Leer mij, o Heer, de weg door U bepaald…

Leer mij, o Heer, de weg door U bepaald... (Psalm 119 vers 17, OB)

(…) David noemt de geboden van God een “weg”, zonder daarin een uitzondering te maken. Hij noemt de weg door het leven die hij vóór zich ziet liggen, de weg van Uw geboden.

Wij moeten ons nu de vraag stellen wat met deze weg bedoeld wordt. Wij verstaan er niets anders onder dan het gehoorzamen aan de geboden van God en het toenemen in heiligmaking. We lezen in Hebreeën 12:14 dat zonder heiligmaking niemand God zal zien. Dit veronderstelt dat het hart en de staat van een mens door de Geest veranderd worden en dat hij een nieuwe natuur krijgt die één is met Christus. In Gods Woord worden daarvoor dikwijls woorden als ‘weg’ en ‘pad’ gebruikt. Er wordt ook vaak gesproken over de goede of de rechte weg, de weg van de Heere, de weg van de waarheid, de weg van het leven, de weg van het verstand, de weg van de heiligheid, de weg van de gerechtigheid.

In het Woord wordt het geestelijk onderhouden van de geboden van God een weg genoemd. De Geest spreekt veel in gelijkenissen en gebruikt dan uitdrukkingen die aan het dagelijkse leven ontleend zijn. Wij kunnen geestelijke dingen dan gemakkelijker begrijpen, omdat er veel overeenkomsten zijn tussen het onderhouden van de geboden van God en een weg in het dagelijkse leven.

Een weg is een middel dat ons van de ene naar de andere plaats leidt, en dat geldt ook voor de weg van Gods geboden. Deze weg leidt ons uit onze goddeloze natuurstaat met al zijn gevolgen, ja, hij voert ons weg van de hel. Deze weg leidt ons weer terug naar de gemeenschap met God en naar de hemel; een plaats waar we nog nooit geweest zijn. Jezus noemt dit de smalle weg die tot het leven leidt (Mattheüs 7:14). Dit in tegenstelling tot de wegen van de dood en de paden van de hel. Die eindigen in de dood en in de hel.

Vóór de val moest een mens de zaligheid door zijn eigen kracht uitwerken en verdienen, maar ná de val door de werken van iemand anders. De hemel moet verdiend worden, maar wij kunnen dat zelf niet meer. Er staat nog steeds een engel – figuurlijk gesproken – met een vlammend zwaard voor de boom des levens om die te bewaren; niemand kan door zijn eigen werk de zaligheid verdienen.
Paulus zegt dat uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd zal worden voor God (Romeinen 3:20), en dat de wet door het vlees krachteloos is geworden (Romeinen 8:3). Daarom blijft alleen het werk van een andere Persoon over. Daarvan spreekt de Heere Jezus als Hij zegt: ‘Ik ben de Weg’. De mensen moeten door het geloof met Christus worden verenigd. Hij neemt als Borg hun schuld op Zich en Zijn gehoorzaamheid wordt door het geloof het eigendom van het hart. Deze mens krijgt in de eenwording met Christus ook een nieuwe natuur. Het wordt zijn verlangen de weg van de geboden van God in heiligheid te bewandelen. Hij streeft daarnaar, omdat in hem het beeld van God in beginsel weer is hersteld. Dat beeld wordt in de geboden van God weerspiegeld.

Het wordt een weg genoemd, omdat een onbekende hem niet vinden kan, zoals dat ook in liet dagelijkse leven het geval is. Voor een weg die men nog nooit gezien heeft, heeft men een wegwijzer nodig. Daarom moet Jezus deze weg aanwijzen en de mens daarop leiden. De opperste Wijsheid zegt in Spreuken 8: ‘Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid, in het midden van de paden van het recht’, vers 20,  zeker, Hij moet een mens daar brengen, want de menselijke natuur is nergens meer tegen gekant dan tegen deze weg. Hij is er ook volkomen blind voor, en daarom belooft de Heere: ‘En Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben’ (Jesaja 42:16).

Het wordt een weg genoemd, omdat het voor iemand die hem gevonden heeft en erop loopt, een rechte weg is. Psalm 1:6 zegt: ‘Want de Heere kent de weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.’ We lezen in Spreuken 14: ‘Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van die zijn wegen des doods’, vers 12. Deze weg verschilt dus totaal van alle andere dwaalwegen. Ja, zou het geen rechte weg zijn die de Vader aangelegd heeft in het bloed van Zijn Zoon? Het meest eenvoudige hart dat aan de hand van Jezus loopt, kan hem vinden en zonder gevaar bewandelen. Ja, zelfs de dwazen zullen niet dwalen (Jesaja 35:8).

Het wordt ook een weg genoemd vanwege de vreugde die hij biedt. Als men vrijwillig voor een weg kiest, doet men dat omdat men er vreugde aan beleeft. De weg van Gods geboden is ook een weg die een kind van God kiest, omdat hij de wet van God liefheeft. Hij ervaart een grote vrede en heeft geen aanstoot (Psalm 119:165). David en Paulus zeggen dat zij in Gods wet hun hoogste blijdschap vonden (Psalm 119:92 en Romeinen 7:22). Om deze reden zijn er altijd mensen die de kinderen van God op deze weg willen vergezellen. Ze grijpen de slip van een Joodse man en zeggen: ‘Wij zullen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is’ (Zacharia 8:23).

Ten slotte wordt het een weg genoemd vanwege de wisselvalligheden van hoog en laag, licht en donker, en andere gevaren. Men moet over een weg lopen als het dag is, als er voldoende licht is. Als het donker is, kan men door allerlei hindernissen en belemmeringen gemakkelijk ten val komen of zich verwonden. Bovendien zijn de wilde dieren en ander ongedierte vooral in de nacht op pad, en men kan in het donker niet zien waar men is of in welke richting men loopt. Daarom zegt Paulus: ‘Laat ons, als in de dag, eerbaar wandelen’ (Romeinen 13:13), en hij noemt de kinderen van God ‘kinderen van de dag’ (1 Thessalonicenzen 5:5).

De mensen die op deze weg wandelen, zijn op de meest veilige weg; ze hoeven niet bang te zijn voor enig gevaar. Wat deze weg gevaarlijk maakt, brengt de wandelaar zelf mee. De struikelblokken en hindernissen, de hobbels en valkuilen worden gevormd door de hoogmoed en de moedeloosheid. Ze hebben de sterke neiging te struikelen, en van het spoor van de gerechtigheid af te wijken, aan de rechter- of de linkerzijde. Hij kan deze weg in eigen kracht niet bewandelen, en nog veel minder op de goede manier. De wandelaar is het lokaas voor de wilde dieren; briesende leeuwen omringen hem en hij ziet zijn ondergang vóór zich. Zij kwamen ook op Jezus af, maar ze konden Hem niets doen. Het is deze koninklijke weg, de weg van Gods geboden, die David hier bedoelt.
(…)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Bede van de gelovige om de hulp van God” van ds. Justus Vermeer (1696-1745) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 534 – Mei 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: SlidePlayer

Psalm 119 - Leer mij, o Heer, de weg door U bepaald - v2 SlidePlayer

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Persoonlijk. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s