God is ons een toevlucht en sterkte…

…ten zeerste bevonden een hulp in benauwdheden.

‘Ik roep met mijn stem tot de HEERE – dan verhoort Hij mij van Zijn heilige berg. Sela’ (Psalm 3:5, weergave Walch 1740).

Ik roep met mijn stem tot de HEERE

Al vanaf 1513 hield Luther op de universiteit van Wittenberg Latijnse colleges over de Psalmen. In zijn hele verdere leven zouden de Psalmen een zeer grote plaats blijven innemen in zijn prediking, colleges, tafelgesprekken en brieven. Het onderstaande citaat komt uit zijn verklaring van de eerste 22 psalmen uit de jaren 1519-1521.

‘Ik roep met mijn stem tot de HEERE – dan verhoort Hij mij van Zijn heilige berg.

(…) “Het is alsof de dichter hier wil zeggen: ‘Ik die nu zelf de goedheid en liefde van de HEERE heb ondervonden – namelijk dat Hij degenen die tot Hem roepen, niet verlaat of begeeft, ja dat Hij allen die Hem aanroepen, vriendelijk draagt, beschermt en verhoogt – daarom zal ik mij nu voortaan eeuwig aan Hem houden. Zodat ik met een volkomen vertrouwen alleen tot Hem de toevlucht zal nemen en niet zal vrezen – zelfs niet voor honderdduizenden die zich tegen mij stellen!’

‘Want ik ben bereid om op Hem te hopen, ook als ik nog smartelijker en zwaarder zou moeten lijden, ja zelfs als Hij mij ook zou doden – zoals Job sprak – dan zal ik nóg op Hem hopen (vgl. Job 13:15). Hij is immers de ware God op Wie alle mensen terecht moeten vertrouwen, en zich getroost moeten verlaten en in Wie zij zich allen moeten beroemen – aan Wie niemand hoeft te wanhopen!’

O, hoe ongelukkig zijn zij die in grote moeilijkheden en beproevingen zijn geweest, en toch niet weten hoe machtig, hoe wonderlijk, hoe heerlijk deze God allen redt en helpt die Hem aanroepen!

Wat echter het voornemen en de gedachten in het hart van de dichter zijn, laten de volgende versregels zien: ‘Ik zal niet vrezen voor honderdduizenden die zich rondom tegen mij legeren’ (vgl. Psalm 3:7), én aan het eind van de Psalm: ‘Bij de HEERE vindt men verlossing – Uw zegen is over Uw volk’ (vgl. vers 9).

Eigenlijk zegt Psalm 34 in wezen hetzelfde: ‘Ik zal de HEERE altijd loven – Zijn lof zal voordurend in mijn mond zijn’ (vers 2). Het is alsof hij hier wil zeggen: Ik ben een dwaas, die de HEERE alleen zo nu en dan heeft geloofd en geprezen, namelijk wanneer het goed met mij ging en ik in rust en vrede leefde. Ik wist toen niet hoe machtig Hij ook is in kwade dagen, in dagen van beproeving en tegenspoed, daarom zal ik Hem nu voortaan altijd loven, ook als het níét goed met mij gaat.

Er zijn immers genoeg mensen die God alleen loven en danken als zij goede dagen hebben en alles naar hun zin gaat. Als er echter kwade dagen komen, vergeten ze dit loven en danken maar al te vlug. Dan stellen zij hun vertrouwen op allerlei andere middelen en uitkomsten – behalve op God! Ja, tenslotte kúnnen ze ook niet meer tot Hem roepen – laat staan dat ze Hem dan nog zouden loven en danken! [vgl. Filippenzen 4:6, hcvw].“

Maarten Luther: Operationes in Psalmos, 1519-1521, vgl. WA 4, 85 ff. Weergave: Sämtliche Schriften Johann Georg Walch 1740, Vierter Theil, S. 381 – S. 382

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.comen van deze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding: DailyVerses.net

psalmen-46-2 - DailyVerses.net

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Persoonlijk. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s