Pinksteren en “de weg van Uw geboden lopen”…

Aan alles, hoe volmaakt ook, zag ik een einde,
maar uw gebod is grenzeloos ruim. (Psalm 119 : 96)

(…) We letten nu op het voornemen van David en op de belofte die hij met een opgewekt hart aan de Heere belooft. Hij zegt: ‘Ik zal de weg van Uw geboden lopen’. Wat moeten we onder dit lopen verstaan? Laten we beginnen met wat het lopen niet is en wat we er niet voor moeten houden.

Een mens kan met zijn verstand en geleerdheid grote stappen zetten, maar hij wordt er toch niet gelukkiger door. Een scherpzinnig mens kan veel inzicht en kennis verkrijgen van alles wat hij met zijn verstand onderzoekt. Zijn hart blijft leeg en hij kent het werk van de Geest van Christus niet (1 Korinthe 13:1-2).

Het is ook niet het echte lopen als men indruk wil maken door de algemene gaven die de Heere ook wel tot opbouw van Zijn Kerk geeft, of met mooie woorden. De mensen kunnen zich erover verwonderen waar ze het vandaan halen.

Het is ook niet het echte lopen als men door eigen inspanning veel zonden overwint en goede werken gaat doen, waardoor iemand als een groot heilige bekend wordt. Zo’n loper komt echter, net als op een schilderij, niet van zijn plaats; het is alleen maar een afbeelding, waar je niet warm van wordt. Dit lopen zien we ook bij de heidenen. David, Paulus en andere heiligen hadden in deze weg de Heere nodig, want zij waren zich bewust van hun machteloosheid. Zij hadden de Geest van Jezus nodig om op deze weg gebracht, geleid en bewaard te worden. Deze grote mannen in Gods koninkrijk waren oprecht in hun lopen en in hun inspanning. Dat bleek uit hun innige en hartelijke klachten voor God en de mensen. Dit lopen is zonder geestelijk leven niet mogelijk. Luister eens naar Paulus: ‘Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet van mijn gemoed, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’ (Romeinen 7:23-24).

Het echte lopen bestaat ook niet in een lichtvaardig en onbezonnen besluit tot een andere levensstijl, of het christelijke geloof aan te nemen. Wat zijn er veel mensen van wie het scheen dat ze met de Geest begonnen. Het scheen dat het hun. om de ware vruchten te doen was, maar daar bleef het bij of het eindigde in het tegenovergestelde. Paulus vraagt aan de Galaten: ‘Gij liep wél, wie heeft u verhinderd de waarheid gehoorzaam te zijn?’ (Galaten 5:7).

Ten slotte, een christen kan soms perioden van een geestelijke vervoering meemaken die in het leven van de genade ook plaats kunnen hebben, maar daarna valt hij weer terug in dezelfde geestelijke ingezonkenheid. Dat is geen voorbeeld van het lopen zoals de tekst het noemt. Dit is geheel verschillend van een vast voornemen van het hart, dat verkregen wordt in de verborgen worsteling met de Heere. Die vervoering duurt ook maar kort.

Laten we nu letten op datgene wat het lopen vooronderstelt.
Het lopen veronderstelt dat het leven der genade aanwezig is. Vrienden, een dood mens kan niet eens kruipen, nog veel minder lopen. Nodig is wat we lezen in Romeinen 8: ‘Want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods’, vers 2. We moeten in Christus een nieuw schepsel geworden zijn (2 Korinthe 5:17). Ook is het voor het lopen enigermate nodig dat het hart in een goede, geestelijke staat is. Een mens die ziek of gewond is of lijdt onder benauwdheid, kan niet goed lopen; hooguit kan hij wat strompelen. De grote Geneesheer moet de krachten die door de zonden verloren gegaan zijn, weer vernieuwen en de ziel van haar ziekten en wonden genezen; dan kan zij weer lopen.

Voor het lopen is nodig dat een mens ziet hoe gelukkig en voortreffelijk de weg is om te bewandelen, anders zal hij de andere wegen niet verlaten. Het is nodig dat hij van het zwerven op wegen buiten de Heere moe geworden is. Hij moet er hartelijk naar verlangen door de Geest op die uitnemende weg gebracht te worden en daarop te lopen (1). David zegt: ‘Ik ben vrolijker in de weg van Uw getuigenissen, dan over alle rijkdom’ (Psalm 119:14). De mens die deze weg loopt, kent zijn grote zwakheid in de genade en weet hoe nodig het is om de kracht van Christus te ontvangen. Het sterke verlangen en het diepe gevoel van onmacht gaan hier wonderwel samen.

Vervolgens moeten we letten op wat het lopen wél is… (wordt vervolgd)

(1) (…) Ze bleven trouw aan het onderricht van de ​apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het ​gebed. (Handelingen 2 : 42)
(….) ‘Het is niet goed dat wij de zorg dragen voor de gemeenschappelijke maaltijden, want daardoor verwaarlozen we de verkondiging van Gods woord. Kies daarom, broeders en zusters, uit uw midden zeven wijze mannen die goed bekendstaan en vervuld zijn van de ​heilige​ Geest. Aan hen zullen we deze taak opdragen, terwijl wij ons zullen ​wijden​ aan het ​gebed​ en aan de verkondiging van het woord van God.’ (Handelingen 6 : 2b-4)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Bede van de gelovige om de hulp van God” van ds. Justus Vermeer (1696-1745) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 534 – Mei 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: SlidePlayer

Psalm 119 vers 26 (LB 1973)

Psalm 119 - Heer Gij zijt goed - SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Leer mij, o Heer, de weg door U bepaald…

Leer mij, o Heer, de weg door U bepaald... (Psalm 119 vers 17, OB)

(…) David noemt de geboden van God een “weg”, zonder daarin een uitzondering te maken. Hij noemt de weg door het leven die hij vóór zich ziet liggen, de weg van Uw geboden.

Wij moeten ons nu de vraag stellen wat met deze weg bedoeld wordt. Wij verstaan er niets anders onder dan het gehoorzamen aan de geboden van God en het toenemen in heiligmaking. We lezen in Hebreeën 12:14 dat zonder heiligmaking niemand God zal zien. Dit veronderstelt dat het hart en de staat van een mens door de Geest veranderd worden en dat hij een nieuwe natuur krijgt die één is met Christus. In Gods Woord worden daarvoor dikwijls woorden als ‘weg’ en ‘pad’ gebruikt. Er wordt ook vaak gesproken over de goede of de rechte weg, de weg van de Heere, de weg van de waarheid, de weg van het leven, de weg van het verstand, de weg van de heiligheid, de weg van de gerechtigheid.

In het Woord wordt het geestelijk onderhouden van de geboden van God een weg genoemd. De Geest spreekt veel in gelijkenissen en gebruikt dan uitdrukkingen die aan het dagelijkse leven ontleend zijn. Wij kunnen geestelijke dingen dan gemakkelijker begrijpen, omdat er veel overeenkomsten zijn tussen het onderhouden van de geboden van God en een weg in het dagelijkse leven.

Een weg is een middel dat ons van de ene naar de andere plaats leidt, en dat geldt ook voor de weg van Gods geboden. Deze weg leidt ons uit onze goddeloze natuurstaat met al zijn gevolgen, ja, hij voert ons weg van de hel. Deze weg leidt ons weer terug naar de gemeenschap met God en naar de hemel; een plaats waar we nog nooit geweest zijn. Jezus noemt dit de smalle weg die tot het leven leidt (Mattheüs 7:14). Dit in tegenstelling tot de wegen van de dood en de paden van de hel. Die eindigen in de dood en in de hel.

Vóór de val moest een mens de zaligheid door zijn eigen kracht uitwerken en verdienen, maar ná de val door de werken van iemand anders. De hemel moet verdiend worden, maar wij kunnen dat zelf niet meer. Er staat nog steeds een engel – figuurlijk gesproken – met een vlammend zwaard voor de boom des levens om die te bewaren; niemand kan door zijn eigen werk de zaligheid verdienen.
Paulus zegt dat uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd zal worden voor God (Romeinen 3:20), en dat de wet door het vlees krachteloos is geworden (Romeinen 8:3). Daarom blijft alleen het werk van een andere Persoon over. Daarvan spreekt de Heere Jezus als Hij zegt: ‘Ik ben de Weg’. De mensen moeten door het geloof met Christus worden verenigd. Hij neemt als Borg hun schuld op Zich en Zijn gehoorzaamheid wordt door het geloof het eigendom van het hart. Deze mens krijgt in de eenwording met Christus ook een nieuwe natuur. Het wordt zijn verlangen de weg van de geboden van God in heiligheid te bewandelen. Hij streeft daarnaar, omdat in hem het beeld van God in beginsel weer is hersteld. Dat beeld wordt in de geboden van God weerspiegeld.

Het wordt een weg genoemd, omdat een onbekende hem niet vinden kan, zoals dat ook in liet dagelijkse leven het geval is. Voor een weg die men nog nooit gezien heeft, heeft men een wegwijzer nodig. Daarom moet Jezus deze weg aanwijzen en de mens daarop leiden. De opperste Wijsheid zegt in Spreuken 8: ‘Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid, in het midden van de paden van het recht’, vers 20,  zeker, Hij moet een mens daar brengen, want de menselijke natuur is nergens meer tegen gekant dan tegen deze weg. Hij is er ook volkomen blind voor, en daarom belooft de Heere: ‘En Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben’ (Jesaja 42:16).

Het wordt een weg genoemd, omdat het voor iemand die hem gevonden heeft en erop loopt, een rechte weg is. Psalm 1:6 zegt: ‘Want de Heere kent de weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.’ We lezen in Spreuken 14: ‘Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van die zijn wegen des doods’, vers 12. Deze weg verschilt dus totaal van alle andere dwaalwegen. Ja, zou het geen rechte weg zijn die de Vader aangelegd heeft in het bloed van Zijn Zoon? Het meest eenvoudige hart dat aan de hand van Jezus loopt, kan hem vinden en zonder gevaar bewandelen. Ja, zelfs de dwazen zullen niet dwalen (Jesaja 35:8).

Het wordt ook een weg genoemd vanwege de vreugde die hij biedt. Als men vrijwillig voor een weg kiest, doet men dat omdat men er vreugde aan beleeft. De weg van Gods geboden is ook een weg die een kind van God kiest, omdat hij de wet van God liefheeft. Hij ervaart een grote vrede en heeft geen aanstoot (Psalm 119:165). David en Paulus zeggen dat zij in Gods wet hun hoogste blijdschap vonden (Psalm 119:92 en Romeinen 7:22). Om deze reden zijn er altijd mensen die de kinderen van God op deze weg willen vergezellen. Ze grijpen de slip van een Joodse man en zeggen: ‘Wij zullen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is’ (Zacharia 8:23).

Ten slotte wordt het een weg genoemd vanwege de wisselvalligheden van hoog en laag, licht en donker, en andere gevaren. Men moet over een weg lopen als het dag is, als er voldoende licht is. Als het donker is, kan men door allerlei hindernissen en belemmeringen gemakkelijk ten val komen of zich verwonden. Bovendien zijn de wilde dieren en ander ongedierte vooral in de nacht op pad, en men kan in het donker niet zien waar men is of in welke richting men loopt. Daarom zegt Paulus: ‘Laat ons, als in de dag, eerbaar wandelen’ (Romeinen 13:13), en hij noemt de kinderen van God ‘kinderen van de dag’ (1 Thessalonicenzen 5:5).

De mensen die op deze weg wandelen, zijn op de meest veilige weg; ze hoeven niet bang te zijn voor enig gevaar. Wat deze weg gevaarlijk maakt, brengt de wandelaar zelf mee. De struikelblokken en hindernissen, de hobbels en valkuilen worden gevormd door de hoogmoed en de moedeloosheid. Ze hebben de sterke neiging te struikelen, en van het spoor van de gerechtigheid af te wijken, aan de rechter- of de linkerzijde. Hij kan deze weg in eigen kracht niet bewandelen, en nog veel minder op de goede manier. De wandelaar is het lokaas voor de wilde dieren; briesende leeuwen omringen hem en hij ziet zijn ondergang vóór zich. Zij kwamen ook op Jezus af, maar ze konden Hem niets doen. Het is deze koninklijke weg, de weg van Gods geboden, die David hier bedoelt.
(…)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Bede van de gelovige om de hulp van God” van ds. Justus Vermeer (1696-1745) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 534 – Mei 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: SlidePlayer

Psalm 119 - Leer mij, o Heer, de weg door U bepaald - v2 SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Krachtige bijstand…

“De zeelui werden bang, en ieder riep tot zijn god om hulp” (Jona 1 : 5)

Lectures on Jonah – 1525 (3)

(…) Laten we (in algemene zin) hier ook leren van de natuur en van de rede over wat van God geweten kan worden. Deze mensen beschouwen hun god als iemand die hen van alle kwaad kan bevrijden – en daar leren ook wij van! Want de rede moet toegeven dat alles wat goed is van God komt – want Hij die ons kan redden uit elke nood en van alle ongeluk is natuurlijk ook bij machte om ons toe te bedelen al wat goed is en om te zorgen voor ons geluk. Dus zover als het licht van de rede haar stralen werpen kan – ziet het God als vriendelijk, genadig, barmhartig en welwillend.

En inderdaad is dat een helder licht. Alhoewel, hier blijken wel twee grote gebreken: Ten eerste, de rede gelooft weliswaar dat God in staat en bij machte is om te helpen en om te schenken – maar de rede weet niet of Hij daadwerkelijk bereid is om dit ook voor ons te doen! Dat maakt de positie van de rede wankel en onstabiel. De rede gelooft in de macht van God en is zich ervan bewust, maar het is onzeker of God wel bereid is om dit ten bate van ons aan te wenden, omdat het in rampspoed het tegendeel ervaart. Dat blijkt hier wel heel duidelijk.

Mensen doen inderdaad een beroep op God en erkennen daarmee dat Hij kan helpen wanneer Hij daartoe geneigd is. Ze geloven zelfs ook dat Hij anderen zal helpen. Maar verder kunnen ze niet gaan – ze kunnen daar niet bovenuit stijgen. Ze benutten alle middelen die hun ter beschikking staan – ze doen hun uiterste best. Meer kan de “vrije wil” niet bereiken. Maar ze geloven niet dat God (al) klaar staat om hen te helpen. (2 Kronieken 16 : 9 (1),  Jesaja 40 : 31)

Want wanneer dat wel zo was, dan zouden ze geen “lading die in het schip was in zee gooien”, en ook zouden zij zich niet tot Jona gewend hebben met de opdracht om ook tot zijn God te bidden. Nee, ze zouden rustig op Gods hulp hebben gewacht. En ja, zelfs de zee zou tot rust zijn gekomen vanwege hun geloof. Maar deze omstandigheden vragen om geloof dat niet twijfelt. maar dat ervan overtuigd is dat God zijn genade niet alleen aan anderen wil schenken, maar ook aan mij. Dat is een oprecht en levend geloof. Dat is een grote en rijke en bijzondere gift van de Heilige Geest, en wij zullen dat dus gaan zien in Jona. (…)

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 206, 7-30

(1) “Want de ogen van de Here gaan over de hele aarde, om krachtig bij te staan hen, van wie het hart volkomen naar Hem uitgaat.” (2 Kronieken 16 : 9)

Opgemerkt: Deze tekst is vertaling van een eerder verschenen “Luther Quote” (zie hieronder).

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com. Or, they can use our web-form located on the homepage of http://www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from these weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding: klankbord – blogger

2 Kronieken 16-9 - Want de ogen van de Here

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Zoek uw knecht…

‘Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten’ (Psalm 119 : 176).

Over de rijkdom van Psalm 119 voor het leven van Gods kinderen…

(…) Deze psalm zal dus voor de Kerk altijd onmisbaar zijn tot onderwijs. Een oprecht christen zal er altijd op gericht zijn om te jagen naar dat wat Paulus ook heeft gegrepen; ja, hij kan hieraan herkend worden. Een nederig hart en een ootmoedig leven voor de Heere laten zien dat een christen tegenover God de juiste plaats inneemt. Want hoeveel hij ook ervaren heeft van de liefde en goedheid van God, toch blijft hij voor God als een dwalend schaap. Ja, hij blijft met David altijd afdwalen en hij moet steeds weer bij de hand genomen worden. Hieraan kan hij en kunnen ook anderen zien dat hij oprecht aan Christus verbonden is; het werk in zijn hart is werkelijk het werk van God. Psalm 119 werd door de oude theologen het ABC van de godzaligheid genoemd. (…) Bij de vrome Joden stond ze in hoog aanzien, en ze scherpten die hun kinderen in; een voorbeeld voor ons!

Deze psalm moet voor ons een voorbeeld zijn van het leven van een christen, omdat ze van begin tot eind laat zien dat David hartelijk verbonden was met de wil van God en dat de wet van God hem de grootste blijdschap gaf. Hij kon geen woorden genoeg vinden om deze zaken uit te drukken. Steeds weer klinkt het: Uw wet, Uw Woord, Uw weg, Uw rechten, Uw geboden, Uw getuigenissen, Uw beloften, Uw oordelen, Uw gerechtigheid, Uw waarheid, enz. We vinden dit overal in de psalm, behalve in vers 122 waar hij de Heere bidt om ondersteuning en hulp. Hij laat ook zien dat hij ver gevorderd is in de zelfverloochening, omdat hij steeds spreekt over ‘U’ en ‘Uw’. We zien David in zijn overgave aan en verbondenheid met de weg en de wil van God, maar ook in zijn afkeer van zijn zondige eigenliefde waardoor hij steeds van zichzelf afwijst. 

Deze psalm laat ons dus zien wat er in David’s hart leefde met betrekking tot God, tot zichzelf en tot zijn medemensen. Met betrekking tot God: het loven en prijzen van God in verzen als 65, 129, 137 en andere. Met betrekking tot zichzelf: zijn belijdenis en zijn klachten tot de Heere in de verzen 57, 81 en 97. Met betrekking tot zijn medemensen zoals in vers 1: ‘Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel’. Dit leeft in zijn hart en hij kan dit niet verborgen houden. We vinden in deze psalm gebeden en tegelijkertijd ook vele klachten en verlangens. Dat is wel het nederigste bidden, zoals in vers 25: ‘Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw Woord.’ Het begint met een klacht die op een verlangen uitloopt. Zie ook de verzen 33 en 153.

In deze psalm lijkt er voor ons verduisterde verstand weinig samenhang te zijn; bepaalde zaken worden verschillende keren herhaald, met dezelfde of andere woorden. Wij moeten echter onze blindheid erkennen, dan zouden we met vrucht de Bijbel lezen. Dat er zoveel dingen herhaald worden, strijdt tegen de hoogmoedige wijsheid van de wereld die God niet kent (1 Korintiërs 1:21). Maar het is wel de ervaring van hen die door de Geest geleid worden in de weg van het Woord, en het laat duidelijk zien waarnaar het hart van David uitging. Als iemand met God om de vergeving van de zonden worstelt, zal hij in het gebed steeds met dezelfde woorden hierom vragen.

Wat betreft het punt dat er in deze psalm geen samenhang zou zijn, zei ik al dat we moeten erkennen geestelijk blind te zijn. We weten dat de psalmen geïnspireerd en opgeschreven zijn onder de oppermachtige en vrije werking van de Heilige Geest. De Geest is niet gebonden aan onze maatstaven. Het kan juist goed zijn dat de inhoud van de psalm niet met ons begrip overeenkomt. Het is alleen uiterst hoogmoedig als we anders zouden spreken. in de samenhang van de psalm vinden we een niet te doorgronden geestelijke wijsheid en een veelheid aan geestelijke ervaringen, hoogtepunten en dieptepunten. (…)

Zie eventueel ook nog: Meditatie(s) van Dietrich Bonhoeffer over Psalm 119

Bron tekst: Inleiding van de preek “Bede van de gelovige om de hulp van God” van ds. Justus Vermeer (1696-1745) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 534 – Mei 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

O God, ik ben van harte zeer verblijd
over de weg van uw getuigenissen.
In uw bevelen ligt mijn zaligheid,
ik zal mij van uw wegen vergewissen.
Ik loof U, die mijn grootste rijkdom zijt,
laat mij, o HEER, geen van uw woorden missen.
(Psalm 119 berijmd, vers 6, NB 1973)

Bron afbeelding: RK NetNieuwsForum – ActieBoard

Psalm 119-2

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

God is ons een toevlucht en sterkte…

…ten zeerste bevonden een hulp in benauwdheden.

‘Ik roep met mijn stem tot de HEERE – dan verhoort Hij mij van Zijn heilige berg. Sela’ (Psalm 3:5, weergave Walch 1740).

Ik roep met mijn stem tot de HEERE

Al vanaf 1513 hield Luther op de universiteit van Wittenberg Latijnse colleges over de Psalmen. In zijn hele verdere leven zouden de Psalmen een zeer grote plaats blijven innemen in zijn prediking, colleges, tafelgesprekken en brieven. Het onderstaande citaat komt uit zijn verklaring van de eerste 22 psalmen uit de jaren 1519-1521.

‘Ik roep met mijn stem tot de HEERE – dan verhoort Hij mij van Zijn heilige berg.’

(…) “Het is alsof de dichter hier wil zeggen: ‘Ik die nu zelf de goedheid en liefde van de HEERE heb ondervonden – namelijk dat Hij degenen die tot Hem roepen, niet verlaat of begeeft, ja dat Hij allen die Hem aanroepen, vriendelijk draagt, beschermt en verhoogt – daarom zal ik mij nu voortaan eeuwig aan Hem houden. Zodat ik met een volkomen vertrouwen alleen tot Hem de toevlucht zal nemen en niet zal vrezen – zelfs niet voor honderdduizenden die zich tegen mij stellen!’

‘Want ik ben bereid om op Hem te hopen, ook als ik nog smartelijker en zwaarder zou moeten lijden, ja zelfs als Hij mij ook zou doden – zoals Job sprak – dan zal ik nóg op Hem hopen (vgl. Job 13:15). Hij is immers de ware God op Wie alle mensen terecht moeten vertrouwen, en zich getroost moeten verlaten en in Wie zij zich allen moeten beroemen – aan Wie niemand hoeft te wanhopen!’

O, hoe ongelukkig zijn zij die in grote moeilijkheden en beproevingen zijn geweest, en toch niet weten hoe machtig, hoe wonderlijk, hoe heerlijk deze God allen redt en helpt die Hem aanroepen!

Wat echter het voornemen en de gedachten in het hart van de dichter zijn, laten de volgende versregels zien: ‘Ik zal niet vrezen voor honderdduizenden die zich rondom tegen mij legeren’ (vgl. Psalm 3:7), én aan het eind van de Psalm: ‘Bij de HEERE vindt men verlossing – Uw zegen is over Uw volk’ (vgl. vers 9).

Eigenlijk zegt Psalm 34 in wezen hetzelfde: ‘Ik zal de HEERE altijd loven – Zijn lof zal voordurend in mijn mond zijn’ (vers 2). Het is alsof hij hier wil zeggen: Ik ben een dwaas, die de HEERE alleen zo nu en dan heeft geloofd en geprezen, namelijk wanneer het goed met mij ging en ik in rust en vrede leefde. Ik wist toen niet hoe machtig Hij ook is in kwade dagen, in dagen van beproeving en tegenspoed, daarom zal ik Hem nu voortaan altijd loven, ook als het níét goed met mij gaat.

Er zijn immers genoeg mensen die God alleen loven en danken als zij goede dagen hebben en alles naar hun zin gaat. Als er echter kwade dagen komen, vergeten ze dit loven en danken maar al te vlug. Dan stellen zij hun vertrouwen op allerlei andere middelen en uitkomsten – behalve op God! Ja, tenslotte kúnnen ze ook niet meer tot Hem roepen – laat staan dat ze Hem dan nog zouden loven en danken! [vgl. Filippenzen 4:6, hcvw].“

Maarten Luther: Operationes in Psalmos, 1519-1521, vgl. WA 4, 85 ff. Weergave: Sämtliche Schriften Johann Georg Walch 1740, Vierter Theil, S. 381 – S. 382

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.comen van deze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding: DailyVerses.net

psalmen-46-2 - DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Tijden van verademing/op adem komen…

Ik zeg tot de HEER: ‘U bent mijn Heer, mijn geluk, niemand gaat u te boven.’ (Uit Psalm 16:2)

U bent mijn geluk

Dat klinkt heel mooi en heel diep. Het komt uit Davids tenen, of liever: recht uit zijn ziel. David heeft in de loop van zijn leven, met vallen en opstaan, geleerd om zijn diepste vreugde in God te vinden. Zeker, er waren ook momenten dat hij zijn vreugde vond in overwinningen, in vrouwen en in macht. Maar toch keerde hij steeds weer hier naar terug: zijn HEER zien als degene die alles en iedereen te boven gaat. Hij is verrukt over zijn God: steeds houdt hij hem voor ogen. Psalm 16 bidden helpt je om je passie voor God te vernieuwen, om je geluk weer te zoeken waar het alleen te vinden is, om het leven dat eeuwigheidswaarde heeft te proeven en te verlangen naar meer.

Gebed: HEER God, ik wil het met David mee zeggen: ‘U bent mijn geluk, niemand gaat u te boven.’ Ja, u bent alles voor me! Amen.

Vraag: Hoe laat jij God vandaag jouw geluk zijn?

Opgemerkt: En wanneer Psalm 16 onze hartgesteldheid is dan kunnen we ook met een oprecht hart Psalm 17 bidden in tijden van moeite en nood en verlangen naar op adem komen…

Bron tekst: Dagelijks Bijbelmoment (29 mei 2017) tijdmetJezus.nl van Jos Douma
Bron afbeelding: DocPlayer.nl

Afgoden wegdoen - DocPlayer.nl

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Politiek | Plaats een reactie

Stormen in leven en geweten…

Laten uw getrouwen dus tot u ​bidden als zij in zichzelf een ​zonde​ vinden.
Stormt dan een vloed van water aan, die zal hen niet bereiken. (Psalm 32 : 6)

Lectures on Jonah – 1525 (2)

Maar de HEER wierp een hevige storm op de zee (Jona 1 : 4)

Deze profeet is heel eenvoudig, zoals ik eerder zei, want hij vermijdt het gebruik van bijzondere en duistere woorden. Echter, hoewel het verhaal eenvoudig is, vergt het toch onze zorgvuldige aandacht en interesse, zoals steeds voor dit soort van verslag geldt. Het is zeker een belangrijke zaak en een zware taak voor een enkele man om te moeten optreden tegen zo’n sterk en krachtig koninkrijk. En omdat hij zo in paniek was over de omvang en zwaarte van zijn opdracht, was zijn gebrek aan moed er de oorzaak van dat hij geen oog had voor de macht en de kracht van God.

Dat is een serieus probleem en een grote zonde, net zoals ook de straf op deze zonde groot was. De straf hield in dat Jona, behalve dat hij in paniek was over de toorn van God buiten zichzelf (de storm), hij nu de toorn van God ook in zijn geweten voelde. Desondanks, bleef Jona wel “in het geloof”, ondanks het feit dat er een veel grotere storm in zijn hart en geweten woedde dan de storm die op zee tekeer ging.

Omdat we alleen maar toeschouwer zijn bij dit soort tragedies, schijnen ze ons niet zo groot en verschrikkelijk toe als dat ze in werkelijkheid zijn. Maar wanneer we die zelf ervaren hebben in ons geweten, dan zouden we begrijpen wat het is om Gods’s gramschap die zich tegen ons keert te voelen woeden en wat dan dat geloof is dat toch – zelfs bij het ondervinden van Gods toorn – op God blijft hopen en zien op zijn goedheid en genade, etc.

Wanneer ons dit was overkomen, dan zouden we heel wat nutteloze vragen achterwege laten, vragen waarmee we het onszelf moeilijk maken en vermoeien wanneer we geconfronteerd worden met gedeelten uit de Schrift zoals hier, omdat we zelf (nog) nooit zo’n aanvechting hebben meegemaakt.

De storm op zee was zeker zwaarder dan gewoonlijk. Want zelfs de zeelui waren in paniek en wel dusdanig dat zij een verband legden tussen deze storm en iemands zonde. Deze zonde had Jona, die zich bewust was van zijn eigen schuld, er al toe gebracht om zich te verschuilen diep in het schip, maar nergens kon hij zich verschuilen voor zijn geweten, want de toorn van God had hem getroffen.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 13, 245, 15-35

Opgemerkt: Bovenstaande “Luther Quote” (zie hieronder) werd vertaald uit het Engels.

Bron: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, they can use our web-form located on the homepage of http://www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. Our emails are free of charge and we do not ask for donations.

Bron afbeelding: bijbelenzo

jona-1 - bijbelenzo

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Persoonlijk | Plaats een reactie

Hemelvaartsdag (2017)

“Ik geloof in Jezus Christus, opgevaren naar de hemel, en zittende aan de rechterhand van God de Vader.” (Uit de “twaalf artikelen des geloofs”)

Luther preekte op Hemelvaartsdag 14 mei 1523 naar aanleiding van het slot van Markus 16. Uit de aanhef en het vervolg van de preek blijkt dat de preek over de Geloofsartikelen gaat, en dan met name over ‘Opgevaren naar de hemel’ en ‘Zittende aan de rechterhand van God de Vader’. Het is dus meer wat wij een ‘Catechismuspreek’ zouden noemen – trouwens een heel gebruikelijk thema voor die dag. De preek begint dan ook met: ‘Men preekt op deze dag over de Artikelen, waarin wij spreken: “Ik geloof in Jezus Christus, opgevaren naar de hemel, en zittende aan de rechterhand van God de Vader.” Hierover kunt u ook in het kort lezen in dit Evangelie.’

(…) “Als wij zeggen dat Christus opgevaren is naar de hemel en daar zit aan de rechterhand van God, dan gaat dat alle mensenverstand te boven. Laat daarom uw verstand maar thuis en zeg: ‘Dit is de Schrift en Gods Woord, dat is onmetelijk hoger dan alle menselijk inzicht en begrip.’ Daarom, nu daarvan weg en de Schrift gegrepen. Daarin schrijft de Heilige Geest over deze Mens, dat Hij naar de hemel is opgevaren, aan de rechterhand van God zit en regeert.

Wat een wonderlijk Mens is dat! Luister maar wat de achtste Psalm over Hem zegt: ‘Want Hij is een kleine tijd door God verlaten geweest, daarna met eer en heerlijkheid gekroond. U hebt Hem gesteld over alle werken van Uw handen en alle dingen hebt U onder Zijn voeten geworpen’ (vgl. Psalm 8:6 vv en Hebreeën 2:7 vv). Daar spreekt de profeet over een Mens met God en verwondert zich dat God Hem voor een kleine tijd vernederd heeft, namelijk toen Hij Hem heeft laten lijden en sterven. Zodat men nu dacht dat er geen God meer met Hem was.

Maar spoedig daarna stelt Hij Hem tot Heere over al Zijn werken, zodat alles Hem moet gehoorzamen – dat is alles wat in hemel en op aarde is. Aan deze woorden moeten wij ons houden, daaraan moeten wij hangen en die geloven. Want het verstand kan er niets mee beginnen, maar zegt dat het leugens zijn.

Zal nu alles aan deze Mens onderdanig zijn en onder Zijn voeten liggen, dan moet Hij daar op zo’n manier zitten en regeren, dat Hij in de hele wereld, in hemel en hel én in ieder mensen hart bijzonder, niet alleen alle zonde en ongerechtigheid, maar ook de gerechtigheid [van het geloof] ziet – en dit alles niet alleen ziet, maar ieder mens ook in overeenstemming daarmee zal regeren.

Daarom zijn het verheven en machtige woorden en zij geven het hart grote troost, zodat zij die dit geloven, rustig en moedig worden en daarop roemen en zeggen: ‘Mijn Heere Christus is een Heere over dood, duivel, zonde, gerechtigheid, lichaam, leven, vijand en vriend, waarvoor zou ik dan nog vrezen?’”

Maarten Luther: Sermon am Himmelfahrtstage, 14 Mai 1523, vgl. WA 12, 562, 33 – 563, 19

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van ons e-mailadres info@maartenluther.comen van onze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding: Imgrum

Psalm 68 - hemelvaart - Imgrum

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Geen “kleine lettertjes”…

26 Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en ​kinderen​ en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn. 27 En wie zijn ​kruis​ niet draagt en achter Mij aan komt, kan geen discipel van Mij zijn. (Lucas 14:26–27)

Jezus schaamt Zich niet en vreest niet om ons rechtuit “het moeilijkste en slechtste nieuws” aan te zeggen en voor te houden – de pijnlijke kosten van het christen-zijn: je familie haten (1) (vers 26), een kruis dragen (vers 27), afzien van bezit (vers 33). Er zijn geen “kleine lettertjes” in het verbond van genade. Het staat er allemaal groot en duidelijk. Geen goedkope genade!

Maar satan verbergt het verschrikkelijkste en toont zich alleen van zijn “beste kant”. Alles wat er werkelijk toe doet in de overeenkomst met de satan dat bevind zich in heel kleine lettertjes op de achterkant van de laatste pagina. Op de voorpagina, groot en vet gedrukt, staan geschreven de woorden “Je zult zeker niet sterven” (Genesis 3 : 4), en “dit alles zal ik je geven wanneer je voor mij op de knieën valt en mij aanbidt” (Matteüs 4 : 9). Maar op de achterkant in heel kleine lettertjes – zo klein dat je het alleen met het vergrootglas van de bijbel kunt lezen – staat: “En na al dit opwindende en in vervoering brengende plezier, zal je voor eeuwig met mij zijn in het lijden van de hel”.

Waarom wil Jezus ons beide tonen, zowel het “slechtste nieuws” tonen, alsook Zijn “beste nieuws”, terwijl Satan ons alleen zijn beste kant toont? Matthew Henry zegt hierover: “Satan toont ons “het beste”, maar verbergt “het slechtste”, omdat “het beste” van hem niet opweegt tegen “het slechtste”; Maar bij Christus is dat ruimschoots en in geweldig rijke overvloed (wel) het geval.”

De oproep van Jezus is niet maar een oproep tot lijdzaamheid en zelfverloochening; Het is allereerst een oproep tot een feestmaal. Dat is het punt in de gelijkenis van “de genodigden” (Lucas 14:16–24). Jezus belooft ons ook een glorierijke opstanding waarbij alle verliezen in dit leven vergoed zullen worden (Lucas 14:14). Hij vertelt ons ook dat Hij ons zal helpen om alle moeiten en beproevingen te doorstaan (Lucas 22:32). Hij zegt ons ook dat Zijn en onze hemelse Vader ons de Heilige Geest zal schenken (Lucas 11:13). Hij belooft ons dat zelfs wanneer wij gedood worden ter wille van het koninkrijk, “geen haar van ons hoofd verloren zal gaan” (Lucas 21 : 18) .

Dit betekent dat wanneer we ons neerzetten om de kosten van het volgen van Jezus te berekenen – wanneer we het “slechtste” afwegen tegen “het beste” – Hij het waard blijkt. Ruimschoots waard blijkt (Romeinen 8:18; 2 Korintiërs 4:17).
Zo niet met Satan. “Gestolen brood is zoet, maar daarna is de mond vol kiezel” (Zie Spreuken 20 : 17)

(1) Je familie een plaats geven die jij hen (graag) wilt geven of die ze van je opeisen terwijl Gods Woord  hen een andere plaats wijst en gunt in je leven.

Bron tekst: John Piper – Deze tekst werd eerder in het Engels gepubliceerd op Facebook door pastor Paul Zadok (Uganda).

Bron afbeelding: RK NetNieuws Forum – ActiveBoard

Niet alleen horen maar ook doen -

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

Als de graankorrel niet sterft…

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort. (Johannes 12 : 24-25)

Wie zijn leven haat en verliest in deze wereld, die zal het behouden voor de eeuwigheid. Wat betekent dit?

Het betekent, op z’n minst (op z’n zachtst gezegd), dat je je niet veel zorgen maakt over en zorg besteed aan je eigen leven in deze wereld. Met andere woorden, het maakt niet veel uit wat jou overkomt in deze wereld.
Wanneer mensen goed over je spreken, dan doet dat er heus niet veel toe.
Wanneer mensen je haten, dan maakt zelfs dat ook niet veel uit.
Wanneer je veel bezit hebt, dan heeft dat niet veel te betekenen.
Wanneer je weinig hebt, dan hoef je je daar niet erg druk over te maken.
Wanneer je laster en leugen je vervolgen, dan hoef je je daar niet veel van aan te trekken.
Wanneer je beroemd bent of juist ongezien, dan maakt dat echt niet veel uit.
Wanneer je sterven gaat of gestorven bent, maak je er niet veel zorgen om.

(NB. In de originele tekst wordt steeds herhaald: Het maakt niet veel uit, of het doet er niet veel toe, of dat heeft niet veel te betekenen)

Maar het is zelfs nog veel radicaler. Er moeten hier heel bepaald keuzes gemaakt worden, en niet maar passief ondergaan.
Jezus vervolgt met te zeggen, “indien iemand mij dienen wil, dan moet hij Mij volgen” (Johannes 12 : 26). Waar naar toe? Hij is op weg naar Gethsemane én naar het kruis.

Jezus zegt niet maar: Indien dingen verkeerd lopen, wees niet bang, want je bent (en gaat) hoe dan ook toch dood. Hij zegt: Kies ervoor om met mij te sterven. Kies ervoor om je leven te haten in deze wereld, net zoals Ik gekozen heb voor het kruis.

Dit is wat Jezus bedoelde toen Hij zei, “Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn ​kruis​ op zich nemen en mij volgen.” (Mattëus 16 : 24). Hij roept ons op het kruis te kiezen. Mensen deden maar één ding aan een kruis. Ze stierven er aan. “Neem uw kruis op”, betekent, “Als een graankorrel op de grond vallen en sterven”. Kies daarvoor!

Maar waarom? Voor de zaak van radicale dienstbaarheid aan het koninkrijk van God: Ik hecht echter niet de minste waarde aan het behoud van mijn leven, als ik mijn levenstaak maar kan voltooien en de opdracht uitvoeren die ik van de ​Heer​ ​Jezus​ ontvangen heb: getuigen van het ​evangelie​ van Gods ​genade. (Handelingen 20 : 24)

Bron tekst: John Piper – De tekst werd in het Engels gepubliceerd op Facebook door pastor Paul Zadok (Uganda)

Bron afbeelding:  Pinterest

Maar ​Jezus​ zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft en in mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven. Geloof je dat?’ (Johannes 11 : 25)

In der eewigheid niet sterven - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie