Wie zullen aanzitten aan de koninklijke maaltijd… (I)

(…) 21 En de ​slaaf​ kwam terug en berichtte zijn ​heer​ deze dingen. Toen werd de ​heer​ van het huis toornig en zei tegen zijn ​slaaf: Ga direct de straten en stegen van de stad in en breng de bedelaars en misvormden en blinden en lammen hier. 22 En de ​slaaf​ zei: ​Heer, wat U hebt opgedragen, is gebeurd en nog is er plaats. 23 En de ​heer​ zei tegen de ​slaaf: Ga de ​wegen​ en de paden op en dwing hen binnen te komen, want mijn huis moet vol worden. (Uit Lukas 14)

(…) Uit het antwoord van de slaaf in vers 22 kunnen we besluiten dat, zo niet allen, dan toch ten minste een zeer aanzienlijk deel van deze mensen al aan de nodigende roepstem van de uitnodiging gehoorzaam is geweest. Voegen we nu alle opmerkingen bijeen, dan kunnen we het volgende bezien:

  • Wie deze tweede groep van genodigden zijn (a);
  • Waarom de Heiland hen onder zulke vernederende en onaangename omstandigheden uitbeeldt (b);
  • Wat de uitslag is van de hernieuwde roeping in vers 23 (c).

a. (…) De prediking van Jezus en de apostelen was doorgaans, zoals overal, zo ook bij de Joden, het meest gezegend onder de geringe mensen. We horen dit duidelijk in de dankzegging van Jezus in Mattheüs 11:25-26. Paulus zegt het ook in 1 Korinthe 1:26-28 dat niet vele wijzen, niet vele edelen, niet vele rijken, maar het arme, het onedele en dwaze der wereld door God is uitverkoren. Een beschikking van de hemel die lijnrecht tegen onze natuurlijke gedachten en overleggingen ingaat. (…)

b. Ik denk echter niet dat de omschrijving van deze tweede soort geroepenen alleen letterlijk onder zulke vernederende omstandigheden plaatsvond. Nee, ze heeft zeker ook betrekking op de geestelijke zin van de gelijkenis. (…) Men kan er immers duidelijk uit zien, dat de nodiging van het Evangelie zich zelfs tot de minst geschikten, en ogenschijnlijk minst waardigen uitstrekt.
De beschrijving laat ons zien hoe het met deze geroepenen gesteld was, toen zij geroepen werden. Het was zo, dat men ze niet waardig geoordeeld zou hebben om vereerd te worden met een koninklijke maaltijd. (…) Ze hadden geen geld of vermogen waardoor ze achting zouden kunnen verkrijgen. Ze misten alle ware – wereldse en geestelijke! – rijkdom.

En wat meer is, ze waren ook nog eens beladen met onnoemelijk schulden en hadden geen penning om deze te betalen. Maar niet alleen dit, ze riepen ook afkeer op. Sommigen waren verminkt. Ze hadden een lichamelijk gebrek, omdat ze enige ledematen misten. Anderen waren misvormd. Dit alles beeldt op geestelijke wijze uit dat al hun vermogens ontluisterend waren of in wanorde gebracht.
Denk aan wat Jesaja zegt: Het hele hoofd is ziek en het hele hart is mat. Er is niets gaaf meer, maar ze hebben wonden, striemen en etterbuilen die niet uitgedrukt zijn, noch met olie verzacht (Jesaja l : 5b-6). (…)

Als God mensen nodigt, dan is het doorgaans onder vernederende namen die schuld of gebrek aanwijzen. Met benamingen die hun zondige aard en hun schuldige bestaan uitdrukken, wordt de uitnodiging gedaan. Zie bijvoorbeeld Jesaja 46 : 12, Spreuken 1 : 22-23 en 9 : 4, Jeremia 3 : 1 en vele andere plaatsen. Als u vraagt om welke reden dit zo gebeurd, zeggen we: De Heere doet dit, opdat ook de meest schuldige en ellendige mensen aangemoedigd zouden worden om te komen.

Aangemoedigd vooral ook opdat zij, die hun gebrek beginnen in te zien en gaan leren hoe walgelijk, onrein en verdoemelijk zij voor God zijn, niet afgeschrikt zullen worden. Zo is het ook hier. De Heere beveelt om de armen, verminkten, kreupelen en blinden te roepen. Dit met geen ander doel dan om Zijn knechten te leren, dat ze niemand in deze ellendige en onaanzienlijke toestand van het gelovige komen behoren af te houden. Daarnaast ook om al de bezwaren op te lossen die de genodigden zelf op grond van hun toestand mochten aanvoeren. Om hen te doen begrijpen, dat de Heere juist zulke ellendige en slechte mensen wil hebben. (…)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Dwing ze om in te komen” van ds. Adrianus Theodorus Clarisse (1741-1782) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 535 – Juni 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

(…) 11 De ​farizeeër​ stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die ​tollenaar. 12 Ik vast​ tweemaal per ​week​ en draag een ​tiende​ van al mijn inkomsten af.” 13 De ​tollenaar​ echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: “God, wees mij zondaar ​genadig.” 14 Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die ​rechtvaardig​ is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’ (1) (Uit Lukas 18)
(1) Er zijn helaas ook mensen die zich vernederen met het doel zichzelf daarmee in de ogen van mensen te (laten) verhogen.
(…) Nooit had ik gedacht dat God zo goedertieren zou zijn tegenover zo’n ellendig schepsel als ik ben… (…), Guido de Brès (1522-1567) – opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis – schrijvend aan zijn vrouw vanuit de gevangenis.

Bron afbeelding: SlideShare

Gelijkenis - De genodigden - Matt 22 - SlideShare

 

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s