Het verlorene (laten) zoeken… – in de gezinnen en in de gemeente!

‘Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten’ (Psalm 119 : 176).

(…) Deze Psalm 119 zal dus voor de Kerk altijd onmisbaar zijn tot onderwijs. Een rechtgeaarde christen zal er altijd op gericht zijn om te jagen naar dat wat Paulus ook heeft gegrepen; ja, hij kan hieraan herkend worden. Een nederig hart en een ootmoedig leven voor de Heere laten zien dat een christen tegenover God de juiste plaats inneemt. Want hoeveel hij ook ervaren heeft van de liefde en goedheid van God, toch blijft hij voor God als een dwalend schaap. Ja, hij blijft met David altijd afdwalen en hij moet steeds weer bij de hand genomen worden. Hieraan kan hij en kunnen ook anderen zien dat hij oprecht aan Christus verbonden is; het werk in zijn hart is werkelijk het werk van God. Psalm 119 werd door de oude theologen het ABC van de godzaligheid genoemd. Deze lange psalm gaat alleen maar over het leven in de ware vroomheid. Ze is verdeeld in de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet, die elk weer acht verzen omvatten. Deze opbouw is er mogelijk op gericht dat oude, maar vooral jonge mensen de psalm beter in hun geheugen kunnen vasthouden. Bij de vrome Joden stond ze in hoog aanzien, en ze scherpten die hun kinderen in; een voorbeeld voor ons!

Deze psalm moet voor ons een voorbeeld zijn van het leven van een christen, omdat ze van begin tot eind laat zien dat David hartelijk verbonden was met de wil van God en dat de wet van God hem de grootste blijdschap gaf. Hij kon geen woorden genoeg vinden om deze zaken uit te drukken. Steeds weer klinkt het: Uw wet, Uw Woord, Uw weg, Uw rechten, Uw geboden, Uw getuigenissen, Uw beloften, Uw oordelen, Uw gerechtigheid, Uw waarheid, enz. We vinden dit overal in de psalm, behalve in vers 122 waar hij de Heere bidt om ondersteuning en hulp. Hij laat ook zien dat hij ver gevorderd is in de zelfverloochening, omdat hij steeds spreekt over ‘U’ en ‘Uw’. We zien David in zijn overgave aan en verbondenheid met de weg en de wil van God, maar ook in zijn afkeer van zijn zondige eigenliefde waardoor hij steeds van zichzelf afwijst. Deze psalm laat ons dus zien wat er in zijn hart leefde met betrekking tot God, tot zichzelf en tot zijn medemensen. Met betrekking tot God: het loven en prijzen van God in verzen als 65, 129, 137 en andere. Met betrekking tot zichzelf: zijn belijdenis en zijn klachten tot de Heere in de verzen 57, 81 en 97. Met betrekking tot zijn medemensen zoals in vers 1: ‘Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel’. Dit leeft in zijn hart en hij kan dit niet verborgen houden. We vinden in deze psalm gebeden en tegelijkertijd ook vele klachten en verlangens. Dat is wel het nederigste bidden, zoals in vers 25: ‘Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw Woord.’ Het begint met een klacht die op een verlangen uitloopt. Zie ook de verzen 33 en 153.

In deze psalm lijkt er voor ons verduisterde verstand weinig samenhang te zijn; bepaalde zaken worden verschillende keren herhaald, met dezelfde of andere woorden. Wij moeten echter onze blindheid erkennen, dan zouden we met vrucht de Bijbel lezen. Dat er zoveel dingen herhaald worden, strijdt tegen de hoogmoedige wijsheid van de wereld die God niet kent (1 Korinthe 1 : 21). Maar het is wel de ervaring van hen die door de Geest geleid worden in de weg van het Woord, en het laat duidelijk zien waarnaar het hart van David uitging. Als iemand met God om de vergeving van de zonden worstelt, zal hij in het gebed steeds met dezelfde woorden hierom vragen. (…)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Bede van de gelovige om de hulp van God” van ds. Justus Vermeer (1696-1745) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 534 – Mei 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.
Bron afbeelding: SlidePlayer (Psalm 119 vers 64)

Psalm 119 vers 64 - zoek Heer uw knecht - SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Verrassende Lichtstraal…

“…zij zag het kistje in het riet…” (Exodus 2 : 5)

Wat hangt er soms veel af van schijnbaar onbelangrijke en ‘toevallige’ gebeurtenissen, in de wereld en ook in ons eigen leven. Aan de ene kant is er het volk Israël dat slavenwerk moet doen in Egypte. Het is hard en zwaar; ze zuchten onder de zweepslagen van de slavendrijvers en het lijkt alsof alle gebeden tegen een koperen hemel afketsen. Hoort God ons wel? Ziet Hij ons eigenlijk wel?

En aan de andere kant: op het water van de rivier de Nijl dobbert een biezen korfje met een kleine baby erin. Zijn moeder heeft hem op deze manier ‘verstopt, om hem uit handen van de Egyptische soldaten te houden. Toevallig’ wandelt Farao’s dochter langs de oever van de rivier, en ‘toevallig’ ziet zij het drijvende kistje. De nieuwsgierigheid is gewekt: één wenk, één kort bevel en ’t mandje is in haar handen.
Ongelofelijk, hoe subtiel Rembrandt de vogelachtige gratie van de drie vrouwen, waarin koninklijke waardigheid, simpele schrik en dienende hulpvaardigheid in een driehoekcompositie zijn samengevat, in enkele snelle lijnen op papier weet te zetten. Deze lichtvoetige schets is een specimen van het spontane handschrift van de meester. Alles is beperkt tot de groep van die drie vrouwen, van wie de voorste zich ver over het water buigt om het mandje, dat maar heel even is aangeduid, te bereiken.

Kijk een huilend kind; een jongetje van de Israëlieten? De prinses kijkt ernaar; hoe lang?
Wat zal ze doen? Gooi het maar weer in ’t water; dat is van de vijanden van mijn vader? Nee, haar hart wordt “met barmhartigheid bewogen” (S.V.). Het is alsof iets daarvan al te bespeuren valt in de blik waarmee de prinses op Rembrandts tekening naar het biezen kistje kijkt. God heeft haar hart aangeraakt; het kind is gered. Over leven en dood is in één minuut beslist.
Is dit niet wonderlijk? Is hierin niet iets van de leiding van God te zien? Terwijl niemand het vermoedt, terwijl Israël klaagt, dat het tegen een koperen hemel bidt, terwijl Farao vast besloten is alle Israëlitische jongetjes om te brengen, vist hier de dochter van Farao de toekomstige redder van Israël uit de Nijl. Over de donkere tijden van Israël valt een verrassende lichtstraal van de Hemel.

Er kunnen omstandigheden in ons leven zijn, dat alles donker en duister is, alsof er geen doorzicht en uitzicht is. Je voelt je van God verlaten. Maar betekent dat dan dat God je niet ziet, niet hoort en er niet van weet? Zo denken wij, omdat God, als Hij bezig is ons te verlossen, dat vaak zo stil en onopvallend doet. Niet in de publiciteit, maar in het verborgene, zoals hier in dit voorval bij de Nijl. Maar Hij is wél met ons bezig; en zijn verlossingsplan zet Hij door! Dat laat Hij ten volle zien in Hem, die meer is dan Mozes, de Here Jezus. Hij werd niet in een biezen korfje gelegd, maar in een houten kribbe. Wie had toen door dat hier de Verlosser geboren werd? En als God werkt, wie zal het keren? Hij laat niet los het werk waarmee Hij begonnen is, in de wereld en ook in uw en mijn leven.

Bron tekst: “Toeval of…” meditatie van ds. J. Riemersma, Sliedrecht in Ecclesia no 13 – juni 2017
Bron afbeelding: Kopie van schets van Rembrandt zoals afgebeeld in het betreffende nummer van Ecclesia.

Rembrandt schets - dochter farao Mozes biezenkistje

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wij zijn in een strijd gezét!

En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen. (Genesis 3 : 15)

(…) Kuypers optreden heeft in ons Nederland zo’n grote invloed en betekenis gehad, dat het in heel ons volksleven zijn spoor heeft gegrift. Dit wordt ook door zijn tegenstanders, soms royaal, soms onwillig, toegegeven. De onwilligheid, die daarbij wel eens aan de dag wordt gelegd, behoeft ons niet te verbazen. Immers in de grond van de zaak wordt Kuyper door wie zijn geloof niet deelt, niet begrepen. En het minst van al toont men begrip voor die door Kuyper geponeerde grondgedachte, waar in de doorwerking daarvan vooral het geheim schuilt van zijn doordringende invloed op ons volksleven: de idee van de antithese.

Nieuw was die grondgedachte niet; integendeel, ze heeft heel de geschiedenis door haar invloed laten gelden. Immers, waar de tegenstelling tussen het christelijk en het afvallig leven één van de meest markante trekken van de geschiedenis vertegenwoordigt, kon het inzicht in die stand van zaken nergens verborgen blijven, waar de Woord openbaring aanvaard werd.

Intussen was in de vorige eeuw – vooral onder inwerking van de zo genaamde verlichtingsdenkbeelden – het inzicht in deze tegenstelling dermate verzwakt, dat wie hier nog de dingen bij hun naam durfde noemen, voor achterlijk doorging. En juist in dien tijd van hoog-conjunctuur van het rationalisme weerklonk in ons vaderland de doordringende stem van Kuyper, die opnieuw het besef van de onverzoenlijke antithese tussen christelijk en niet-christelijk levensbeginsel wakker riep.

Dat nu het opnieuw poneren van de volstrekte tegenstelling tussen het levensbeginsel van het Koninkrijk van God en dat van het rijk van de duisternis zo’n beslissende invloed kreeg, is niet verwonderlijk. Immers die antithese, die in den loop van de geschiedenis haar realiteit bewees, behoort tot de meest fundamentele punten van de Goddelijke Woordopenbaring. God Zelf heeft haar in het leven van de mensheid gesteld: Hij zette vijandschap tussen slangenzaad en vrouwenzaad. Die daad van God bepaalde de loop van de geschiedenis.

De antithese kan niet uit de wereld verwijderd; zelfs al zou die groep mensen, die haar naar ons inzicht het zuiverst belijdt en beleeft, door eigen schuld ten gevolge van een radicale nederlaag verbroken worden, dan nog zou de antithese niet uit de wereld verdwijnen, en na korter of langer tijd zich ook weer in scherp belijden en principieel beleven baan breken. In de strijd, die de geschiedenis van de mensheid uitmaakt, behoort tot de wapens van die partij, die overwinnen zal, ook de belijdenis van de antithese.

Het ligt voor de hand, dat de tegenpartij haar dit wapen wil ontroven. Bij voorbeeld door de stelling te poneren, dat de antithese niet van boven zou stammen, maar door mensen verzonnen zou zijn. Hieruit blijkt, dat de strijd zich niet het minst in de strijd van de geesten voltrekt. Niet allereerst de macht, maar de kern van die macht, het geloof, wordt bestreden. Het geloof kan naar zijn aard niet op zichzelf rusten. Dan is het geen geloof meer. Het klemt zich vast aan de Christus. Het rust op de Waarheid.

Daarmee stemt volkomen overeen de poging, die steeds weer in de strijd wordt ontmoet: die Waarheid ten onder te houden. Dat kan op allerlei manieren geprobeerd worden. De Schrift leert ons, dat al die manieren één gemeenschappelijk grondkarakter hebben: men kan de Waarheid slechts ten onder houden in ongerechtigheid.

Dat de antithese het meest van zich deed spreken op het gebied van de politiek, betekent niet, dat zij alleen daar van betekenis zou zijn. Dit blijkt direct wanneer men zich afvraagt, wat deze tegenstelling zegt. Het is een tegenstelling van levensrichting, die berust op een tegenstelling van uitgangspunt. De antithese openbaart zich op het terrein van de politiek, omdat zij zich openbaart in heel het leven. En zij openbaart zich in heel het leven, omdat zij haar oorsprong neemt in het uitgangspunt.

Heel het menselijk leven is in twee kampen verdeeld. Dit is niet het geval omdat er behalve nette mensen ook boosdoeners zijn; en ook niet omdat er naast verlichte geesten ook domperige zielen voorkomen; en zelfs mag men niet zonder meer zeggen: omdat er een christelijk en een niet- christelijk leven is. Want de antithese komt niet uit het leven zelf op.

Er is een antithese omdat God Almachtig dat gewild heeft. Omdat Hij Zijn gevallen schepping niet in haar ellende heeft laten liggen, maar daaruit heeft opgericht. De antithese, het werk van God in Zijn gevallen schepping, deed zich krachtig gelden in de geschiedenis. Wij maken de geschiedenis niet, maar God maakt de geschiedenis door middel van Zijn schepselen. En daarbij houdt Hij zich aan Zijn ordinantiën (wetten en inzettingen) voor die schepselen. Vandaar dat de antithese, ingaande in de geschiedenis, zich voegde naar de perken van die geschiedenis. Op die manier trad de antithese in het mensenleven, zoals dat in geschiedenis-voortgang begrepen is.

Ingegaan in de geschiedenis van het mensenleven, hulde ze zich in al de gewaden van dat leven. In heel het leven immers trad de antithese op, en treedt ze nog op, en zal ze blijven optreden tot aan het einde der dagen. Daarom deed en doet ze haar invloed gelden in het staatsleven, maar niet minder in het gezinsleven, in de wetenschapsbeoefening, kortom in alle menselijk leven en werken. (…)

Bron tekst: “Het uitgangspunt van de reformatorische wijsbegeerte en het Calvinisme door Dr. K.J. Popma (1903-1986) – bijdrage uit “De reformatie van het Calvinistische denken” (1939)

Bron afbeelding: DailyVerses.net

1-timoteus-6-12 - Strijd de goede strijd - DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek, Wetenschap | 1 reactie

Verbittering, verwijdering en elkaar weer de broederhand reiken…

(…) 39 Er ontstond daarom verbittering, zodat zij uit elkaar gingen…
(Uit Handelingen 15)

(…) Lukas deelt ons dit heel sober in de Handelingen aldus mee: „en zij hadden ook Johannes (=Markus) tot helper”. Het Griekse woord voor „helper” hier gebruikt, heeft tal van betekenissen. Het kan dienaar van het Woord betekenen, of diaken, maar ook slaaf, bijvoorbeeld galeislaaf… Wij doen het best, hier maar te denken aan een soort „klusjesman”. (…) Het betekent hier niet zoiets als hulpprediker. (…)

Met veel enthousiasme is Markus meegegaan, het grote avontuur van de eerste zendingsreis tegemoet. En dit temeer, waar de reis ging naar het eiland Cyprus, Markus vanaf z’n jeugdjaren zo goed vertrouwd. (…)

Dan komt echter het ogenblik, dat het gezelschap het eiland Cyprus verlaat, om over te steken naar Klein-Azië. Vanuit de vertrouwde omgeving komen ze direct in de rimboe, en hier is de plaats waar Markus… deserteert. Geheel onverwacht (…) Wat de oorzaak van Markus desertie ook kan zijn geweest, de zendingsijver is bij Markus blijkbaar bedenkelijk gezakt. Hij gaat weg. Hij keert het gezelschap van Paulus en Barnabas de rug toe en zij zullen zijn inzet juist daar in die omstandigheden nodig hebben gehad…

(…) En nu blijkt, dat Markus’ smadelijke vlucht nog ergere gevolgen krijgt. (…) Het zal ook nog ten gevolge hebben, dat er een heftig conflict komt tussen Barnabas en Paulus, en wel zó, dat de wegen van deze beide mannen óók scheiden, en ieder z’n eigen weg gaat. De kerk kan zich nooit de „weelde” van conflicten en scheuringen veroorloven. Niet onder de „gewone” kerkleden, en nog minder tussen de toonaangevende leidslieden. (…)

Toch is het conflict gekomen. We lezen hiervan in Handelingen 15. „En na enige dagen zei Paulus tot Barnabas: Laten wij toch terugkeren tot onze broeders in iedere stad, waar wij het woord des Heren verkondigd hebben (…) En er ontstond een verbittering, zodat zij uiteengingen en Barnabas met Markus naar Cyprus voer. Maar Paulus koos zich Silas en vertrok”…. (Handelingen 15 : 36—40a).

Zodat zij uiteengingen! Eerst ging Markus van hen, en nu gaan Barnabas en Paulus uit elkaar, u ziet het wel: de scheiding is een repeterende breuk, en als de scheur eenmaal getrokken is, trekt die steeds dieper door, De geschiedenis herhaalt zich!

Paulus neemt in dit conflict een radicaal standpunt in. Hij is van oordeel, dat Markus niet gesneden is uit het hout waar men zendelingen van maakt. (…) Hij weigert zeer beslist iemand mee te nemen naar het zendingsveld, die eerder onbetrouwbaar is gebleken. Voor Markus was dat natuurlijk een harde pil. Hij wordt door de grote zendeling Paulus voor onbruikbaar gehouden, en „dit rode paspoort sluit voor hem alle verdere carrière af” . (…)

Ook Barnabas die bekend stond als een goed en zeer vriendelijk man heeft hier niets toegegeven. Beide mannen blijven op hun stuk staan. Onverzettelijk! (…)

Er ontstond, zegt Lukas, een verbittering. Hier staat het Griekse woord: paroxismos, waarin zoiets van scherp en zuur zit. Er vallen scherpe woorden. Er zijn zure gezichten. De beide standpunten bleven onverzoenlijk tegenover elkaar staan. En betrof dit nu nog principiële zaken, dan was het te begrijpen geweest, maar dit was zo niet. Het ging hier slechts over personen. Over het al of niet geschikt zijn van Markus voor het zendingswerk. (…)

„In iedere twist is de hand van de grote scheurmaker” en de ervaring leert, dat heel persoonlijke meningen, bijkomstige en incidentele dingen de gemoederen eerder verhitten dan zwaarwichtige, principiële vraagstukken. Het is best mogelijk, dat Paulus en Barnabas zonder groet van elkaar gescheiden zijn. Is dit niet een heerlijke overwinning van Satan? Ja, dit was het zeker! En dat alles door die zondige desertie van Markus! En toch is het geen blijvende overwinning van de duivel geweest!

In de eerste plaats is het opmerkelijk, dat Christus ten goede werkt wat Zijn dienaren kwaad doen. Want in plaats van één deputatie, gaan er nu twee de heidenwereld in. Paulus met Silas! Barnabas met Markus! Dit praat de zonde der apostelen niet goed, helemaal niet, maar Gods werk gaat door. En gelukkig bleef de kwestie beperkt tot Paulus en Barnabas. (…)

En in de tweede plaats is ook de verwijdering tussen deze mannen niet blijvend geweest. Er is een moment gekomen, dat ze elkaar weer de broederhand gereikt hebben, en dat zelfs Markus door Paulus is gerehabiliteerd. Dat was ook niet anders te verwachten van een christen als Paulus, die niet slechts met de pen, maar met het hart schreef in 1 Korintiërs 13 : „de liefde wordt niet verbitterd”.

En wanneer en waar de liefde triomfeert
is een einde gekomen aan alle „verbittering”.

Bron tekst: “Hoofdstuk XII – Markus” uit “Dubieuze posten – figuren uit de Bijbel” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

De doodsslaap van de zonde…

Maar ​Jona​ was afgedaald in het ruim van het schip, was gaan liggen en was in een diepe slaap gevallen. (Jona 1 : 5b)

Lectures on Jonah – 1525/1526 (5)

(…) “Ondertussen slaapt Jona onder in het schip, helemaal ongevoelig voor en onwetend van de storm. Dat kan inderdaad een slaap ten dode genoemd worden, die kort voordat hij gedoemd is om te sterven hem overvalt. Zo gaat het nu altijd met zondaars. God behandelt hen zoals Hij hier met Jona doet. Jona had zwaar gezondigd tegen God.

Maar omdat God stil blijft, Zijn straf nog uitstelt, de zonde niet weerhoudt of de overtreder niet onmiddellijk tuchtigt, is het naar de aard en de gang van de zonde een mens blind te maken en te verharden. Hij gaat zich veilig voelen en verliest zijn vrees, gaat liggen en valt in slaap en slaagt er niet in om de ramp te zien aankomen en de grote storm die over hem opsteekt en die hem een verschrikkelijk  ontwaken zal bezorgen. Ondertussen lijkt God de zonden te vergeten, omdat Hij de straf nog uitstelt.

Zo toetst Hij de mensenkinderen en wacht om te zien of zij zich zullen bekeren, zoals Psalm 11 vers 4 zegt: “Zijn blikken doorvorsen de mensenkinderen.” Maar er komt niets van – zij bekeren zich niet – ze houden geen rekening met de gevolgen. Jona zal waarschijnlijk blijven slapen tot zijn einde komt. Als Gód zijn zonden zou vergeten, zou hij er zeker nooit aandacht aan besteden. Dit wordt aangeduid door de diepe slaap van Jona te midden van de storm en diep onder in het ruim van het schip.

Het wil hier zeggen dat hij verblind is, volhardend en ondergedompeld in de zonde, ja, dood, liggend in de grafkuil van zijn onbekeerlijke hart. Hij zou er eeuwig blijven en daar ook te gronde gaan. Want de zonde zal geen macht ten goede toestaan om zichzelf aan te pakken, ongeacht vrije wil of geen vrije wil, rede of onrede. Daar ligt hij nu snurkend in zijn zonde, hoort niets en ziet niets, en ook merkt hij niet op wat God in Zijn toorn aan het overwegen is om hem aan te doen.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 209, 15 – 210, 4

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com. Or, they can use our web-form located on the homepage of http://www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from these weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  Degoudenrembrandt – JouwWeb – Storm op het meer van Galilea en Jezus slaapt.

Storm en Jezus slaapt - Alexander Veerman

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

ALL WE NEED…

[Citaat 1] We kunnen zeggen dat liefde het heerlijkste en meest volmaakte is van alles wat goed is, maar dat betekent nog niets vergeleken met de uitspraak dat God zelf Liefde is. Wanneer we in staat waren de Liefde te schilderen en af te beelden, dan zouden we er een afbeelding van moeten maken die niet aards en ook niet menselijk is, die niet engelachtig en ook niet hemels is. Het zou een afbeelding moeten zijn van wie God zelf is.

10 Het wezenlijke van de ​liefde​ is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze ​zonden. 11 Geliefde broeders en zusters, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar ​liefhebben. 12 Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar ​liefhebben, blijft God in ons en is zijn ​liefde​ in ons ten volle werkelijkheid geworden. 13 Dat wij in Hem blijven en Hij in ons, weten we doordat hij ons heeft laten delen in zijn Geest. (Uit 1 Johannes 4)

[Citaat 2]
‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei ​Jezus. ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben. (Johannes 6:35)

Wat we hier moeten zien is dat de essentie van het geloof zich volkomen tevreden stelt met alles wat God voor ons is in Christus Jezus.
Deze uitspraak benadrukt twee dingen. Eén is de God-gecentreerdheid van het geloof. Het zijn niet alleen de beloften van God die ons bevredigen. Het is boven alles dat God zélf voor ons is. Geloof omhelst God zelf – niet alleen Zijn beloofde gaven – als onze schat.
Geloof zet haar hoop niet alleen op het onroerend goed van de komende tijd, maar op het feit dat God daar zal zijn (Openbaring 21: 3). En wat het geloof als kostbaarste omarmt, is niet alleen de realiteit van zonden die vergeven zijn (hoe kostbaar ook) maar de aanwezigheid van de levende Christus in ons hart en de volheid van God zelf (Efeziërs 3: 17-19).
Het andere dat wordt benadrukt bij het definiëren van het geloof met alles wat God voor ons is, is de term ‘tevredenheid‘. Geloof is het lessen van de dorst van de ziel bij de fontein van onze levende God. In Johannes 6 : 35 zien we dat “gelovig” betekent dat iemand naar Jezus gaat om het “brood dat leven geeft” te eten en het “levende water” te drinken (Johannes 4 : 10, 14), die niets anders dan Jezus zelf zijn.
Hier is het geheim van de kracht van het geloof om de verslavende kracht van “aantrekkelijke zonden” te verbreken. Als het hart tevreden is met alles wat God voor ons in Jezus is, is de kracht van de zonde om ons weg te trekken van de liefde en de wijsheid van Christus gebroken.

Bron tekst – [Citaat 1] – Een woord van Maarten Luther (Ecclesia nr. 4 – februari 2017) en [Citaat 2] John Piper – citaat werd eerder gepubliceerd door Paul Zadok (Uganda).

Bron afbeelding: Pinterest

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Salomo’s brede blik en ruime hart…

29 En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip van ​hart, zoals zand, aan de oever van de zee. (1 Koningen 4 : 29)

Wij weten allen, hoe de „de zorgen en rijkdom en de genoegens van het leven” het goede zaad kunnen verstikken, en dat “wie rijk willen worden in een strik en velerlei verzoekingen vallen”. Nu, daarmee is een van de vangarmen der zonde genoemd, die zich naar Salomo hebben uitgestrekt. De materiële belangen hebben Salomo’s geestelijk leven overwoekerd. Het bezoek van de koningin van Scheba is daar een droevig bewijs van. U kunt daarvan lezen in 1 Koningen 10.

De geschiedenis van de visite van de koningin van Scheba in Jeruzalem eindigt met een uitvoerig relaas over het over en weer geven van geschenken, wat naar onze Westerse begrippen zoveel betekent als het afsluiten van een handelsverdrag. (…) Van de vrede door Hem, Die meer is dan Salomo, heeft de koningin van Scheba niets vernomen, en de grote kans van z’n leven om de “Naam des Heren” uit te roepen voor de oren der heidenen, heeft Salomo ongebruikt voorbij laten gaan.

Een tweede wat voor Salomo noodlottig geworden is, was wat de Bijbel noemt, zijn „wijd begrip van hart”. Dat was een gave hem door God geschonken, maar het bederf van het beste wordt vaak het slechtste. Men kan zó wijd van hart, en zó ruim van blik worden, dat alle grenzen worden uitgewist. (…) Men moet, zo vond Salomo, in die dingen niet zo enghartig en conservatief wezen! Hij onderhield relaties met alle „kooplieden van de aarde”, en in z’n harem bevonden zich vrouwen van alle nationaliteiten. Door de omgang met deze mensen begint men wat „ruimer” te denken! Als er zoveel „andersdenkenden” in Jeruzalem kwamen, dan vond Salomo het helemaal niet erg, dat die mensen ook in Jeruzalem naar hun eigen heiligdommen konden gaan. Vrijheid en blijheid en elk wat wils!

Zo zocht Salomo in Jeruzalem (1) de doorbraak van de antithese. En door al zijn vrouwen en zakenvrienden werd hij hoog geprezen als een man met een „wijd begrip van hart”, en vereerd als een „verlichte despoot”! Salomo, de man van de synthese. (2)

En dit is nu dezelfde Salomo, die zo prachtig begonnen was, de jongeling met z’n mooie droom in Gibeon, de man die zo kostelijk bidden kon in de tempel, en dan later zó op z’n oude dag! We zouden het eenvoudig niet geloven, als we niet gehoord hadden, wat er zo al aan voorafgegaan was…. de zonde is een hellend vlak, en men komt, tenzij er volledig mee gebroken wordt, tenslotte uit op een punt, waar men vroeger nooit gedacht had te zullen komen.

In ditzelfde elfde hoofdstuk staat ook Salomo’s doodsadvertentie (1 Koningen 11 : 43). En nu is het meest tragische in heel deze geschiedenis, dat er tussen het bericht van zijn val, en het bericht van zijn dood, niets wordt vermeld van zijn berouw en terugkeer tot de Here. Ik mag niet beweren dat dit berouw er niet geweest is, maar er wordt met geen woord melding van gemaakt. Salomo heeft, zo wordt er verteld in 1 Koningen 4 : 32 duizend en vijf liederen gedicht, maar wat wij missen is een boetepsalm. David dichtte Psalm 32, 51 en 130, liederen uit de diepte tot God. Salomo niet…

We zouden het prachtig gevonden hebben, als we gezien hadden dat Salomo’s val tenslotte een vallen op de knieën geworden was voor God. Maar er zijn meer dingen tussen hemel en aarde die wij niet zien en weten. Wij kunnen nooit groot genoeg denken van Gods barmhartigheid en Zijn verkiezende genade, die onberouwelijk is.

Daarom wil ik deze beschouwing over Salomo eindigen met twee citaten van prof. van Gelderen:

„We (zien) aan de ene kant van Jeruzalem buiten de poort de berg der ergernis, waar Salomo de offerhoogte heeft gesticht, waar hij zich heeft neergebogen voor Astarte. En we zien aan de andere kant van Jeruzalem buiten de poort de heuvel Golgotha, met zijn drie kruisen. En het middelste van deze drie kruisen getuigt van een Sion, dat door recht verlost wordt (Jesaja 1 : 27). En die Gekruisigde is Zelf de Rechtvaardigheid Gods, waardoor Sion wordt verlost (Romeinen 1 : 17). En onder de zegenend uitgebreide armen van de Gekruisigde herhalen we het profetische woord dat over de gevallen Salomo uitgesproken werd: „Ten vorst wil ik hem stellen terwille van David Mijn knecht, die Ik verkozen heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen in acht genomen heeft”. En we zwijgen, en we hopen”.

En hier is het tweede citaat: „Dat hij (Salomo) geen waar gelovige zou geweest zijn, daartegen komt reeds ons algemeen christelijk bewustzijn op. En als dat christelijk bewustzijn een waarachtig Gereformeerd bewustzijn is — als het belijdenis doet van de volharding der heiligen —, welk antwoord zal het dan fluisteren op de vraag of Salomo nog voor zijn dood tot oprecht berouw gekomen is? Zal het niet, ook aan Salomo’s graf, in altoos weer zich verheffende hoop, blijven spreken: Meer dan Salomo is hier?”

(1) Jeruzalem, gezien en erkend als de plaats van samenkomst waar Gods volk de Here diende: de Kerk van die tijd.
(2) Denk hierbij o.a. nu ook aan de synthese die men momenteel binnen de kerken zoekt door te pogen dat wat de wetenschap ons leert te verenigen met wat de Bijbel ons zegt (o.a. prof. Gijsbert van den Brink en een platform/organisatie als ForumC)

Bron tekst: “Hoofdstuk IV – Salomo” uit “Dubieuze posten – figuren uit de Bijbel” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding:   Franklin ter Horst en Bible Fun For Kids

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

De eer van mensen boven de eer van God…

“Saul​ zei tegen Samuël: Ik heb gezondigd, want ik heb het bevel van de Here, uw opdracht, overtreden; maar ik vreesde het volk en ik heb naar hen geluisterd.” (1 Samuel 15:24) (2)

Waarom heeft Saul het volk in plaats van God gehoorzaamd? Omdat hij de mensen in plaats van God vreest. Hij vreest de menselijke gevolgen van gehoorzaamheid aan God meer dan dat hij de goddelijke gevolgen van de zonde vreest. Hij vreesde de ontevredenheid van het volk meer dan de ontevredenheid van God. En dat is een grote belediging voor God.

In feite zegt Jesaja dat het een soort trots en dat het hoogmoed is om bang te zijn voor wat een mens kan doen, terwijl we de beloften van God negeren. Hij citeert God met deze doordringende vraag: “Ik, Ik ben het, die u troost. Wie zijn jullie, dat jullie bevreesd zijn voor een sterfelijk mens, voor een mensenkind, dat als gras wordt weggeworpen; dat jullie vergeten de Here, jullie Maker, die de hemel uitspande en de aarde grondvestte;…” (Jesaja 51: 12-13).

Vrees voor de mens mag niet trots en hoogmoedig overkomen, maar dat is wat God zegt dat het is: “Wie denk je wel dat je bent met je vrees voor mensen en mij uw Maker vergeet!”

Het punt is dit: als je mensen vreest, ben je begonnen met de heiligheid, de kracht en de waardigheid, van God en zijn zoon Jezus te ontkennen. God is oneindig veel sterker. Hij is oneindig veel wijzer en oneindig meer vol beloning en vreugde. Om van Hem afvallig te worden uit vrees voor wat een mens kan doen, dat is miskennen van alles wat God belooft heeft aan ieder die Hém vreest. Mensenvrees is voor Hem een grote belediging. En met zo’n belediging kan God geen genoegen nemen.

Maar ook waar en zeker is dat wanneer we Gods beloften horen en moedig op Hem vertrouwen, mee door oprechte vrees God te misnoegen door ons ongeloof, dan geven we Hem de eer die Hem toekomt. En daarin vind Hij vreugde.

(1) 42 Toch waren er ook veel leiders die wel in hem geloofden, maar vanwege de ​farizeeën​ kwamen ze daar niet openlijk voor uit, omdat ze niet uit de ​synagoge​ gezet wilden worden. 43 Ze stelden meer prijs op de eer van mensen dan op de eer van God. (Uit Johannes 12)

(2) 22 Daarop zei ​Samuel: ‘Schept de HEER meer behagen in ​offers​ dan in gehoorzaamheid? Nee! Gehoorzaamheid is beter dan ​offers, luisteren is beter dan het vet van rammen. 23 Weerspannigheid  is even erg als toverij, en eigenzinnigheid (ongezeglijkheid)  is even slecht als beeldendienst. (Uit 1 Samuël 15)

Bron tekst: John Piper (bovenstaande tekst werd eerder gepubliceerd door pastor Paul Zadok (Uganda).

Bron afbeelding:  Dr. J’s Apothecary Shoppe en DailyVerses.net

psalm-56-4 fear for man

psalmen-56-5 - vrees voor mensen - DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Bent/kent u een zondagschristen…?

28 Wat dunkt u? Iemand had twee ​kinderen. Hij ging naar de eerste en zei: ​Kind, ga en werk vandaag in de ​wijngaard. 29 En hij antwoordde en zeide: Ja, ​heer, maar hij ging niet. (Uit Matteüs 21)

(…) Weet u wel, dat er bijna nergens zoveel toneel gespeeld wordt als…. in de kerk? Misschien doen we er zelf wel aan mee. U moet mij goed begrijpen, ik bedoel niet dat schouwburg-toneel, maar dat gecamoufleerde toneelspel, dat zo angstig veel voorkomt onder ons.

U weet wel: een toneelspeler doet zich anders voor dan hij werkelijk is. Hij speelt een rol. ’t Lijkt wel precies echt, maar ’t is niet echt. Nu, deze jongen uit de gelijkenis is een volleerd toneelspeler. En allen, die op hem gelijken, zijn toneelspelers. Die alleen maar doen alsof. Die een rol spelen, en dikwijls heel goed spelen. Maar ’t is niet echt. Ze nemen de schijn aan van echte gehoorzaamheid en gewilligheid, maar het wezen ontbreekt er nog aan. Ze zijn zelfs helemaal niet van plan om te doen, wat ze zeggen. Ze komen wel regelmatig in de kerk, en zeggen amen en knikken ja tegen God, maar in de week is daar niets van te merken. Men noemt zulke lieden ook wel eens : „Zondagschristenen”.

Weet u, waar zij dikwijls aan doen denken? In Versailles, niet ver van Parijs, heeft men prachtige parken, en in die parken bevinden zich niet minder prachtige fonteinen. Wie daar op een zomerse Zondag een bezoek brengt, kan zien hoe die fonteinen in de vorm van zeenimfen machtige waterstralen de lucht in spuiten, en als de zon daarin schijnt, levert dat een weelde van kleuren op. Maar komt u in datzelfde park op een gewone dag in de week, dan merkt u niets van al die schoonheid, er is geen enkele fontein die wat doet, ze liggen allemaal droog.

Nu, zo zijn de Zondagschristenen precies. Er is een groot verschil, of u ze op een Zondag ziet, of dat u ze waarneemt op een dag in de week. Thuis en op hun werk zijn ze toch anders dan in de kerk. Zo’n type was deze knaap uit de gelijkenis ook: „Ja, heer. …en hij ging niet!”

Het luistert in de dienst van de Here bijzonder nauw. De Here vraagt geen gehoorzaamheid zonder meer. Maar Hij vraagt gehoorzaamheid met een accent, het accent der liefde. Dit is het grote verschil tussen onze hemelse Koning en een aardse dictator.

Een dictator is tevreden, meer dan tevreden met de strakke gehoorzaamheid. Als zijn onderdanen maar buigen en beven. Al vloeken ze hem in hun hart, dat deert hem niet. Hij vindt z’n glorie in het „Befehl ist Befehl!”

Maar God de Here vraagt een betere, een nieuwe gehoorzaamheid, een hart en een volk, dat zeer gewillig is op de dag van Zijn heirkracht, waarbij het hart zich met de daden paart, een hart dat de Koning niet vloekt, maar zegent.

De gehoorzaamheid is identiek met liefde. In ons doopformulier worden gehoorzaamheid en liefde ook als volkomen gelijkwaardige grootheden náást elkaar geplaatst: „wij worden vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, namelijk, dat wij deze God (Vader, Zoon en Heilige Geest) aanhangen, betrouwen en liefhebben”.

Van die liefde weet een “Zondagschristen” niets. Hij heeft slechts zichzelf lief. Hij doet een heleboel dingen, maar laat na het zwaarste der wet: de liefde! „Ik ga, heer!”. „En hij ging niet!”.

Waar liefde woont, gebiedt de HEER Zijn zegen:
Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen,
En ’t leven tot in eeuwigheid.
(Psalm 133 vers 3, OB)

Bron tekst: “Hoofdstuk XI – De jongen die ja zei” uit “Dubieuze posten – figuren uit de Bijbel” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding: Holyhome.nl en Bijbelse plaatsen.nl

Waar liefde woont - Holyhome.nlDe wijngaard - druiventrossen - Bijbelse plaatsen.nl

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Het onvermogen van de rede…

“De zeelui werden bang en ieder riep tot zijn eigen god om hulp.” (Jona 1 : 5)

Lectures on Jonah – 1525/1526 (4)

(…) “De rede kan God niet goed identificeren – het kan de Godheid niet toeschrijven aan degene Die er uitsluitend recht op heeft. Het weet dat er een God is, maar het weet niet wie of wat de ware God is. Het deelt in dezelfde ervaring die de Joden hadden tijdens het verblijf van Christus op aarde. Toen Johannes de Doper getuigde van zijn aanwezigheid in hun midden, waren ze zich ervan bewust dat Christus onder hen was en dat Hij zich onder hen bewoog – maar zij wisten niet welke persoon het was. Het was ongelooflijk voor hen dat Jezus van Nazareth de Christus zou zijn.

Zo speelt de rede ook “blindemannetje” (1) met God – het loopt voortdurend in het donker en mist het punt waar het om gaat. Het noemt dát God, wat niet God is en faalt Hij die werkelijk God is God te noemen. De rede zou zowel het een als het ander niet doen wanneer het zich niet bewust was van het bestaan van God of als het echt wist wie en wat God is. Daarom komt het onhandig en gehaast aanzetten om de naam van God toe te kennen en eer te bewijzen aan wat niet meer is dan de eigen idee van God.

Op haar manier vind de rede nooit de ware God, maar het vindt de duivel of het eigen begrip van God, die door de duivel geregeerd wordt. Dus er is een groot verschil tussen het weten dat er een God is en weten wie of wat God is. De menselijke natuur heeft weet van het eerstgenoemde – het is geschreven in ieders hart – de laatste (het weten wie of wat God werkelijk is) wordt alleen door de Heilige Geest geleerd.

We zullen dit illustreren met een paar voorbeelden. Laten we eerst alle mensen die van nature religieus zijn, in beschouwing nemen. Deze werken met de dwaalleer dat God een wezen is die door onze goede werken bewogen en daarmee tevreden kan worden gesteld. Dat verklaart hun vele roepingen, sekten en manieren van leven, waarin en waarbij ze er steeds van uitgaan dat ze God dienen en God behagen. Vertel me eens, wat zijn deze mensen aan het aanbidden als er geen God is, wiens Geest en wil niet aan de hunne voldoet?

Is het niet waar dat zij hun eigen dwaling en hun eigen waanbeeld houden voor de levende God? Want naar waarheid gesproken er is geen God die het eens kan worden met hun gedachten en voorstellingen van Hem. Daarom gaan ze de mist in met hun illusies. Zij missen de ware God, en niets resteert dan hun eigen valse voorstelling. Dat is dan hun god. Aan hem geven zij de naam en de eer die alleen God toekomt. Natuurlijk kan niemand behalve de duivel achter deze waanzin zitten, want hij inspireert en regeert deze gedachten.

En zo is hun waanzin hun idool, hun afgod – het is de afbeelding van de duivel zelf, die ze in hun hart dragen. Want de echte en de ware God is degene die alleen dan goed wordt gediend, wanneer dat niet gebeurd met goede werken maar met het ware geloof en met oprechtheid van hart, Die God die genade en Zijn weldaden schenkt “om niet” (gratis) zonder onze werken en verdiensten. Dat geloven zij niet, en daarom kennen ze God niet, en daardoor kunnen ze alleen maar een misslag slaan en het doel missen.

(1) Genoemd wordt hier “Blinde Kuh” (“Blinde koe”), omdat dit Duitse kinderspel ermee begint dat de leider zijn best doet om de oriëntatie van degene die geblinddoekt is te verwarren door te doen alsof hij een koe naar een voerbak met hooi aan het leiden is – wat hij moet proberen te doorzien. Wanneer de leider hiermee bezig is, zegt hij: “Blinde koe, ik leid jou.”

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 206, 31 – 207, 29

Uit Romeinen 3

19 Wij weten dat de wet in alles wat hij zegt alleen tot degenen spreekt die aan de wet zijn onderworpen. Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20 Daarom is voor hem geen sterveling onschuldig omdat hij de wet naleeft, want juist de wet leert ons de ​zonde​ kennen.

21 Gods ​gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, wordt nu ook buiten de wet zichtbaar: 22 God schenkt vrijspraak aan allen die in ​Jezus​ ​Christus​ geloven. En er is geen onderscheid. 23 Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God; 24 en iedereen wordt uit ​genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat hij ons door ​Christus​ ​Jezus​ heeft verlost. 25-26 Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft. Hiermee bewijst God dat hij ​rechtvaardig​ is, want in zijn verdraagzaamheid gaat hij voorbij aan de ​zonden​ die in het verleden zijn begaan. Hij wil ons nu, in deze tijd, zijn ​gerechtigheid​ bewijzen: Hij laat ons zien dat hij ​rechtvaardig​ is door iedereen vrij te spreken die in ​Jezus​ gelooft.

27 Kunnen wij ons dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten. En door welke wet komt dat? Door de wet die eist dat u hem naleeft? Nee, door de wet die eist dat u gelooft. 28 Ik heb u er immers op gewezen dat een mens wordt vrijgesproken door te geloven, en niet door de wet na te leven. 29 Is God soms alleen de God van de ​Joden​ en niet die van de heidenen? Zeker ook die van de heidenen, 30 want er is maar één God, en hij zal zowel besnedenen als onbesnedenen op grond van hun geloof als rechtvaardigen aannemen. 31 Stellen wij door het geloof de wet buiten werking? Integendeel, wij bevestigen de wet juist. (a)

(a) De gelovige omhelst door het werk van de Heilige Geest de wet niet als tuchtmeester maar als de heilige en alleen goede wil van God die onze Vader is door Jezus Christus Zijn Zoon.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com. Or, they can use our web-form located on the homepage of http://www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from these weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding: Bol.com

Net voorbij de rede - Herman M van Praag - Bolcom

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Wetenschap | Plaats een reactie