van 30 augustus – Dagboek samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Uitgeverij: Den Hertog BV (Houten)

Bron afbeelding: Biblia-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Steeds het goede doende’…

Veertien vertroostingen (nr. 20)

Voor ‘de werkers’ die vermoeid en belast zijn – door Maarten Luther,
Augustijner monnik te Wittenberg (1520)

Eerder ontvangen zegeningen gedenken en overdenken…

‘Werp uw brood uit op het water, en ge zult het terugvinden na vele dagen.‘
(Uit Prediker 11 vers 1)

Geciteerd: De apostel Petrus zegt in 1 Petrus 5 [: 7]: ‘Werp al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u.‘ Psalm 55 [: 23] zegt: ‘Leg uw last op de Heer en Hij zal u steunen.‘ En we lezen in 1 Petrus 4 [: 19], ‘Laat daarom degenen die lijden volgens de wil van God hun ziel aan de getrouwe Schepper overgeven, steeds het goede doende.‘

Als een mens onze God maar in dát licht kon zien! Hoe gelukkig, hoe kalm, hoe vredig en gerust zou zo iemand zijn! Zo iemand zou dan leven in het besef van een God te hebben van Wie werkelijk gezegd (beleden) kan worden: ‘al onze bronnen zijn alleen in U.’ (Psalm 87 slotvers – AJ), zodat er niet aan getwijfeld wordt dat alles hem of haar toe valt onder het bestuur van Gods meest genadige wil. Het woord van Petrus klinkt hier heel stellig: ‘Hij zorgt voor u.’ Kunnen we een zoeter en aangenamer geluid horen dan dit woord? Daarom zegt hij ook: ‘Werp al je zorgen op Hem.’

Als we dit echter niet doen en menen dat wij voor onszelf moeten opkomen en zorgen, dan is ons doen en laten in feite toch niets anders dan een belemmeren van Gods goede zorg voor ons, om daarmee een leven van verdriet en onophoudelijke inspanning voor onszelf te creëren, vol van onrust en veel angsten en zorgen? En het is zo volkomen zinloos! We bereiken daarmee niets goeds, zoals de Prediker zegt: “Het is ijdelheid der ijdelheden, en vermoeien (kwellen) van de geest.’ [Prediker 1 : 2, 14].

Inderdaad, dit hele boek [Prediker] spreekt over deze ervaring, want het is geschreven door iemand die zelf veel dingen heeft uitgeprobeerd, maar ze allemaal als niets anders bevond dan zwoegen, ijdelheid en vermoeienis (kwelling) van de geest. Hij kwam uiteindelijk tot de conclusie dat het een geschenk van God is wanneer een mens kan eten en drinken en vreugdevol met zijn vrouw leven, dat wil zeggen wanneer iemand zijn dagen doorbrengt zonder angst en zijn of haar zorgen aan God toevertrouwd.

Daarom zouden we geen andere zorg voor onszelf moeten hebben behalve dit, namelijk dat we niet op zo’n manier voor onszelf (zullen) zorgen dat we God van zijn zorg voor ons beroven.
Wat er (tenslotte) nog overblijft om te zeggen, kan eenvoudig worden afgeleid uit het hiermee corresponderende beeld van het kwaad (waarover ik eerder sprak) en ook door ons het eigen voorafgaande leven in herinnering te brengen.

Maarten Luther: Tessaradecas Consolatoria Pro Laborantibus et onerantis (Weimarer Ausgabe) WA 6, (99) 104–134. (Vertaling gebruikt: Luthers Works, American Edition, Vol. 42, p. 117 ev)]

Lees hierbij ook: Prediker: In waarheid spreken van geloof, hoop en liefde…

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Anders is er geen beginnen aan!

… De Heer… Die jullie… heeft bevrijd. (Uit Exodus 20 uit vers 2)

Geciteerd 1: (…) Wat mij altijd weer raakt, is dat deze tien woorden, zoals ze ook wel worden genoemd, vooraf gegaan worden door de uitspraak dat God het volk – door de belofte aan Abraham Zijn volk! – heeft bevrijd. In die volgorde zit een groot geheim. We kunnen namelijk alleen maar volgens Gods bedoelingen leven als bevrijde mensen.

‘Indien jullie dan met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus zit aan de rechterhand van God.’ (Uit Kolossenzen 3 vers 1)

Geciteerd 2: Als je op de goede manier wilt roemen en troost ontvangen uit deze prediking dat Christus door Zijn sterven en opstanding jou heeft verlost, dan moet je niet blijven in je oude zondige leven, maar een nieuwe huid aantrekken. Zijn sterven en opstanding heeft plaatsgevonden (zie Romeinen 6), zodat ook jij tenslotte aan de wereld zou sterven en met Hem gelijk worden in Zijn opstanding (vgl. 2 Korintiërs 5 vers 15). Dat is: dat je zou beginnen een nieuwe mens te worden, zoals Hij in de hemel is. Dit houdt in: dat je iemand wordt die geen verlangen en liefde meer heeft voor gierigheid en bedrog ten koste van de naaste, maar tevreden is met wat God je aan middelen geeft. Dan wordt je milddadig, welwillend, vriendelijk en liefdevol voor allen die je nodig hebben.

Opgemerkt 1: Begrijpt u nu waarom we – zoals het volk van God eertijds de bevrijdende doortocht door de Rode Zee ontving – we onze Doop ontvangen als bewijs van Gods reddende kracht?! En na die bevrijding mocht het volk gaan luisteren naar wat God hen te zeggen had en wat Zijn bedoeling was van de bevrijding uit de slavernij. Daarom begint God ook met die bevrijding voorop te stellen wanneer Hij tot het volk gaat spreken. En zo was en is het ook met de Doop, die ontvingen Joden en heidenen voordat ze zich stelden onder het onderwijs van de apostelen. En in gemeenten waar de kleine kinderen gedoopt worden, gaat het net zo. Ze worden eerst in Gods vrijheid gezet en dan zullen ze goed luisteren (lees het in Exodus 19) en zullen we de weg naar het ‘beloofde land’ gaan die God ons wijst, zelfs al voert die door de woestijn.

Opgemerkt 2: Lees Exodus 20 de verzen 1-11. Wat een bevrijdende woorden en wat wordt door Hem ons vooral ook rust gegund! Laten we die rust ook zoeken op de zondagen en die gebruiken om ons te laten onderwijzen, maar dat dus niet als slaven, maar als dankbare uit slavernij verloste kinderen: niemand uitgezonderd!

Bron citaat 1: Dag in dag uit 2022 – Meditatie van zaterdag 20 augustus – Leger des Heils | Ark Media
Bron citaat 2: ‘Vrees niet, geloof alleen – dagboek over het geloof’ – Citaat/meditatie van 19 augustus.

Bron afbeelding: Do not Depart
(It Matters What You Think – Memorizing the Word)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie