Scheurkerk(en)…

33 Op de vijftiende dag van de achtste maand, de datum die Jerobeam eigenmachtig had vastgesteld als feestdag voor de Israëlieten, besteeg hij de treden naar het ​altaar​ dat hij in Betel had laten maken, om er een ​offer​ te ontsteken.(…) (Uit 1 Koningen 12)

Jerobeam, de zoon van Nebat, heeft in Israels geschiedenis de ongunstigste naam gekregen, omdat hij „Israël zondigen deed”, en deze zonde school juist in de altaarbouw te Bethel. Vooreerst deed Jerobeam dit niet uit godsdienstige, maar uit politieke overwegingen. Hij was maar bang dat zijn mensen bij hun jaarlijkse bezoek aan de tempel in Jeruzalem weer naar de oude koningsstad zouden verlangen, en hem afvallig worden. (…)

De zonde van Jerobeam was, ten eerste dat hij de geestelijke eenheid van het volk van God, die ondanks de politieke verdeeldheid moest blijven bestaan, verscheurde. De kerk te Bethel was scheurkerk. En in de tweede plaats was het religieuze bedrijf daar niets anders dan eigenwillige godsdienst.

God zegt ons niet alleen, dat Hij gediend wil worden, maar ook hoe. Wij mogen Hem op geen andere wijze vereren dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft. De manier waarop we dit doen, wordt niet aan onze eigen smaak overgelaten. Dat zit de mensen wel in het bloed. Ze gaan dan zelf kerkje spelen. Ze richten zelf een kerkje op of iets dergelijks als het oude niet meer bevalt. Of ze zeggen: als wij de Here maar liefhebben, komt ’t er niet op aan, naar welke kerk we gaan. En ze bedenken allerlei lieve en mooie en vrome dingen, en ze vinden die eigen bedenksels veel inniger en warmer, want in de „officiële kerk” is ’t allemaal zo koud en kil.

Nu, dit is eigenwillige godsdienst tot en met, die van God vervloekt is, en daar doet nu Jerobeam ook aan mee, of liever hij gaat er in voor. De Here had gezegd, dat Jeruzalem de stad was waar Hij aangebeden wilde zijn, en dáár wilde Hij gemeenschap oefenen met Zijn volk in de tempel. Bij al die zelfgebouwde altaren buiten Jeruzalem is de Here niet. Hij is er zo weinig — hoeveel vroomheid er ook bedreven, en hoeveel offeranden er ook gebracht worden — dat de profeet Amos later toornt: „Zoekt de Here, maar zoekt Bethel niet!”

De oude profeet te Bethel heeft dit alles gezien en…. gezwegen.
Zeker, hij is er niet bij geweest, toen Jerobeam het schismatieke altaar te Bethel inwijdde, want hij moet alles wat er gebeurd is van z’n jongens vernemen, en met enige goede wil is dit wegblijven nog wel zó te verklaren, dat het z’n instemming niet had.
We zijn nu eenmaal niet klaar met te zeggen: Dit of dat loopt scheef, maar m’n instemming heeft het niet! Dan moet het woord van luid protest worden gehoord. Vooral als het gaat om zo’n grote zonde die heel het volk naar de afgrond voerde! Hij had z’n bezwaren moeten inbrengen tegen de geest der eeuw! Hij was er niet bij, maar hij had er bij moeten wezen. Om te getuigen! Om heel dat vroom-goddeloze gedoe aan de kaak te stellen! En dat er een profeet helemaal uit Juda moest komen, terwijl de pastor lui thuis blijft zitten en alles op z’n beloop laat, dát is wel de ernstigste disqualificatie voor deze schuldige zwijger!

Schuldige zwijger! Zwijgen is meestal erger zonde dan spreken.
Nalatigheid en verzuim brengt meer slachtoffers in de hel dan menigeen vermoedt, denkt u maar aan de mensen die de naakten niet hadden gekleed en de hongerigen niet gevoed…  enkel maar ’n klein verzuim!

1 Ik roep je dringend op, ten overstaan van God en van ​Christus​ ​Jezus, die zal oordelen over de levenden en de doden, ik bezweer je bij zijn komst en heerschappij: 2 Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet, wijs terecht, straf en vermaan met alle geduld dat het onderricht vereist. 3 Want er komt een tijd dat de mensen de heilzame leer niet meer verdragen, maar leraren om zich heen verzamelen die aan hun verlangens tegemoet komen en hun naar de mond praten. 4 Ze zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzinsels. 5 Jij echter moet in alles nuchter zijn, je lijden aanvaarden, je werk als verkondiger van het ​evangelie​ doen, je dienende taak vervullen. (Uit 2 Timoteüs 4)

Bron tekst: “Hoofdstuk VI – De oude profeet” uit “Dubieuze posten – figuren uit de Bijbel” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Koningen 13 - eigenwillige godsdienst - SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

De ongehoorzame godsman (profeet)…

(…) 15 Toen zei de ​profeet: ‘Ga met me mee naar ​huis​ om wat te eten.’ 16 ‘Ik kan niet op uw uitnodiging ingaan,’ antwoordde de ​godsman. ‘Ik mag in uw woonplaats niets eten en niets drinken, 17 want er is mij door de HEER een verbod opgelegd met de woorden: “Je mag daar niets eten en niets drinken en niet langs dezelfde ​weg​ teruggaan als je gekomen bent.” 18 ‘Maar ik ben ook een ​profeet, net als u,’ voerde de ander aan. ‘En tegen mij heeft een ​engel​ in opdracht van de HEER gezegd: “Neem hem mee terug naar je ​huis​ en laat hem wat eten en drinken.”  (…) (Uit 1 Koningen 13)

(…) Deze ongehoorzame profeet is niet een stoffige figuur uit de oudheid, maar het beeld van ieder die eerder en liever luistert naar het woord, van een mens, dan naar het Woord van God. Om de eenvoudige reden, dat het eerste altijd veel prettiger is, en niet zo dwars tegen het vlees ingaat.
Dit is eigenlijk altijd al zo geweest.
God zegt in het paradijs: niet eten! Maar de duivel heeft een contra-openbaring, en u weet de rest! God zegt hier tot Zijn knecht weer: niet eten!! Man Gods, bedwing uw vlees en blijf vasten, het gaat niet om een kleinigheid, maar om Mijn zaak!

Maar de leugen vleit: och kom, wat zou dat eten, man, wees niet al te preuts, en je kunt niet zo op alle details letten — en u weet weer de rest!
En dat gaat zo maar door!
Gods Woord zegt: wie zichzelf niet verloochent, die kan Mijn discipel niet zijn !
Maar de leugen krast er doorheen: waarom moet gij nu altijd de minste wezen.

De Bijbel houdt voor: trek geen ander juk aan met een ongelovige, maar de mens fantaseert: Je kunt nooit weten waar ’t goed voor is!
Wordt deze wereld niet gelijkvormig, waarschuwt Paulus, maar wij zeggen: wat is er nu tegen ’n pretje en heeft David ook al niet eens gedanst?

Nee, wat die oude profeet uit Bethel, die leugenprofeet, lispelde, dat vinden we in de grond van de zaak nog zo gek niet. Er zijn teksten in de Bijbel die zeggen: zó! maar met een beetje zoeken en een beetje handigheid is er wel een andere tekst, ’n soort contra-openbaring, te vinden, die zegt: zus! en die óns meer ligt.

De Schrift houdt ons heel eenvoudig voor: bekeert u! Maar er zijn minstens evenveel uitspraken in de Bijbel op te zoeken, waar gezegd wordt dat de mens van zichzelf tot geen ding in staat is. Ziet u nu wel? Mens, het moet je maar gegeven worden! Prachtig! Zo blijven we met al onze goddeloosheid en onbekeerlijkheid nog vroom ook!
Precies als die deugniet in Bethel die van „openbaringen” en „engelen” fantaseerde. Wat een vroom geknoei is er toch in deze wereld – ook onder Gods kinderen!

Bron tekst: “Hoofdstuk V – De ongehoorzame profeet” uit “Dubieuze posten – figuren uit de Bijbel” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Godsman - ongehoorzame profeet 1 Kon 13 - SlidePlayer.nl

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Getuige(n) met en door de Geest…

15 U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als ​slaven​ in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods ​kinderen​ te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’. 16 Die Geest getuigt met (=verzekert) onze geest, dat wij ​kinderen​ Gods zijn. 17 En nu we zijn ​kinderen​ zijn, zijn we ook zijn erfgenamen, erfgenamen van God. Samen met ​Christus​ zijn wij erfgenamen: wij moeten delen in zijn lijden om met hem te kunnen delen in Gods luister. (Uit Romeinen 8)

Een fundamenteel woord dat wij in ons hart moeten bergen is het woord ‘getuige’. Elke christen is een getuige van God. Denk aan wat het in het gewone leven wil zeggen als je getuige bent. Tijdens een proces is een getuige iemand die de waarheid moet vertellen. Er zijn valse getuigen, er zijn mensen die lasteren. Maar een echte getuige zegt alleen de waarheid, niet zomaar de waarheid, maar de waarheid die hij kent. Welnu, de kracht van het christelijke getuigenis bestaat in het feit dat wij spreken van de Heer die wij goed kennen, van de genade die wij hebben ondervonden, van de zegen die wij hebben gezien, van het geloof dat in ons hart is. Als wij de Geest niet hebben, als wij niet deze kracht hebben, worden wij slechte getuigen. De apostelen zeiden: “Hij is opgewekt door God en wij zijn er getuige van.” Zij zeggen dit omdat zij het weten, omdat ze het met hun eigen ogen hebben gezien, omdat ze het beleefd hebben. (1)

Maar wij, wanneer wij het sacrament gebruiken van het Avondmaal, wanneer wij in ons gebed wenden tot de Heer, raken wij Hem dan niet aan? (… raakt Hij ons dan niet aan?! -AJ)? (2) Elke authentiek geloof is het aanraken van de Heer, de levende God, Christus die is opgestaan en die ons redt. In dat geval kunnen wij oprecht getuige zijn en met moed voor de wereld spreken van onze hoop, van onze vreugde. En onze vreugde is de Heer, die de wereld liefheeft, die elke mens redt en elke ziel zoekt, als zij op een dwaalweg is gekomen. Wij zeggen dat niet alleen eenvoudigweg met woorden van anderen, maar wij dienen echte getuigen te zijn van zijn Geest, getuigen van zijn kracht. Laten wij vandaag bidden om het allerbelangrijkste: dat de Geest van God die beloofd is op ons zal dalen en onze harten zal aanraken. (3)

(1) 1 Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens 2 – want het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien, en wij getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons is geopenbaard – 3 wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u, opdat ook u gemeenschap met ons hebt; en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader en met Zijn Zoon ​Jezus​ ​Christus. 4 En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap volkomen wordt. (Uit 1 Johannes 1)

(2) 6 De drinkbeker der dankzegging, die wij met dankzegging ​zegenen, is die niet de gemeenschap met het ​bloed​ van ​Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet de gemeenschap met het lichaam van ​Christus? 17 Omdat het brood één is, zijn wij, die velen zijn, één lichaam, want wij allen hebben deel aan het ene Brood. (Uit 1 Korintiërs 10) 

(3) 9 En Ik zeg u: ​Bidt​ en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. 10 Want een ieder, die ​bidt, ontvangt en wie zoekt, vindt en wie klopt, hem zal opengedaan worden. 11 Is er soms een vader onder u, die, als zijn zoon hem om een ​vis​ vraagt, hem voor een ​vis​ een slang zal geven? 12 Of als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen zal geven? 13 Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw ​kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de ​heilige​ Geest​ geven aan hen, die Hem daarom ​bidden? (Uit Lucas 11)

Bron tekst: Ecclesia – 108e jaargang nr 12 – juni 2017 – “Uit een preek van Aleksandre Men (1935-1990)”
Bron afbeelding: Pastorale hulpverlening jongeren

God-is-liefde - Pastorale hulpverlening jongeren

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Persoonlijk | Plaats een reactie

Een lamp die schijnt…

Ons vertrouwen in de woorden van de profeten is daardoor alleen maar toegenomen. U doet er goed aan uw aandacht altijd daarop gericht te houden, als op een ​lamp​ die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de ​morgenster​ opgaat in uw ​hart.
(2 Petrus 1 : 19)

Petrus dringt er op aan, dat de gelovigen bij de Schrift leven, ook bij die van het Oude Testament; want met „het profetische woord” kan hij alleen het Oude Testament bedoelen. Dit is een lamp, die schijnt in een duistere plaats. Het is dezelfde gedachte, die we vinden in het Evangelie naar Johannes: Johannes de Doper was het licht niet, maar getuigde van het licht. Johannes de Doper was de laatste en grootste profeet van het Oude Testament, hij getuigde van het licht, „en intussen was het waarachtige Licht, het Licht Zelf, reeds bezig in de wereld te komen” (Johannes 1 : 9).

In zijn polemiek tegen de hellenistische mystiek spreekt Petrus van de indeling in de geschiedenis, die aangebracht wordt door de komst van de Christus. Hij spreekt van de lamp, die schijnt in een duistere plaats, en van het aanbreken van de dag. Wie nu acht geeft op het profetisch woord van het Oude Testament, heeft daardoor het licht, dat schijnt in een duistere plaats; hij leert daardoor de oude tijd in zijn ware zin begrijpen. Maar hij kan ook verder komen: de dag breekt voor hem aan, als hij acht geeft op de lamp. Door de komst van de Christus is de dag aangebroken. De tijd is de nieuwe tijd, de tijd van het volle licht. Maar dat licht kan alleen dan door de gelovige worden gezien, als hij acht slaat op de lamp, die schijnt in een duistere plaats: dan zal de morgenster opgaan in zijn hart.

Dit wil evenwel niet zeggen, dat Petrus de gelovigen op hun binnenste terugwerpt. In zekere zin is de plaats, waar de gelovige woont, nog steeds de duistere plaats. Er zijn overblijfsels van de oude tijd; er is de lange tussenperiode van de lankmoedigheid (liefdevol geduld), waarover de tweede brief van Petrus spreekt in hoofdstuk 3. „Sinds de vaderen gestorven zijn, blijven alle dingen zo, als ze van het begin van de schepping af geweest zijn”. De oude tijd, de tijd van het vlees, schijnt zich te hebben voortgezet, en nu nog te gelden. Maar dat is niet zo, de dag is inderdaad aangebroken, en de gelovigen die het profetisch woord gebruiken als een lamp, zullen dat ook in het geloof verstaan: de morgenster zal opgaan in hun hart.

In heel zijn brief spreekt Petrus van de nieuwe tijd, de tijd van het nieuwe en eeuwige testament. Hij spreekt ervan op zo’n manier, dat we herinnerd worden aan wat op andere plaatsen in het Nieuwe Testament daarover wordt gezegd. Hij getuigt van de centrale plaats, die de Christus inneemt in de geschiedenis. Hij spreekt van de volmaaktheid: door deze zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zou hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst. (2 Petrus 1 : 4). Hier staat vlees tegenover Geest. Maar vlees dan genomen in afvallige zin: het verderf dat in de wereld heerst. De tijd van de Geest wordt hier dan gezien in de volmaaktheid, en om die reden gebruikt Petrus die sterke, vermoedelijk aan de terminologie van de mystiek ontleende uitdrukking: deel hebben aan de goddelijke natuur. Willen we dit goed begrijpen, dan hebben we de onderscheiding nodig van de twee perioden, vlees en Geest, waarvan de eerste sinds de zondeval naast het schepselmatige ook een afvallig aspect heeft, zodat het woord vlees op twee manieren van uitleg en toepassing kan worden gebruikt. Verder het over elkaar heen schuiven van de beide perioden, waardoor in de tijd van het vlees blijken van de tijd van de Geest, met mate, zijn waar te nemen; en waardoor ook na de hemelvaart van de Christus het vlees nog niet heeft uitgediend, maar in de periode van Gods lankmoedigheid tussen hemelvaart en wederkomst nog doorwerkt, zowel in schepselmatige als in afvallige zin.

“Want zo zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwig Koninkrijk van onze Heer en Heiland, Jezus Christus”, (2 Petrus 1 : 11).
Opvallend is hier, dat het Koninkrijk van de Christus een eeuwig Koninkrijk wordt genoemd. Een van de duidelijkste uitspraken van de Schrift, die doet zien, dat de geschiedenis met het eindgericht niet afknapt. Reeds nu is de Christus de Overste van de koningen der aarde, Hij is de enige wettige overheid van deze wereld. Maar eerst in de volmaaktheid is Zijn Koningschap vol. Hij blijft eeuwig Koning van de schepping en wettige Overheid in de hemel en op de aarde.
Toch spreekt Petrus hier van toegang tot dat Koninkrijk. Want al zijn alle mensen onderdanen — of anders slaven — van de Christus, eerst na het eindgericht is dat Koninkrijk volmaakt in het Hoofd en de leden. Nu is alleen het Hoofd in de volmaking. De leden gaan nog voort tot de volmaaktheid, en dat voortgaan is de toegang tot het eeuwig Koninkrijk van den Christus. Nog is er sprake van kostbare en zeer grote beloften, die nog niet verwezenlijkt zijn.

Wie niet in dit geloof staat, zal de nieuwe tijd zeker ook niet zien. Zoals de Christus, met verwijzing naar den doop van Johannes, tegen Nicodemus zegt: Tenzij men wederom geboren wordt, kan men het Koninkrijk van God niet zien. En zoals Johannes de Doper zegt: Wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven (d.i. het eeuwige leven) niet zien.
Degenen, die niet wederom geboren worden en de Zoon ongehoorzaam zijn, zien alleen maar, dat alle dingen zo blijven, als ze van het begin van de schepping af geweest zijn. Zij begrijpen de kosmos en de geschiedenis niet. Zij zijn de spotters. Zij krijgen een afkeer van het geschapene, omdat alle dingen net zo blijven als ze altijd zijn geweest, en de belofte van Christus’ komst niet wordt aanschouwd. De afkeer van deze „dingen die blijven zoals ze altijd zijn geweest” kan zo groot worden, dat men daardoor tenslotte vlucht in zijn fantasie. En dat doet elk ongelovige op zijn manier.

Wij mensen, zegt Petrus, zijn in de tijd. We merken van de nieuwe tijd nog niet veel. Maar dit moeten we niet vergeten, dat God, Die ons roept, Zelf boven de tijd staat. Een dag is bij Hem als duizend jaar, en duizend jaar als één dag. Hij talmt niet met de belofte, maar Hij is lankmoedig, in geduldige en vriendelijke liefdevolle vergevingsgezindheid, opdat allen tot bekering komen. (…) Wij verwachten echter naar Zijn beloften nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. (Zie 2 Petrus 3)

In die verwachting is de geschiedenis toch doorzichtig en overzienbaar.

Bron tekst: “Eerst de Jood maar ook de Griek” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Bron afbeelding: Mens en samenleving

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

‘als Gij mijn hart verwijd zult hebben’… (III)

(…) Bergen mogen wijken en heuvels wankelen, maar Gods goedertierenheid zal van hem niet wijken, en ook het verbond Zijns vredes zal niet wankelen, omdat Hij, de HEERE, de onveranderlijke Ontfermer het gesproken heeft. (Jesaja 54:10).

(…) Daarom ben ik nu gelovig van U afhankelijk als de getrouwe God van het verbond. Uw beloften zullen in U ‘ja en amen’ zijn, en Uw Naam zal daardoor worden verheerlijkt. Ik vertrouw dat mijn gebed door Uw Geest uit Uw hart voortkomt en met Uw wil overeenstemt. Zo zal ik de weg van Uw geboden lopen, namelijk met Uw hand aan mijn hart. God wil Zich door Zijn kinderen laten binden met de touwen van Zijn beloften die Hij hun Zelf in de hand geeft. O, mochten wij dat ook leren!

De handelwijze van de profeet laat ten tweede zien welke kracht de beoefening en de overdracht van deze eeuwige waarheden hebben in het hart van een mens. Want een mens die zo met de Heere werkt, erkent daarmee dat God de onafhankelijke en almachtige Koning is. Hij alleen is de Bron en Oorsprong van al het goede. De mens is in alle dingen volkomen van de Heere afhankelijk, maar hij is zelf de oorzaak van zijn verdorvenheid; God is daarvan niet de oorzaak. Deze mens prijst Gods eigenschappen, maar hij kent ook de kracht van de in zijn hart wonende zonden. Hij is bang dat zijn hart niet standvastig zal blijven en dat hij elk moment kan afvallen en struikelen. Steeds is hij open voor het verstuiken van de voet van het geloof en de benauwdheid van zijn hart. (1)

Als een mens zo zijn hart – hoe benauwd het ook is – voor de Heere open zet, erkent hij hiermee dat hij dit alleen kan door de kracht van de Heere. Hij is in alles wat hij doet afhankelijk van de Heere en tegelijk verplicht tot een volkomen gehoorzaamheid. Omdat zo’n mens de onafhankelijkheid en het volstrekte gezag van God over zijn leven en zijn eigen totale afhankelijkheid erkent, is hij zich ervan bewust dat hij een schepsel is. Dit betekent dat de mens alleen op de weg van de geboden kan lopen als God het hem geeft.

Dan erkent het hart ook dat de nieuwe natuur, het leven van genade, door God erin gelegd is. Het is een bewijs van de gemeenschap met God in de Messias. De Heere heeft hem verlost en dit moet hem brengen tot dankbaarheid. Dat uit zich in het verlangen om te lopen op de weg van Gods geboden. Zonder dit verlangen is het werk van de bekering niet oprecht. Ook wat dit betreft, is de behandeling van de Catechismus in overeenstemming met de Schrift. Als een mens verlost wordt, zal hij zich met alles wat hij heeft, aan God overgeven en voor Hem willen leven. Ik zal op de weg van Gods geboden lopen.

Het hart erkent dat het elk ogenblik in gevaar is en dat het dus nodig is aan de hand gehouden te worden. (1) Het is alsof het zegt: ‘Ik zal lopen, ja, ik zal alleen op Uw weg kunnen lopen als ik Uw genade ervaar. Laat de zonde in mijn hart niet de overhand hebben en laat mijn hart niet vervuld worden met wereldse verlangens. Als dat het geval is, kan ik niet verder lopen. Daarom kan ik de weg van Uw geboden alleen lopen als U mijn hart verwijd zult hebben.’

(1) – Wie het woord veracht, moet het ontgelden; maar wie het gebod vreest, hem zal vergolden worden. (Spreuken 13 : 13)
– Gelukkig is de mens die siddert (vreest) voor de HEER, wie eigenzinnig is, valt ten prooi aan het kwaad. (Spreuken 28 : 14)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Bede van de gelovige om de hulp van God” van ds. Justus Vermeer (1696-1745) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 534 – Mei 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: Bemoedigende Bijbelteksten

Psalm-161-2 - vertrouwen - Bemoedigende Bijbelteksten

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Het eeuwige Woord en de wetenschap…

12 Tot slot, mijn zoon, nog deze waarschuwing: er komt geen einde aan het aantal boeken dat geschreven wordt, en veel lezen mat het lichaam af. 13 Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ​ontzag​ voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens, 14 want God zal iedere daad doen komen in het gericht en daarover een oordeel vellen, ook de verborgen daden, zowel de goede als de slechte. (Uit Prediker 12)

Het eeuwige Woord en de wetenschap van een bepaalde eeuw.

 (…) Er is een diepgaand verschil tussen het profetische eeuwig blijvende Woord van God en tussen de boeken, waarin de stand van de wetenschap van een bepaalde eeuw is neergeschreven. De Bijbel blijft de eeuwen door altijd weer nieuw voor elke volgende generatie – maar alle wetenschappelijke werken verouderen. Gods Woord geeft de eenvoudigen wijsheid, die niet onderhevig is aan de ijdelheid, aan de vergankelijkheid van alle menselijk leven hier op aarde.

Maar de wetenschap behoort tot de „bezigheid, die God de mensenkinderen gegeven heeft, om zich daarmee af te tobben.” De wetenschap mag onderzoeken al Gods grote werk, dat onder de zon geschiedt. Dat is een bezigheid, waaraan “wetenschappers” zich mogen geven in een arbeid van dagen en nachten. Zó intens, dat zij de tijd van slapen soms vergeten. God heeft de dingen bijzonder mooi gemaakt en Hij geeft ook een taak aan iedere eeuw in de voortgang van de ontwikkeling van de wetenschap. God heeft in sommige mensen met wetenschappelijke roeping een ontembare „natuurlijke neiging” in het hart gelegd om aan de wetenschapstaak van hun eeuw verder te werken. Velen hebben daarbij hun bezittingen en zelfs hun leven daar voor over gehad. Tal van belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen hebben wij te danken aan dat moeizame zelfopofferende werk van deze mensen (1).

Maar nooit is het eindpunt in de wetenschappelijke loopbaan bereikt. God heeft de taak van hun eeuw in hun hart gelegd, maar nooit zal een mens het werk, dat God gemaakt heeft, volledig — van het begin tot het einde — kunnen onderzoeken en doorgronden. Ja, al zou er ook een wijze zijn, die zou zeggen, dat hij het zou kunnen, dan zal blijken dat hij het toch niet heeft kunnen doorgronden. Prediker 8 : 16 -17 en 3 :10-13.

De betrekkelijkheid van alle mensenwerk hier onder de zon, wordt profetisch heel radicaal getekend in het boek Prediker: ijdelheid der ijdelheden, het is alles ijdelheid, het is alles betrekkelijk en vergankelijk. De wijze sterft evengoed als de dwaas. Hij was een kind van zijn eeuw, hij had een levenstaak in zijn eeuw, hij had zijn eigen plaats en werk onder de zon en straks is hij vergeten, de wijze niet anders dan de dwaas. En een andere eeuw met andere mensen neemt het werk over en gebruikt de vruchten van zijn of haar zwoegen.

Daarom zegt de Prediker, gedreven door de Heilige Geest (2), tot al die vergankelijke mensen-van-hun-eeuw: Ga dan heen, eet uw brood met vreugde, en drink uw wijn met een vrolijk hart; want God heeft er vreugde in als Zijn gaven gebruikt worden. Laat uw kleren altijd netjes zijn en zorg voor de olie op uw hoofd. Geniet het leven met de vrouw, die gij liefhebt en doe uw werk met alle inzet want straks is uw tijd om en gaat u rusten in het graf. Dat is geen pessimisme of verachting van het leven-onder-de-zon. Integendeel. Er zit levensaanvaarding in.
Maar  het schepsel, dat aan de vergankelijkheid onderworpen is, wordt ook als zodanig gezien en het wordt als zodanig aanvaard. De wijsheid van de wereld doet vaak alsof die vergankelijkheid er niet is. Of, wanneer zij de vergankelijkheid van het leven onder de zon ziet, komt zij in opstand en protesteert en verzet zich er tegen om in zo’n wereld te moeten leven.

Onze eerste ouders, Adam en Eva, konden, na het Paradijsleven, moeilijk optimistisch denken over hun leven onder de overheersing van de dood — zij hadden kunnen weigeren het werken “in het zweet huns aanschijns” te doen en om de pijn en de moeite van het moederschap te dragen. Maar zij hebben het leven, zoals het nu geworden was, aanvaard. Zij hebben dat kunnen doen, omdat God alzo lief deze wereld heeft gehad, dat Hij Zijn Zoon beloofd en gegeven heeft, die alle dingen opnieuw zal oprichten (vernieuwen zal).

(1) Zie bijvoorbeeld de levensgeschiedenis van Maria Curie (“Madam Curie”, 1867-1934)
(2) De woorden van de wijzen zijn zo scherp en puntig als een ​ossenprik, al hun spreuken zijn ons door één ​herder​ ingeprent. (Prediker 12 : 11)

Bron tekst: “Dogmatiek als wetenschap en haar wijsgerige motieven” door A. Janse (1890-1960) – Bijdrage in het boek “De reformatie van het Calvinistische denken” uitgegeven in 1939.

Uit de inleiding van dit boek:
(…) Wij vragen geen toejuiching en applaus. Wij vragen serieuze inzet en bezinning van allen, die de Gereformeerde belijdenis liefhebben.
Wij vragen, bij besef dat de beoefenaren van de Calvinistische wijsbegeerte ook zondaren zijn, ernstige, bezonnen geloofskritiek, opdat wat niet naar het Woord Gods is zal worden uitgezuiverd.
Alleen bij een gemeenschappelijk samen zoeken en samen bezig zijn in gebondenheid aan Zijn Woord, onder gelovige aanroeping van de leiding van de Heilige Geest, kunnen wij bij de Gereformeerde waarheid blijven.
Hoezeer dat nodig is, blijkt elke dag om ons heen in eigen land en daarbuiten.
Het gebed van allen, die voor Christus willen buigen, moge in deze dagen wel bijzonder opgaan voor al degenen, die zich er toe zetten om de waarheid van de Schriften te overdenken en uiteen te zetten.
Dan zal de HEERE ons zegenen en ons wapenen voor de geestelijke strijd, die wij op ieder terrein van het leven te strijden hebben.
С. P. BOODT. Leerdam, Januari 1939.

Bron afbeelding: Spirituele teksten academie

14-Heilige-Boeken-Bijbel-Confessio-Fraternitatis-citaat-spirituele-teksten-spreuk

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Geschiedenis, Wetenschap | Plaats een reactie

‘als Gij mijn hart verwijd zult hebben’… (II)

De HEER zij geprezen, Hij heeft mijn smeekbede gehoord. (Psalm 28 : 6)

(…) We moeten er ook op letten hoe God het hart van Zijn kinderen verwijdt en wat ze daarbij ervaren. Als een mens voelt dat hij geestelijk ziek is, en hij onder de ellendige en benauwde toestand van zijn hart lijdt, dan moet er leven in zijn hart zijn; hij is een gelovige die geestelijk leven bezit.

De Heere Jezus laat als de grote Geneesheer een mens zijn ziekte zien en gevoelen, en Hij brengt hem bij de oorzaak van de moeilijkheden. De Heere laat hem zien waar hij zijn eerste liefde heeft verlaten, waar hij de innigheid en oprechtheid van zijn liefde is kwijtgeraakt. Iemand kan in zulke moeilijke en verdrietige omstandigheden komen, als ze maar één stap zetten zonder dat de Heere hen leidt. Het ingrijpende gevolg is dat de Heere Zich aan hen onttrekt. De Heere Jezus leidt zo’n mens uiteindelijk tot een belijdenis van de ernst en het goddeloze karakter van zijn zonden. Ze erkennen de heiligheid en de rechtvaardigheid van God, en ze veroordelen zichzelf. Ze worden min of meer van zichzelf verlost en hun hart wordt daardoor enigermate verwijd of verruimd.

Ja, de Heere Jezus laat zo’n mens de dingen zien die zijn hart beheersen en benauwd maken: de overmatige liefde tot de wereld, het geld, een hoge positie, eer en aanzien, enz. O ja, als de vreze Gods niet de wacht houdt over het hart van een mens bij deze dingen, zullen ze voor hem een valstrik worden. Hij moet daar beducht voor zijn. Daarbij komt nog dat de zonde in het hart haar kracht blijft houden en een bron is van goddeloze verlangens, waardoor het hart ver van de Heere is en leeft. Ja, de Heere laat zo’n mens afdalen tot de gruwelijke wortel en de vergiftigde bron van zijn hart, namelijk zijn bedorven grondslag: zijn boze natuur. Het is een bekend spreekwoord en dat kunnen we ook hier gebruiken: als we de oorzaak van de ziekte kennen, is de patiënt al half genezen.

Dit heeft tot gevolg dat de patiënt met zijn hele hart gaat vragen naar de balsem van Gilead en de Heelmeester uit Jeremia 8:22. Het hart doet dit met alle ernst en het opent zich voor de Heere Jezus. Een mens die werkelijk met zichzelf bekend gemaakt is, zal niet met minder geholpen zijn. Hij zal de Geneesheer niet laten gaan als hij nog maar half genezen is, of als er alleen maar enige verlichting van de klachten optreedt. O nee, hij klampt zich aan Hem vast en hij durft geen afscheid van Hem te nemen; hij krijgt Hem steeds meer nodig. Hij krijgt steeds meer behoefte om zijn zonden te betreuren. Salomo zegt dat door de droefheid van het aangezicht het hart gebeterd wordt (Prediker 7:3).

Wanneer de Heere zo in het hart van een zondaar werkt, opent Hij een deur van hoop in het dal van Achor, dat is in dat ellendige hart. Hij laat zien dat Hij alles kan veranderen, hoe goddeloos dit hart van binnen ook is. De Heere laat Zijn bereidwilligheid en Zijn grote macht zien. Zijn bloed reinigt van alle zonden. Ja, Hij laat zo’n zondaar die de troost van het Evangelie mist, Zijn liefde wel eens ervaren. O’, zegt de Heere, ‘Ik verlang niet naar uw dood en uw ongeluk. Er is geen mens die een te grote zondaar is. Er is in Mijn volk geen zonde of gebrek zó diep ingeworteld en aanhoudend, of Mijn genade is nóg groter.’

Dit maakt het hart beschaamd en verbroken. Wat veel moeilijke en zware tegenslagen niet kunnen bereiken, kan de liefde wel. De liefde breekt het harde hart in stukken en laat het smelten in oprechte zelfvernedering en verwondering. De liefde maakt het hart oprecht voor God en veroorzaakt een afkeer van de zonde. De liefde zorgt ervoor dat het hart kiest voor Christus en Zijn dienst; de liefde verruimt het hart. De liefde sluit het hart voor de wereld en maakt het benauwd voor de zonde. De kinderen van God worden teer in hun geweten. Het doet hun pijn als ze tegen de Heere zondigen, want daarvan ervaren ze alleen maar schade. Ja, het is de liefde die alles van zichzelf vaarwel zegt, en die ervoor zorgt dat ze hun hoogste geluk bij de Heere zoeken. Ja, ze zeggen het Johannes de Doper na dat Hij groter moet worden, maar zij minder (Johannes 3:30).

Ze verbinden zich opnieuw aan de Heere Jezus en dragen zich op Zijn kosten onvoorwaardelijk aan Hem op. Ze kiezen met hun hele hart blindelings al Zijn wegen. Zo zal Hij hen in hun leven beschutten en hen ten slotte in de heerlijkheid brengen. Het grote middel waardoor Hij hen bewaart om in die verruimde toestand te blijven is, dat zij in hun onmacht het zekere licht zoeken en vinden, en in vreze wandelen. Daarom blijven ze steeds weer gericht op hun overste Leidsman. (…)

1 Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de ​zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt. 2 Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op ​Jezus, de leidsman en voleinder (voltooier) van het geloof, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het ​kruis​ op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods. 3 Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt. (Uit Hebreeën 12)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Bede van de gelovige om de hulp van God” van ds. Justus Vermeer (1696-1745) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 534 – Mei 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: Pastorale Hulpverlening Jongeren

Wees-sterk-en-moedig Det 31-6 - Pastorale Hulpverlening Jongeren

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Persoonlijk | Plaats een reactie

‘als Gij mijn hart verwijd zult hebben’…

Het ​offer​ voor God is een gebroken geest; een gebroken en verbrijzeld ​hart zult u, God, niet verachten. (Psalm 51 : 19)

(…) David is heel voorzichtig in het doen van zijn belofte. Hij doet het in navolging van het Evangelie niet in eigen kracht, maar hij voegt er gelovig een uiterst gepaste voorwaarde aan toe; ‘als Gij mijn hart verwijd zult hebben’ (Psalm 119 : 32). We letten eerst op de inhoud van wat David aan de Heere voorstelt, en daarna op de voorwaarde zelf

Eerst dus de inhoud van de voorwaarde die de profeet aan de Heere voorhoudt, namelijk het verwijden van het hart.

Wat moeten we verstaan onder het hart? We weten uit de kennis van het menselijke lichaam dat het hart het belangrijkste orgaan is, waaruit al de natuurlijke uitgangen van het leven voortkomen. Een gezond mens heeft een gezond hart nodig. Als het hart benauwd is en niet goed werkt, kan men ook niet goed lopen. Om goed te kunnen lopen moeten het hart en de bloedsomloop gezond zijn. Dan is men bekwaam om alles te verrichten. Overgebracht naar het geestelijke spreekt de profeet hier dus over de ziel van de gelovige, in aanvang levend gemaakt, met de vermogens van het verstand in aanvang verlicht, vooral de wil en de genegenheid, en het allerbelangrijkste de innerlijke gemoedsbewegingen waaruit de liefde voortvloeit die in aanvang geheiligd is.

Het hart van Gods kinderen is door de kracht van de inwonende zonden vaak helemaal van streek. In de grond van de zaak is hun hart even goddeloos, zondig en geneigd om de wereld en de god van deze eeuw te dienen als het hart van een natuurlijk mens. Een gelovige verschilt van een natuurlijk mens echter daarin dat zijn hart hier geen vrede mee heeft. We lezen in Genesis 6 dat de innerlijke gedachten van het hart van de mens te allen dage boos zijn van zijn jeugd aan. Van een menselijk hart is niets goeds te verwachten. Daarom is het zondige deel van het hart van Gods kind voor niets méér ongeschikt en gesloten dan voor de Heere en het lopen op de weg van Zijn geboden. Het hart kan en wil deze weg niet inslaan; het is van binnen en van buiten totaal vervuld met andere dingen. De Heere Jezus Zelf, de God Die de genezing en de geestelijke gezondheid werkt, moet eraan te pas komen. Het besef van de geestelijke ziekte en de benauwdheid van het hart zijn het bewijs van geestelijk leven. Een onbekeerd mens voelt zich niet ziek; hij is geestelijk dood door de misdaden en de zonden.

We moeten dus letten op wat we moeten verstaan onder het verwijden van het hart. Het woord verwijden betekent zoveel als ruimte maken, of het hart leeg maken van alles waar het vol van is en wat het benauwt. David zegt in Psalm 4: ‘In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig’, vers 2. Ook betekent het iets open maken of iets ontsluiten, want het hart kan niet verwijd worden als het niet wordt geopend. Het hart van Lydia werd geopend en er kwam plaats voor Christus (Handelingen 16:14).
Door het verwijden van het hart wordt het dus in geestelijke zin verruimd en uitgebreid. We lezen in 1 Koningen 4: ‘En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip des harten’, vers 29. Door de zalving van de Heilige Geest krijgt zo’n mens de kennis om de dingen geestelijk te onderscheiden en de wil van de Heere te gehoorzamen. Hij durft door genade de vijanden zonder angst en met een geestelijke vrijmoedigheid tegemoet te treden. De Heere belooft dat de dwalenden van geest tot verstand zullen komen, en de ontevredenen zullen de lering aannemen (Jesaja 29:24).

De verwijding van het hart bestaat ook uit de geestelijke blijdschap in de Heere, die voortvloeit uit het opgaan van het licht en de heerlijkheid van de Heere in het hart. Als dit gebeurt, wordt uw hart verwijd (Jesaja 60:2 en 5). David bidt in Psalm 51: ‘Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt’, vers 10.

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Bede van de gelovige om de hulp van God” van ds. Justus Vermeer (1696-1745) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 534 – Mei 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: Pinterest

Psalm 51 - create in me a clean heart - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Voortgaan op de weg…

Ik zal voortgaan op de weg van uw geboden, wanneer U mijn ​hart​ verruimd hebt. (Psalm 119 : 32)

>>> Het hart van Gods kinderen is door de kracht van de inwonende zonden vaak helemaal van streek. ín de grond van de zaak is hun hart even goddeloos, zondig en geneigd om de wereld en de god van deze eeuw te dienen als het hart van een natuurlijk mens. <<<

(…) Het lopen van de weg van Gods geboden veronderstelt dat het leven der genade aanwezig is. Vrienden, een dood mens kan niet eens kruipen, nog veel minder lopen. Nodig is wat we lezen in Romeinen 8: ‘Want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods’, vers 2. We moeten in Christus een nieuw schepsel geworden zijn (2 Korinthe 5:17). Ook is het voor het lopen enigermate nodig dat het hart in een goede, geestelijke staat is. Een mens die ziek of gewond is of lijdt onder benauwdheid, kan niet goed lopen; hooguit kan hij wat strompelen. De grote Geneesheer moet de krachten die door de zonden verloren gegaan zijn, weer vernieuwen en de ziel van haar ziekten en wonden genezen; dan kan zij weer lopen.

Voor het lopen is nodig dat een mens ziet hoe gelukkig en voortreffelijk de weg is om te bewandelen, anders zal hij de andere wegen niet verlaten. Het is nodig dat hij van het zwerven op wegen buiten de Heere moe geworden is. Hij moet er hartelijk naar verlangen door de Geest op die uitnemende weg gebracht te worden en daarop te lopen. David zegt: ‘Ik ben vrolijker in de weg van Uw getuigenissen, dan over alle rijkdom’ (Psalm 119:14). De mens die deze weg loopt, kent zijn grote zwakheid in de genade en weet hoe nodig het is om de kracht van Christus te ontvangen. Het sterke verlangen en het diepe gevoel van onmacht gaan hier wonderwel samen.

Het lopen wijst op een innerlijke aandrang van het hart die ervoor zorgt dat er een gestadige voortgang is, en dat alle moeilijkheden uiteindelijk worden overwonnen. Het lopen in de weg van Gods geboden is dus een ernstige, krachtige en alles overwinnende voortgang van de ziel in de genade. Het hart neemt steeds door het geloof de toevlucht tot Christus, zodat zij steeds meer geestelijke kennis, licht, heiligheid en kracht krijgt.

Gods kind kan nu, als hij Christus in het oog houdt, bergen en hindernissen overwinnen, waarvoor hij eerst bleef staan. Hieraan kunnen hij en anderen hun vooruitgang zien. In Psalm 84 wordt dit genoemd een gaan van kracht tot kracht, een gaan van genade tot genade. We kunnen ook lezen: van licht tot licht, van geloof tot geloof, of uit geloof in het geloof. In 2 Petrus 1:5 lezen we: ‘Voeg bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis’. Het is ook een vergeten van wat achter is en het jagen naar het volmaakte dat vóór ons ligt (Filippenzen 3:14). Dit was vaak de gesteldheid van het hart van David. Hij kende een brandend verlangen om het beeld van God en Zijn wet in zijn leven te laten zien, en zich daarin te verheugen. Ja, het onderhouden van de wet was voor hem een grote beloning (Psalm 19:12). Het was voor hem de zaligheid. Hij was het eens met deze weg, en zijn ziel verlangde ernaar om dit hoe langer hoe meer in zijn leven te laten zien.

Waarom wordt die gestage vooruitgang in de heiligmaking een lopen genoemd, terwijl er ook mensen zijn die niet of nauwelijks kunnen lopen en die daarom gedragen moeten worden? Er zijn er die door de zwakheid in de genade en het afnemen van hun krachten door hun zonde, niet verder komen dan de keuze en het goedkeuren van de weg. Zo spreekt David ervan dat de Heere zijn kracht op de weg terneer heeft gedrukt (Psalm 102:24), zo op en neer ging het met die oprechte David. Dat is niet het lopen in de loopbaan, zoals Paulus daarover spreekt. Maar David bedoelt hier het lopen van iemand die heel graag een bepaald doel wil bereiken, of die vlucht voor een groot gevaar. Hij doet dit haastig en met veel inspanning.

Uiteindelijk komt zo iemand alle moeilijkheden te boven en achteraf kan hij er verwonderd over zijn dat hij erdoor gekomen is. Voor zo’n mens zijn Gods geboden niet zwaar (1 Johannes 5:3), zolang zijn geloof, zijn hoop en zijn vertrouwen hem niet ontvallen. Als het zijn hoogste doel is om aan het gevaar te ontkomen en de hemelse stad in de heerlijkheid te bereiken, zal hij onderweg de dood niet vrezen en zal hij alle gevaren trotseren. Want zoals hij vroeger was, zou hij zeker moeten sterven en het einde van de weg nooit bereiken. Hij heeft de stok en de staf van de beloften nodig om hem te brengen waar hij wezen moet (Psalm 23:4).

Het wordt ook een lopen genoemd, omdat iemand die snel vooruit wil komen zijn kleren, die hem hinderen, uittrekt. Dit gebeurt ook hier. Als iemand op de weg van de heiligmaking vooruit wil komen, is niets nadeliger dan de kleren van eigengerechtigheid; het is echt nodig dat hij ze van zich af gooit (Jesaja 64:6). Iemand zal op deze weg alles wat zwaar is, van zich afleggen, bijvoorbeeld goederen, geld, goud en zilver. Geld, goud en zilver zijn zwaar en veel mensen zijn eronder bezweken. Daarom zijn ook rijke mensen die genade ontvangen hebben, niet de verst gevorderden of de meest krachtige lopers op de weg van de heiligmaking. (1) Paulus zegt: ‘Laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is’ (Hebreeën 12:1).

Iemand die onderweg is, moet zich bewust zijn van de gevaren en andere omstandigheden die hij kan ontmoeten. Hij zal zich niet laten ophouden door allerlei onbelangrijke zaken of omdat de dag ten einde loopt. Aan de verleidingen van de wereld zoals rijkdom, macht en aanzien, waarvoor andere mensen stil blijven staan, gaat hij voorbij. Hij volgt in zijn leven Paulus na, die zegt: ‘Daar wij niet aan merken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig’ (2 Korinthe 4:18).

Ten slotte, iedereen kan het zien wanneer iemand loopt en vooruit komt. Het is dus geen verborgen werk. Salomo noemt het pad van de rechtvaardigen een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe (Spreuken 4:18). Andere mensen kunnen zien dat hij niet ver meer van de heerlijkheid verwijderd is. Dit is de zaak waarop David het oog heeft en waarop het hart van ieder rechtgeaard kind van God gericht is: ‘Ik zal de weg van Uw geboden lopen’. Omdat hij dit niet in zijn eigen kracht wil en kan doen, stelt hij zich nu open voor de hulp van God, die hij er als een gepaste voorwaarde bij voegt.

David is heel voorzichtig in het doen van zijn belofte.
Hij doet het in navolging van het Evangelie niet in eigen kracht, maar hij voegt er gelovig een uiterst gepaste voorwaarde aan toe: ‘als Gij mijn hart verwijd zult hebben’. We letten eerst op de inhoud van wat David aan de Heere voorstelt, en daarna op de voorwaarde zelf. (… wordt vervolgd!)

(1) Wij in Nederland behoren tot de tien procent rijkste landen/mensen in deze wereld.

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Bede van de gelovige om de hulp van God” van ds. Justus Vermeer (1696-1745) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 534 – Mei 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: Pinterest

Ken Hem in al uw wegen - Spr 3-6 - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Hij zal VAN MIJ getuigen…

Pinksteren (2017)

‘Hij zal VAN MIJ getuigen’, zegt Christus in Johannes 15 vers 26. Wie? De Heilige Geest zal van Christus getuigen! Buiten dit getuigenis is geen zekere en blijvende troost. Daarom moet u de woordjes ‘VAN MIJ’ met grote letters schrijven en daar met alle aandacht op letten. Hieruit kunnen we zeker weten van Wie de Heilige Geest zal getuigen – van Christus!

Hij zal niet met leringen van Mozes of met iets anders komen om uw geweten te troosten. Als de gewetens werkelijk getroost moeten worden, dan kan dat alleen door over Christus en Zijn sterven én Zijn opstanding te preken – dat is het enige wat troost geeft. Daarentegen alle andere preken over de wet, de goede werken, een heilig leven, over Goddelijke of menselijke geboden zijn in nood en dood machteloos om de mens te troosten en kunnen ons alleen bevreesd en wanhopig maken. Noem maar op wat u wilt: al waren het alle goede werken en goede wetten bij elkaar of wat u verder nog kunt bedenken.

Want God Zelf – als u buiten Christus met Hem wilt [onder]handelen – is een vreselijke God, bij Wie u geen troost maar enkel toorn en ongenade zult vinden [vgl. o.a. Jesaja 33:14 en Hebreeën 12:29, hcvw]. Wie echter over Christus preekt, die verkondigt en brengt de ware troost, waarbij het onmogelijk is dat de bedroefde harten zich daarover niet verblijden en daarover niet goedsmoeds zullen worden. Daarom komt het erop aan dat men deze troost met zekerheid aanneemt en vasthoudt, en zegt: ‘Ik geloof in Jezus Christus, Die voor mij gestorven is.’

Bovendien weet ik dat de Heilige Geest, Die een Getuige en Trooster genoemd wordt – en ook waarlijk is! – in de christenheid over niemand anders ooit preken of getuigen zal, dan alleen over Christus – om alle bedroefden alleen door Hem te vertroosten en te versterken. Daar houd ik mij aan en verder zal ik mij aan geen andere troost houden. Want als er een betere of een meer zekere troost zou zijn, dan zou de Heilige Geest die ook tot mij brengen – maar Hij wil en zal alleen van Christus getuigen.

Maar waarom gebruikt de Heere hier zojuist het woordje ‘getuigen’? Hij zou het toch ook wel op een andere manier hebben kunnen zeggen? De reden is: dat we beter naar het Wóórd zullen luisteren en het ook zullen geloven. Want hoewel het wáár is dat de Heilige Geest inwendig in het hart Zijn werking heeft, wil Hij toch deze werking ordelijk en in het algemeen niet anders dan door het mondeling gesproken Woord uitrichten. Paulus zegt dat ook: ‘Hoe zouden zij kunnen geloven, die niet eerst over Hem hebben gehoord?’ (vgl. Romeinen 10:14).

Bij dit ‘getuigen’ hoort immers ook de mond en het woord van de apostelen en van alle predikers die Christus rein en zuiver verkondigen. Daarom mag niemand die waarlijk troost begeert, wachten totdat de Heilige Geest Christus persoonlijk aan hem voorstelt of direct uit de hemel tot hem zal spreken. U moet echter de stem [of het getuigenis] van de Heilige Geest door het Woord in uw hart horen spreken: dat Christus voor u is gestorven en zonde, dood, wereld, duivel en hel voor u heeft overwonnen.

Hij houdt Zijn getuigenis openbaar in de prediking, dáár moet u Hem zoeken en op Hem wachten, totdat Hij door dit Woord – dat u met uw oren hoort – uw hart aanraakt en op die manier door Zijn werking inwendig in het hart van Christus getuigt. Maar dit inwendige getuigenis komt pas als daarvóór dat openbare getuigenis van het Woord is gekomen: hoe Christus om ons mens is geworden, is gekruisigd, gestorven, begraven en weer is opgestaan.

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1532, Hauspostille Ausgabe 1544, vgl. WA 52, 308, 9 – 309, 5. Weergave: W(1), Dr. Johann Georg Walch, Sämtliche Schriften, Ausgabe 1740-1753, Dreyzehenter Theil (1743), S. 1374 – S. 1376 (verkort)

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.comen van deze website: www.maartenluther.com

(…) 20 U echter bent ​gezalfd door de Heilige​, u allen weet dat. 21 Ik schrijf u niet omdat u de waarheid niet zou kennen, maar juist omdat u die kent en omdat uit de waarheid nooit een leugen voortkomt. 22 Bestaat er een grotere leugenaar dan iemand die ontkent dat ​Jezus​ de ​christus is? De ​antichrist​ is ieder die de Vader en de Zoon niet erkent. 23 Ieder die de Zoon niet erkent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon erkent, heeft ook de Vader. 24 Wat uzelf betreft: wat u vanaf het begin hebt gehoord, laat dat in u blijven. Als in u blijft wat u vanaf het begin hebt gehoord, zult u in de Zoon en in de Vader blijven. 25 En dit is wat hij ons heeft beloofd: het eeuwige leven. (Uit 1 Johannes 2)

Bron afbeelding: SlidePlayer

1 Johannes 4-5 - doordat Hij ons+van Zijn Geest gegeven heeft.

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie