Met dank aan Augustinus?

Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. Oordeel niet, dan zal er niet over jullie geoordeeld worden. veroordeel niet, dan zul je net veroordeeld worden. vergeef, dan zal je worden vergeven. Geef dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’ (Uit Lukas 6 de verzen 36-38)

Geciteerd: het grote belang van maat houden dat ontdekte ik in een tijd dat ik ongelooflijk hard zat te werken en te studeren om maar als wetenschapper te kunnen publiceren. Dat was natuurlijk belangrijk voor mijn carrière als hoogleraar. Maar op een gegeven moment had ik dat inzicht dus bevochten uit die Latijnse tekst van Augustinus en dat sloeg in als een bom. Ik dacht: dit is een raad die ik zelf niet ter harte neem. Kan ik daar dan als wetenschapper over schrijven. En toen is er wat veranderd. Toen dacht ik: ja, als mijn vrouw zegt dat we gaan eten of boodschappen gaan doen, moet ik dat wel doen ook al ben ik mijn briljante gedachte dan wel kwijt, want anders houd ik de juiste maat niet tussen monnik-wetenschapper en de sociale-liefhebbende echtgenoot en vader. En als die balans zoek is, en onmatigheid wordt gepraktiseerd, dan ben je excessief en weet je zeker dat je nooit innerlijk evenwichtig blijft. Dat inzicht heeft mij nooit meer verlaten. En daarom ben ik nog steeds gelukkig getrouwd, denk ik. Dankzij Augustinus.

Opgemerkt: Waarom horen we van deze luistervaardige en belezen theoloog-econoom niet dat hij die raad al vele malen eerder gehoord en gelezen heeft (zal hebben), namelijk tijdens z’n opgroeien thuis en in de kerk en op school. Want daar hoorde hij toch steeds uit Gods Woord lezen en Gods Woord verkondigd worden? Waren er helemaal geen preken (bijvoorbeeld) waarin de betreffende woorden en raadgevingen (m.b.t. tot delen en maat houden en dat gefundeerd op het Godsvertrouwen dat we mogen hebben) indringend op hem afkwamen? Heeft hij zich achteraf niet geschaamd dat niet al eerder zijn eigen ouders of de (wijk)predikant, maar dat pas (veel) later zo’n fameus theoloog Augustinus bij hem de bereidheid wekte om eigen levenspraktijk te vergelijken met wat deze theoloog daarover te zeggen heeft gehad?
Vraag: Is het daarom toch ook hier niet terecht om op te merken: Wij van wc-eend (wij theologen/filosofen), adviseren wc-eend* (om kennis te nemen van wat theologen/filosofen ons te zeggen hebben). Terwijl de ‘kruidenier om de hoek’ een even probaat middel heeft dat altijd nog goedkoper verkrijgbaar was en is ook!

* Deze slagzin ging na de reclamecampagne een eigen leven leiden als uitdrukking die gebruikt wordt wanneer een deskundige advies geeft dat in overeenstemming ligt met zijn eigenbelang.

Opgemerkt slot: Wil ik nu met bovenstaande beweren dat deze theoloog-econoom Augustinus maar beter ongelezen had kunnen laten en niet ter sprake had moeten brengen in het betreffende artikel? Nee, dat zeker niet. Maar wel wil ik graag dat onze ogen opengaan voor wat ons al aan mensenkennis en levenswijsheid geschonken wordt wanneer we mogen opgroeien in een christelijk gezin met ook een regelmatige kerkgang. En die mensenkennis en levenswijsheid die ontvangen we samen met mensen van allerlei leeftijd en slag en ‘kwaliteiten’ (begaafdheden) en opleiding. En dan kan een laagopgeleide en/of een minder belezen iemand al eerder en meer praktijk maken van die geschonken levenswijsheid dan een hoogopgeleid iemand met zelfs ook al een studie theologie achter de rug. En aan wie moet die eerste het nu danken dat hij of zij nog steeds gelukkig getrouwd is?

Bron citaat: Sophie oktober 2022 – ‘Augustinus als tijdgenoot – Een gesprek tussen twee theoloog-economen‘ – door Teunis Brand en Joost Hengstmengel

‘Zo lijkt iedere Schriftgeleerde die leerling in het Koninkrijk van de hemel is geworden op een huismeester die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.’ (Uit Matteüs 13 uit vers 52)

Bron afbeelding: Flickr

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De schakel tussen het Oude en Nieuwe Testament…

Jullie kunnen van mij getuigen dat ik gezegd heb: “Ik ben de Messias niet, maar ik ben voor Hem uitgezonden.” De bruidegom krijgt de bruid; de vriend van de bruidegom staat te luisteren en is blij dat hij de stem van de bruidegom hoort. Dat vervult mij met grote vreugde. Hij moet groter worden, ik kleiner.’ (Uit Johannes 3 de verzen 28-30)

Geciteerd 1: De doop van Johannes is de schakel tussen het Oude en Nieuwe Testament, en hoe geleidelijk vloeien beide daardoor in elkaar over. Zo geleidelijk, dat de Christus, toen Johannes diensttijd was afgelopen en Christus Zijn taak aanvaardde, Hij dit deed door precies dezelfde woorden te zeggen als Zijn wegbereider: bekeert u, want Koninkrijk van God is nabij gekomen.
De prediking van Johannes is het laatste woord van het Oude Testament; het is tegelijk het eerste woord van het Nieuwe. Johannes heeft door zijn prediking heel het Oude Testament geëxegetiseerd; Jezus geeft de verklaring van de wil van de Vader door eenvoudig allereerst de woorden te herhalen, die Johannes gesproken had.
Johannes doopte. Christus liet door Zijn discipelen dopen. Het is eveneens een voortzetting, en daarmee tevens een erkenning en sanctie, van de doop van Johannes.
Toch, als Jezus met de woorden van Johannes predikt, en Johannes’ werk voortzet door te doen dopen, gebeurt er iets anders dan Johannes deed. Jezus doopt Zelf niet: Hij heeft de doop van Johannes in de vrijheid, binnen bereik van de kerk, gesteld, en zo tot christelijke doop gemaakt. (1)

(1) Paulus verklaart later de christelijke doop als sterven en opstaan in Christus. Nemen we nu aan dat de doop van Johannes in rechtstreeks openbaringshistorisch verband staat tot de christelijke doop – en dat doen we op grond van de Schrift zelf – dan volgt daaruit dat ook de doop van Johannes het ondergaan in de dood en het opstaan tot een nieuw leven betekende. En in de zin van het geloof ook realiseerde. De doop is een geloofszaak, geen natuurgebeuren. Daarom worden wij in onze doop ook niet als in een natuurgebeuren behandeld.

Geciteerd 2: Christus verklaart Zelf Zijn toegang tot de doop van Johannes met de woorden: ‘alzo betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen‘. Jezus spreekt dit woord tot Johannes, waaruit blijkt dat het persoonlijk voornaamwoord ‘ons’ op deze beide personen slaat. En wel op hen beiden als in hun kwaliteit (functie) van ambtsdragers. Hier zegt Jezus, de Messias, tot Johannes, de wegbereider: alzo, dat is dat jij, wegbereider, de Koning doopt met de doop van Johannes, past het ons beiden alle gerechtigheid te vervullen. De gerechtigheid waarvan hier sprake is, is de gehoorzame vervulling van het ambt. Johannes ambt was de Middelaar aan te kondigen, en door die aankondiging de rij van de profeten te sluiten en tegelijk de komst van de gezalfde historisch mogelijk te maken. Jezus taak was het om als Verbondshoofd heel de wet van God te vervullen, die de mens onvolbracht had gelaten. Het is niet weinig wat Jezus en Johannes hier doen: het is niet minder dan het vervullen van alle gerechtigheid.

Geciteerd 3: Dat de doop van Johannes een buitengewone betekenis had in de geschiedenis van de openbaring, blijkt onmiddelijk na die doop: de heilige Geest daalt neer, en er wordt een stem gehoord: deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb. Niet ten onrechte heeft het christelijk denken in deze plaats een bewijs gevonden van de Triniteit, zodat we de volheid van de christelijke doop ontwaren, die geschiedt in de naam van de Vader, de Zoon en van de heilige Geest.

Zie hierbij ook: ’Johannes de Doper bleef naar Jezus verwijzen

Bron citaten: ‘De vrijheid der exegese’ – door dr. K.J. Popma (1903-1986) – uitgave van 1944

Jezus kwam op hen toe en zei: “Mij is alle macht gegeven in hemel en op aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn discipelen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de zoon en de heilige Geest, en hun te leren al wat ik u opgedragen heb. En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.‘ (Uit Matteüs 28 de verzen 18-20)

Bron afbeelding: Biblia-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Bevrijd van het vervloekte zelfonderzoek…

Er staat geschreven: “Ik bleef vertrouwen, daardoor kon ik spreken.” In datzelfde vertrouwen spreken ook wij, omdat we geloven en weten dat Hij Die de Heer Jezus heeft opgewekt ook ons, net als Jezus zal opwekken en ons samen met u naar Zich toe zal voeren.’ (Uit 2 Korintiërs 4 de verzen 13-14)

Het is God Die door Christus de wereld met Zich heeft verzoend: Hij heeft de wereld haar overtredingen niet toegerekend. En ons heeft Hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd. Wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons Zijn oproep. Namens Christus vragen wij: laat u met God verzoenen. God heeft Hem Die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door Hem rechtvaardig konden worden.‘ (Uit 2 Korintiërs 5 de verzen 19-21)

De prestatie van Christus…

Geciteerd: Het geweten van de mens, de ‘oude Adam’, is er helemaal op gespitst iets voor God en de wereld te presteren. Het heeft bovendien geleerd zichzelf en anderen naar die prestaties te beoordelen. In tegenstelling daarmee vestigt het geweten van de mens die door God gerechtvaardigd is, zijn vertrouwen geheel en al op de prestatie van Christus en heeft zich daardoor kunnen bevrijden van het vervloekte zelfonderzoek – ‘vervloekt’, omdat de duivel het geweten misbruikt, zichzelf opwerpt als het ‘super-ik’ en de mens verstikt met schuldgevoelens.

Door middel van Woord en Sacrament!

De mens heeft het verstrikt zijn in de netten van de duivel, de ziekte die de dood ten gevolge heeft, uitgelegd als ‘vleselijke begeerte’ (concupiscentia) en daardoor werd ook de sexualiteit gebrandmerkt. Van deze voorstelling van zaken heeft Luther zich bevrijd. ‘Begeerte’ is voor hem de duivelse neiging zich tegenover God en tegenover zichzelf te willen handhaven door middel van eigen prestaties. In zijn lied nodigt Luther de gemeente uit zich door God uit die gevangenis van die duivelse neigingen te laten verlossen door middel van Woord en Sacrament.

Middeleeuwen nog geen verleden tijd…

Het leidend beginsel in de theologie van Luther, namelijk dat de Christen ‘zondaar en rechtvaardige tegelijk’ is, formuleert op de scherpst denkbare wijze de radicale omwenteling die hier op zedelijk gebied voltrokken werd. Tegen de achtergrond van de Middeleeuwen – in dit opzicht zijn zij allesbehalve verleden tijd geworden – is het zelfs noodzakelijk om nog nauwkeuriger te formuleren: Luther heeft een on-zedelijke revolutie voltrokken! Dat kwam aan het licht toen Luther vanuit de Wartburg zijn plaatsvervanger Philippus Melanchton de volgende provocerende woorden op het christelijke hart bond: zondig dapper, maar geloof nog veel meer en verheug je in Christus – ‘pecca fortiter, sed fotius fide engaude in Christo’.

De afgod van het goede geweten…

‘Zondig dapper’- dat is de uitdaging het ‘oude’ geweten te bestrijden en als verstikkend juk af te werpen. ‘Geloof nog veel meer en verheug je in Christus’ – dat is de oproep tot de vrijheid van een Christenmens. Reeds in de zomer van 1519, in het kader van het tweede college over de Psalmen, had Luther de hindernissen genoemd die liggen op de weg van de evangelische vrijheid. Er zullen ‘stormen over het geweten komen’, wanneer het geloof, zonder zich te bewijzen in prestaties, desondanks vasthoudt aan zijn hoop op God. Dan, juist dan zal de afgod van het goede geweten zijn macht bewijzen.

Wat het ‘ja tot God’ betekent…

‘Een moeilijke, smalle weg’ gaat de christen. Met deze zinsnede heeft Luther niet ‘de enge poort’ op het oog en ook niet ‘de smalle weg’, die bewandeld wordt door al die monniken en puriteinen die ten einde hun geweten zuiver te bewaren de wereldse geneugten aan de kanten van ‘de brede weg’ zorgvuldig mijden. De weg van de Christen is veeleer daarom moeilijk en zelfs pijnlijk, omdat hij leidt tot de welhaast mystieke ervaring van dat men van zijn eigen geweten weggerukt wordt, dat wil dus zeggen weg van dat geweten dat in eigen heiligheid rust tracht te vinden. Eeuwen waarin het geweten in het Avondland zich ontwikkeld heeft, moeten overwonnen worden, wanneer het ja tot God betekent dat nee gezegd wordt tegen het eigen geweten.

Zie ook deze blog: ‘Feiten en fictie – Over Luthers vrees voor de duivel…

Bron citaat: ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – Hoofdstuk XI – ‘Persoon en werk’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001), verkreeg een doctoraat in de theologie in Utrecht (1957) en was hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (Arizona, USA).

Als u probeert door God als rechtvaardigen te worden aangenomen door de wet na te leven, bent u van Christus losgemaakt en hebt u Gods genade verspeelt. Want door de Geest hopen en verwachten wij dat we op grond van geloof als rechtvaardigen worden aangenomen.’ (Uit Galaten 5 de verzen 4-5)

Bron afbeelding: in-due-time-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De eenvoud van Luther’s theologie… (Slot)

En zie, de Here stond bovenaan en zei: Ik ben de Here, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven. En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten op aarde gezegend worden. En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, en Ik zal u terugbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd.‘ (Uit Genesis 28 de verzen 13-15)

De in en van zichzelf machteloze mens…

Opgemerkt vooraf: We lezen in Genesis 28 dat Jakob, terwijl hij op de vlucht is en ligt te slapen, van God te horen krijgt wat Gód van plan is en met welke beloften Hij zich aan Jakob verbindt. Eerder – in Genesis 15 – lezen we over Abraham, hoe hij tijdens een diepe slaap van God te horen krijgt wat Hij van plan is (1) en hoe God Zich aan Abraham en zijn nageslacht middels een verbondssluiting verbindt. Zien we deze manier van handelen en spreken van God niet ook Heer-lijk (Goddelijk) gedemonstreerd bij het dopen van kleine pasgeboren kinderen, namelijk zoals die klein en machteloos (t.a.v. de voortgang van het koninkrijk van God in deze wereld) en (vaak ook) slapend de kerk binnen gedragen worden en dan bij het doopvont te horen/toegezegd (betekend en verzegeld!) krijgen hoe onze Drie-Enige God zich aan hen verbindt.

Uitleg vanuit het centrum…

Geciteerd 1: Het grondbeginsel dat alleen de Schrift het fundament van de theologie is, kenden ook de middeleeuwse scholastici, zij hebben dit inzicht methodisch beschermd en gestreden over de consequenties van dit principe voor de kerkelijke traditie. Het Schriftprincipe kon echter pas tot een Schriftpraxis worden, toen ontdekt werd dat de Bijbel niet een verzameling is van verschillende waarheden en bewijsplaatsen, maar dat ze een geheel eigen boodschap heeft die beslist over leven en dood en daarom vanuit haarzelf, vanuit haar centrum uitgelegd dient te worden.

Geciteerd 2: Wie op de goede manier wil luisteren naar de Schrift ziet zich gedwongen tussen de klippen door te varen. Enerzijds dreigt het gevaar alleen te horen wat men graag horen wil en anderzijds is de verleiding groot niet te horen wat men niet horen wil. Luther heeft dit alles eens op een niet mis te verstane wijze beschreven in een preek (!), die hij op zijn doopdag (!) hield: ‘Wie de Bijbel wil lezen, die moet er goed op letten, dat hij zich niet vergist, want dit geschrift laat zich ogenschijnlijk gemakkelijk uitbreiden – met allerlei theologisch en dogmatisch geschriften (AJ) – en gebruiken, maar het leidt niemand naar zijn eigen neigingen, maar het brengt mensen naar de Bron, dat betekent naar het kruis van Christus, dan zal het vast en zeker goed gaan en niet fout.’

De Schrift moet preek worden!

Geciteerd 3: De gedachte het kruis van Christus de maatstaf te laten zijn voor de uitleg van de Schrift, getuigt van reformatorische beslissingen die al voor de grote ommekeer (2) plaatsgevonden hebben. In de eerste tien jaren – zo vertelt hij, heeft hij de Bijbel tweemaal per jaar van begin tot eind gelezen. Zijn indringend bezig zijn met de Schrift leidde tot discussies over de juiste exegese, vervolgens tot de strijd met theologen en prelaten en tenslotte tot strijd om de kerk. (…) De Reformatie kon in die tijd zo diep binnendringen in het volk, omdat Luther uit het hem al lang vertrouwde Schriftprincipe een verrassende consequentie getrokken had. De Schrift moet preek worden!

Geciteerd 4: Onder druk van ketterijen werd de levende apostolische verkondiging voor vervalsing beschermd omdat ze in een boek – onze voor/door iedereen leesbare Bijbel, niet onze belijdenisgeschriften! (AJ) – werd vastgelegd. Dankzij de verkondiging wordt dit proces van conservering weer ongedaan gemaakt en uit de Schrift van toen ontstaat de verkondiging voor vandaag.

Geen papieren paus…

Geciteerd 5: De Bijbel is dus een noodzakelijk kwaad! Noodzakelijk is ze, omdat anders de geest van de mens zich als heilig uitgeeft, zonder dat ze als on-geest ontmaskert kan worden. ‘Een kwaad’ wordt de Schrift, wanneer ze als een papieren paus in heiligheid verstart (3), in plaats van als levend Woord in de kerk in het openbaar – in voor ieder verstaanbare taal (AJ) – gehoord te worden. Het Evangelie is weliswaar toevertrouwd aan vergeelde bladzijden, maar het zal met frisse woorden een blijde Boodschap worden.

(1) Abraham krijgt al te horen dat zijn nakomelingen eerst vierhonderd jaar lang onderdrukt zullen worden.
(2) Bedoeld wordt zijn ontdekking van ‘de gerechtigheid uit het geloof” (tijdens zijn colleges over de Romeinenbrief in 1516): ‘Pas in 1518 wordt het geloof zo zeer als vertrouwen uitgelegd, dat een Christen als biechteling zich volledig mag, maar ook moet, toevertrouwen aan het Woord over de kwijtschelding van schuld. Hij wordt nu ook opgewekt af te zien van zijn innerlijke (gemoeds)toestand: daarmee heeft hij ook de laatste voorwaarde laten vervallen.
(3) Lopen we niet ook met geschriften als (bijv.) ‘De Institutie’ en de ‘Nederlandse geloofsbelijdenis’ toch voortdurend het gevaar deze als ‘papieren pausen’ te zien en te gebruiken?!

Zie ook: ‘De eenvoud van Luther’s theologie… (I)’ en (2)

Bron citaten: ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – Hoofdstuk V ‘De Doorbraak van de Reformatie’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001), verkreeg een doctoraat in de theologie in Utrecht (1957) en was hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (Arizona, USA).

Ik roep je dringend op, ten overstaan van God en van Christus Jezus, Die zal oordelen over levenden en doden, ik bezweer je bij Zijn komst en heerschappij: Verkondig de Boodschap*, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet, wijs terecht, straf en vermaan met alle geduld dat het onderricht vereist. (…) “Jij moet in alles nuchter zijn, je lijden aanvaarden, je werk als verkondiger van het Evangelie* doen, je dienende taak vervullen.‘ (Uit Timoteüs 4 de verzen 1-2 en 5)
* Zie bijv. Titus 3 de verzen 1-8

Bron afbeelding: jeffrandleman-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De eenvoud van Luther’s theologie… (II)

Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest Die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in Zijn goedheid heeft geschonken.‘ (Uit 1 Korintiërs 2 vers 12)

Wat we van onze theologen/voorgangers nu mogen vragen…

Geciteerd 1: ‘Wie nu theoloog wil worden, heeft een groot voordeel: hij heeft de Bijbel’. Met deze opmerking bedoelt Luther niet eenvoudig het aantal boeken van het Oude en Nieuwe Testament – die waren tenslotte al lang bekend en (in ieder geval voor de theologen) vrij toegankelijk. Luther maakt er zijn tijdgenoten veeleer attent op dat leken nu van theologen (hun voorgangers) moeten eisen dat ze een Bijbelse fundering geven van hun uitspraken en ook dat theologen (voorgangers) getraind zijn om te argumenteren met hulp van de Schrift. Ze hebben criteria ontwikkeld de teksten in de Bijbel op hun merites te beoordelen en te wegen. Het is deze omgang met de Bijbel die Luther voor zichzelf verworven en ontsloten heeft en die hij als deel van zijn erfenis aan het nageslacht zou willen doorgeven. In zijn eerste college over de Psalmen heeft Luther het fundament gelegd voor zijn exegese, tot aan zijn (laatste) colleges (gedurende 10 jaar!) gewijd aan het boek Genesis was hij permanent bezig zijn exegetische arbeid te vervolmaken. (…) De Heilige Geest heeft Zijn eigen taal, bij Hem moet men in de leer gaan, de woorden leren spellen en vervolgens uitgaande van het betreffende woord op zich speuren naar de gehele Bijbelse woordenschat.

Wat zegt een moeder thuis…

Geciteerd 2: Luther wist dat een goed vertaler tweetalig moest zijn. ‘Spellen’ betekent immers niet slaafs woord voor woord vertalen, maar met grote zorg het spraakgebruik van de Schrift leren begrijpen. Dat is het geheim van de originaliteit en de kracht van de Lutherbijbel. Voor de beheersing en de doelbewuste toepassing van de eigen taal is het van het allergrootste belang dat men zijn oor te luisteren legt bij de gewone man: ‘Men moet zich afvragen wat zegt een moeder thuis, wat zeggen de kinderen op straat en een man op de markt’. Daar moet men zijn oor te luisteren leggen. Hoe daar gesproken wordt, zo moet vertaald worden. Dan begrijpen die mensen het ook en ontdekken ze dat er gewoon Duits gesproken wordt.

De God van Abraham, Isaak en Jakob…

Geciteerd 3: Men zal dus eerst bij de heilige Geest in de leer gaan en letten op Zijn taalgebruik. Bij alle verschillen tussen het Oude en Nieuwe Testament, tussen de evangelisten Lukas en Johannes, tussen Paulus en Petrus, is de heilige Schrift toch op dat punt een eenheid dat ze getuigt van die God Die aan de filosofen onbekend is. Wat is dat voor een God die tegen de duivel moet strijden, die lijdt en aan het kruis wordt geslagen?
Het is duidelijk deze strijd is al lang niet meer alleen gericht tegen ‘Aristoteles’ of tegen de ‘Scholastiek’. Sedert de zondeval is ieder mens een filosoof voor zover hij die ervaringen die hij in de wereld opdoet en zijn kennis van de werkelijkheid – die hij inderdaad weet te ontsluiten met indrukwekkende resultaten – tot maatstaf van God(s) berekening maakt. De God van Abraham, Isaak en Jakob is echter wetenschappelijk niet te plaatsen, van Hem moet men kennis nemen vanuit de Schrift. Wat de mens in deze wereld voor zichzelf als ‘God’ bij elkaar haalt, is een afgod die hij zelf gemaakt heeft.

Een revolutionaire concentratie van het geloof…

Geciteerd 4: ‘Nu hebben jullie de Bijbel’, bron van leven, oer-konde van God, en daarmee zowel fundament als maatstaf van alle kerkelijke autoriteiten, of dat nu kerkvaders, concilies of pausen zijn dan wel geleerde doctores. Schrift en kerk behoren ‘op één hoop’, maar niet alleen op die manier dat de Schrift alleen de letter zou zijn en de kerk de Geest die door middel van de kerkelijke leer de dode letter tot leven moet wekken. De kerk is schepping van het Woord, het Woord echter niet de schepping van de kerk. (…) De Bijbel bevat slechts één waarheid, maar die is dan ook beslissend: ‘dat Jezus Christus, onze God en Heer, voor onze zonden gestorven is en omwille van onze gerechtigheid is opgestaan‘. Dat is tegenover de Middeleeuwen – en de nieuwe tijd – een revolutionaire concentratie van het geloof. (…) ‘Door de gekruisigde heeft de Christen alles wat hij weten moet, maar hij weet nu ook wat hij niet moet weten’. De concentratie op de gekruisigde keert zich enerzijds tegen de theologische wildgroei van de Middeleeuwen en betekent anderzijds een poging weer te verenigen wat verdeelt is geraakt sedert de stichting van de theologische faculteiten aan de universiteiten.

Zie ook: ‘De eenvoud van Luther’s theologie… (I)‘ en (Slot)

(Wordt vervolgd!)

Bron citaten: ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – Hoofdstuk V ‘De Doorbraak van de Reformatie’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001), verkreeg een doctoraat in de theologie in Utrecht (1957) en was hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (Arizona, USA).

Bent u werkelijk zo dwaas weer op uw eigen kracht te vertrouwen, en niet langer op de Geest? Is alles wat u hebt meegemaakt dan voor niets geweest? Dat kan toch niet! Geeft God u de Geest en goddelijke krachten omdat u de wet naleeft? Of geeft Hij ze omdat u naar Hem luistert en op Hem vertrouwt?‘ (Uit Galaten 3 de verzen 3-6)

Bron afbeelding: talktotheword-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De eenvoud van Luther’s theologie… (I)

‘…want uw geloof moest niet steunen op wijsheid van mensen, maar op kracht van God.‘ (Uit 1 Korintiërs 2 vers 5)

De onmetelijke rijkdom van Gods Woord…

Geciteerd 1: Toen Luther al vier-en-dertig jaar lang doctor in de theologie was en zich in die jaren bekwaamd had in de vertaling en exegese van de Schrift, belijdt deze man dat hij nog altijd overweldigd wordt door de rijkdom van de Schrift, die zo groot is dat niemand in een mensenleven alles daar uit kan putten. (…) Luther heeft zijn inspanningen om zelf (!) de Schrift te leren kennen en verstaan ooit eens vergelijken met een wandeling door een bos van vruchtbomen: ‘Er is in dit bos bijna geen boom waaraan ik niet geschud heb en appels of bessen geplukt’. Zeker, hij zegt dit niet zonder trots, maar toch ook zonder de pretentie de gehele Schrift reeds van a tot z begrepen te hebben.

Het is Christus Zelf…

Geciteerd 2: Waar het in het door Luther in die jaren opgebouwde verstaan van de Schrift om gaat, wordt duidelijk in de uitleg die Luther geeft van het verhaal over de Jakobsladder: Jakob die vlucht voor zijn broeder Ezau, droomt ’s nachts van een ladder, waarvan de top tot aan de hemel reikt. Engelen van God dalen langs deze ladder af en klimmen weer naar boven (Genesis 28 de verzen 12-14). Aan deze droom kan Luther zijn gehele reformatorische theologie op een beeldende wijze illustreren: Door het Woord van God en de Geest worden de Christenen naar de hemel geleid en in het geloof verenigd met Christus. Echter het is Christus Zelf die naar beneden gaat met als doel de Christenheid naar boven te brengen. De ladder, die de hemel en de aarde verbindt, is de vleeswording van God: Zij wordt door de duivel het meest gehaat en onophoudelijk bestreden. Hij spant zich in om gelovigen weg te lokken van Christus, die hun ladder naar de hemel is. (1)

Het rijk van de duivel…

Geciteerd 3: Al veel eerder is Luther een meester geworden in een taalgebruik dat uitblinkt door aanschouwelijkheid en beeldende kracht die de realiteit dicht benadert. Zo kan hij de afzonderlijke terreinen van het werk van God – in Christus, in de rechtvaardiging, in de schepping – steeds weer op nieuwe wijze samenvatten. Dankzij deze vergelijking heeft ook het rijk van de duivel duidelijke contouren gekregen. Dertig jaar eerder vormden ‘zonde, wereld en duivel’, zoals in de Middeleeuwen, nog een gesloten, boosaardige slagorde. Wie aan de duivel wil ontkomen, moet de wereld mijden en daar zijn heil zoeken, waar de zonde geen kans krijgt – en in dat geval is het klooster de veiligste plek. In zijn laatste college tekent Luther de duivel als de vijand van de door God geschapen wereld. Deze probeert al die krachten te vernietigen die zich inzetten voor het behoud van de schepping van God: gezin en economie, staat en kerk. De wandeling door het bos heeft Luther ver buiten de muren van het klooster in de wereld gebracht.

(1) Die ladder wijst ons dus niet op een eenzame en moeizame weg die wij ieder persoonlijk zouden moeten gaan om op uiteindelijk op ‘hemelse wijze’ met Christus verbonden te raken. De ladder reikt tot de grond en onze Heer is daarlangs tot ons neergedaald toen Hij geboren werd in Bethlehem (zie Romeinen 10 : 1-13). Door onze Doop mogen wij zeker weten dat we door Zijn lijden en sterven en opstanding mogen en kunnen leven in deze wereld als navolgers van Hem (zie 1 Petrus 2 : 21-25) en daarbij wandelen aan Gods Vaderhand door de Heilige Geest Die ons geschonken is.

Zie ook: ‘De eenvoud van Luther’s theologie… (II)‘ en (Slot)

Bron citaat: ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – Hoofdstuk V ‘De Doorbraak van de Reformatie – Nu hebben jullie de Bijbel’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001), verkreeg een doctoraat in de theologie in Utrecht (1957) en was hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (Arizona, USA).

Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw op zoek naar prooi. Stel u tegen hem teweer, gesterkt door uw geloof, in het besef dat uw broeders en zusters, waar ook ter wereld onder hetzelfde leed gebukt gaan. ‘ (Uit 1 Petrus 5 de verzen 8-9)

Bron afbeelding: slideplayer-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Christus’ gedoopte gemeente niet tekort doen!

Dood waar is uw prikkel? Hel waar is uw overwinning?
(Uit 1 Korintiërs 15 vers 55)

Geciteerd: De wet maakt de zonde wakker, zodat ze levend wordt en geeft de dood kracht en macht over ons (vgl. Romeinen 7 vers 10) (1). Hoe kunnen wij hiervan bevrijd worden? (2) Wie wil of kan de wet, ‘het handschrift dat tegen ons getuigt’ (vgl Kolossenzen 2 vers 14), wegnemen uit onze harten? Geen mens immers? (3)
Werkelijk, geen enkel schepsel in de hemel of op de aarde kan een kwaad geweten (beter: door de wet belast geweten – AJ) wegnemen. Maar wat neemt het belaste geweten wél weg? Luister wat Paulus zegt: ‘Dank aan God, Die ons de overwinning heeft gegeven door onze Heere Jezus Christus‘ (vgl 1 Korintiërs 15 vers 57).
Wij overwinnen door Jezus Christus, Die omwille van onze zaligheid is neergedaald uit de hemel en mens is geworden. Door Hem Die voor ons de dood heeft geleden aan het kruis, is neergedaald in de hel, is opgestaan uit de dood, is opgevaren naar de hemel. Die zonde, dood en hel in Zijn lichaam heeft teniet gedaan. De wet volkomen heeft vervuld en Die haar de mond heeft gestopt, zodat die moet ophouden ons aan te klagen en te verdoemen.
Dit is de overwinning, namelijk dat de dood zijn angel [of prikkel] heeft verloren (vgl. 1 Korintiërs 15 de verzen 15-56). De wet kan de zonde niet langer wakker maken (in het geweten – AJ), ook kan de zonde de dood niet langer sterk maken, want Christus heeft voor onze zonden voldaan (zie Romeinen 6 : 3-11) en Hij heeft het handschrift uitgewist dat tegen ons getuigde en dat uit ons midden weggedaan door dat aan het kruis te hechten (vgl. Kolossenzen 2 : 11- 15). Dát – de ons verkondigde waarheid -zullen we geloven!

Leestips: Hebreeën 10 : 19-25 en 2 Petrus 3 : 18-22.

(1) Dat ‘overkomt’ zelfs ook de heidenen. Zie Romeinen 2 : 12-16.
(2) Let wel: lees hier niet, wie bevrijdt ons van het doen van zonden, maar wie bevrijdt ons van een door de wet gewekt geweten, een geweten (hart) dat ons (voortdurend) aanklaagt en dat het vertrouwen niet op Christus kon stellen omdat het (nog) niet van Hem gehoord had.
(3) Of zouden we Plato als zo’n mens kunnen/moeten beschouwen. Die klom immers uit eigen zielenkracht ver genoeg op om innerlijk contact met het goddelijke en God te maken. Men wil dat zelfs toeschrijven aan het werk van de Heilige Geest. Maar we kunnen op grond van Gods Woord weten dat God nooit Zijn Naam (als voor Zijn gemeente bruikbaar werk van de Heilige Geest) zal willen verbinden aan dit soort mensenwerk. Gods Geest werkt wel in alle mensen, maar dat betekent niet dat we dat dan ook zullen mogen ‘bestempelen’ als werk van de Heilige Geest. De Heilige Geest wijst ons op Christus (ook al in en door het OT, zie Johannes 5 : 39-40). Het zijn echter wel dit soort denkbeelden, die maken dat men in kerken van de nadere reformatie meent dat mensen zich eerst maar eens uit eigen kracht kunnen/moeten gaan openstellen voor het goddelijke en God Zelf, alvorens ze zich – wat hen door Gods genade reeds geschonken is (!) – mogen toe-eigenen. Dat toe-eigenen dient dan eerst nog voort te gaan, totdat ze voldoende grond (‘bevinding’) vinden in eigen leven/zielenleven om zichzelf als een kind van God (als wedergeborenen) te mogen/kunnen beschouwen, waardoor ze (eindelijk) ook gerechtigd (kunnen) worden om aan de vieringen van het Avondmaal deel te nemen.

Bron citaat: ‘Vrees niet, geloof alleen – dagboek over het geloof’ – Citaat/meditatie van 4 november.

Hij heeft in Zijn lichaam onze zonden het kruishout opgedragen, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig (4) zouden leven. Door Zijn striemen bent u genezen. Eens dwaalde u als schapen (5), nu bent u teruggekeerd naar Hem Die dé Herder is, naar Hem Die uw ziel behoedt.‘ (Uit 1 Petrus 2 de verzen 24-25)
(4) Lees: als gerechtvaardigden zouden leven.
(5) Voordat u het getuigenis van het Evangelie van ons – apostelen – hoorde en gedoopt werd en mocht gaan léven onder de bediening van Woord én Sacrament (samen de maaltijd van de Heer gebruiken) in het midden van Christus’ gemeente.

Bron afbeelding: Pin on Bible Verses

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over boete en heling…

U, Heer, bent goed en tot vergeving bereid…’ (Uit Psalm 86 vers 5)

Geciteerd 1: Verlangt een mens om opgenomen te worden in Gods heerlijkheid, gered te zijn, dan is dat voldoende om dat heil te verwerven. Daar is niets aanvullends nodig, geen aflaat of extra voorwaarden. Dus moeten we de kerk niet dichttimmeren met allerlei regels.’ ‘Weet je wat de eerste stelling is?’, vraagt ze, om direct zelf te antwoorden, ‘doe boete.’ ‘Oh mooi’ zegt Schoon terwijl Otten doorgaat: ‘We moeten bewust zijn van onze kerkelijke scheuringen, we zijn niet compleet zonder elkaar. Dat moeten we ons aantrekken als kerk, boete doen.’ Hij half serieus, half schertsend: ‘Het boetekleed aantrekken.’ Dat is inderdaad wat ze bedoelt: ‘Niet de schuld bij de ander neerleggen, maar nadenken wat jij kunt doen om de breuk te helen.’

Geciteerd 2: Hij: ‘Ja, ik vond het zo mooi om in de Bachcantate voor palmzondag in de Luthervertaling te lezen ‘hoe treed ik toe tot de verlosser, met een hart dat ik als een kleed voor hem uitspreid waarop hij kan binnentreden’. Dat is het! Daar gaat het bij boete om. Het uitzien naar de komst van de Verlosser. De adventsgedachte.’

Opgemerkt 1: Ja, een werkelijk Bijbels advies! Dat heb ik in ons huwelijk ook altijd weer gedaan van mijn kant. Zelf het boetekleed aantrekken en dragen en nadenken over hoe je in en door het geloof de vrede in huwelijk en gezin kunt dienen. Dat is een ‘Lutherse worsteling’ geweest tegen alle aanvechtingen en moeiten die ‘eigen vlees’ (je eigen natuur, je lichamelijkheid), de wereld en de boze tegen je in het geweer brengen.

Opgemerkt 2: Graag wil ik onderstaande citaten aan bovenstaande geciteerde woorden over boete en heling toevoegen:

Geciteerd 3: Het geweten van de mens, de ‘oude Adam’, is er helemaal op gespitst om iets voor God en de wereld te presteren. Het heeft bovendien geleerd zichzelf en anderen naar die prestaties te beoordelen. In tegenstelling daarmee vestigt het geweten van de mens die door God gerechtvaardigd is, zijn vertrouwen geheel en al op de prestatie van Christus en heeft zich daardoor kunnen bevrijden van het vervloekte zelfonderzoek – ‘vervloekt’, omdat de duivel het geweten misbruikt, zich opwerpt als het ‘super-ik’ en de mens verstikt met schuldgevoelens.

Geciteerd 4: Het leidend beginsel in de theologie van Luther, namelijk dat de Christen ‘zondaar en rechtvaardige tegelijk’ is, formuleert op de scherpst denkbare wijze de radicale omwenteling die hier op zedelijk gebied voltrokken werd. Tegen de achtergrond van de Middeleeuwen – in dit opzicht zijn zij allesbehalve verleden tijd geworden – is het zelfs noodzakelijk om nog nauwkeuriger te formuleren: Luther heeft een onzedelijke revolutie voltrokken! Dat kwam aan het licht toen Luther vanuit de Wartburg zijn plaatsvervanger in Wittenberg, Philippus Melanchthon, de volgende provocerende woorden op het christelijke hart bond: zondig dapper, maar geloof nog veel meer en verheug je in Christus – ‘pecca fortiter, sed fortius fide en gaude in Christo’

Bron citaten 1-2: ND Geloof & kerk – Zij is dominee, hij is pastoor*: ‘Zo typisch, je bent katholiek of protestant. Ik wil beiden zijn!’ – door Jacolien Viveen

* Een gesprek over de erfenis van die reformatie met dominee Idelette Otten en pastoor Henk Schoon (beiden 59 jaar). Ze delen meer dan dertig jaar huis, haard en geloof maar gaan ieder vóór in hun eigen kerk. Zij is dominee in de Protestantse Gemeente van Vleuten. Hij is pastoor in de oud-katholieke parochies in Utrecht en Dordrecht.

Bron citaten 3-4: ‘Luther – Mens tussen God en duivel’, door Heiko. A. Oberman (1930-2001)

‘U, Heer, mijn God, zal ik loven met heel mijn hart,
Uw Naam voor eeuwig prijzen.
Want U toont mij Uw grote trouw,
U verlost mij uit de diepte van het dodenrijk.
(Uit Psalm 86 de verzen 12-13)

Bron afbeelding: Psalm Quotes

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De echte beeldenstorm…

Want Johannes de Doper is gekomen, hij eet geen brood en drinkt geen wijn, en jullie zeggen: “hij is door een demon bezeten.” De Mensenzoon is gekomen, hij eet en drinkt wel, en julie zeggen: “Kijk een veelvraat, wat een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars.“‘ (Uit Lucas 7 de verzen 33-34)

Geciteerd 1: Justus Jonas, de boezemvriend van Luther, moest als getuige bij het bruidsbed staan – zoals hij later ook bij zijn sterfbed stond. Zo placht men in die tijd een huwelijk als voltrokken beschouwd. Jonas was dus ‘trouwgetuige’. Hij kon er echter in het geheel niet blij over zijn: ‘Gisteren was ik erbij en zag de verloofden op het bruidsbed – bij het zien van dit schouwspel was ik niet in staat mijn tranen tegen te houden… Nu het eenmaal gebeurd is en God het kennelijk gewild heeft, smeek ik voor de voortreffelijke zuivere man alle geluk af… God is wonderbaar in zijn raadsbesluiten en werken’.

Geciteerd 2: De Reformatie moest afscheid nemen van het eeuwenoude ideaal van een charismatisch leider, die als een ascetisch man Gods alles achter zich liet wat ‘werelds’ is. Het trotseren van de duivel betekende voor Luther dat hij een eenzame weg moest gaan, zelfs te midden van de kring van zijn intieme vrienden en ook in het eigen Wittenberg. Luther heeft de beeldenstorm, een verschijnsel dat de Reformatie in de steden voortdurend begeleidde, scherp gekritiseerd. (…) Zijn eigen huwelijk was de echte beeldenstorm en dat was veel aanstootgevender dan beelden in de kerk. Daarbij richtte hij zich namelijk niet tegen de navolging van gestorven heiligen, maar tegen de inbeelding van valse heiligheid in de harten van de levenden. Het is hem ‘heilig’ zijn ‘lieve huisvrouw te benaderen’ – zo schrijft hij nauwelijks verborgen in een brief: ‘Ik zou nu heel graag je minnaar zijn’.

Geciteerd 3: Dat de Reformatie van Luther een door God gewilde ruimte geschapen heeft voor een goed leven en voor de liefde, is reeds in die tijd gestoten op een afwijzende houding van mensen die er zich voor geneerden. De duitse geestesgeschiedenis heeft de traditie van de monniken voortgezet, waaraan Luther nu met zoveel moeite was ontkomen, en heeft de wereld opnieuw met taboes volgestopt en met de duivel geïdentificeerd – weliswaar zonder dat zijn naam nog genoemd wordt.
Deze taboes werken zelfs zo lang door, dat de uitlatingen van Luther over zinnen en zinnelijkheid preuts verzwegen worden. De werkelijke omvang van de reformatorische ommekeer als gebeurtenis in de geschiedenis en als omwenteling in het denken wordt echter pas dan ten volle beseft, wanneer men begrijpt dat de ontdekking door Luther van de gerechtigheid Gods op hetzelfde moment de duivel ontmaskert als vijand van vrouwen, van de wereld en van het welzijn.

Het geweten behoeft niet meer te onderscheiden tussen hemel en aarde. In een van de brieven uit Eisleben aan Katharine (Luther’s gezondheid was tanende en hij zou daar sterven) wijst Luther zijn Käthe op de bevrijding in geloof en leven door Christus die ‘in doeken gewikkeld’ was.: ‘Ik heb een betere verzorger dan jij en alle engelen zijn… Daarom leef in vrede, Amen.’ Dat is Luther, ondanks de pauselijke ban en rijksban leeft hij in vrede – met een omhoog geheven kroes gevuld met bier (dat hem in Eisleben beter beviel – bezorgde hem geen ademhalingsmoeilijkheden – dan elders in Duitsland).

Bron citaat: ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – hoofdstuk X ‘In weerwil van de duivel: Vreugde in het huwelijk en vrede met de wereld’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001), verkreeg een doctoraat in de theologie in Utrecht (1957) en was hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (Arizona, USA).

Als u met Christus dood bent voor de machten van deze wereld, waarom laat u zich dan nog geboden opleggen alsof u nog in de wereld leeft? “Raak dit niet aan, proef dat niet, blijf daar vanaf – het zijn menselijke voorschriften en principes over zaken die door het gebruik vergaan. Dat moet allemaal voor wijsheid doorgaan, maar het is zelfbedachte godsdienst, zelfvernedering en verachting van het lichaam; het heeft geen enkele waarde en dient alleen maar tot eigen bevrediging.’ (Uit Kolossenzen 2 de verzen 20-23)

Bron afbeelding: slideplayer-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Luther en ‘de gezonde oerkracht van de lust’…

Ze is zo lieflijk als een hinde, bekoorlijk als een ree. Ze laat je altijd van haar borsten drinken, je kunt eindeloos verzinken in haar liefde.’ (Uit Spreuken 5 vers 19)

Geciteerd 1: In de ‘begeerte’ van Luther ziet Denifle (pater Heinrich Seuse Denifle, 1844-1905) een van de hoofdoorzaken van de Reformatie. De ervaring met de sexualiteit zou Luther op de gedachte hebben gebracht dat deze ‘oerzonde’ van de mens onoverwinnelijk is. Deze ‘neiging’ heeft bij hem het proces versneld de Schrift te herinterpreteren ten einde zich een legitimatie voor het huwelijk te verschaffen”: ‘Volledig in de ban van de begeerte’.

Geciteerd 2: De sexuele drift wordt, in weerwil van de Reformator, verward met de óerzonde’ van de mens. Wat de natuur wil, dat is ‘onheilig’ – alleen bestemd voor de donkere uren. Men behoeft zich echter slechts te houden aan het geschrift van Luther ‘Wider den falsch genannten geistlichen Stand (1522) om te kunnen vaststellen dat de Reformator zich er niet voor schaamt om ondubbelzinnig over de gezonde oerkracht van de lust te spreken.
‘Een jonge vrouw, behalve als haar de hoge zeldzamen genade van de maagdelijkheid te deel gevallen is, kan net zo min zonder een man als zonder eten, drinken, slapen en andere natuurlijke behoeften. En opnieuw: ook een man kan niet zonder een vrouw. De oorzaak ligt hierin: het voortbrengen van kinderen is net zo diep verworteld in de natuur als eten en drinken. Daarom heeft God het lichaam, de aderen, het zaad en alles wat daarbij hoort gegeven en ingeplant. Wie dat tegen gaat en niet wil toelaten, wat de natuur wil en moet, wat doet hij anders dan verhinderen dat de natuur natuur is, het vuur niet brandt, het water niet nat is en de mens niet eet noch drinkt noch slaapt?

Geciteerd 3: Denifle schrijft: ‘Zouden de protestanten een katholieke auteur vóór Luther gevonden hebben die dit soort dingen geschreven had, zij zouden hem vast en zeker tot op de hoogste graad onzuiver en in de grond verdorven hebben gebrandmerkt. En terecht.’ (Mainz, 1904)
Dat is goed gezien, maar de conclusie mag niet luiden: ‘en terecht’; tegen deze twee woorden moet protest aangetekend worden! De Luther die de sexuele lust niet verdringt, verdient het gelezen en begrepen te worden zonder de schaamte van de welopgevoede burgers die daarin doen denken aan de monniken. De neiging om hem acceptabel te maken – en dus niet pas de verschrikte kreet van Denifle in 1904 – verklaart waarom een van de meest onthullende en innemende brieven van Luther nauwelijks aandacht heeft gekregen.
In december schrijft hij aan zijn vriend Spalatinus dat hij helaas niet aan zijn bruilofsfeest kan deelnemen. Spalatinus moet zich echter niet door de orthodoxe priester in Altenburg in verwarring laten brengen. Het huwelijk is een geschenk van God. Daarop volgt die erotische passage waarvan het tweede deel reeds in een vroeg stadium geschrapt werd uit de uitgave van zijn brieven: ‘Je moet, wanneer je met jouw Katharina slaapt en haar omarmt, daarbij dit bedenken: dit mensenkind,, dit prachtige schepsel van God heeft mij mijn Christus geschonken. Hem zij lof en eer. Op de avond van de dag waarop jij volgens mijn berekening deze brief zal ontvangen, zal ook ik mijn vrouw op dezelfde wijze liefhebben en zo met jou verbonden zijn.’

Geciteerd 4: Te willen trouwen ‘teneinde de duivel te trotseren’, is voor een huwelijk wel de slechts denkbare van alle argumenten, die in de lange geschiedenis van dit instituut te registreren zijn. Dit trotseren komt echter niet voort uit overmoed, maar heeft alles met verstand te maken. Zijn huwelijk met Katharina von Bora, de weggelopen non, zag Maarten, de ketter die in de ban gedaan is, als het antwoord van het door God geschonken menselijk verstand op duivelse heiligheid. Dit verstandshuwelijk, dat twintig jaar duurde, werd gelukkig: ‘Ik zou mijn Käthe niet voor Frankrijk of Venetië willen ruilen…’ Dankzij het vertrouwde, patriarchale karakter dat het droeg, kon dit huwelijk tot ver in de 20e eeuw als voorbeeld dienen: ‘Käthe, je hebt een vrome man die van je houdt, je bent een keizerin’.

Bron citaat: ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – hoofdstuk X ‘In weerwil van de duivel: Vreugde in het huwelijk en vrede met de wereld’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001), verkreeg een doctoraat in de theologie in Utrecht (1957) en was hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (Arizona, USA).

‘Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?
Zij is meer waard dan edelstenen.
Haar man vertrouwt op haar
en zal daar rijkelijk bij winnen.’
(Uit Spreuken 31 de verzen 10-11)

Bron afbeelding: Facebook (robertpittsjr)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie