Dorst naar gemeenschap…

Mijn ziel dorst naar de levende God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?‘ (Uit Psalm 42 vers 3)

Geciteerd: De gewone dorst is een sterk verlangen naar water. Alle gelovigen zijn en blijven mensen die (dagelijks) dorst hebben naar God. Dat geldt niet alleen als zij zich bovenmatig aftobben om genade te ontvangen, om gered te worden en om hun toevlucht tot God te nemen. Nee, die dorst is er ook wel eens op bijzondere momenten als zij veel indrukken hebben van hun blijvende geestelijke zwakheid. Het hart kan wel eens buitengewoon verlangen om de genezing te ontvangen uit Jezus’ volheid. Ja, net zomin als een gezond mens zijn dagelijkse drinken missen kan, net zomin kan een gelovige de dagelijkse werking van Gods Geest missen. Die moet immers zijn leven onderhouden en hem in staat stellen de dingen die hij/zij doet op goede manier te doen (verg. Jesaja 27 vers 3).
Deze dorst naar de gemeenschap met de levende God is zelfs een blijvend kenmerk van het gelovige hart. Hoe goed het hart Hem ook kent en hoeveel liefde het ook van Hem ontvangt, toch raakt het nooit verzadigd. Het kan zelfs gebeuren dat op momenten dat onze ziel de grootste vreugde ervaart, het verlangen naar de volkomen verzadiging en onmiddellijke genieting het sterkst is. Dit wordt ‘het verlangen van de nieren’ genoemd. Het is een voortdurend zuchten in deze tabernakel: ‘En niet alleen dit, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zelf, zeg ik, zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam‘ (Romeinen 8 vers 23).
We zien hier dus (in Psalm 42) dat we van David in vele opzichten kunnen zeggen dat zijn hart naar God dorstte. Hij wordt getekend als een godzalige man die gekweld werd door vele inwendige en uitwendige omstandigheden. Hij moest steeds voor zijn vijanden vluchten en miste daardoor de intieme omgang met de Heere. Hij zag gelovig uit naar de volkomen verzadiging, zoals hij het zelf onder woorden bracht: ‘maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken‘ (Psalm 17 vers 15).

Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader, die de vader is van elke gemeenschap in de hemelsferen en op aarde. Moge Hij vanuit zijn rijke luister uw inwendige mens (uw ziel) kracht en sterkte schenken door zijn Geest, zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde. Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u vervuld zou worden tot heel de volheid van God.‘ (Uit Efeziërs 3 de verzen 14-19)

Bron citaat: Reveil-serie – ‘Wat verlangt uw hart’ – Preek van Johannes Temmink (1701-1768) – No. 586, augustus 2022

‘Heer niet trots is mijn hart, niet hoogmoedig mijn blik,
ik zoek niet wat te groot is voor mij en te hoog gegrepen.’
(Uit Psalm 131, een pelgrimslied van David, het eerste vers)

Bij de afbeelding: Een hert(hart) dat rust in de schaduw van de Almachtige…

Bron afbeelding: Xiamen International Christian Fellowship

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over (geestelijk) hartsverlangen gesproken…

Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan, en voor de levende God verschijnen?‘ (Uit Psalm 42 vers 3)

Geciteerd: Dat iemand leeft, kan heel duidelijk aangetoond worden als men ziet dat hij kan spreken en verstandig nadenken; dat hij kan staan, lopen en werken; dat hij kan eten en drinken, en zo meer. Dat zijn echter niet de enige bewijzen. Als iemand deze handelingen niet kan uitvoeren, kan men op grond daarvan niet besluiten dat hij niet leeft. Een pasgeboren kind of iemand die ernstig ziek is, kan dit ook niet en toch geven ze overtuigende tekenen van leven. De pogingen om overeind te komen, het kreunen en kermen van pijn, het huilen vanwege ziekte of verlies zijn onmiskenbare bewijzen dat er gevoel en leven is, hoewel zwak en gebrekkig.
Zo is het ook in het leven van de genade. Als er sprake is van een levend geloof dat spreekt; als de ziel kan jubelen en springen en als dit haar geestelijk voedsel is; als de ziel krachtig in de Heere is en niet verleid wordt; als de ziel als een held de vijand in het slijk van de staten overwint, loopt en niet moe wordt, wandelt en niet mat wordt – dan gaat het goed met de ziel en zij leeft.
Maar als we zouden beweren dat we van de gelovigen moeten denken dat ze het leven uit God niet bezitten, omdat ze deze kentekenen niet altijd altijd laten zien, dan doen we Gods kinderen groot onrecht en verdriet aan. (1)
Het geestelijk leven op aarde is vaak nog heel onvolmaakt en aan veel levensgevaarlijke ziekten onderhevig, zwak als bij pasgeboren kinderen. Zelfs in de meest standvastige kinderen van God. Het lijkt er soms op dat er geen levenstekenen gezien worden dan alleen vruchteloze pogingen om zichzelf (en anderen?) moed in te spreken of enige geestelijke werkzaamheden te verrichten. De ziel kan vaak in haar verdriet niet anders doen dan zuchten en klagen: Ik ellendig mens. Ze treurt omdat ze haar gemis beleeft; ze roept om genade, genezing en voedsel tot versterking.

Geciteerd 2: Deze preek is een voorbereiding op het Heilig Avondmaal, en de boodschap van deze tekst is in het kader van onze vervolgpreken naar mijn gedachte heel geschikt om het genadeleven te beproeven van hen die aan (de viering van) het Heilig Avondmaal willen deelnemen. De tekst laat ons een gelovige zien die in eigen leven niet veel goede werken vindt. Er kan niet blij geroemd worden in een sterk geloof, maar er wordt alleen gezucht vanwege het gemis van de ziel en gekermd om de hulp van God, Die de God van zijn of haar leven is.

Opgemerkt: (1) Wanneer echtgenote en kinderen en broeders en zuster (van het pastoraat) dat in mij waren blijven zien: een diep gelovig kind van God, die in welvaartstijd steeds weer diep – vanwege zichzelf en zijn gebrekkige ijver t.a.v. Jezus’ opdracht ‘zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid’ – teleurgesteld werd en daardoor herhaald in een geestelijke (!) crisis over zichzelf geraakte, dan hadden zij mij hun liefde en zorg niet onttrokken. Nu haakten ze af, terwijl ze er zelf (herhaald!) aan hadden willen en mogen meewerken om hun broeder geestelijk/Geestelijk weer op weg te helpen. Voor mij is dat laatste toch altijd nog weer reden om geen van hen (als broeders en zusters in de Heer!) te willen mijden of af te schrijven en waar nodig hen te willen wijzen – middels mijn ‘godsdienstig geschrijf’* – op hoe met elkaar te gaan in het spoor (de voetstappen) van onze Heer en Heiland.
* En daarbij heb ik niet alleen hen (mijn ‘verwanten’ en broeders en zusters in eigen gemeente) op het oog, maar allen die verlangen om ook vandaag (weer) het Christelijk geloof met Woord (en hun woorden daarbij) en daad te belijden.

Leestips: Psalm 42-43, Jakobus 4 en deze preek (zie informatie bij/onder ‘Bron citaat’).

Bron citaat: Reveil-serie – ‘Wat verlangt uw hart’ – Preek van Johannes Temmink (1701-1768) – No. 586, augustus 2022
NB. Deze preek (of abonnement op prekenserie) aanvragen kan per email: reveil@pietersgroede.nl)

Nader tot God, dan zal hij tot u (ouderen) en jullie (jongeren) naderen. Reinig uw handen zondaars; zuiver uw/jullie hart, weifelaars. Weeklaag, wees treurig en laat uw tranen vloeien. Laat uw lachen veranderen in droefheid en uw vreugde in somberheid. Verneder u/jullie voor de Heer, dán zal Hij (!**) u/jullie verheffen.‘ (Uit Jakobus 4 uit de verzen 4-17 de verzen 8-10)
** Verwacht het hierbij werkelijk van Hem (zie o.a. het leven van Jozef en de woorden van Psalm 37)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De ‘theologenstand’ opgeheven?

Want het Koninkrijk Gods is niet spijze en drank, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door de Heilige Geest.‘ (Romeinen 14 vers 7)

Geciteerd: Wanneer wij het geloof hebben ontvangen, dan vragen wij ook: ‘O Heere, geef mij Uw Geest, zodat ik weet wat ik doe. Lieve Heere, ik weet niets van wat ik kan en mag doen.’ Wat God hem of haar nu opdraagt, het mag zijn wat het wil, hij doet het zonder mopperen tot nut (heil!) van zijn naaste. Hij gaat geen eigen werk verzinnen en wat hij of zij doet, dat wordt gedaan in geloof. Daarom alleen zijn de werken goed.
Zó gebiedt God aan de moeders dat zij hun kinderen zullen verschonen, die in bad doen en zullen aankleden. Zij doen daarmee een goed werk. Hoewel het maar verachtelijke werkjes schijnen te zijn. Zo doet ook de vader een goed werk als hij zijn huisgezin verzorgt en als hij op één dag honderd klusjes doet, dan zijn die allemaal goed. Ook als hij hout hakt of de kachel aanmaakt, dan doet hij daarmee een goed werk.
Werkelijk, hij doet daarmee beter dan een monnik die veel rozenkransen bidt, want alleen door de heilige Geest en door het geloof zijn alle werken goed. Hiermee wordt de hele monniken- en nonnenstand opgeheven.
Het rijk Gods bestaat immers niet in kleding (!) gebaren, slecht eten en kwaad drinken, nee het bestaat in waarheid en in gerechtigheid. Dat zegt Paulus ook in Romeinen 14 vers 17: “Het Rijk van God is niet gelegen in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de heilige Geest.’

Opgemerkt 1: Door het hele gewone dagelijkse bidden en Bijbellezen zullen we zien en begrijpen wat Gods wil is voor ons bezig zijn op een bepaalde dag. En voor mij betekende dat indertijd zorg dragen voor ons gezin en daarom ben ik God dankbaar dat ik dat indertijd ook zo heel gewoon heb gedaan en dat er niet naar heb gestreefd om naast mijn dagelijkse werk voor gezin en inkomen ook nog allerlei andere zaken na te streven (op kerkelijk of maatschappelijk terrein of op het gebied van hobby’s bijvoorbeeld). Dat helpt zeker verklaren waarom er in ons gezin steeds weer een goede sfeer heerste en waarom we al die jaren een ‘vrolijke kerkgang’ hadden en dat iedere zondag weer (2x!). Maar ook dat we in tijden van moeite en ziekte en problemen nog meer dan anders naar elkaar wilden omzien en zorg dragen voor elkaar en waar nodig elkaar ook weer vergeven. En dat heeft geduurd totdat één en meer buitenstaanders meenden dat dat zó niet langer kon en maar diende te blijven voortgaan, blijkbaar omdat ze dat elkaar zó in alles willen dienen in huwelijk en gezin (en daarin onder en voor elkaar de minste willen zijn) niet kenden vanuit eigen praktijk in huwelijk en gezin.
NB. Die buitenstaander(s), die hadden in hun carrière en op maatschappelijk en/of kerkelijk terrein zoveel bereikt, dat ieder hen natuurlijk* graag tot voorbeeld stelt en men meent dat wat zij te zeggen hebben de toon moet aangeven, zelfs als dat het huwelijks- en gezinsleven (van een ander of van henzelf) betreft…
* Maar Bijbels/Geestelijk gezien is dat helemaal geen goed te gebruiken criterium!

Opgemerkt 2: We zullen heel Gods Woord hebben te lezen en toe te passen als pastoraat voor/aan de gemeente en dus ook aan onszelf. Zelfs de brief aan de Romeinen is van begin tot einde pastoraat en valt daarom ook veel eenvoudiger te lezen wanneer we erkennen dat we heel Gods Woord zó dienen te lezen en begrijpen en toepassen. Onze Heer Jezus, dé Goede Herder, heeft met heel Zijn leven en met alles wat hij sprak en deed ons daarin hét voorbeeld gegeven!

Leestips: Romeinen 15 : 1-13 en de brieven aan Timoteüs en Titus en ook de meditatie van 14 augustus in Dag in Dag uit 2022.

‘Jezus wist dat Zijn tijd gekomen was en dat Hij terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die Hem in de wereld toebehoorden lief, en Zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan…’ (Uit Johannes 13 uit het eerste vers)

Bron citaat: ‘Vrees niet, geloof alleen – dagboek over het geloof’ – Citaat/meditatie 14 augustus – samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Den Hertog BV, Houten.

Bron afbeelding: YouTube (PresHomesVideo)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wij-gevoel creëren tegen klimaat- en levensmoeheid?

Leg je leven in de handen van de HEER, vertrouw op Hem, Hij zal dit voor je doen: het recht zal dagen als het morgenlicht, de gerechtigheid stralen als de middagzon.‘ (Uit Psalm 37 de verzen 5-6)

Geciteerd: Was ik er dan van doodgegaan als ik (1) niet naar Rammstein was gegaan? Natuurlijk niet. Maar tegelijk voelde ik de adrenaline door mijn aderen stromen toen het weigevoel een wij-gevoel werd en de massa zich even wentelde in luidkeelse samenhorigheid. Zou het kunnen dat ik niet de enige was die hier brandstof (sic) heeft getankt om er weer voor even (!) tegen te kunnen?
We zijn murw van de nieuwsbulletins die ons dag na dag, uur na uur, treffen als mokerslagen: versneld smeltende gletsjers, afstervende koraalriffen, mislukte oogsten, oncontroleerbare branden, uitdrogende rivieren en daarbovenop rondwarende virussen, de ellende van Oekraïne en de dreiging van een nieuwe wereldoorlog. Als almaar meer mensen zich daarvoor afsluiten, is dat niet een teken van ontkenning maar van erkenning van de realiteit. Het is een manier om overeind te blijven. Ecomoeheid, klimaatmoeheid, nieuwsmoeheid … we moeten erover waken dat we niet collectief doorschieten naar levensmoeheid.
Opgemerkt: Bieden we in de kerken tegenwoordig niet dezelfde remedies aan de gelovigen als dat de wereld dat doet: niet meer dan even (!) en noodzakelijk steeds weer herhaald – liefst in een stadion of (openlucht) theater – een WIJ-gevoel creëren?

(1) Kris Peeters (socioloog en antropoloog, auteur van Weg van het systeem. Wakker in een ander tijdperk) ging kijken naar Rammstein* én reed met de auto naar Spanje. Noodzakelijke brandstof voor het volle leven. Want klimaatmoeheid wordt heel snel levensmoeheid.
* Zie afbeelding: Rammstein in Oostende – Ontsnappen aan eco-doom

‘Velen zeggen: “Wie maakt ons gelukkig?” –
HEER, laat het licht van Uw aanschijn over ons schijnen.
In U vindt mijn hart meer vreugde
Dan zij in hun koren en wijn.

In vrede leg ik mij neer
en meteen slaap ik in,
want u HEER, laat mij wonen
in een vertrouwd en veilig huis.’
(Uit Psalm 4 de verzen 7-9)

Bron citaat: De Standaard (via Blendle) – ‘Ecoschaamte voor Rammstein? Nu even niet’ – door Kris Peeters

Bron afbeelding: Geert van de Velde

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over schuldvergeving en hulpverlening…

Tot jullie die naar Mij luisteren zeg ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen.’ (Uit Lukas 6 vers 27)

NB. Bedoeld wordt hier christelijke hulpverlening die zich baseren wil op het onderwijs van Gods Woord.

Wanneer we slachtoffers – of vermeende slachtoffers, want het is lang niet altijd zomaar duidelijk wie nu werkelijk als dader en wie als slachtoffer moet worden aangemerkt – durven voorhouden dat de ander vergeving schenken niet gekoppeld dient te worden aan het eerst schuld belijden en vergeving vragen door de dader, dan helpen we niet alleen het slachtoffer, maar ook onszelf als hulpverleners. Want dan willen/durven we wat toch ‘hartenwerk’ van God is, bij zowel slachtoffer als dader, in Gods handen te leggen en te laten. Dat scheelt meestal ook een heleboel uitzoek werk (1) en ‘zwartmakerij’, want het slachtoffer zal vooral reden zien om – waar nodig – zelf te veranderen en beseffen dat hij of zij daarin net zo afhankelijk is van God als dat de dader dat is om – waar nodig – te veranderen. Met zo’n nederige en bereidwillige en verwachtingsvolle houding van het slachtoffer kunnen we ook met elkaar God bidden om liefde en wijsheid en kracht en ook Gods zegen vragen over hart en leven van de dader. Dan volgen we ook daadwerkelijk het advies om de ander niet te vervloeken – met daden of woorden – maar juist te zegenen.

(1) Het scheelt werk om uit te zoeken wat waar is en wat niet; en ook met wat er gezegd en gedaan moet worden om de dader ‘in beweging’ te krijgen (bijv. door het verzinnen en opleggen van allerlei sancties) en DV scheelt het ook veel werk aan het slachtoffer zelf!

Leestip: Matteüs 5 de verzen 43-48.

Zegen uw vervolgers, vervloek hen niet. Wees blij met wie zich verblijdt, heb verdriet met wie verdriet heeft. Wees eensgezind; wees niet hoogmoedig, maar zet uzelf aan tot bescheidenheid. Ga niet af op uw eigen inzicht. Vergeld geen kwaad met kwaad, maar probeer voor alle mensen het goede te doen. Stel voor zover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven. Neem geen wraak geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want de Heer zegt: “Het is aan Mij om wraak te nemen, ik zal het vergelden.” Maar als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.’ (Uit Romeinen 12 de verzen 14-21)

Zie ook: Schuldvergeving en de vijfde bede van het Onze Vader…

Bron afbeelding: Godly Ladies

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Schuldvergeving en de vijfde bede van het Onze Vader…

En vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan iedereen die ons iets schuldig is.
(Uit het gebedsonderwijs in Lukas 11 : 1-13 het 4e vers)

Geciteerd (vooraf): Als het Onze Vader gebeden wordt, is de hemel weleens dichtbij, ervaart Paul Eikelboom. Toch wil dat niet zeggen dat elke bede eenvoudig is. Zeker de vijfde niet: die om schuldvergeving.
Opgemerkt (vooraf): Ik zal hieronder nog aan de hand van citaten uit het artikel reageren. Wat verdrietig dat we na zoveel eeuwen van Christus’ onderwijs en werk te hebben gehoord en dat ook hebben kunnen overdenken met elkaar en daarbij ook altijd weer naar Zijn gebedsonderwijs hebben kunnen luisteren om te leren bidden, dat er dan nog zó gesproken kan worden n.a.v. (nu hier dan) de bede over schuldvergeving in het Onze Vader gebed.
(NB. Naast het goede dat heus ook wel te horen valt, ook in dit artikel)

Geciteerd 1: ‘Als het Onze Vader gebeden wordt, is de hemel weleens dichtbij, ervaart Paul Eikelboom. Toch wil dat niet zeggen dat elke bede eenvoudig is. Zeker de vijfde niet: die om schuldvergeving.’
Opgemerkt 1: Zo zullen we het bidden van het Onze Vader nooit voorstellen, juist deze uitspraak zegt veel over de bidder(s)! Wij geloven dat de Heer ons zeer nabij is door Zijn heilige Geest, wij belijden zelfs dat wij gelovigen een tempel van de heilige Geest zijn. Wij zullen onze Heer dus niet op afstand zetten met zulk soort uitspraken. Daarmee zijn we zelfs de heilige Geest aan het bedroeven en uitbannen.
En ook hier wordt weer gewezen op hoe moeilijk wij het wel hebben of hoe moeilijk het ons gemaakt wordt met deze bede. Maar ook dat zullen we niet doen. Wij weten dat wij – juist ook hier bij de schuldvergeving – niets op eigen kracht hoeven te doen en dat niets onmogelijk is bij God. Ook hier geldt: Ik geloof Heer, kom mijn ongeloof te hulp. En ook Jezus woord: ‘Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zeg je tegen die berg: “Verplaats je van hier naar daar!en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’ (Uit Matteüs 17 uit vers 20). En tot slot: Juist bij het schuld vergeven kunnen/mogen we ook zeker weten dat we bidden naar Gods wil, en dat bidden naar Gods wil verhoord wordt.

Geciteerd 2: Waarom zegt het gebed „onze” schulden? Schuld is toch iets persoonlijks? „Dat is zo. Maar je kunt ook als gezin schulden hebben. Tegenover de buren bijvoorbeeld, omdat je zo vaak zwijgt. Als gemeente dragen we schulden. Dat beseffen we meestal niet, omdat wij individualistisch denken. Maar de Heere denkt breder.
Opgemerkt 2: ‘Dat is zo’? Nee, dat is beslist niet zo! Onze zonden (thuis of waar dan ook!) staan altijd in verband met het verleden en heden van een wereld vol zonde en schuld waaruit ook onze persoonlijke zonde en schuld voortvloeit! Dat moeten slachtoffers en daders goed beseffen – d.w.z. leren en aannemen uit Gods Woord. Onze Heer moest er Zijn heerlijkheid voor afleggen en een lijdensweg gaan onder ons mensen en door onze zonden en schuld aan het kruis genageld worden… Dus onze zonden en onze schuld zijn dus nooit als een puur individuele zondeschuld – zeg maar: als de meest individuele expressie/actie van de meest individuele beslissing – te zien en te veroordelen.

Geciteerd 3: Wat betekent het om iemand te vergeven? „Ten diepste: een ander niet meer aanrekenen wat hij jou heeft aangedaan. De koninklijke weg is dat iemand vergeving vraagt en dat –op het moment waarop dat kan– die ook geschonken wordt. Daarvoor is werkelijk schuld belijden nodig door een dader. Dat iemand voluit erkent: Ik heb schade aangericht. Als iemand die stap kan zetten, en een slachtoffer kan tot vergeving komen, is dat iets heel bijzonders en voor beiden een helende ervaring.”
Opgemerkt 3: Nee, vergeving zullen wij schenken los van of de dader het opbrengt om schuld te belijden en om vergeving vraagt. Daar is Gods Woord ‘zonneklaar’ over en als we dat nog niet ontdekt hebben en weten, dan is dat zeer verbazingwekkend! God schonk ons vergeving toen wij nog vijanden waren! En ook een zeer belangrijke reden om niet zo ‘te werk’ te zullen gaan, dat is dat wij het slachtoffer (en degenen die hen bijstaan) in een machtspositie brengen die hen niet toekomt en waar o zo gemakkelijk misbruik van wordt gemaakt om de dader tot zaken (houding, woorden, beloftes, etc.) te brengen (dwingen!) waar hij niet achter staat of kan staan en die hij dan maar af/noodgedwongen gaat doen om slachtoffer en hulpverlenenden het naar de zin te maken. Bepalen of iemand dan ook werkelijk een hartelijke schuld gevoelt en schuld belijdt wordt daardoor zelfs heel moeilijk of onmogelijk gemaakt, met alle verdere gevolgen voor het (samen) verder leven van dien!

Geciteerd 4: En zelfs als het daartoe komt, bepaalt altijd een slachtoffer hoe vergeving eruit ziet, nooit de dader. Je ziet nogal eens in pastoraat dat medelijden voor de dader de overhand krijgt. Een slachtoffer moet maar een beetje op gaan schieten met vergeving. Dan kan iemand gevangen raken in de plicht tot vergeven. Maar: een slachtoffer heeft rechten, een dader heeft ze verspeeld. Vergeving zou weleens een hele tijd later kunnen plaatsvinden dan de schuldbelijdenis. Soms hebben we, ook in de kerk, de neiging om de zaken vlotjes glad te strijken. De druk is groot om tot een oplossing te komen en soms ook om de naam van een dader te beschermen. Maar zeker bij misbruik of geweld is er een groot kwaad gebeurd, dat werkelijk ingezien moet worden. Dat kwaad toedekken brengt een ban in het leger.
Opgemerkt 4: ‘een slachtoffer bepaald hoe vergeving er uit ziet’. In ‘Opgemerkt 3’ heb ik al aangegeven dat dit het slachtoffer in een onterechte machtspositie brengt t.o.v. de dader. Ons vergeven dient onvoorwaardelijk te zijn en dat kan dus met en door Gods kracht. Wat anders is dat er mogelijk ook nog recht gedaan moet worden. En daar mag het slachtoffer de daders en anderen op wijzen en zo nodig ook steeds weer op wijzen, zolang de dader (en degenen die hem helpen/bijvallen) weigeren om dat onrecht te erkennen en/of om dat onrecht recht te zetten. Wanneer dat niet gebeurd, dan moeten we dus niet zeggen dat daardoor vergeven moeilijk(er) wordt, maar we kunnen wel aangeven waarom we de dader en degenen die hem bijvallen en/of steunen blijven achtervolgen met ons roepen om recht. En een gelovige brengt zijn zaak en de daders ook altijd weer (en dat zelfs eerst) in gebed bij God. (Zie hierbij ook heel wat Psalmen en Lukas 18 de verzen 1-8)

Geciteerd 5: Heel pastoraal formuleert de Catechismus in Zondag 51: „Gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is, onze naaste van harte te vergeven.” Voornemen: dat is een pastorale, weloverwogen formulering. Er wordt geen klem gelegd om iets te moeten doen wat niet kan. De Heere vraagt niet om dingen te vergeven waar geen vergeving voor is gevraagd. Waar Hij wel naar kijkt, is: hoe ligt het in je hart? Is daar ergens bereidwilligheid, is er dat gebed: „Heere, help mij om niet in haat en toorn te blijven steken?””
Opgemerkt 5: Hier wil ik allereerst nog wat leeswerk voor doen alvorens een (uitgebreider) ‘Opgemerkt’ te schrijven. Toch lijkt me het niet juist om God (alleen) van onze ‘goede voornemens’ te overtuigen. Daarvoor is o.a. en m.n. het onderwijs in Matteüs 18 (m.n. tweede gedeelte) te indringend en overtuigend om het dan nog met ‘goede voornemens’ (af ) te kunnen/willen doen.

Opgemerkt slot: Ik neem aan dat men goed begrijpt dat met deze Bijbelse opvattingen een slachtoffer niets wordt opgelegd en niets gevraagd wordt wat (eerst) in eigen kracht moet worden bereikt. Het is volkomen vergelijkbaar met wat Jezus vroeg van de mensen die genezing aan Hem vroegen voor zichzelf of voor een ander: geloof alleen. Denk aan de vele voorbeelden in de evangeliën en we lezen niet dat dat teveel gevraagd was… We hebben alleen maar verwachting van Hem, en wanneer dat waar is in ons eigen leven, dán durven we dat ook op grond van Gods Woord voor te houden aan anderen. Dus wanneer we dat niet aandurven, dan hebben we allereerst zelf een probleem: klein geloof, waardoor we twijfelen aan wat God ons zegt.

Zie ook: Over schuldvergeving en hulpverlening…

Bron citaten: RD Kerk& religie – ‘Paul Eikelboom: Vijfde bede leert de helende kracht van belijden én vergeven’ – door Geerten Moerkerken

Wie deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots.‘ (Onze Heer Jezus aan het slot van Zijn woorden in ‘de Bergrede’, zie Matteüs 7 de verzen 24-27)

Bron afbeelding: Biblia-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het beloofde ‘Zaad der vrouw’…

Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, en tussen uw zaad (1) en haar Zaad.’
(Uit Genesis 3 vers 15)

Over leven waarin we wachten op de vervulling van Gods beloften

Geciteerd 1: Met deze tekst kunnen wij bewijzen dat ons geloof niet nieuw is, en dat wij het begin en de oorsprong daarvan niet zouden weten, maar dat dit het oudste geloof is, dat begonnen en gebleven is vanaf het begin van de wereld.
Geciteerd 2: Uit dit eerste Evangelie is ons christelijk geloof gevloeid. Want daar is door God Zelf verkondigd en geopenbaard dat de vrouw een Zoon zou baren, Die Hij het ‘Zaad der vrouw’ noemde. Zodat beide de vrouw een natuurlijk mens, en het Kind haar natuurlijke zoon zou zijn – maar (let op) uitdrukkelijk noemt Hij Hem alleen het Zaad der vrouw!
Geciteerd 3: Daarom moet deze Zoon niet alleen meer dan een gewoon mens van (uit) man en vrouw geboren zijn, maar ook meer dan een engel, omdat de duivel, die Hij de kop zou vertreden, zelf van de hoogste natuur der engelen is.

(1) Zie Matteüs 3 : 1-12 en 13 : 24-30 en Lukas 14 : 15-24.

Zij allen zijn in (het) geloof gestorven: wat hun beloofd was zagen ze geen werkelijkheid worden, ze hebben slechts een glimp ervan begroet, en ze zeiden van zichzelf dat zij op aarde leefden als vreemdelingen en gasten.‘ (Uit Hebreeën 11 vers 13)

Geciteerd 4: Een belofte. Meer had Abraham niet. De belofte van een nieuw vaderland en een talrijk nageslacht. Van dat laatste heeft hij een begin van vervulling gezien. Maar van de belofte van een vaderland heeft hij de vervulling niet gezien. Het land der belofte bleef voor hem een vreemd land. Hij bleef er vreemdeling en woonde er in tenten. Dat gold ook van Izaäk en Jakob. De belofte die God aan Abraham gegeven had, is op hen overgegaan. Ze leefden in tenten en bleven vreemdelingen in het beloofde land.
Geciteerd 5: Dat is het hart van het vreemdeling zijn: leven bij Gods belofte en daarbij alleen. Dat geldt ook voor ons nog. De toekomstige stad is nog niet gerealiseerd. Ook wij zijn nog niet waar we wezen moeten. We zijn nog onderweg als vreemdelingen. De aarde waarop we wonen, is ons wel beloofd, maar is nog vreemde grond.

Leestips: Genesis 3, 1 Korintiërs 15 : 12-34 (m.n. vers 22) en Galaten 3 : 15-20.

Bron citaten 1-3: ‘Vrees niet, geloof alleen – dagboek over het geloof’ – Citaat/meditatie 10 augustus – samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Den Hertog B.V. (Houten)
Bron citaten 4-5: ‘Vreemdelingen en bijwoners’ – ‘In tenten’ (blz. 21-22) – ds. M.R. van den Berg (1928-2001)

Bron afbeelding: Heartlight-org

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De/onze Doop – een ontwijfelbaar getuigenis?!

Daarom, broeders en zusters, beijver u des te meer
om uw roeping en verkiezing vast te maken…’
(Uit 2 Petrus 1 vers 10a)

Wanneer we de eerste hoofdstukken uit de brief aan de Korintiërs lezen dan wordt werkelijk ‘zonneklaar’, dat degenen die op de prediking van Paulus en zijn medewerkers tot geloof waren gekomen en zich hadden laten dopen, niets hadden waarmee zij zich van een ander in de gemeente konden onderscheiden. Het maakte niet uit door wie z’n prediking ze tot geloof gekomen waren en ook niet door wie ze gedoopt waren. En wat hun geloof en doop allemaal inhield, daarover konden ze helemaal nog geen verhaal houden. Ze waren als zuigelingen die nog aan de borst gevoed moesten worden en/of alles nog met de paplepel ingegoten moesten krijgen. Toch waren er al direct gelovigen die zich graag op de een of andere manier van de anderen onderscheiden wilden en daarvoor allerlei zaken aangrepen om dat te kunnen doen. Ze zagen onderscheid tussen de prediking van Paulus en Apollos bijvoorbeeld en spraken hun voorkeur daarover uit, ook meenden ze dat het nog kon uitmaken door wie je gedoopt was en ook wilde men zich graag laten gelden en voorstaan op het bezit van bepaalde gaven, zoals spreken in tongen, etc. Maar Paulus slaat hun al dat onderling onderscheid willen zien en maken uit handen. Er was en er is ook geen enkele Schriftuurlijke reden voor te geven.
Paulus en de andere apostelen namen de mensen die geloof hechtten aan hun verkondiging geen ‘examen’ af of lieten hen wachten met gedoopt worden tot ze eerst eens een jaar lang het onderwijs van de apostelen en hun medewerkers hadden gevolgd voordat ze gedoopt werden en mochten deelnemen aan het samen vieren van het Avondmaal.
Waarom durfden/konden de apostelen zulke nog maar net tot geloof gekomen heidenen (en natuurlijk ook Joden) voluit aanvaarden als hun broeders en zusters, hen (laten) dopen en hen oproepen om nu trouw de samenkomsten van de gemeente bij te blijven wonen en ook de maaltijden met hen mee te vieren? Dat was omdat onze Heer zijn uitgezonden discipelen/apostelen de belofte gedaan had dat Hij met hun getuigenis zou zijn tot aan de voltooiing van deze wereld. Dus wanneer heidenen op hun verkondiging – die beslist niet vanwege allerlei diepzinnige wijsheid en welbespraaktheid van de apostelen en hun medewerkers indruk maakte op de hoorders – tot geloof kwamen, dan mochten zij en hun hoorders weten dat dit geloof bij hen puur en alleen gewerkt was door de heilige Geest. Er was om zo te zeggen niets van menselijke kant aan te wijzen waarom heidenen (en ook Joden) geloof hadden gehecht aan de verkondiging van het Evangelie. Dat moesten de hoorders zich heel goed realiseren.
En nu kunnen we gaan begrijpen waarom de (vroege) Doop van die heidenen – onwetende zuigelingen in het geloof! – zo van belang is en zo’n diepe bedoeling en betekenis heeft. Deze tot geloof gekomen heidenen konden even later aan alles gaan twijfelen – als ze op zichzelf zagen, of als ze op de menselijke kant van de apostelen en hun medewerkers zagen, als ze zagen en ondervonden wat er allemaal aan moeite was in zo’n jonge gemeente, dan konden ze zomaar menen dat het geloof van hen veel te zwak was om zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat ze werkelijk een ‘waar geloof’ hadden en of dat zwakke en nog zo ‘onwetende’ geloof van hen wel kon/zou standhouden. Maar dan konden en mochten ze altijd weer zien op hun Doop en anderen daar ook op wijzen en ook anderen helpen door hen ook op hún Doop te wijzen wanneer dat nodig bleek. Dat was voor hen en voor ieder ander in de gemeente een ontwijfelbaar getuigenis/bewijs dat het Evangelie ook hen bereikt had en ook voor hen bedoeld was. Ze hadden zelf niet op de komst van deze Evangelieverkondigers zitten wachten of er om gevraagd, het was hen overkomen en de apostelen hielden hen voor dat Gods eeuwenoude plan nu voor hun (geloofs)ogen in vervulling ging. (Zie Efeziërs 3)
Maar zoals het getuigenis van de apostelen tot de heidenen in Korinthe kwam onder de belofte van onze Heer en het werk van de heilige Geest, zo gaat hun getuigenis nog altijd door en zo kwam het ook tot ons en onze kinderen. En daarom ontvangen we onze pasgeboren kinderen (1) in het midden van Gods gemeente op dezelfde manier als net tot geloof gekomen heidenen (en Joden), die daar in al hun onwetendheid (2) ook direct al de Doop mochten ontvangen en daarom zullen wij hen net zo goed aanvaarden als broeders en zuster – als aangenomen kinderen van God – als dat de apostelen en de leden van de nieuw gestichte gemeenten elkaar aanvaardden als broeders en zusters en die daarom ook steeds weer met elkaar – niemand uitgezonderd! – het Avondmaal vierden.
Wanneer we de doop van onze kinderen aanvaarden als een ontwijfelbaar getuigenis van hun roeping (3) en uitverkiezing, waarbij ook zij alleen nog zullen worden opgeroepen om hun roeping uitverkiezing dan ook vast te maken, net als Petrus de gedoopte leden van de gemeente daartoe oproept en die oproep horen we natuurlijk ook nog op allerlei ander manier in de woorden van de apostelen in de evangeliën en in hun brieven.

Slot: Begrijpt u nu waarom de vraag of u al wedergeboren bent of (nog) niet totaal overbodig is?! De Doop wordt ook genoemd het bad der wedergeboorte (zie Titus 3 de verzen 4-7) en de enige vraag die na onze Doop nog van belang is, dat is de vraag of u begrijpt en gelooft wat er bij en door de Doop aan u verkondigd en betekend en verzegeld is. En voor onze (nog niet begrijpende) kinderen zullen we hun Doop voor ‘vast en bondig’ hebben te houden en laten we dat (dus) ook maar altijd weer in praktijk brengen voor onszelf en voor alle gedoopte leden van de gemeente. Dan helpen en bemoedigen we elkaar op een manier die onze Heer zo graag ziet. Denk aan die geschiedenis waar een verlamde man door vrienden bij Jezus werd gebracht en er geschreven staat: Toen hij hun geloof zag… (zie Lukas 5 : 17-26). En het geloof is het bewijs van de dingen die wij (en anderen) niet zien (Hebreeën 11), maar juist daarom ook is er de Doop, namelijk om alle discussie en oordelen over ‘ben ik of is hij/zij wedergeboren of niet’ uit Zijn gemeente weg te houden en/of – zo nodig – uit te bannen: oordeelt niet, geloof alleen! (4) Zie ook Romeinen 14 vers 4.

(1) In feite mogen de ouders zo’n kindje direct vanaf de conceptie al opgenomen weten in Christus’ gemeente (zie 1 Korintiërs 7 vers 14).
(2) Wat wisten die heidenen van de diepe betekenis van de Doop? Pas later zullen ze daar in onderwezen worden en in de brief aan de Romeinen zet Paulus het allemaal nog eens op een rijtje voor hen en voor ons – zie Romeinen 6.
(3) De heidenen ontvingen hun roeping en uitverkiezing met de komst en door de verkondiging van de apostelen, onze kinderen ontvangen die door hun geboorte en doop in het midden van Christus gemeente
(4) M.i. had hiermee ook de hele (theologen-) discussie tussen remonstranten (Arminianen) en contraremonstranten (Gomaristen) moeten en kunnen worden beslecht. Niet wat wij van en over onszelf kunnen zeggen en hoe wij over onszelf of over een ander kunnen en willen oordelen heeft ook maar enige betekenis. De Doop plaatst ons allen naast elkaar in Christus gemeente, hoe weinig of hoeveel iemand ook bij en van zichzelf of van een ander (van zijn/haar bekering/wedergeboorte en ‘vrucht dragen’ inmiddels) meent te kunnen zien en/of meent daarover te kunnen vertellen.

Zie ook: Het beloofde ‘Zaad der vrouw’…

Bron afbeelding: Pinterest (Pin page)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De transformatie van de gelovige… (III)

Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken.‘ (Uit Johannes 14 vers 23)

Geciteerd: Over het rijk van Christus is de heilige Geest uitgestort, zoals Zacharia het zo mooi uitdrukt, namelijk de Geest der genade en der gebeden (vgl. Zacharia 12 vers 10). Want de heilige Geest woont nu in de harten van de gelovigen, tezamen met de Vader en de Zoon, en werkt de genade en de gebeden in hun harten. Maar dat niet alleen: Hij spreekt ook troost en geeft de overwinning over zonde, dood en duivel.
Hij doet dit – overwinning op de zonde, dood en duivel – niet door enkel grote openbare bewijzen van Zijn grote kracht en macht. Echter omdat de gelovigen nog terecht hun zonde en onwaardigheid voelen – lees: dagelijks opmerken in eigen leven (AJ) – draagt Hij hun gebreken en bedekt die, en vertroost hen met de genade en vergeving van Christus.
Om reden dat de gelovigen in hun strijd tegen de zonde (dagelijks!) hun eigen grote zwakheid voelen (1), worden ze door de heilige Geest gedreven tot het gebed, dat is dat zij daarin om hulp en kracht roepen. (2)
Ja, (juist!) ook door het roepen en zuchten van de heilige Geest in hen ontvangen zij de overwinning. Zoals Paulus in twee teksten zegt: ‘Deze Geest geeft getuigenis aan onze geest, dat wij kinderen van God zijn‘ (vgl. Romeinen 8 vers 16). En ook: ‘De Geest komt onze zwakheid te hulp, want de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijk zuchten.‘ (vgl. Romeinen 8 vers 26).

(1) Helaas heb ik gemerkt dat velen dat – in z’n algemeenheid, ‘in theorie’ (volgens ‘de leer’) – best ook willen erkennen, maar ze zien toch vooral bij anderen (grote) zonden en daar willen ze het graag over hebben en daar willen ze bij helpen om er wat aan te doen, maar hun eigen concrete zonden belijden, of daar met hulp van een ander aan herinnert of ontdekt worden? Ho maar! Juist bij de meest vrome mensen vinden we hoogmoed en daaruit voortvloeiend gebrek aan zondaarsliefde, terwijl ze die zelf zo hard nodig hebben, want hoogmoed wordt naast ongeloof gerekend tot de grootste zonden.
(2) Dit dagelijks bidden om hulp en kracht doen we volmaakt wanneer we (ook) het Onze Vader bidden aan het begin van de dag en zelf doe ik dat altijd in de volgorde van: persoonlijke lof- en dankzegging, Bijbellezen en het Onze Vader bidden. En dan is er het (doorgaande) bidden bij allerlei gebeurtenissen en toestanden in eigen leven en in de wereld, maar juist ook dan zullen we beseffen/weten – omdat we daarbij vaak genoeg niet weten wat we bidden zullen – dat de heilige Geest altijd weer met en voor ons bidt.

De apostel Jakobus schrijft over bidden en gebedsverhoring: ‘… Trouwelozen! Beseft u niet dat vriendschap met de wereld vijandschap jegens God betekent? Wie bevriend wil zijn met de wereld, maakt zich tot vijand van God. Denk toch niet dat dit loze woorden zijn in de Schrift: “Hij Die ons het leven gaf, maakt er vurig aanspraak op; maar de genade die Hij schenkt is nog groter.” Daarom staat er: “God keert zich tegen de hoogmoedigen, maar de nederigen schenkt Hij genade.” …
(Lees alle woorden zoals aan ons geschreven in Jakobus 4 de verzen 1-10).

Zie ook: De transformatie van de gelovige (I) en (II)

Bron citaat 1: ‘Vrees niet, geloof alleen – dagboek over het geloof’ – 9 augustus – samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Den Hertog B.V. (Houten)

Bron afbeelding: SlideServe

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De transformatie van de gelovige… (II)

Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken.‘ (Uit Johannes 14 vers 23)

Ze zullen menen God een dienst te bewijzen…

Geciteerd 1: Petrus zegt dat een gelovige ‘niet zichzelf maar andere mensen dient, zoals hijzelf ook van God ontvangen heeft.’ (vgl. 1 Petrus 1 vers 12). En Paulus zegt dat ook uitwendig het lichaam en de leden van een gelovige een tempel zijn geworden van de heilige Geest (vgl. 1 Korintiërs 6 vers 19-20). Zodat een christen als goede boom enkel goede vruchten voortbrengt en tot nut van zijn naaste is (vgl. Matteüs 7 vers 17-18). Zo iemand doet goed en wijkt van het kwade (vgl. Job 1 vers 8 en 2 vers 3).
Kijk nu eens wat een grote zaak het is als iemand christen is, of over wie Hij hier zegt dat hij/zij Zijn Woord bewaart, enzovoorts. Een christen is een wonder in de wereld. Hij telt voor God meer dan de hemel en de aarde bij elkaar. Ja, een christen is een licht en lamp voor andere mensen; iemand in wie God alles en alles is, en die in God alles kan en doet. Voor de wereld* is zo iemand echter hoog en diep verborgen en bovendien helemaal onbekend.
De wereld* is ook niet waard zulke mensen te kennen, maar moet hen houden voor een voetendoek. Ja, zoals Paulus zegt, voor een vloek [of uitvaagsel] en een voetveeg. Om hen moeten, volgens wat de goddeloze wereld zegt, land en volk vervloekt worden en ondergaan. Ze moeten, hoe eerder hoe liever, terechtgesteld en omgebracht worden, als een dienst aan God om deze wereld te zuiveren.
* Lees: de wereld zoals we die vinden in de kerk. Heel de Bijbelse en kerkgeschiedenis door zien we dat juist de kerk de Kerk (de eenvoudige gelovigen – te beginnen bij Abel, de profeten, onze Heer Zelf, de apostelen, etc.) vervolgt.

‘…hun engelen in de hemel…’ (uit Matteüs 18 uit de verzen 10-11)

Geciteerd 2: Het gaat hier (in Matteüs 18) nog steeds over mensen die als ‘klein’ worden beschouwd. De onbelangrijke gelovigen. De kwetsbare mensen die het niet van zichzelf verwachten. Jezus waarschuwde, zo zagen we eergisteren (meditatie van zaterdag 6 augustus), om hen niet te minachten of ten val te brengen. Ze zijn namelijk groot in Gods Koninkrijk. Hun engelen in de hemel overleggen met God Zelf! Op grond van deze tekst is wel gedacht dat iedere gelovige een eigen engel heeft die hem of haar helpt. Dat zou kunnen, al moet je niet teveel willen afleiden uit één tekst. Duidelijk is dat Jezus zegt dat ze kostbaar zijn in Gods ogen. Zo kostbaar zijn wij dus ook, wanneer we ons leven in Gods hand leggen, afhankelijk van Hem – en dus goed beschermd – leven.

Maar volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn (door Hem). We zijn voor heel de wereld, zowel engelen als mensen, een schouwspel geworden.‘ (Uit 1 Korintiërs 4 vers 9)

Leestips: 1 Korintiërs 6 : 12-20 en 1 Korintiërs 4 met aandacht voor vers 13 en ook Matteüs 18 en Johannes 16 : 1-4.

Zie ook: De transformatie van de gelovige… (I) en (III)

Bron citaat 1: ‘Vrees niet, geloof alleen – dagboek over het geloof’ – 8 augustus – samengesteld en vertaald door H.C. van Woerdn, sr. – Den Hertog B.V. (Houten)
Bron citaat 2: Dag in dag uit 2022 – Meditatie maandag 8 augustus (1) – Leger des Heils | Ark Media
(1) Meditatie(s, 1-16 augustus) van ds. L.G. Compagnie

Bron afbeelding: Scripture Images

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie