Gezond verstand voldoende om de evolutie af te wijzen… (III)

Immanuel Velikovsky in zijn dankwoord vooraf over zijn contact met Albert Einstein over zijn wetenschappelijk werk en zijn boek “Aarde in beroering”.

(…) Gedurende de laatste achttien maanden van zijn leven (november 1953 – april 1955) schonk wijlen Dr. Albert Einstein mij veel van zijn tijd en zijn gedachten. Hij las verscheidene van mijn manuscripten door en voorzag die van kanttekeningen. Van Aarde in beroering las hij de hoofdstukken VIII tot en met XII door; hij voorzag dit en andere manuscripten eigenhandig van commentaar en wijdde heel wat middagen en avonden, vaak tot middernacht toe, aan gesprekken en debatten met mij over de uit mijn theorieën voortvloeiende gevolgtrekkingen. In de laatste weken van zijn leven herlas hij Werelden in botsing en eveneens drie mappen met ‘memoranda’ over dat boek en de ontvangst ervan, en zette zijn gedachten daarover op schrift. Wij begonnen als tegenstanders; het terrein waarop wij van mening verschilden werd, zoals uit onze correspondentie blijkt, steeds kleiner en ofschoon er bij zijn overlijden (onze laatste ontmoeting vond negen dagen voor zijn dood plaats) nog duidelijk omschreven punten van verschil bleven bestaan, toonde zijn standpunt duidelijk aan, hoezeer zijn opvattingen in een tijdsverloop van achttien maanden zich hadden gewijzigd.
(…) De verantwoordelijkheid voor mijn werk deel ik met niemand; aan ieder die mij de behulpzame hand reikte, terwijl de sfeer in academische kringen over het algemeen geladen was met vijandigheid, betuig ik hierbij mijn dankbaarheid.

Hieronder gedeelten uit een toespraak van Velikovsky tot het Graduate College Forum van de Princeton Universiteit.

(…) Nu ik u vandaag in zo grote getale voor mij zie, zie ik enkelen van u over tien of twintig of dertig jaar als geslaagde onderzoekers, en wel diegenen onder u, die een onderzoekende en uitdagende geest hebben, de wil om door te zetten en een drang om kennis te verzamelen.

Wees niet bang de feiten onder ogen te zien en verlies nooit de gave, de vragen: Hoe? en Waarom? te stellen. Wees in dit opzicht als een kind.

En wees niet bang u belachelijk te maken; denk aan de geschiedenis van alle grote ontdekkingen. Ik haal hier Alfred North Whitehead aan:‘Als u in de loop van uw leven uw aandacht gericht hebt op de nieuwe ideeën, zult u hebben opgemerkt dat bijna alle nieuwe opvattingen, als ze voor het eerst worden uitgesproken, nogal dwaas aandoen’. Daarom: durf!

(…) In de wetenschap zijn onwaarheden taai en kunnen eeuwenlang in leven blijven, en het is mogelijk, dat ge uw rechtvaardiging niet meer zult beleven, maar, dúrf!

Blijf niet vasthouden aan uw idee, als die in strijd is met de feiten, maar houd vol, als jullie zien, dat de feiten zich in uw voordeel zich opstapelen. Het is best mogelijk, dat zelfs de sterkste tegenstand, die van cijfers, voor de feiten bezwijkt. De grootste wiskundige die ooit op deze stranden wandelde, Simon Newcomb, bewees in 1903 dat een vliegmachine met een piloot er in een mathematische onmogelijkheid is. In datzelfde jaar 1903 bewezen de gebroeders Wright, zonder wiskunde, maar door een feit, dat hij ongelijk had.

(…) Fantasie gepaard met scepticisme en een vermogen, nieuwsgierig te zijn – als u dát hebt, zal de milde natuur u enkele van de geheimen uit haar onuitputtelijke voorraad afstaan. De vreugde die u zult beleven bij het ontdekken van de waarheid zal het loon zijn van uw arbeid.

Verwacht geen andere vergoeding, want die zou wel eens kunnen uitblijven.
En toch: dúrf! (1)

(1) Het zal duidelijk dat het hier door Immanuel Velikovsky gevraagde soort durf niet is opgebracht in en door de wetenschappelijke wereld!

Zie ook de voorgaande blogs:  (I) en (II)

Bron afbeelding: Schepper en Zoon en WanToKnow.nl

Diverse Wetenschappen - Schepper en Zoon

Immanuel Velikovsky

Geplaatst in Bijbel, Geschiedenis, Natuur, Wetenschap | Plaats een reactie

Gezond verstand voldoende om evolutie af te wijzen… (II)

Immanuel Velikovsky (1895-1979) aan het (voor)woord in zijn boek “Aarde in beroering”.

(…) Aanvankelijk was mijn voornemen, na de geschiedenis van deze vroegere aardse beroeringen tot één samenhangend geheel aaneen te hebben geregen, ter ondersteuning van de menselijke getuigenissen, ook geologisch en paleontologisch materiaal aan te dragen. Maar de wijze, waarop Werelden in botsing door zekere wetenschappelijke kringen werd ontvangen, bracht mij er toe, alvorens het schouwspel van vroegere catastrofen te doen herleven, ten minste iets van het bewijsmateriaal der gesteenten, dat al even luid spreekt als dat wat door geschreven kronieken en mondelinge overleveringen tot ons is gekomen, hier te bespreken. Dit bewijsmateriaal komt nimmer tot ons in overdrachtelijke vorm; en evenals de bladzijden van het Oude Testament of van de Ilias, valt er niets aan te veranderen. Grind en gesteenten, bergen en de bodem van de zee zullen getuigenis afleggen.

Weten zij van de dagen, niet zo lang geleden en in de oudheid, waarin de harmonie van deze wereld door de natuurkrachten werd verbroken? Hebben zij talloze wezens bedolven en in gesteente ingebed? Hebben zij de oceaan zich over vastelanden zien schuiven en werelddelen onder water zien verdwijnen? Werd deze aarde en de uitgestrektheid van haar zeeën gestriemd met een regen van stenen en met as bedekt? Werden haar wouden, door orkanen ontworteld en in brand geraakt, door de vloedgolven bedekt met zand en overblijfselen van de bodem van de oceanen? Er zijn miljoenen jaren nodig om een houtblok te verkolen, maar als het brandt slechts één uur. Hier ligt de kern van het probleem: veranderde de aarde in een langzaam proces, voegend jaar bij jaar en een miljoen jaren bij een miljoen jaren, waarbij het vredige gebied van de natuur de wijde arena was voor de strijd der menigten waarin de sterksten overleefden? Of gebeurde het ook wel, dat dit strijdperk zelf zich verwoed verhief tegen de strijdenden en aan hun gevechten een einde maakte?

Ik geef hier enkele bladzijden uit het boek der natuur. Ik heb alle verwijzingen naar antieke literatuur, overleveringen en volksverhalen er buiten gehouden; en ik deed dit opzettelijk, zodat achteloze critici het gehele boek niet kunnen uitmaken voor ‘verhalen en legenden’. Stenen en beenderen zijn de enige getuigen. Al zijn ze stom, ze zullen duidelijk en ondubbelzinnig getuigen. Toch zullen lieden met hardhorende oren en slechtziende ogen dit bewijsmateriaal ontkennen; en hoe troebeler hun visie, hoe luider en hardnekkiger ze zullen protesteren. Dit boek is niet geschreven voor hen die zweren bij de verba magistri – de heiligheid van hun schoolkennis (de meester heeft het zo gezegd); en laten zij er maar over debatteren zonder het gelezen te hebben.

Zie verder ook een nog volgende blogs  met daarin ook een te downloaden PDF-bijlage om (in beknopte vorm!) nog wat uitgebreider geïnformeerd te worden over de wetenschapper Immanuel Velikovsky en zijn werk.

Bron afbeelding: Tjok’s blog (afgebeeld een fossiel: Trilobiet)

Creatie en Evolutie - trilobiet - Tjoks blog

 

 

 

Geplaatst in Bijbel, Geschiedenis, Natuur, Wetenschap | Plaats een reactie

Gezond verstand voldoende om evolutie af te wijzen… (I)

Het kunnen en durven afwijzen van “de evolutie”  vraagt beslist niet meer dan gezond verstand en de wil en denkkracht om wat  “Einsteiniaanse gedachte-experimenten” uit te voeren op basis van  redelijke “biologische feitenkennis”  en waar het de geologie betreft kennis van de (wereldwijde) ligging en condities van de aardlagen, waarvan heel wat tjokvol met fossielen in bijzondere conditie…

Het gaat er om dat we ons een evolutionaire ontwikkelingsweg dienen voor te stellen (in te denken) voor het ontstaan van het samenstelsel en de samenwerking van nieuwe organen en eigenschappen in en van organismen, die dan dat betreffende organisme in staat moeten stellen om daarmee te overleven in het eigen leefmilieu en die daarmee ook al voordeel moeten zien te behalen op “achterblijvende” soortgenoten, zelfs ook al wanneer deze organen (eigenschappen) bij het “voorsprong organisme” nog niet ten volle “uitontwikkeld” zijn.

Wanneer men zich dat gaat voorstellen en indenken dan is het redelijk eenvoudig om tot de ontdekking en de conclusie te komen dat zo’n weg er niet is voor de vele bijzondere en complexe biologische verschijningsvormen in “lichaamsbouw” en het bijbehorende bijzondere gedrag van talloze organismen. Zolang in een organisme bouw en gedrag  in hun samenhang en samenwerking zich niet volledig hebben “uitontwikkeld” ten bate van hun voortbestaan in het specifieke of nieuw te veroveren leefmilieu, is het (voort)bestaan en de verdere ontwikkeling daarvan zinloos/effectloos en valt er ook geen natuurlijke selectie op uit te voeren.

Biologie
Laten we eens als voorbeeld nemen de wielweb-spinnen. Zelfs de evolutionaire ontwikkelingsweg vanuit een spinnensoort die al een eenvoudig dradenspinsel produceert naar de soort van de wielwebspinnen blijkt uitgesloten.

Voor het maken van een wielweb dient een spin veel ruimtelijk inzicht te hebben en ook moet de spin op het juiste moment gebruik weten te maken van de juiste weer-condities m.n. voor het spannen van de hoofdraden waarbinnen het wielweb geweven gaat worden. Het spinsysteem (de spintepels die de chemische draad “spuiten”, waarna in aanraking met de buitenlucht een elastische draad zich vormt) en de chemische samenstelling moet ook afgestemd zijn op het bouwen van een wielweb. Heel het zenuwgestel (hersens, aansturing poten, spintepels) moet meewerken om zo’n wonderlijk mooi web te kunnen “spinnen”. Dan moet ook het vanggedrag daarop aangepast zijn en insecten dienen zo spoedig mogelijk buiten bedrijf gesteld en onschadelijk gemaakt kunnen worden, omdat ze anders te veel beschadiging van het web veroorzaken. Ook hier is er een bijzondere samenwerking tussen “hersenen” (“know how”) zenuwen en organen (poten die de draden mee helpen wikkelen) voor nodig. Ook dient de spin schade aan het web te kunnen ontdekken (“in te zien”) en te kunnen repareren. In bepaalde omstandigheden (veel beschadiging, mindere weer condities) eten spinnen hun web ook wel weer op en laten zodoende de voedingsstoffen daarvan niet verloren gaan. Dan moet natuurlijk ook het voortplantingsgedrag afgestemd zijn op het leven en elkaar ontmoeten in en bij de wielwebben… Zolang niet al die eigenschappen bij een spin in alle onderdelen (hersenen, zenuwbanen, organen en orgaanstelsels) aanwezig zijn heeft het geen zin om te beginnen aan het ontwikkelen van eigenschappen voor het op latere/langere termijn kunnen bouwen van wielwebben. Het is hier beslist gewoon alles of niets. Met halve oplossingen  is een spinnensoort niet gebaat en er valt  geen enkel voordeel te behalen zolang niet daadwerkelijk het  wielwebspinnenleven in alle levensfases en onder alle condities  wordt ondersteund door het totaal van “eigenschappen” van de spinnensoort.

Het voorbeeld van de “onmogelijke ontwikkelingsweg” van de wielwebspin is natuurlijk maar één voorbeeld. Maar je kunt talloze andere organismen als voorbeeld nemen: denk bijvoorbeeld aan de “ontwikkelingsweg” van zo’n bijzonder organisme als de honingbij, die als soort ook nog eens een heel complexe vorm van samenleven en samenwerken kent…

Een ander voorbeeld uit de biologie dat kan duidelijk maken dat er geen enkele evolutionaire weg mogelijk is dat zijn o.a. de meer bijzondere eigenschappen van de mens, zoals we die vinden bij het muzikale of wiskundige genie, of het fotografische geheugen en ook voor de ontwikkeling van onze spreektaal valt geen evolutionaire weg te bedenken of aan te wijzen.

Geologie
Immanuel Velikovsky (1895-1979) een geleerde met een fenomenale kennis van zaken op tal van wetenschappelijke vakgebieden en een wetenschapper met “de denkkracht van een Einstein” (hij heeft trouwens in Einstein’s laatste levensjaren ook druk met deze wetenschapper gecorrespondeerd en gediscussieerd over zijn verworven kennis en inzichten), was er ten volle overtuigd dat hij met zijn boek “Aarde in beroering” zoveel “onloochenbaar geologisch bewijsmateriaal” had bijeengebracht, dat ieder met een (nog) gezond verstand (w.o. zelfs ook wetenschappers) “dwingend” (uit de feitelijke vondsten)  te overtuigen dat “de geologische kolom” alleen kan worden begrepen en verklaard uit diverse grote rampen waardoor de aarde in vroeger eeuwen is getroffen (en dus niet miljoenen jaren geleden!) en waarvan de invloed zich deed gelden op wereldschaal. Catastrofen op wereldschaal geven de enige redelijke redelijke verklaring voor  de ligging en conditie van de aardlagen, ijslagen en grotten waarin enorme aantallen gefossiliseerde planten en dieren worden aangetroffen in vaak ongewoon goede conditie of juist in een staat (o.a. versplintering van hout en botten) en massaliteit die alleen uit “rampzalige” omstandigheden verklaard kan worden.

Ieder die de de opvatting is toegedaan dat onze aardlagen zich wel in periodes van miljoenen jaren moeten hebben gevormd, kan en wil ik het lezen van dit boek van harte aanbevelen. Let wel, dit boek bevat geen speculatieve theorieën, maar geeft slechts verslag van wat andere onderzoekers (geologen, biologen) ontdekt en gezien en geconstateerd hebben tijden hun “veldonderzoek”.  Het boek is momenteel alleen antiquarisch verkrijgbaar!

>> Zie ook nog de volgende blogs:

Bron afbeelding:  myscienceschool.org

Wielwebspin - myscienceschool.org

Geplaatst in Bijbel, Geschiedenis, Natuur, Wetenschap | Plaats een reactie

Diotrefes, en de voorrang van liefde en dienstbetoon… (II)

(…) Gajus (1), zeiden we al, had lief, en van de liefde geldt ook: zij denkt geen kwaad. Maar nu gaat Johannes in dit briefje eens vertellen wat voor een man die ouderling Diotrefes eigenlijk wel is. De ogen moeten daarvoor open gaan in de gemeente. U voelt wel, Johannes schrijft dit niet aan Gajus, om Diotrefes achter de rug om te belasteren.

Dit briefje (1) is dan ook geen achterklap of roddel.

Johannes deelt alvast aan Gajus mee: „daarom zal ik, als ik kom, herinneren aan zijn werk” (vs 10)…. de apostel zal hem dus ronduit in z’n gezicht zeggen, wat hij nu aan Gajus schrijft. Maar Johannes schrijft dit nu alvast, omdat het heil der kerk er mee gemoeid is.

Diotrefes kon mooi praten.

Het gevaar bestond dat Gajus en de andere gemeenteleden onder zijn invloed kwamen. Dit zou funest zijn voor de kerk. Zo spoedig mogelijk moet deze man worden ontmaskerd. Want behalve dat hij brieven achterhoudt, voor de gemeente bestemd, heeft deze broeder nog meer op z’n geweten — inderdaad een „christen”, op wiens onchristelijke levenswandel veel aan te merken viel!

Wat „broeder” Diotrefes zoal op z’n geweten heeft, vertelt Johannes in dén brede aan Gajus; hij heeft een apostolisch schrijven achtergehouden, hij erkent het gezag van Johannes niet, hij „bebabbelt” de apostel „met boze woorden” (vs 10), hij ontvangt de broeders niet, en bant andere willekeurig uit de gemeente. Enzovoort.

Maar dit is alles ondergeschikt aan de grote zonde waarin Diotrefes is gevallen, en die door Johannes dan ook vooropgesteld wordt. Deze Diotrefes wordt namelijk gekarakteriseerd als iemand: „die onder hen de eerste tracht te zijn”. Diotrefes was een heerszuchtig en een eerzuchtig man. Hij wou het alleen te zeggen hebben. Zijn haan moest koning kraaien. Hij duldde daarin niets of niemand naast zich.

De leiding in de gemeente moest in zijn handen zijn.

Wij lezen er met geen woord van, dat deze ouderling niet zuiver in de leer was, of de een of andere ketterse mening verkondigde. In de andere brieven van Johannes is daar wel sprake van. Hij moet daar waarschuwen tegen valse leringen en anti-christelijke stromingen. Daar is nú geen sprake van. Ouderling Diotrefes was zo zuiver in de leer als maar enigszins mogelijk was. Hij was doorkneed in de dogmatiek zo gezegd. Als hij preken hoorde, kon hij zo maar zeggen, waar het te licht en waar het te zwaar was, en hij oefende die kritiek ook vrijmoedig. Nee, over de rechtzinnigheid van deze doorgewinterde ouderling behoefde men geen ogenblik in twijfel te verkeren.

Het is met deze „broeder” veel erger gesteld !

Hij was niet on- of anti-christelijk in de leer, maar in z’n leven, en daartegen is het dat Johannes met bewogenheid waarschuwt. Diotrefes wilde onder hen de eerste zijn. Dat is dé grote anti-christelijke zonde. Er is nauwelijks één kwaad te noemen dat bedenkelijker is, en nauwelijks één zonde die meer funest is voor het kerkelijk leven dan dit: de eerste willen zijn.

Ik schrijf dit met grote vrijmoedigheid neer, niet zozeer omdat de Schrift ons meldt, dat de hoogmoed de zonde geweest is die het allereerst haar intrede gedaan heeft in de wereld. Maar vooral omdat zij zo lijnrecht indruist tegen alles wat Christus Zelf geleerd en gedaan heeft.
Over de twisten der discipelen „wie van hen de meeste zou zijn”, heeft de Heiland Zich uitermate bedroefd. In de voetwassing heeft Hij hun een gevoelig lesje gegeven. Hij heeft ze diep ingeprent dat de meeste is, wie de minste wil wezen.

Hij Zelf was onder ons als één die dient.

De echt-christelijke levensstijl is niet heersen, maar dienen. En het is wel heel merkwaardig, dat als Paulus schrijft in Filippenzen 2 over de menswording van Christus, dat hij dat niet doet in dogmatische formuleringen, maar echt toepasselijk voor de levenspraktijk : „dit gevoelen zij in u hetwelk ook in Christus Jezus was, Die Zichzelf vernederd heeft”.

En dáárom is de zonde van Diotrefes en van allen die met hem in hetzelfde schuitje varen, gemerkt met een anti-christelijk stempel.

(1) De derde brief van Johannes is gericht aan Gajus, een “gewoon gemeentelid” van de gemeente waar ook Diotrefes lid van is en “voorzitter van de kerkenraad”.

(…) 5 Laat onder u de gezindheid heersen die ​Christus​ ​Jezus​ had. 6 Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, 7 maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een ​slaaf​ en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, 8 heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het ​kruis. 9 Daarom heeft God Hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, 10 opdat in de naam van ​Jezus​ elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, 11 en elke tong zal belijden: ‘Jezus​ ​Christus​ is ​Heer,’ tot eer van God, de Vader. (Uit Filippenzen 2)

Bron tekst: Gedeelten uit “Hoofdstuk XIV – Diotrefes” uit “Dubieuze posten – figuren uit de Bijbel” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding:   SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Diotrefes, en de voorrang van liefde en dienstbetoon… (I)

“De oude. Aan mijn geliefde broeder Gajus, die ik werkelijk liefheb.” (3 Johannes 1 : 1) (1)

(…) Diotrefes behoort nu niet bepaald tot de meest bekende Bijbelse figuren, maar zijn naam komt toch in de Schrift voor, en wie tot de “Bijbelvasten” behoort, zoekt die naam direct in de derde brief van Johannes, een heel kort briefje, geschreven aan een zekere Gajus, van wie wij verder niet zo heel veel weten, maar waar we straks nog even op terugkomen. In bedoeld briefje dan heeft de apostel het ook over onze Diotrefes.

Wie was Diotrefes?

(…) Ik weet wel, dat er veel christenen zijn, waarvan op hun christelijke levenswandel veel aan te merken valt. In zekere zin geldt dat voor ons allemaal. En wij schamen ons daar diep over, want we begrijpen heel goed dat we daarmee geen aanbeveling zijn voor Christus en “het christendom”. Maar dat wil lang nog niet altijd zeggen, dat ons daarom de naam „christen” moet worden ontzegd.
Bij Diotrefes kijk ik evenwel tegen die titulatuur „christen” wat vreemd aan. Ik zet er in elk geval een groot vraagteken achter. Wat van zijn doen en laten openbaar wordt, is eerder anti-christelijk te noemen. Oh, zeker, Diotrefes droeg een mooie naam, die zoveel betekent als „kind van God”. Voorts was de man ook lid van de christelijke kerk. Wat meer zegt: hij was ouderling.

Diotrefes was in de gemeente waar hij woonde een man van groot gezag en enorme invloed, zo zelfs, dat een gewoon gemeentelid zoals Gajus (1), geen kwaad vermoedt en geen kwaad denkt, en als gewoon gemeentelid veel hoogachting en eerbied koestert voor ouderling Diotrefes, voorzitter van de kerkenraad, en die daardoor gevaar loopt onder zijn verkeerde invloed te komen, en daarom is het nodig dat Gajus door Johannes gewaarschuwd wordt.

Het boekje dat Johannes over Diotrefes open doet, ziet er niet bepaald gunstig uit. Er blijkt uit, dat deze ouderling een gemene, geniepige, achterbakse man was, voorts een lasteraar, een door en door eerzuchtig man, die het alleen te zeggen wou hebben, en een liefdeloos type. En dan toch maar ouderling wezen, en mooie vrome woorden zeggen, dat kan dus blijkbaar samengaan.

Maar laten we beginnen, al deze dingen in orde te verhalen.
(wordt vervolgd…)

(1) De derde brief van Johannes is gericht aan Gajus, een “gewoon gemeentelid” van de gemeente waar ook Diotrefes lid van is en “voorzitter van de kerkenraad”.

Bron tekst: Gedeelten uit “Hoofdstuk XIV – Diotrefes” uit “Dubieuze posten – figuren uit de Bijbel” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

(…) Nu u door ​Christus​ zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost, nu er onder u zo’n grote verbondenheid met de Geest is, zo veel ontferming en medelijden, 2 maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in ​liefde, één in streven, één van geest. 3 Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf. 4 Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander. 5 Laat onder u de gezindheid heersen die ​Christus​ ​Jezus​ had.  (Uit Filippenzen 2)

Bron afbeelding:   Bijbelse Feesten – TOV Training (1 Korintiërs 5 : 6-8)

Uw roem is niet goed - Oud zuurdeeg - Bijbelse Feesten - TOV Training

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Demas heeft mij verlaten… (II)

“Door uw volharding zult u uw leven verkrijgen.“ (Lukas 21 : 19)

(…) Het komen, tot Jezus is nog zo bezwaarlijk niet, het blijven bij Hem, volharden tot het einde, dat is de heilige kunst van het geloof.

(…) Demas heeft gecapituleerd! Het gerucht vliegt door de gemeente als een schuwe vogel. Het gaat als een schokkend bericht van mond tot mond: Demas is gedeserteerd! Demas heeft niet slechts z’n dienst opgezegd, maar hij heeft de kerk de rug toegekeerd.

Paulus noemt hier de man bij z’n naam, en de zonde bij haar naam, en dat is ook maar het allerbeste. Het is wel scherp gezegd, doch zo’n prediking haalt meer uit, dan wanneer de gemeente wordt doodgegooid met dierbare en versleten termen die het geweten niet meer raken.

(…) Ik geloof er dan ook geen steek van, dat Demas, toen hij van Paulus afscheid ging nemen (zo hij dat gedaan heeft!) gezegd heeft: Paulus, ik groet u, want ik heb de wereld lief gekregen! Dat doet men natuurlijk niet! Och, hoe gaat dat! (…) Maar Paulus, die z’n mensen kende, heeft het wel gevoeld. Als een steek in z’n eigen hart: „liefde voor de tegenwoordige wereld”!

Precies zoals een herder die z’n schapen kent, en informeert waarom de kerk verzuimd werd, gauw genoeg voelt, waar de schoen wringt: de tegenwoordige wereld! Dat wil toch wel wat zeggen! Een glimp te hebben gezien van de onovertrefbare rijkdom van Christus, het goed dat nimmermeer vergaat, en dan z’n liefde over te dragen aan een wereld die doodarm is, juist omdat ze tegenwoordige wereld is, en geen toekomst heeft!

Laten we Demas niet te hard vallen!

’t Is makkelijk oordelen, als men zelf niet voor het geval geplaatst is. (…) Laten we voorzichtig zijn. Laten we geen grote mond opzetten tegen Demas… (…) ’k Zou wel eens willen weten wat er terecht kwam van velen die nu ach en wee roepen om de „tegenwoordige wereld” als ze er zelf eens voor geplaatst werden, hoe moeilijk of gevaarlijk het kan worden om christen te blijven. Niet in een knusse omgeving. Maar midden in het vuur!

Er is een lelijke wereld van onzedelijkheid en brasserij. Er is ook een „mooie” wereld van cultuur en wetenschap. Er zijn onfatsoenlijke en eerbiedwaardige wereldliefhebbers. De man die z’n geld liefheeft of z’n eigen eer, is evengoed wereldmens als die het “eerloze” liefheeft. Er zijn meer liefhebbers van de tegenwoordige wereld dan u misschien zoudt denken.

Het is wel een verdrietige tegenstelling: Paulus en Demas! Twee mannen rennen in de loopbaan, de apostel én zijn „medearbeider”. Paulus heeft de goede strijd gestreden. Demas heeft het tegen z’n vijand –  de wereld  – moeten afleggen. Paulus heeft de loop beëindigd. Demas is midden in de strijd blijven steken. Paulus ziet uit naar de kroon der rechtvaardigheid en de toekomende wereld, Demas wordt gelokt door de schoonheid dezer tegenwoordige wereld.

Ben ik Demas?

Deze vraag heeft recht van bestaan, omdat, zoals we zagen, men de tegenwoordige wereld lief kan hebben, ook zonder met de kerk te breken.
Ons hart heeft onvermoede duistere diepten. Zelfs mede-arbeider van Paulus te zijn is nog geen waarborg voor behoudenis.
Timoteüs, aan wie Paulus deze dingen schrijft, had blijkbaar dit waarschuwende voorbeeld van Demas nodig, hoewel hij toch van jongsaf de Schriften geweten had, en een vrome moeder en grootmoeder had.

Schijn bedriegt. Kenden we Demas alleen uit de brieven aan Filemon en Colosse, we zouden hem allicht een plaats gegeven hebben in de galerij der heiligen. Maar nu komt de brief aan Timoteüs deze illusie verstoren: „Demas heeft mij verlaten”.

En uit deze brief richten zich de ogen van Jezus op u en mij en vragen:
„Hebt gij Mij lief?”

(…) 10 Velen zullen dan ten val komen, ze zullen elkaar verraden en elkaar haten. 11 Er zullen talrijke valse profeten komen die velen zullen misleiden. 12 En doordat de ​wetteloosheid​ toeneemt, zal bij velen de ​liefde​ bekoelen. 13 Maar wie standhoudt tot het einde, zal worden gered. 14 Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen. (Uit Matteüs 24)

Bron tekst: Gedeelten uit “Hoofdstuk XIII – Demas” uit “Dubieuze posten – figuren uit de Bijbel” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding:   Bemoedigende Bijbelteksten

Judas-1-3 - tot het uiterste strijden - volharden - Bemoedigende Bijbelteksten

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Demas heeft mij verlaten… (I)

“Door uw volharding zult u uw leven verkrijgen.” (Lukas 21 : 19)

Demas. Wij weten wel niet zo bijzonder veel van hem, en hij is ook niet een zó op de voorgrond tredende figuur als bijvoorbeeld Barnabas en Markus, twee mannen in de schaduw van Paulus, over wie wij vroeger reeds spraken, maar toch is hij een medearbeider van de grote heidenapostel geweest, en blijkens de schaarse gegevens in Paulus’ brieven niet een van de minst gewaardeerde medearbeiders.

(…) De wijze waarop Paulus zijn naam voor het laatst vermeldt, is voor Demas niet zo erg eervol. Hij schrijft: „Demas heeft mij verlaten”. In de oorspronkelijke tekst staat het nog scherper: „Demas heeft mij in de steek gelaten”.
Maar het motief, dat de apostel aangeeft voor deze verlating is nog erger: „uit liefde voor de tegenwoordige wereld”!

(…) Vast sta voorlopig alleen, dat Paulus deze woorden zonder enige bitterheid heeft neergeschreven. Er klinkt integendeel een diepe smart in door. Dat Demas dit heeft kunnen doen, stemt hem tot grote droefheid. Paulus staat hier voor een raadsel. Hij begrijpt er niets van. Van wie hij nu ook een trouweloze verlating had kunnen vermoeden, van Demas zeker niet.

(…) Uit de enkele „close ups” in Paulus’ brieven van Demas is wel duidelijk te merken, dat hij niet de eerste de beste was. Er zijn sommige mensen, die vrij permanent aan de zelfkant der kerkelijke samenleving rondzwerven, en als zij vroeg of laat eclipseren, staat eigenlijk niemand daar verwonderd van te kijken. Tot deze categorie behoorde Demas stellig niet. Hij was integendeel een meelevend man, en een toonaangevende figuur.

(…) De veronderstelling zal zeker niet te gewaagd zijn, dat hij geboortig was uit Thessalonica, en dat hij daar door de prediking van Paulus uit het heidendom is getrokken en overgegaan tot het christendom. Bij deze „bekering” is het evenwel niet gebleven. Wat wij zo dikwijls lezen van de bekeerlingen in de oude christelijke kerk (en wat eigenlijk voor ieder christen vanzelfsprekend behoorde te zijn) gold ook voor Demas. Hij is ook getuige geworden van Christus, en hij heeft zijn krachten en gaven spontaan in dienst van het evangelie gesteld.

(…) In zijn brief aan Filemon noemt Paulus hem dan ook naast Markus, Aristarchus en Lukas onder zijn medearbeiders (vs 24).
In Colossenzen 4 : 14 noemt de apostel hem alweer in één adem met Lukas, en laat zijn groet overbrengen aan de gemeente ter plaatse, waaruit blijken kan, dat Demas ook in de kerk van Colosse een bekende figuur was. De beide hier genoemde brieven — en dat geeft aan het leven van Demas nog meer perspectief — zijn geschreven vanuit Rome, toen Paulus daar gevangen zat. Demas heeft dus niet alleen zijn huis en haard, zijn familie en geboortestad en waarschijnlijk ook zijn zaak achtergelaten, om Paulus te volgen in dienst van het evangelie, maar hij is er evenmin voor teruggedeinsd Paulus’ metgezel te blijven gedurende zijn gevangenschap, “de hitte des daags en de koude des nachts” delend met zijn geliefde meester.

(…) Demas heeft gecapituleerd! Het gerucht vliegt door de gemeente als een schuwe vogel. Het gaat als een schokkend bericht van mond tot mond: Demas is gedeserteerd! Demas heeft niet slechts z’n dienst opgezegd, maar hij heeft de kerk de rug toegekeerd.

Ach, mijn broeder!

(…) 33 Petrus​ zei daarop tegen hem: ‘Misschien zal iedereen zich aan U ergeren en U afvallen, ik nooit!’ 34 Jezus​ antwoordde hem: ‘Ik verzeker je: deze nacht zul je, nog voor de haan gekraaid heeft, mij driemaal verloochenen.’ 35 Petrus​ zei: ‘Al zou ik met U moeten sterven, verloochenen zal ik U nooit.’ Alle andere ​leerlingen​ vielen hem daarin bij. (Uit Matteüs 26)

Bron tekst: “Hoofdstuk XIII – Demas” uit “Dubieuze posten – figuren uit de Bijbel” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding:   Het Heilig Woord

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

De Geest zucht met ons…

(…) 25 Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding. 26 En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij ​bidden​ zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. 27 En Hij, die de ​harten​ doorzoekt, weet de bedoeling van de Geest, dat Hij namelijk naar de wil van God voor ​heiligen​ pleit. (Uit Romeinen 8)

Rechtvaardiging (5)

Op zaterdagmiddagen werd er in de stadskerk gepreekt uit het Evangelie van Johannes. Luther sprak op zaterdag 6 mei 1531 over Johannes 6 vers 65: ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij het hem door Mijn Vader gegeven is.’ In deze preek geeft hij een voorbeeld van een zeldzaam diep gebed (1).

Hier volgt het gebed:

“Ik dank U, mijn God, dat ik geleerd heb, dat ik mijn zonde niet kan overwinnen door mijn eigen boetedoening – dat ik het geloof niet kan beginnen met goede werken én dat ikzelf voor mijn zonden niet kan betalen. Voor de mensen kan ik dat wél doen, voor de wereld en de rechter kan ik mijn straf dragen – voor hen is dat genoeg. Maar bij U, o God, is de eeuwige straf, daar heb ik niets om mee te voldoen – daar moet ik wanhopen.

Daarom dank ik U, dat een Ander in mijn plaats mijn zonden op Zich genomen, die gedragen en ervoor betaald en ervoor geboet heeft. Dat zou ik graag willen geloven. In mijn gedachten is het ook heerlijk en goed, heilig en vol troost, maar helaas, ik kan het voor mijzelf niet aannemen. Ik ondervind dat het mijn kracht te boven gaat – ik weet niet hoe het ooit zou kunnen gebeuren! Heere, leert U mij, help mij en geef mij de kracht en de gave dat ik ook geloven mag.

De profeet zucht in de psalm: ‘O God, schep in mij een rein hart en geef mij een nieuwe, vaste geest’ (vgl. Psalm 51:12). Een nieuw en rein hart ben ik niet bij machte te maken. Het is Uw maaksel en schepping. Zoals ik de zon en de maan niet kan doen opgaan, zodat die helder schijnen aan de hemel, zo min kan ik maken een rein hart te hebben en een vaste geest of een sterk vertrouwen.

Een rein hart is een hart dat niet onzeker en wankelmoedig is of twijfelt aan Uw Woord. Dát is een nieuw, rein, zacht hart dat zeggen kan: ‘Ik heb een goede geest, een nieuwe wil, een nieuw gemoed en een nieuw hart – een hart dat daarop staat en niet twijfelt, maar zó werkelijk gelooft, dat het lichaam en leven ervoor wil overgeven: Christus is voor mij gestorven!”

Maarten Luther: Wochenpredigten über Johannes 6-8, 1531, vgl. WA 33, 285, 15 – 286, 15

(1) Uit dit gebed blijkt dat in de tijd van de reformatie onder de mensen ook wel veel strijd was om tot de zekerheid van het geloof te komen. Dat betekent echter niet dat Luther zegt: dat de ‘rechtvaardiging’ door het geloof niet noodzakelijk is. Want wat Paulus zegt, blijft waar: ‘Nu wij dan rechtvaardig zijn geworden door het geloof, hebben wij vrede bij God door onze Heere Jezus Christus’ (weergave DB 1545).

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding: SlidePlayer

De Geest en het zoonschap - SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Persoonlijk | Plaats een reactie

Levert de wetenschap ons betrouwbare kennis?

(…) 26 Uit één mens heeft Hij de hele mensheid gemaakt, die Hij over de hele aarde heeft verspreid; voor elk volk heeft Hij een tijdperk vastgesteld en Hij heeft de grenzen van hun woongebied bepaald. 27 Het was Gods bedoeling dat ze Hem zouden zoeken en Hem al tastend zouden kunnen vinden, aangezien Hij van niemand van ons ver weg is. (a) (uit Handelingen 17)

Citaat (1): “Prof. G. van den Brink gelooft terecht dat de natuurwetenschap betrouwbare kennis oplevert. Hij gaat niet mee in de soms opvallend postmoderne houding bij sommige christenen om wetenschap af te doen als „slechts een mening en interpretatie.” Terecht wijst prof. Van den Brink op de „tweeboekentheorie.” Hij gelooft dat God ons twee boeken heeft gegeven, het boek van de Schrift én het boek van de natuur (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 2). God is auteur van beide boeken, en in beide is Hij geloofwaardig. Als wij daartussen spanningen waarnemen, ligt dat niet aan de betrouwbaarheid van deze boeken, maar aan onze gebrekkige interpretatie van een van beide boeken.”

Opgemerkt:  Precies op het punt van de “betrouwbaarheid van de wetenschap” zit de crux! Wetenschap levert ons nooit betrouwbare informatie/kennis, ze levert ons alleen bruikbare informatie/kennis! Alleen Gods Woord geeft ons betrouwbare kennis! Alleen op wat Gods Woord ons leert kunnen we “ons levenshuis” bouwen (2).

Omdat de wetenschap ons bruikbare informatie en kennis oplevert, daarom menen veel mensen dat de wetenschap ook betrouwbare informatie/kennis levert en dat je daarom je vertrouwen kunt geven aan de wetenschap. Velen geven zelfs liever hun vertrouwen aan de wetenschap, en bouwen daarop “hun levenshuis” (3), dan dat ze op God vertrouwen en op Hem “hun levenshuis” bouwen.

De woorden betrouwbaar en vertrouwen kunnen we waar het de wetenschap betreft beter maar niet gebruiken, maar daarvoor in de plaats zeggen dat we wetenschappelijke resultaten bruikbaar achten en daarom in de levenspraktijk willen gebruiken (bijvoorbeeld om veilig met een vliegtuig van A naar B te vliegen of om een veilige brug te bouwen).

Waar het in de wetenschap gaat om (onderzoek/resultaten van) zaken als de opbouw van de geologische kolom (onderzoek en verklaring ligging en rangschikking aardlagen) of over de evolutie van de soorten (onderzoek en verklaring van de oorsprong en verscheidenheid dier- en plantensoorten) daar zijn de wetenschappelijke resultaten zelfs niet bruikbaar te noemen voor praktisch wetenschappelijke/menselijke toepassing! Daar zijn ze alleen maar te gebruiken om de onderzoeksresultaten binnen een bepaalde theorie een plaatsje te geven (4), maar bruikbaar maken van dit soort wetenschap is helemaal niet aan de orde en ook kan het ons geen enkele zekerheid verschaffen over of er ook daadwerkelijk evolutie (van hogere soorten uit de lagere) heeft plaatsgevonden. Er valt geen enkele betrouwbaarheid uit dit soort wetenschappelijk onderzoek en haar resultaten af te leiden en we kunnen ons vertrouwen er dus ook niet aan geven!

De Bijbel houdt ons voor dat de natuur ons Gods eeuwige kracht (a) doet zien en beseffen (o.a. in Jesaja, in Handelingen 17 en Romeinen 1) en de mens daarmee ontdekt aan en stelt voor zijn verantwoordelijkheid tegenover God. Maar verantwoordelijkheid veronderstelt Goddelijke Woordkennis (het geeft de mens dus zaak te zoeken naar een God die zich door Zijn Woord geopenbaard heeft: en dan geldt “zoekt en gij zult vinden”!) en die Woordkennis kan de natuur ons niet geven, ook al spreekt zij “een eigen taal”! Paulus stelt dat op grond van die “boek-der-natuur-kennis” niemand te verontschuldigen is!

(a) Die kennis is vanaf het begin van de schepping zichtbaar geweest en de mens is in de loop van de tijd (lees de eerste 11 hoofdstukken van Genesis) op een schuldige manier de God van de Woord-openbaring (daarbij) kwijtgeraakt! De mens had en heeft bij die “zoektocht” (zie Handelingen 17 : 16-34 – Paulus in Athene) “van nature” genoeg aan zijn eigen woorden/antwoorden: afgoden, of ze nu van hout of steen zijn, of dat het denkbeelden en/of wetenschap betreft). God Zelf heeft de niet meer (ver genoeg) zoekende mens opgezocht door tot Abraham (weer) Zijn Woord te richten…

(1) Zie de bronvermelding onderaan.
(2) Om kinderen op te voeden hebben ouders (en “onderwijzers”) het onderwijs van Gods Woord nodig, het is daarvoor zelfs onmisbaar,  maar wetenschappelijke kennis kan daarbij heel best gemist worden. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat wetenschappelijke kennis bij de opvoeding onbruikbaar is en (tijdelijk) nut kan opleveren!
(3) Heel de geschiedenis door valt te zien dat zelfs de beste/hoogste wetenschappelijke kennis van/in een “bepaalde/betreffende eeuw”  de mensen tot de meest dwaze inzichten en levenspraktijk kan brengen en heeft gebracht. Daarom kan de kennis van de wetenschap (en de daarop gebaseerde techniek) alleen zegenrijk gebruikt en toegepast worden wanneer de mens zich in alles onderwerpt aan Gods Woord en bidt om wijsheid voor en bij de toepassing van al zijn kennis en ervaring (kennis van en met Gods woord, maar ook wetenschappelijke kennis en vaardigheden) in de dagelijkse levenspraktijk.
(4) Ook creationistische wetenschap kan ons geen betrouwbare kennis leveren. Ze heeft wel het voordeel dat ze uitgaat van en zich richt op het betrouwbare Woord van God. Daarmee onderwerpt ze zich aan en geeft ze alle eer aan onze drie-enige God, zoals Die zich geopenbaard heeft door Zijn betrouwbare Woord, zoals ons dat geschonken is in en met “onze Bijbel”.

(…) 28 Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. Of, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd: “Uit Hem komen ook wij voort.” 29 Maar als wij dan uit God voortkomen, mogen we niet denken dat het goddelijke gelijk is aan een beeld van goud of zilver of steen, het werk van een ambachtsman, door mensen bedacht. (b) 30 God slaat echter geen acht op de tijd waarin men Hem niet kende, maar roept nu overal de mensen op om een nieuw leven te beginnen, 31 want Hij heeft bepaald dat er een dag komt waarop Hij een ​rechtvaardig​ oordeel over de mensheid zal laten vellen door een Man die Hij voor dat doel heeft aangewezen. Het bewijs dat het om deze Man gaat, heeft hij geleverd door hem uit de dood te doen opstaan.’ (Uit Handelingen 17)

(b) Dat kunnen dus ook afgoden zijn als wetenschap en techniek en allerlei ideologie of filosofie gestoeld op mensen wijsheid en niet op die van Gods Geest. (zie o.a.  1 Korintiërs 1-4 en Romeinen 1-4).

Bron tekst:  refdag.nl – „Geloof en wetenschap te veel gescheiden werelden” – dr. G.A. van den Brink (RD 13-07-2017)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Handelingen 17 - uit rede van Paulus - SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Natuur, Wetenschap | Plaats een reactie

Onrecht en ander lijden – ootmoedig, lijdzaam en vergevingsgezind (ver)dragen…

“Mijn juk is zacht en mijn last is licht.” (Matteüs 11 : 30)

(…) Kierkegaard: Dat een zwaar lijden weldadig is, moeten wij geloven; wij kunnen het niet zien, of misschien alleen achteraf. Dat moeten wij onszelf steeds weer voorhouden. Als iemand die lijdt toch gelooft, dat dit weldadig voor hem is, dan verzet hij bergen. “De weldadigheid geeft de berg voeten om te gaan”. Juist wanneer het het juk in geloof gedragen wordt, wordt het licht. “Als het verstand geen handbreed voor ogen kan zien in de duistere nacht van het lijden, dan kan het geloof zien, want het geloof ziet het best in het donker.“

(…) 4 Alles wat vroeger is geschreven, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften zouden blijven hopen.
(Romeinen 4 : 15)

(…) Het feit, dat de mens ten opzichte van God altijd schuldig lijdt, heeft hoe dan ook iets vreugdevols aan zich: het houdt in, dat men zich altijd voor een opdracht gesteld ziet, waardoor er reden is om te hopen, – te hopen, dat, wanneer het lijden verlicht of weggenomen wordt, alles beter zal worden: meer arbeid, meer gebed, meer gehoorzaamheid, meer ootmoed, meer toewijding aan God, inniger in zijn liefde, vuriger van geest (Vgl. Romeinen 12 : 11).

(…) Het is echter een blijk van Gods ​genade​ wanneer u verdraagt wat u moet lijden voor uw goede daden. 21 Dat is uw roeping; ook ​Christus​ heeft geleden, om uwentwil,
en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treed dus in de voetsporen van Hem
22 die geen enkele ​zonde​ beging en over wiens lippen geen leugen kwam.
 (Uit 1 Petrus 4)

In de vijfde toespraak gaat Kierkegaard uit van het woord van Jezus: “… smal is de weg, die ten leven leidt” (Mattheüs 7 : 14). Hij brengt in dit woord echter een correctie aan (1): niet de weg is nauw (aldus de vertaling), de benauwenis is niet een eigenschap van de weg, waarvan wij veel hinder kunnen ondervinden. Nee, zij is de weg zelf.
Dat benauwdheid de weg is, houdt in, dat zij niet weggenomen kan worden, daar dan de weg wordt weggenomen. En andere wegen zijn er niet, alleen maar dwaalwegen. De lijdende mens hoeft zich dus niet af te vragen, of hij wel op de goede weg is, zodat hij – een reden tot vreugde – meteen aan de hem gegeven opdracht kan beginnen, – een opdracht, die, “geformuleerd met het gezag van de eeuwigheid”, de lijdende mens kracht verleent.

(…) 18 Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat
tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard
.
(Uit Romeinen 8)

Voor zijn zesde toespraak kiest de Kierkegaard als zijn vertrekpunt een woord van Paulus: “Want onze benauwenis, die kort van duur en licht is, verschaft ons een alle maat te boven gaand, eeuwig gewicht van heerlijkheid” (2 Korintiërs 4 : 17). Een woord, dat niet het verschil tussen zaligheid en lijden, maar dat tussen een eeuwige zaligheid en een tijdelijk lijden wil onderstrepen. Het kleinste deel van de eeuwige zaligheid weegt eindeloos veel meer dan het meest langdurige aardse lijden. Verwerpt men de gedachte van eeuwig leven, dan heeft men in het lijden geen uitzicht meer, laat staan, dat er ruimte is voor vreugde. Dan rest alleen het uitzicht van de straf. Vgl. Hebreeën 2 : 3.

(…) 35 Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten.
36 Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende,

te verkrijgen hetgeen beloofd is. (Uit Hebreeën 10)

In zijn laatste toespraak staat de auteur stil bij de vrijmoedigheid waarmee de apostelen het evangelie hebben verkondigd, en hij gaat hierbij uit van Handelingen 5 : 41 : “toen verlieten zij (Petrus en Johannes) verheugd de Raad, omdat zij waardig bevonden waren bespot te worden omwille van de naam van Christus.” De apostelen kenden geen vrees voor mensen. Zij voerden geen strijd met mensen. Zonder hun verhouding tot de mensen uit het oog te verliezen waren zij uitsluitend bezig met hun verhouding tot God. De vrijmoedigheid, die macht van de overwinning geeft, was voor hen een bron van vreugde. Hierin zijn zij ons allen tot voorbeeld. Zouden wij ons hierdoor laten gezeggen, hoe heilzaam zou het voor ons jammerlijk verpauperde welvaartschristendom zijn! (…)

(1) Hoewel het niet het eigen woord van de Heer is dat de benauwenis de weg is, dan is het toch zijn leer, want leert Hij niet dat benauwenis heilzaam is.

Bron tekst: Ecclesia nr. 14 – juli 2017 – gedeeltes uit “Opbouwende toespraken in verschillende geest (II)” – J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Bron afbeelding: Het Heilig Woord

U hebt geen beproeving te dragen boven vermogen 1-kor-10-132 - Het Heilig Woord

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie