Hebben wij te streven naar meer (bijzondere gaven) van de Geest?

Paulus opvoedkunde in zijn eerste brief aan de Korintiërs

(…) 1 Maar, broeders en zusters, ik kon tot u niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan ​kinderen​ in het geloof in ​Christus. 2 Ik heb u melk gegeven, geen vast voedsel; daar was u niet aan toe. En ook nu nog niet, 3 want u bent nog gebonden aan de wereld.  (Uit 1 Korintiërs 3)

(…) 6 Broeders en zusters, ik heb hiervoor over Apollos en mijzelf gesproken. Dat heb ik gedaan omwille van u. U moet namelijk uit ons voorbeeld deze regel leren: houd u aan wat geschreven staat. U mag uzelf niet belangrijk maken door de een te verheerlijken boven de ander. 7 Wie denkt u dat u bent? Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op alsof u het zelf verworven hebt? 8 Maar natuurlijk – u bent al helemaal verzadigd, u bent al rijk, u bent al koningen geworden zonder ons. Was u maar koningen geworden, dan zouden wij het ook zijn. 9 Maar volgens mij heeft God ons, ​apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn. We zijn voor heel de wereld, zowel voor ​engelen​ als mensen, een schouwspel geworden. 10 Wij zijn dwaas omwille van ​Christus, terwijl u dankzij ​Christus​ zo geweldig wijs bent; wij zijn zwak, terwijl u zo geweldig sterk bent; u staat enorm in aanzien, terwijl wij worden veracht.  (Uit 1 Korintiërs 4)

Het is wijsheid van Paulus dat hij het streven naar bijzondere gaven van de Geest van de Korintiërs niet afwijst en later in de brief zelfs nog wat lijkt aan te moedigen, maar wie goed leest en het doel en het geheel van de eerste brief aan de Korintiërs heeft leren “plaatsen”, die begrijpt wel dat Paulus met de woorden van 1 Korintiërs 13 aan dit streven voorbij wijst naar iets dat wel nagestreefd kan en mag en behoort te worden: De Liefde.  De enige “bijzondere gave” die wel nagestreefd kan en mag worden dat is de gave van de profetie! (zie hieronder).

(…) 7 In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de ​gemeente. 8 Aan de een wordt door de Geest het verkondigen van wijsheid geschonken, aan de ander door diezelfde Geest het overdragen van kennis; 9 de een ontvangt van de Geest een groot geloof, de ander de gave om te genezen. 10 En weer anderen de kracht om wonderen te verrichten, om te profeteren, om te onderscheiden wat wel en wat niet van de Geest afkomstig is, om in klanktaal te spreken of om uit te leggen wat daar de betekenis van is. 11 Al deze gaven worden geschonken door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals Hij wil. (Uit 1 Korintiërs 12)

(…) 26 En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij ​bidden​ zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. (1) 27 En Hij, die de ​harten​ doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor ​heiligen​ pleit. (Uit Romeinen 8)

(…) 31 Richt u op de hoogste gaven. Maar eerst wijs ik u een weg die nog voortreffelijker is. (Uit 1 Korintiërs 12)

(…) 1 Jaag de ​liefde​ na en streef naar de gaven van de Geest, vooral naar die van de ​profetie. (Uit 1 Korintiërs 14) (2)

(…) 23 Wanneer namelijk de hele ​gemeente​ samenkomt en iedereen zich in klanktaal uit, zullen ongelovige buitenstaanders die de samenkomst bezoeken dan niet zeggen dat u krankzinnig bent? 24 Maar profeteert iedereen (2a), dan zal een ongelovige buitenstaander door iedereen worden beoordeeld en terechtgewezen. 25 Alles wat hem heimelijk beweegt zal aan het licht komen en dan zal hij zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden: ‘Werkelijk, God is in uw midden.’ (Uit 1 Korintiërs 14) (1)

Wanneer wij in alles streven naar de liefde (3), dan is het niet nodig om te streven naar de bijzondere gaven van de Geest, maar dan zal de Heilige Geest naar Zijn wil en op Zijn tijd zijn gaven toebedelen en inzetten. We moeten de bijzondere gaven (bijvoorbeeld die van genezing) ook beslist niet zien als iets waarover iemand permanent de beschikking heeft gekregen of kan krijgen. Zelfs de apostelen hadden niet één of meer bijzondere gaven als steeds weer “in te zetten middel(en)” tot hun beschikking!

(…) 13 Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen (3), maar dien elkaar in ​liefde, 14 want de hele wet is vervuld in één uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ 15 Maar wanneer u elkaar aanvliegt, pas dan maar op dat u niet door elkaar wordt verslonden. 16 Ik zeg u dus: laat u leiden door de Geest, dan bent u niet gericht op uw eigen begeerten (3). 17 Wat wij uit onszelf najagen is in strijd met de Geest (3), en wat de Geest verlangt is in strijd met onszelf. Het een gaat in tegen het ander, dus u kunt niet doen wat u maar wilt. 18 Maar wanneer u door de Geest geleid wordt, bent u niet onderworpen aan de wet. 19 Het is bekend wat onze eigen wil allemaal teweegbrengt: ontucht, zedeloosheid en losbandigheid, 20 afgoderij​ en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, 21 afgunst, bras- en slemppartijen, en nog meer van dat soort dingen. Ik herhaal de waarschuwing die ik u al eerder gaf: wie zich aan deze dingen overgeven, zullen geen deel hebben aan het ​koninkrijk van God. 22 Maar de vrucht van de Geest is ​liefde, vreugde en ​vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, 23 zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die daar iets tegen heeft. 24 Wie ​Christus​ ​Jezus​ toebehoort, heeft zijn eigen natuur met alle hartstocht en begeerte (3) aan het ​kruis​ geslagen. 25 Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst. 26 Laten we elkaar niet uit eigenwaan de voet dwars zetten en elkaar geen kwaad ​hart​ toedragen. (Uit Galaten 5)

(…) 20 U echter bent ​gezalfd​ door de ​heilige, u allen weet dat. 21 Ik schrijf u niet omdat u de waarheid niet zou kennen, maar juist omdat u die kent en omdat uit de waarheid nooit een leugen voortkomt. (…) 27 Wat uzelf betreft: de ​zalving​ die u van hem ontvangen hebt is blijvend, u hebt geen leraar nodig. Zijn ​zalving​ leert u alles naar waarheid, zonder bedrog. Blijf daarom in hem, zoals zijn ​zalving​ u geleerd heeft. (4) (Uit 1 Johannes 2)

Tot slot: Zie ook de tekst van de afbeelding (Openbaringen 19 : 10):
(…) Alles wat u zegt en al uw kennis 6 bewijst dat het getuigenis over ​Christus​ bij u verankerd is, 7 en hierdoor ontbreekt het u, terwijl u op de komst van onze ​Heer​ ​Jezus​ ​Christus​ wacht, aan geen enkele gave van de Geest. (Uit 1 Korintiërs 1)
Paulus verbindt hier het “niet ontbreken aan alle gaven van de Geest” in de gemeente van Korinthe met de kennis van het getuigenis van Christus. En dat getuigenis, dat is het evangelie dat de apostelen ons verkondigd hebben en dat is ook het getuigenis (de profetie) van het Oude Testament. Wanneer dan alle gaven van de Geest zó geschonken zijn en worden aan de gemeente, dan is het niet nodig nog te streven naar deze gaven, behalve die van de profetie. 

(1) Hoe vaak speelt dat bijvoorbeeld niet bij ernstige ziek(t)en en genezing daarvan, dat we niet goed (meer) weten wat we (nog) bidden zullen.
(2) Het soort profetie waar Paulus in dit tekstgedeelte over spreekt en op doelt is het lezen, uitleggen en toepassen van Gods Woord. Daar kunnen we om bidden en aan werken om dat goed te kunnen en mogen doen!  Gezien de verzen 23-25 kan hier niet anders dan deze betekenis aan het profeteren en profetie worden gegeven. Het is dus niet het soort profetie dat iemand overkomt of invalt of in een droom wordt geopenbaard, want dit soort profetie valt niet “na te streven” (en dat raadt Paulus nu juist wel aan!) en moet altijd eerst nog worden getoetst.
(2a) Met iedereen wordt hier bedoelt ieder die in een samenkomst het Woord/woord neemt/voert.  En volgens Paulus moeten dat er zeker niet meer dan twee of drie zijn in een samenkomst.
(3) Dat begeren en najagen dat kan dus heel goed zijn  het “begeren en najagen van de bijzondere gaven van de Geest”!
(4) Door de zalving met de Heilige Geest, die aan ieder in de gemeente gegeven is, belijden de (gehoorzame) gelovigen dat Jezus de Christus is en Zoon van de Vader (Zie 1 Johannes 2)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Getuigenis van Jezus is geest van de profetie - SlidePlayer

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Wie mogen aanzitten aan de koninklijke maaltijd… (IV)

De tweede groep genodigden

(…) Hoe gedroeg deze tweede groep genodigden zich nu? Op grond van het 22ste vers is wel te vermoeden dat zeker een belangrijk deel daarvan gekomen is.
En inderdaad, allen in wier hart God onder de dienst van Johannes (1) of ook reeds eerder door Zijn Geest aanvankelijk iets gewerkt had, die kwamen op de blijde prediking van het Evangelie tot Jezus, en namen Hem met blijdschap aan als de door God gezonden Heiland en Zaligmaker. In anderen van de geringe Joden werkte God gedurende de dienst van Jezus en Zijn apostelen door Zijn Geest zo krachtig, dat ze metterdaad tot geloofsgehoorzaamheid gebracht werden. (2)

Wat kenmerkte het gedrag van deze mensen? Ze zagen bij goddelijk licht hoe diep ellendig zij waren. Ze kregen levendige indrukken van hun beklagenswaardige staat. Ze begrepen heel duidelijk dat mensen, die zo geheel arm, volstrekt ellendig, berooid en geheel gebrekkig waren, aan ‘s Heeren maaltijd geen luister of sieraad konden geven. Zij vonden daarin echter geen grond voor ongeloof. Integendeel, in de volle overtuiging dat de dienstknecht van de Heere in de naam van zijn grote Zender tot hen sprak, achtten ze het een dure plicht te gehoorzamen. Ze kregen daarbij zoveel eerbied voor en zoveel vertrouwen op het woord van de Koning, dat ze dit gewillig aannamen. Ze verdachten de Koning niet van huichelarij, alsof Hij hen alleen liet roepen om later met hen te spotten.

Zij vertrouwden er dus op dat Zijn uitnodiging welgemeend was. Hoewel ze in zichzelf geen reden zagen waarom de Heere hen riep, aarzelden ze daarom niet. Maar verrukt over de eer die de Koning met Zijn uitnodiging hen aandeed, dachten ze bij zichzelf: Als de Koning ellendigen wil hebben en de minst verkieslijksten onder het volk roept, als Hij op deze manier de onnaspeurlijke rijkdom van Zijn goedheid op een nooit gehoorde en alleszins verbazingwekkende manier aan de dag wil leggen, als de Heere het niet te gering acht om zulke slechte mensen als wij zijn met Zijn bijzondere vriendschap te vereren, dan past het ons zeker niet om deze verregaande goedheid te versmaden, maar integendeel deze juist te eerbiedigen. Met te gehoorzamen kunnen we niet zondigen, met de boodschap af te wijzen doen we dat wel.

De zaak die ons bij deze nodiging wordt voorgesteld, is ook zó begeerlijk dat we die niet mogen versmaden. Hij Die roept, is te getrouw om Zich niet aan Zijn Woord te houden. Als ze dit overdenken, krijgen ze vrijmoedigheid om, zo ellendig, beklagenswaardig, arm, verminkt, kreupel en blind als ze ook zijn, op de uitnodiging van de Heere te komen en zich aan Zijn bevel bereidwillig te onderwerpen. (…)

(1) (…) 29 Alle mensen die dit hoorden, ook de ​tollenaars, brachten hulde aan God en zijn ​gerechtigheid: zij hadden zich immers door Johannes laten ​dopen. 30 Maar de ​farizeeën​ en ​wetgeleerden​ verwierpen het plan van God: zij hadden zich immers niet door hem laten ​dopen. (Uit Lukas 7)
(2) (…) 21 Op dat moment begon hij vervuld van de ​heilige​ Geest​ te juichen en zei: ‘Ik loof u, Vader, ​Heer​ van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt u het gewild. (Uit Lukas 10)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Dwing ze om in te komen” van ds. Adrianus Theodorus Clarisse (1741-1782) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 535 – Juni 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: Pinterest en Message From our Lord

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Gebracht tot schuld erkentenis…

(…) en het lot viel op Jona. (Jona 1 : 7b)

Lectures on Jonah – 1525/1526 (7)

(…) “Jona schrikt er van terug om te roepen tot zijn God – hij zit daar, bevend voor Gods toorn, en worstelt met de dood, die hem elk moment dreigt te verslinden (1). Tegelijkertijd roepen de andere mensen aan boord tevergeefs luid naar hun goden en ze doen alles wat ze kunnen voor hun redding.

Jona is ervan overtuigd en ziet en voelt dat dit alles vanwege hem gebeurt. Hij is echter niet vroom en dapper genoeg om er openlijk voor uit te komen door zijn zonde te bekennen, maar hij laat deze arme mensen zulke verschrikkingen en gevaar en angst voor zijn rekening verdragen, totdat hij verraden wordt door het werpen van het lot en God ontwringt Jona daarmee het bekennen van zijn zonde. Dat is een van de milde kanten van de zonde: het maakt mensen zwijgzaam en sprakeloos.
Het verbergt zichzelf – het schaamt zich – het wil graag, zoals Adam en Eva, gaaf en mooi blijven, wat maakte dat ze hun naaktheid maar bedekten met bladeren en weigerden om tot schuld bekentenis te komen.

Oh, het doet pijn om je eigen schande te moeten “ontdekken” en je eer op te geven en jezelf in diskrediet te brengen. Maar uiteindelijk moet dit gedaan worden, of de mens zal geen innerlijke rust en vrede vinden. Zoals Psalm 32 vers 3 zegt: ‘Zolang ik zweeg en mijn zonde niet beleed, teerden mijn botten weg.’ Dit is echt een tijd om in zak en as te zitten, zich voor God te vernederen, en zo God dat wil, ook voor de mensen.

Aangezien de mensen aan boord van het schip verlies en gevaar hebben geleden door de zonde van Jona, is het noodzakelijk dat hij op zijn beurt verlies lijdt, zijn eer gaat er aan en zijn schande moet hij erkennen. Hij moet de eer van deze mensen herstellen en hun onschuld vaststellen en erkennen. Hij moet zijn eigen doodstraf uitspreken, en hen verplichten deze uit te voeren door hem te verdrinken. (1)

Zo betaalt hij zijn schuld met lijf en leden, met eer en goed, met alles wie hij is en met wat hij heeft, zo boet hij voor de zonde waarmee hij zijn medemensen zo ernstig heeft geschaad en verwond. Hij heeft hun in levensgevaar gebracht tegen hun wil, en nu moeten ze hem het leven benemen, ook tegen hun wil, maar vanwege zijn eigen vonnis en wens. Dat is, meen ik, een streng en rechtvaardig oordeel vellen en uitvoeren.” (1)

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 210, 29 – 211, 19

(1) Jona gelooft veel minder van God’s genade en barmhartigheid dan hij later – na het uitblijven van het oordeel over Ninevé – zegt.  En ook hier – op het schip – blijkt dat hij niet op God’s genade en barmhartigheid durft te hopen. Daarom belijdt hij geen schuld door zich te bekeren en dan tot God te roepen voor het oog van zijn reisgenoten. Hij bidt niet tot zijn God en smeekt om genade en behoud van allen, maar spreekt alleen zijn eigen doodvonnis uit en laat anderen dat vonnis uitvoeren. Hoe anders zal en kan en mag Jezus, onze Heer en Zaligmaker reageren toen het scheepje, waar Hij en de discipelen mee voeren op het meer van Galilea, dreigde te vergaan. (Zie Marcus 4 :  35-41). Hij hoefde Zichzelf of een ander niet de schuld te geven, Hij was en is Die onze genadige en barmhartige God en Vader in zijn Mens-zijn kwam openbaren en vertegenwoordigen hier op aarde.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, they can use our web-form located on the homepage of www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. Our emails are free of charge and we do not ask for donations.

Bron afbeelding:  Pinterest

Psalm 32 - refused to confess - Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Wie zullen aanzitten aan de koninklijke maaltijd… (III)

De uitwerking van de boodschap

(…) Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn ​heer​ verslag uit.
Toen werd zijn heer toornig… 
(Lukas 14 : 21)

(…) Maar wat was de uitwerking van de boodschap van deze dienaar? Deze was tweeledig. Allereerst werd daardoor het ongenoegen van de gastheer opgewekt. Maar ook gaf de weigering van de eerst genodigden aanleiding tot een tweede opdracht aan de dienaar van de heer.

Het eerste wordt als volgt onder woorden gebracht: Toen werd de heer des huizes toornig. Met deze uitdrukking schetst de Zaligmaker ons zonder twijfel het redelijke en rechtmatige ongenoegen van God over het ongeloof van de mensen, in het bijzonder over het ongeloof van de Joden, die hier bedoeld worden. Het spreekt vanzelf dat we niet hoeven op te merken, dat we de toorn van God ons niet moeten voorstellen zoals een onstuimige hartstocht in mensen. Ik wil u er alleen nogmaals aan herinneren hoe terecht en rechtvaardig Gods ongenoegen is over het versmaden van Zijn Evangelie.

Inderdaad, mensen zien het ongeloof niet als een groot kwaad. Maar ze kunnen er redenen voor aanvoeren zoveel ze willen en zich op allerlei wijze proberen te verontschuldigen, maar God Die altijd naar waarheid oordeelt, rekent het terecht als de allergrootste zonde. Het is een grote misdaad en een strafwaardig kwaad. Men versmaadt er de beste goederen door. Men verwerpt Gods liefdevolle raad. Men beantwoordt de allergrootste vriendelijkheid met de meest schandelijke ondankbaarheid. Men zondigt in zekere zin, zelfs zwaarder dan de duivelen, want aan hen heeft God nimmer Zijn genade laten aanbieden.

Denken we ons het Joodse volk in, inzonderheid aan hen aan wie de prediking van het Evangelie der verzoening te beurt viel, dan is de zonde van hun ongeloof nog te misdadiger, aangezien ze door een hele reeks van zegeningen zeer veel aan God verplicht waren. Ze genoten de grote eer van als eersten geroepen te zijn, zelfs op een manier die hen bevoorrechtte boven allen die voor of na hen geleefd hebben. God sprak namelijk tot hen door Zijn eigen Zoon. God liet voor hun ogen een reeks van wonderen plaatsvinden, die de duidelijkste bewijzen van het Messiasschap van Jezus aantoonden. Daarenboven hadden ze de voorzeggingen van de profeten die tevoren gesproken hadden met een uitziend verlangen naar alles wat nu plaatsvond. (1)

Als zo bevoorrechte mensen ongelovig zijn en afkerig blijven van een gepast gebruikmaken van de aangeboden genade, dan is dit ongetwijfeld tot verzwaring van hun oordeel en ter rechtvaardiging van het ongenoegen van God. Want op deze manier werd het zo duidelijk als het maar zijn kon, wat Jezus hun verweet in Johannes 5:40, namelijk dat ze niet tot Hem wilden komen opdat ze het leven mochten hebben. Terecht gaf God dan ook deze versmaders van Zijn Evangelie aan hun eigen verharding over. (…)

(1) En heeft/geeft dit ons in onze tijd niet wat te zeggen over de “westerse kerken”?

(…) 7 De ​heilige​ Geest​ zegt immers: ‘Horen jullie vandaag zijn stem, 8 wees dan niet koppig, als tijdens de opstand, toen jullie mij beproefden in de woestijn, 9 waar jullie voorouders mij op de proef stelden en tartten, hoewel ze mijn daden hadden gezien, 10 veertig jaar lang. Daarom werd die generatie door mijn woede getroffen, ik zei: “Altijd weer dwaalt hun ​hart, mijn wegen kennen ze niet.” 11 En in mijn toorn heb ik gezworen: “Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust.”’
12 Zie er dus op toe, broeders en zusters, dat niemand van u door een kwaadwillig, ongelovig ​hart​ afvallig wordt van de levende God, 13 maar wijs elkaar terecht, elke dag dat dit ‘vandaag’ nog geldt, opdat niemand van u halsstarrig wordt omdat hij door ​zonde​ verleid werd. 14 Want alleen als we tot het einde toe resoluut vasthouden aan ons aanvankelijk vertrouwen, blijven we deelgenoten van ​Christus. (Uit Hebreeën 3)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Dwing ze om in te komen” van ds. Adrianus Theodorus Clarisse (1741-1782) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 535 – Juni 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: Mens en samenleving

Jezus binnenkomst in Jeruzalem - Mens en samenleving

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Wie zullen aanzitten aan de koninklijke maaltijd… (II)

(…) Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn ​heer​ verslag uit.
(Lukas 14 : 21)

De taak van de dienaar

(…) Het is in de eerste plaats de plicht van Gods dienaren zich stipt en nauwgezet te houden aan wat hun door de Heere als een last is opgelegd. Dat wil zeggen dat ze in de Evangelieprediking juist dat moeten spreken en verrichten wat hun bevolen is, zonder op eigen gezag iets daaraan af te doen of toe te voegen. Na het verrichten van hun werk moeten ze de goedkeuring en verdere opdrachten van hun Zender eerbiedig afwachten. Ze moeten beslist niet van het ene naar het andere werk of volk overgaan, voordat ze daartoe van hun grote Zender opnieuw bevel hebben ontvangen. Want wie dat doet, loopt waar hij niet gezonden is, en wat voor zegen heeft hij dan op zijn werk te wachten? Gods Woord toch doet alleen wat Hem behaagt, en is alleen voorspoedig in hetgeen waartoe Hij Zelf het zendt (Jesaja 55 vers 11).

De tweede les die ons hier geleerd wordt, is deze dat zij die in de dienst van de Heere gebruikt worden, nauwkeurig verantwoording moeten afleggen van het uitvoeren van hun ambt. Ook moeten zij een getrouw getuigenis geven van het antwoord van hun hoorders daarop. Dit is een aansporing voor degene die in Gods Naam de mensen een boodschap moet brengen, om zich getrouw te kwijten van de taak die hem is opgelegd.

Dat is ook van groot belang voor hen aan wie in Gods Naam het Evangelie gepredikt wordt. Want hoe zou een dienstknecht van God voor zijn Zender kunnen bestaan, als hij een belangrijk deel van zijn opdracht moedwillig zou nalaten? Of als hij in zijn bediening niet met die ernst, trouw en aandrang te werk zou gaan als hij naar zijn plicht had moeten doen. Hij kan met recht verwachten dat zijn heer hem zijn trouweloosheid als een misdaad zal verwijten en zijn ongenoegen daarover op de meest gevoelige wijze doen ondervinden.

Kwijt de dienaar zich echter oprecht van zijn taak, ook al is het gebrekkig, dan heeft hij zijn ziel bevrijd. Zijn heer zal hem niet oordelen naar de vrucht die hij op zijn arbeid ziet, maar naar de oprechtheid van zijn welmenende inspanning. Hij zal voor Christus een goede reuk zijn, zowel in hen die verloren gaan, als in hen die behouden worden. In zo’n geval zal het ongenoegen van God niet op de nodigende dienaar neerkomen, maar geheel op hen die zijn vriendelijke uitnodiging van de hand wezen.

Het overdenken hiervan heeft zonder twijfel een droevige kant. Toch is zij van het grootste belang voor een ware dienaar van het Evangelie, die getuige moet zijn van de ongehoorzaamheid van zijn medeschepselen. Voor een echt menslievende dienaar is het op zichzelf beschouwd geen aangename bezigheid om hen bij God te moeten aanklagen van wie men de zaligheid hartelijk zoekt te bevorderen. Maar dat is wel de plicht van een getrouwe Evangeliedienaar. Het nakomen van die plicht eist dit van hem, en Gods eer moet hem in dit geval meer ter harte gaan dan de liefde tot zijn medemens. Zo handelt hier de dienstknecht in onze tekst. Vaak moeten de dienaren van Jezus zuchten met tranen in hun ogen over het ongeloof van de mensen.

Zo zullen ze op de laatste dag verantwoording en rekenschap aan God moeten afleggen over hun dienst in het Evangelie die zij volbracht hebben. (…)

(…) 1 Men moet ons beschouwen als dienaren van ​Christus, aan wie het beheer over de geheimen van God is toevertrouwd. 2 Van iemand die deze taak vervult, wordt verlangd dat hij betrouwbaar is. (Uit 1 Korintiërs 4)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Dwing ze om in te komen” van ds. Adrianus Theodorus Clarisse (1741-1782) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 535 – Juni 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: Met Open Bijbel

Paulus een dienaar - Met Open Bijbel

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Vanuit de hemel geopenbaard en gegeven…

(…) 5 Ik ken mijn ​wandaden, ik ben mij steeds van mijn ​zonden​ bewust,
6 tegen u, tegen u alleen heb ik gezondigd, ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.
Laat uw uitspraak ​rechtvaardig​ zijn en uw oordeel zuiver.
7 Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al ​zondig​ toen mijn moeder mij ontving,
8 maar u wilt dat waarheid mij vervult, u leert mij wijsheid, diep in mijn ​hart.
(Uit Psalm 51)

In 1532 heeft Luther o.a. Latijnse colleges gegeven over Psalm 51. In gedrukte vorm zijn deze colleges uitgegeven in 1538. De connectie met het onderwerp ‘rechtvaardiging’ in het onderstaande citaat ligt vooral in het feit dat Luther hier spreekt over drie stukken of drie artikelen: ellende, verlossing en dankbaarheid. Sommige lezers herkennen deze spreektrant wel uit de later uitgegeven Heidelbergse Catechismus – zoals Luther bij deze psalmverklaring dan ook zegt: ‘Het is in veel opzichten noodzakelijk en nuttig deze psalm te kennen, want daarin is de leer van de [drie] voornaamste artikelen begrepen. Eerst van de boete en de zonde, daarna van de genade en de rechtvaardiging, en tenslotte van de godsdienst die wij voor God moeten beoefenen.’

“Dit zijn de drie Goddelijke en hemelse leerstukken die door de krachtige werking van de Heilige Geest geleerd moeten worden, anders is het onmogelijk dat deze tot in het hart doordringen. Zo zien wij dat deze leer door onze tegenstanders met veel moeite en in omvangrijke folianten is behandeld en dat er onder hen allen toch niet één is die goed begrijpt wat boete, wat zonde en wat genade is. Voor hen zijn deze woorden immers als een vergeten droom, waarvan nog wel enige resten in het hart zijn overgebleven, maar het geheel daarvan is hen ontgaan.

Dit is dan ook de oorzaak van deze grote blindheid en onwetendheid, namelijk dat de juiste kennis van deze stukken niet van de kennis en wijsheid van het menselijk verstand afhangt, of ook niet – om het zo te zeggen – in ons huis of in ons hart geboren wordt, maar vanuit de hemel geopenbaard en gegeven wordt. Want welk mens zou zó kunnen spreken over boete en vergeving van zonden, zoals alleen de Heilige Geest in deze psalm spreekt?”

Maarten Luther: Enarratio Psalmi LI, 1532 (1538), vgl. WA 40.2, 315, 27 – 316, 24

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding: DailyVerses.net – RK NetNieuws Forum – ActiveBoard

Psalm 51 - wees mij genadig en was mij van mijn zonden - RK Forum

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wij geloven niet (in) wijkkringen en groeigroepen… (V2)

(…) 4 Hoewel ik hoop spoedig naar je toe te komen, schrijf ik je dit alles 15 voor het geval ik mocht worden opgehouden. Dan weet je hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat wil zeggen de kerk van de levende God, fundament en pijler van de waarheid. (Uit 1 Timoteüs 3)

Helaas lijkt men tegenwoordig steeds minder waarde te hechten aan de door Gods Woord ten voorbeeld gegeven en aanbevolen huisbezoeken en de kracht en het nut daarvan en de zegen die van deze vorm van “samen-spreken” in de gemeente van Jezus Christus verwacht mag worden (1), en in plaats daarvan wordt er geloof gehecht aan de kracht en het nut van door een kerkenraad te organiseren (en daarmee aanbevolen en min of meer opgelegde) deelname aan wijkkringen en groeigroepen…

Wat men blijkbaar niet beseft, dat is dat een kerkenraad met al dat zelf (willen) organiseren van tegenwoordig (2), laat blijken zichzelf een oordeel(!) te kunnen en vaak ook te hebben aangemeten over het leven van de gemeente en haar leden. Vanwege dat “aangemeten oordeel” hebben ze gezocht – en zoeken ze steeds vaker en meer- naar eigen(tijdse) oplossingen en probeert men met behulp van eigen opgebouwde kennis en kunde op het gebied van organisatie en communicatie wat te doen aan het blijkbaar in gebreke blijvende (mee/samen)leven van en in de gemeente, die toch eigendom is van haar Hoofd, onze Heer en Heiland Jezus Christus.

Een opvallend iets daarbij is, dat de leden van een kerkenraad zich zelf(s) niet meer eerder via persoonlijk gesprekken (huisbezoeken) op de hoogte stellen en hebben gesteld van het al of niet “hartelijk (mee/samen)leven in het geloof” van de leden van de gemeente. Men meent nu o.a. op basis van “horen zeggen” (bijv. via pastorale medewerkers) en op basis van algemeen inzicht te kunnen komen tot een algemeen oordeel (wat niet de bedoeling is!) en men wil en hoopt op grond daarvan bepaalde (eigentijdse) oplossingen te kunnen aandragen om deze oplossingen dan voor en/of met met de gemeente – zo nodig met hulp van commissies – te organiseren (3). En daarna wordt het al of niet deelnemen aan de door de kerkenraad georganiseerde zaken gebruikt als een soort graadmeter, die een kerkenraad gebruiken kan om voeling te houden met en oordeel te vellen over het (samen)leven de gemeente met en voor haar Heer en Heiland Jezus Christus…

Een huisbezoek en het persoonlijk gesprek met de leden van de gemeente (daarentegen!) is niet bedoelt om (het lid van een kerkenraad en de kerkenraad als geheel) tot een oordeel te laten komen over een bepaald lid of over het (samen/mee)leven van de leden of van de gemeente in het algemeen, (namelijk) om op basis daarvan dan oplossingen te kunnen bedenken en organiseren. Huisbezoeken zijn bedoelt als “peilgesprekken”, waarin altijd weer gezocht wordt naar het met elkaar voeren van “hartelijke/harts” gesprekken over het leven in het geloof als (levende!) lidmaten van de gemeente van onze Heer Jezus Christus. In die gesprekken gaat het over het nut en de vrucht van Gods Woord (zoals verkondigd in en aan de gemeente) en spreekt men over eigen levens en ook worden er – zo nodig en mogelijk –  vermanende woorden uit Gods Woord gesproken en elkaar – beide richtingen is mogelijk – voorgehouden! Het is niet de (Bijbelse!) bedoeling dat  in zulk soort gesprekken woorden zullen worden gesproken (en zeker niet in “vermanende zin”!), die opgevat en genegeerd kunnen en mogen worden als “slechts een advies naar de (huidige) inzichten/opvattingen van de kerkenraad”.

Op grond van Gods Woord kunnen gemeenteleden tijdens dergelijke gesprekken wél worden opgeroepen om de onderlinge bijeenkomsten (4) niet te verzuimen, maar dat kan zo niet worden gedaan waar het de deelname aan allerlei andersoortige bijeenkomsten en gezamenlijke activiteiten van en in de gemeente betreft.

Natuurlijk zal een predikant en ouderling ook (geregeld wat) verslag doen van de huisbezoeken die hij heeft afgelegd en dat kan leiden tot gezamenlijk gebed tijdens (en na) de kerkenraadsvergadering(en) en mogelijk ook tot gebed/voorbede in de samenkomsten van de gemeente. De predikant kan op basis van wat hij verneemt – zo mogelijk/gewenst ook in overleg met de leden van de kerkenraad, mede ondersteunt door eigen dagelijks praktijk van Bijbellezen en gebed, komen tot keuzes over welke Bijbelgedeelten hij zal preken de komende preekbeurt(en). Toch zal de gemeente in de regel meer zegen mogen verwachten en ondervinden van “doorgaande prediking” en van “doorgaande leerdiensten” (catechismusprediking!) – omdat dat niet steunt op menselijke conclusies en inzicht, maar  steunt en vertrouwt op de kracht van Gods Woord en Zijn zegen daarover!

De gemeente wordt “alleen én alleen!” gefundeerd en gebouwd op en door het Woord van God en de bediening van de Sacramenten Doop en Avondmaal (5) en dat alles natuurlijk niet zonder (een Bijbelse manier van) gezamenlijke lofprijzing en gebed. Het (verkondigde) Woord van God, onze Bijbel, dat is “het gewaad” waarin de levende Christus tot ons komt  en werkzaam is door de kracht van de Heilige Geest, die aan alle leden van de gemeente gegeven is en wordt. De gemeente wordt niet “gesticht en opgebouwd” door de vorm en inrichting van kerkgebouwen of gebouwd door allerlei aan het Woord toegevoegde en toegepaste vormen en middelen van organisatiekunde en communicatiewetenschap, maar zij wordt gebouwd door de geregelde lezing en verkondiging van het Woord en door het Woord dat de leden van de kerkenraad ook brengen in de huizen (aan de individuele leden en (hun) gezinnen) tijdens het afleggen van huisbezoeken.

God heeft Zijn gemeente (de predikanten en andere leden van de kerkenraad) de meest eenvoudige en goedkope “manier van werken met Zijn Woord”  geboden, die in alle tijden en wereldwijd op alle plaatsen en in alle omstandigheden toe te passen is en werkt en er is niets dat daar nog bovenuit kan gaan of nog (extra) aan bijdragen. Hiermee is aan alle gemeenten en kerken een “voorsprong” op anderen (in mindere omstandigheden) onthouden en ontnomen! (6)

En waar een gemeente niet meer kan samenkomen en waar mogelijk zelfs het elkaar nog bemoedigen niet meer mogelijk is (bijv. in gevangenissen waar men geen bezoek meer toelaat) daar komt Christus zelf ons zo nabij, dat we altijd weer van gevangen gehoord hebben en ook nog weer steeds vernemen, dat ze niet eerder (en later) zoveel van Gods vertroostende en verzorgende nabijheid hebben ervaren als juist in die omstandigheden.

*** 

(1) Naar voorbeeld en aanraden van Paulus – o.a. Handelingen 20 : 17-38, de brieven aan Timoteüs – m.n. 1 Timoteüs 3 en 2 Timoteüs 3 en 4)
(2) Niet alleen wijkkringen en groeigroepen, maar zelfs ook een kaartje bij een ander in de bus doen en bezoekjes afleggen bij iemand van de gemeente wordt voor de gemeenteleden georganiseerd, evenals het koffiedrinken met elkaar na de ochtenddienst, de soorten goede doelen die  gemeentebreed gesteund moeten worden, etc., etc.
(3) Terwijl de Bijbel het heel belangrijk vind dat de oudsten (ouderlingen) mensen zijn die de gaven én de vruchten (ook door anderen/buitenstaanders erkend!) hebben om met grondige kennis van en op Gods Woord gegronde “peilende/vermanende” huisbezoekgesprekken te kunnen voeren met de leden van de gemeente.
(4) Zie de oproep in Hebreeën 10 : 25 . En we behoren hierbij (alleen/vooral) te denken aan de normale (zondagse) bijeenkomsten waar Gods Woord (profetisch!) verkondigd, uitgelegd en toegepast wordt in en aan de gemeente. Dat is de eenvoudige en vrijwel aan ieder lid voor te houden regel voor het zich – samen met de andere leden van de gemeente – gebouwd laten worden door Gods Woord. Alle andere geloofsopbouw samen met anderen mag – in vertrouwen op God – geheel en al worden overgelaten aan de individuele keuzes van de leden van de gemeente. Die daarin zelf lezend in hun Bijbel en biddend hun weg in het samenleven in en met de gemeente mogen en hebben te zoeken.  Over dat persoonlijk Bijbellezen en bidden (en met elkaar in de gezinnen) daarover valt natuurlijk wel gesprek te voeren en Bijbels advies te geven…
(5) Ook bij (projecten van) gemeentestichting hebben we dat te bedenken en in praktijk te brengen.
(6) Wat zal er meer geld beschikbaar zijn voor de minder bedeelden wanneer een kerkenraad minder geld vraagt voor en uitgeeft aan de inrichting en opsmuk van de diensten en het kerkgebouw en aan het (gemeentebreed) rondom en tijdens de samenkomsten “aansmeren” van goede doelen  middels o.a. kostbaar druk- en video-werk.
Wat zal het tot eer strekken van Gods levende Woord en het werk van de Heilige Geest wanneer de gemeente toch graag de samenkomsten bijwoont en ook door-de-weeks hartelijk met elkaar samenleeft en wanneer het bijdragen van de gemeente en haar leden aan allerlei goed werk en goede doelen toch ruimhartig is en blijft, wanneer dat niet meer kan worden toegeschreven aan allerlei organisatie-inspanning van een kerkenraad en gemeentelijke commissies…

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Tot alle werk Gods volkomen toegerust - Tim 3-16 - SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wie zullen aanzitten aan de koninklijke maaltijd… (I)

(…) 21 En de ​slaaf​ kwam terug en berichtte zijn ​heer​ deze dingen. Toen werd de ​heer​ van het huis toornig en zei tegen zijn ​slaaf: Ga direct de straten en stegen van de stad in en breng de bedelaars en misvormden en blinden en lammen hier. 22 En de ​slaaf​ zei: ​Heer, wat U hebt opgedragen, is gebeurd en nog is er plaats. 23 En de ​heer​ zei tegen de ​slaaf: Ga de ​wegen​ en de paden op en dwing hen binnen te komen, want mijn huis moet vol worden. (Uit Lukas 14)

(…) Uit het antwoord van de slaaf in vers 22 kunnen we besluiten dat, zo niet allen, dan toch ten minste een zeer aanzienlijk deel van deze mensen al aan de nodigende roepstem van de uitnodiging gehoorzaam is geweest. Voegen we nu alle opmerkingen bijeen, dan kunnen we het volgende bezien:

  • Wie deze tweede groep van genodigden zijn (a);
  • Waarom de Heiland hen onder zulke vernederende en onaangename omstandigheden uitbeeldt (b);
  • Wat de uitslag is van de hernieuwde roeping in vers 23 (c).

a. (…) De prediking van Jezus en de apostelen was doorgaans, zoals overal, zo ook bij de Joden, het meest gezegend onder de geringe mensen. We horen dit duidelijk in de dankzegging van Jezus in Mattheüs 11:25-26. Paulus zegt het ook in 1 Korinthe 1:26-28 dat niet vele wijzen, niet vele edelen, niet vele rijken, maar het arme, het onedele en dwaze der wereld door God is uitverkoren. Een beschikking van de hemel die lijnrecht tegen onze natuurlijke gedachten en overleggingen ingaat. (…)

b. Ik denk echter niet dat de omschrijving van deze tweede soort geroepenen alleen letterlijk onder zulke vernederende omstandigheden plaatsvond. Nee, ze heeft zeker ook betrekking op de geestelijke zin van de gelijkenis. (…) Men kan er immers duidelijk uit zien, dat de nodiging van het Evangelie zich zelfs tot de minst geschikten, en ogenschijnlijk minst waardigen uitstrekt.
De beschrijving laat ons zien hoe het met deze geroepenen gesteld was, toen zij geroepen werden. Het was zo, dat men ze niet waardig geoordeeld zou hebben om vereerd te worden met een koninklijke maaltijd. (…) Ze hadden geen geld of vermogen waardoor ze achting zouden kunnen verkrijgen. Ze misten alle ware – wereldse en geestelijke! – rijkdom.

En wat meer is, ze waren ook nog eens beladen met onnoemelijk schulden en hadden geen penning om deze te betalen. Maar niet alleen dit, ze riepen ook afkeer op. Sommigen waren verminkt. Ze hadden een lichamelijk gebrek, omdat ze enige ledematen misten. Anderen waren misvormd. Dit alles beeldt op geestelijke wijze uit dat al hun vermogens ontluisterend waren of in wanorde gebracht.
Denk aan wat Jesaja zegt: Het hele hoofd is ziek en het hele hart is mat. Er is niets gaaf meer, maar ze hebben wonden, striemen en etterbuilen die niet uitgedrukt zijn, noch met olie verzacht (Jesaja l : 5b-6). (…)

Als God mensen nodigt, dan is het doorgaans onder vernederende namen die schuld of gebrek aanwijzen. Met benamingen die hun zondige aard en hun schuldige bestaan uitdrukken, wordt de uitnodiging gedaan. Zie bijvoorbeeld Jesaja 46 : 12, Spreuken 1 : 22-23 en 9 : 4, Jeremia 3 : 1 en vele andere plaatsen. Als u vraagt om welke reden dit zo gebeurd, zeggen we: De Heere doet dit, opdat ook de meest schuldige en ellendige mensen aangemoedigd zouden worden om te komen.

Aangemoedigd vooral ook opdat zij, die hun gebrek beginnen in te zien en gaan leren hoe walgelijk, onrein en verdoemelijk zij voor God zijn, niet afgeschrikt zullen worden. Zo is het ook hier. De Heere beveelt om de armen, verminkten, kreupelen en blinden te roepen. Dit met geen ander doel dan om Zijn knechten te leren, dat ze niemand in deze ellendige en onaanzienlijke toestand van het gelovige komen behoren af te houden. Daarnaast ook om al de bezwaren op te lossen die de genodigden zelf op grond van hun toestand mochten aanvoeren. Om hen te doen begrijpen, dat de Heere juist zulke ellendige en slechte mensen wil hebben. (…)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Dwing ze om in te komen” van ds. Adrianus Theodorus Clarisse (1741-1782) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 535 – Juni 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

(…) 11 De ​farizeeër​ stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die ​tollenaar. 12 Ik vast​ tweemaal per ​week​ en draag een ​tiende​ van al mijn inkomsten af.” 13 De ​tollenaar​ echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: “God, wees mij zondaar ​genadig.” 14 Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die ​rechtvaardig​ is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’ (1) (Uit Lukas 18)
(1) Er zijn helaas ook mensen die zich vernederen met het doel zichzelf daarmee in de ogen van mensen te (laten) verhogen.
(…) Nooit had ik gedacht dat God zo goedertieren zou zijn tegenover zo’n ellendig schepsel als ik ben… (…), Guido de Brès (1522-1567) – opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis – schrijvend aan zijn vrouw vanuit de gevangenis.

Bron afbeelding: SlideShare

Gelijkenis - De genodigden - Matt 22 - SlideShare

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Ontwaken uit de doodsslaap van de zonde…

“Want ik weet dat het mijn schuld is dat de storm zo tegen jullie tekeer gaat”
(Jona 1 : 12b)

Lectures on Jonah – 1525/1526 (6)

(…) “Maar als de kapitein Jona wakker maakt en gebiedt dat hij zijn God aanroept, veranderen de zaken. Hij wordt zich ervan bewust dat God met Zijn straf hem vervolgt en dat God zijn zonde niet vergeten heeft. Nu verheft het geweten zijn stem; Nu wordt het bewustzijn van de zonde wakker geschud; Nu is ‘de zonde de prikkel van de dood’ (1 Korintiërs 15 : 56) en manifesteert deze de toorn van God.

Nu wordt niet alleen het schip maar de hele wereld te klein voor Jona. De ironie ervan – nu zou hij God moeten aanroepen! Maar hij heeft meer angst dan alle anderen op het schip samen – want hij voelt en bemerkt, en zijn geweten vertelt hem ook dat deze storm tegen hem gericht is en dat Gods toorn hem nu getroffen heeft.

O, hoe nederig is hij nu. Hij spreekt alle andere mensen op het schip vrij van zonde – hij beschouwt ze niet als zondaars. Hij ziet geen zonde dan die van hemzelf. Dat is de weg van het berouw. Wanneer dat iemand dat overkomt en wanneer dat zijn geweten verontrust en verschrikt, dan ziet hij de hele wereld voor vroom aan, en alleen hijzelf is een zondaar. Dan verschijnt God genadig aan de hele wereld maar niet aan hem – dan treft Gods toorn niemand behalve hem alleen. Hij veronderstelt ook dat er geen andere toorn is dan die door hem gevoeld wordt, en hij beschouwt zich als de meest ellendige persoon die er te vinden is.

Dat was ook de ervaring van Adam en Eva na hun val in de zonde. Als God hen niet had opgezocht in de avondkoelte van de dag, dan zouden ze nooit (meer) op hun zonde acht hebben geslagen. Maar toen Hij aan hen verscheen, verborgen zij zich voor Hem.

Ook Petrus ging zijn eigen gang nadat hij Christus verloochend had. Hij voelde geen zonde – hij sliep ook alsof hij onder in een schip lag – hij was dood tot Christus hem aankeek. Toen kwam hij weer tot zichzelf en weende bitter. Zo zien we hier hoe hardnekkig, roekeloos en schijnbaar dood de zonde de mens maakt. Hij is niet gevoelig voor zichzelf en niet voor God en loopt veilig en onbeschaamd totdat God hem opzoekt en wakker maakt. Zo vindt de vrije wil niets om zich glorieus te verheffen.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 210, 5-28

Bron: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, they can use our web-form located on the homepage of www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. Our emails are free of charge and we do not ask for donations.

Bron afbeelding: SlidePlayer

Ontwaakt gij die slaapt - LB 462

 

.

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Wat in de ogen van ons mensen onbeduidend is…

9 Als uw mond belijdt dat ​Jezus​ de ​Heer​ is en uw ​hart​ gelooft dat God Hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered. (Uit Romeinen 9) (1)

Rechtvaardiging (3)

In een Kerstpreek (!) uit 1522 over Galaten 4 vers 1 tot 7 legt Luther er met alle duidelijkheid de nadruk op dat de rechtvaardiging niet procesmatig is, maar plaatsvindt op hetzelfde moment dat de mens gelooft. Dit in tegenstelling tot de ‘goede werken’ die ‘stuksgewijs’ gedaan worden. Dus kort gezegd: de rechtvaardiging wordt ontvangen door het geloof in Christus, waardoor de zondaar op éénmaal volkomen vergeving van alle zonden krijgt. (1) Of om het met de woorden van Paulus te zeggen: ‘Nu wij dan rechtvaardig zijn geworden door het geloof, hebben wij vrede bij God door onze Heere Jezus Christus’ (weergave DB 1545). Hier volgt dan het derde citaat over hetzelfde onderwerp:

(…) “Abraham en alle [heilige] vaders hebben het testament [of de belofte] van God gekend (vgl. Genesis 22 : 18; 26 : 4; 28 : 14) – het is aan hen ook verkondigd en gegeven, zoals aan ons allen. Hoewel het in die tijd niet in de hele wereld gelezen en verkondigd is, zoals dat gebeurd is na de hemelvaart van Christus. Toch hebben de vaders precies hetzelfde verkregen, door precies hetzelfde geloof, waarmee wij en al Gods kinderen het verkrijgen. Want het is voor allen één genade, één zegen, één belofte, één geloof – zoals God ook één God en Vader is van allen (vgl. Efeze 4 : 5-6).

Kijk, hier ziet u wat de apostel Paulus overal in zijn brieven leert: dat de rechtvaardiging niet door onze werken, maar zonder één enig werk van ons, alleen door het geloof komt – niet bij stukjes en beetjes, maar alles in één keer. Want het testament [of de belofte] bevat alles en heeft alles in zich: rechtvaardiging, zaligheid, erfdeel en alles wat voor ons verder nog van belang kan zijn. Door het geloof wordt dit allemaal in zijn geheel en op éénmaal – niet stuksgewijs! – aan ons in eigendom gegeven.

Dit zeg ik opnieuw: opdat het volkomen duidelijk zal zijn dat geen werk, maar alleen het geloof zulke weldaden van God op éénmaal ontvangt: de rechtvaardiging en de zaligheid – niet stuksgewijs (zoals de werken stuksgewijs zijn), maar het ons op één moment volmaakt en volkomen tot kinderen en erfgenamen van God maakt.

[Kinderen en erfgenamen] die daarna allerlei werken op basis van vrijwilligheid doen, dus geheel zonder een knechtelijke of slaafse gezindheid, die in zo’n gestalte of gedaante vroom-zijn en beloond-worden op het oog heeft. Er is hier geen sprake van enige verdienste, het geloof geeft alles om niet en meer dan iemand kan verdienen – om niet doen zij de werken. Zij hebben immers alles reeds door het geloof, wat de werkheiligen door hun werken zoeken en nooit vinden: namelijk de rechtvaardiging, het Goddelijke erfdeel of genade bij God.

Maarten Luther: Kirchenpostille 1522, vgl. WA 10.1.1, 343,18 – 344,12

(1) Opgemerkt: “Alleen (maar) geloof” wordt niet alleen in de wereld (door de “natuurlijke mens”) maar ook in veel kerken/gemeenten toch wel wat minnetjes gevonden. In veel gevallen wordt er ook daar weinig tot geen genoegen genomen met zo’n eenvoudige belijdenis (vandaar – bijvoorbeeld – bij velen de grote moeite met al jong en vroeg belijdenis doen en/of met jonge kinderen aan het Avondmaal): er zal of moet toch eerst wel wat meer gezegd of aangetoond kunnen worden, dan alleen maar “ik geloof”… (en dan menen sommigen zelfs over het “harts-geloof” van een ander te moeten en kunnen oordelen).

(…) 29 Maar ten slotte zult u de HEER, uw God, weer zoeken, en hem ook vinden, als u Hem tenminste met ​hart​ en ziel zoekt. 30 Wanneer dit alles u overkomt zult u, door de nood gedreven, naar de HEER, uw God, terugkeren en naar hem luisteren. 31 Want de HEER, uw God, is een God van ​liefde. Hij zal u niet verlaten en u niet in het verderf storten. Wat Hij uw voorouders onder ede heeft beloofd, vergeet Hij niet. (Uit Deuteronomium 4)

(…) 6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken. (Uit Hebreeën 11)

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding: DailyVerses.net

1-korintiers-1-28-29 - wat niets is - DailyVerses.net

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie