Pinksteren en “de weg van Uw geboden lopen”…

Aan alles, hoe volmaakt ook, zag ik een einde,
maar uw gebod is grenzeloos ruim. (Psalm 119 : 96)

(…) We letten nu op het voornemen van David en op de belofte die hij met een opgewekt hart aan de Heere belooft. Hij zegt: ‘Ik zal de weg van Uw geboden lopen’. Wat moeten we onder dit lopen verstaan? Laten we beginnen met wat het lopen niet is en wat we er niet voor moeten houden.

Een mens kan met zijn verstand en geleerdheid grote stappen zetten, maar hij wordt er toch niet gelukkiger door. Een scherpzinnig mens kan veel inzicht en kennis verkrijgen van alles wat hij met zijn verstand onderzoekt. Zijn hart blijft leeg en hij kent het werk van de Geest van Christus niet (1 Korinthe 13:1-2).

Het is ook niet het echte lopen als men indruk wil maken door de algemene gaven die de Heere ook wel tot opbouw van Zijn Kerk geeft, of met mooie woorden. De mensen kunnen zich erover verwonderen waar ze het vandaan halen.

Het is ook niet het echte lopen als men door eigen inspanning veel zonden overwint en goede werken gaat doen, waardoor iemand als een groot heilige bekend wordt. Zo’n loper komt echter, net als op een schilderij, niet van zijn plaats; het is alleen maar een afbeelding, waar je niet warm van wordt. Dit lopen zien we ook bij de heidenen. David, Paulus en andere heiligen hadden in deze weg de Heere nodig, want zij waren zich bewust van hun machteloosheid. Zij hadden de Geest van Jezus nodig om op deze weg gebracht, geleid en bewaard te worden. Deze grote mannen in Gods koninkrijk waren oprecht in hun lopen en in hun inspanning. Dat bleek uit hun innige en hartelijke klachten voor God en de mensen. Dit lopen is zonder geestelijk leven niet mogelijk. Luister eens naar Paulus: ‘Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet van mijn gemoed, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’ (Romeinen 7:23-24).

Het echte lopen bestaat ook niet in een lichtvaardig en onbezonnen besluit tot een andere levensstijl, of het christelijke geloof aan te nemen. Wat zijn er veel mensen van wie het scheen dat ze met de Geest begonnen. Het scheen dat het hun. om de ware vruchten te doen was, maar daar bleef het bij of het eindigde in het tegenovergestelde. Paulus vraagt aan de Galaten: ‘Gij liep wél, wie heeft u verhinderd de waarheid gehoorzaam te zijn?’ (Galaten 5:7).

Ten slotte, een christen kan soms perioden van een geestelijke vervoering meemaken die in het leven van de genade ook plaats kunnen hebben, maar daarna valt hij weer terug in dezelfde geestelijke ingezonkenheid. Dat is geen voorbeeld van het lopen zoals de tekst het noemt. Dit is geheel verschillend van een vast voornemen van het hart, dat verkregen wordt in de verborgen worsteling met de Heere. Die vervoering duurt ook maar kort.

Laten we nu letten op datgene wat het lopen vooronderstelt.
Het lopen veronderstelt dat het leven der genade aanwezig is. Vrienden, een dood mens kan niet eens kruipen, nog veel minder lopen. Nodig is wat we lezen in Romeinen 8: ‘Want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods’, vers 2. We moeten in Christus een nieuw schepsel geworden zijn (2 Korinthe 5:17). Ook is het voor het lopen enigermate nodig dat het hart in een goede, geestelijke staat is. Een mens die ziek of gewond is of lijdt onder benauwdheid, kan niet goed lopen; hooguit kan hij wat strompelen. De grote Geneesheer moet de krachten die door de zonden verloren gegaan zijn, weer vernieuwen en de ziel van haar ziekten en wonden genezen; dan kan zij weer lopen.

Voor het lopen is nodig dat een mens ziet hoe gelukkig en voortreffelijk de weg is om te bewandelen, anders zal hij de andere wegen niet verlaten. Het is nodig dat hij van het zwerven op wegen buiten de Heere moe geworden is. Hij moet er hartelijk naar verlangen door de Geest op die uitnemende weg gebracht te worden en daarop te lopen (1). David zegt: ‘Ik ben vrolijker in de weg van Uw getuigenissen, dan over alle rijkdom’ (Psalm 119:14). De mens die deze weg loopt, kent zijn grote zwakheid in de genade en weet hoe nodig het is om de kracht van Christus te ontvangen. Het sterke verlangen en het diepe gevoel van onmacht gaan hier wonderwel samen.

Vervolgens moeten we letten op wat het lopen wél is… (wordt vervolgd)

(1) (…) Ze bleven trouw aan het onderricht van de ​apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het ​gebed. (Handelingen 2 : 42)
(….) ‘Het is niet goed dat wij de zorg dragen voor de gemeenschappelijke maaltijden, want daardoor verwaarlozen we de verkondiging van Gods woord. Kies daarom, broeders en zusters, uit uw midden zeven wijze mannen die goed bekendstaan en vervuld zijn van de ​heilige​ Geest. Aan hen zullen we deze taak opdragen, terwijl wij ons zullen ​wijden​ aan het ​gebed​ en aan de verkondiging van het woord van God.’ (Handelingen 6 : 2b-4)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Bede van de gelovige om de hulp van God” van ds. Justus Vermeer (1696-1745) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 534 – Mei 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: SlidePlayer

Psalm 119 vers 26 (LB 1973)

Psalm 119 - Heer Gij zijt goed - SlidePlayer

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s