Gód treedt voor ons op…

Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp? Mijn hulp komt van de HEER die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij zal je voet niet laten wankelen, je Bewaarder zal niet sluimeren. (Psalm 121 : 1-3)

Hebben we hulp nodig? Van wie verwachten we dan hulp?

Toen de psalmist zijn ogen ophief naar de bergen en vroeg: “Waar komt mijn hulp vandaan?” antwoordde hij, “Mijn hulp komt van de Heer” – niet van de bergen, maar van God die de bergen maakte.

Dus hij herinnerde zich aan twee grote waarheden: De eerst is dat God heerst als Almachtig Schepper over alle problemen in ons leven; De andere is dat God nooit slaapt.

God is een onvermoeibare werker. Zie God en denk over God als werker in jouw leven. Ja, dat is verbazingwekkend. Wij zijn geneigd om onszelf te zien als werkers in God’s leven. Maar God wil dat we ons er eerst over verbazen dat God een werker is in onze levens: Ja, van oudsher heeft men het niet gehoord noch vernomen, geen oog heeft gezien een God buiten U, die optreedt ten behoeve van wie op Hem wacht. (Jesaja 64 : 4)

God werkt voor ons de klok rond. Hij neemt geen vrije dag op en hij slaapt niet. De werkelijkheid is dat Hij er zo op uit is om voor ons te werken dat Hij rondgaat en uitziet naar meer werk om dat te doen voor mensen die op Hem vertrouwen: De ogen van de HEER gaan immers  voortdurend rond over de hele aarde om krachtig hulp te bieden aan ieder die hem met heel zijn ​hart​ is toegedaan. (2 Kronieken 16 : 9)

Dit is wat we moeten geloven – écht geloven – om ons “altijd weer te verheugen” (1 Thessalonicenzen 5:16) en “onder alles te danken” (Efeziërs 5 : 20) en om te kennen “de vrede van God, die alle verstand te boven gaat” (Filippenzen 4 : 7), en om “niet bevreesd te zijn” (Filippenzen 4 : 6) en om ons eigen leven te haten (1) “in deze wereld” (Johannes 12 : 25) en om “de (onze) naaste lief te hebben als onszelf” (Mattëus 22 : 39).

Wat een Waarheid! Wat een realiteit! God waakt dag en nacht om te werken voor allen die op Hem wachten. 

God houdt ervan om deze onvermoeibare kracht en wijsheid en goedertierenheid te tonen door te werken voor mensen die op Hem vertrouwen. “De Zoon des mensen kwam niet om zich te laten dienen maar om te dienen” (Markus 10 : 45). Jezus werkt voor zijn volgelingen. Hij dient hen.

(1) Dat is: onszelf niet de eerste plaats geven en/of de plaats die we onszelf wensen en gunnen, maar ootmoedig en nederig die plaats innemen die God ons (onder)wijst in Zijn Woord. En (dus) de naaste (die God op onze weg heeft gebracht of brengt) zo behandelen zoals wijzelf behandeld zouden willen worden in zijn of haar situatie en omstandigheden.

Bron tekst: John Piper – De tekst werd in het Engels gepubliceerd op Facebook door pastor Paul Zadok (Uganda)

Bron afbeelding: Boekentafel Vredekerk

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Met gesloten ogen…

Maar Jona stond op en vluchtte (Jona 1 : 3a)

Lectures on Jonah – 1525 (1)

Het is duidelijk dat Jona bang was voor de omvang van de taak waarmee hij naar Ninevé werd gezonden. Hij was ook bang voor zo’n machtig koninkrijk, voor zulke machthebbers, net alsof iemand vandaag naar het koninkrijk van de Turken zou worden gestuurd. En de Heer vergroot en verzwaard de omvang van de taak toen Hij zei: “Hun boosheid is voor Mij opgestegen” (Jona 1: 2).

En zo door deze proclamatie te Ninevé zou Jona de bittere haat van allen tegen zichzelf opwekken, omdat hij alle heersers schuldig zou verklaren aan boosheid – en hij was zelf niet meer dan een eenzaam en eenvoudig en nederig man. Maar hij zondigde, zoals ik al zei, omdat hij niet op het Woord van God zag, waardoor hij werd gezonden, maar op het te verrichten werk zelf, waarvoor hij gestuurd werd, en naar de zwaarte en omvang van dat werk.

Want het vlees (1) kan het Woord van God niet geloven en zich aan God toevertrouwen wanneer het afgaat op menselijk inzicht en op grond daarvan de mogelijke gevolgen berekent. Echter, een waar geloof gaat God’s weg met gesloten ogen – het klampt zich vast aan God’s Woord – het volgt het Woord – het vertrouwt het Woord, zelfs wanneer alle schepselen zich er tegen keren, zelfs wanneer naar ons menselijk inzicht niets minder waarschijnlijk lijkt dan dat gebeuren zal wat het Woord ons wil doen geloven dat zal gebeuren, zelfs als de hemel en de aarde alleen maar voorbestemd lijken om voorbij te gaan.

Dit betekent dat zelfs als God tot ons zou zeggen, dat er een nieuwe hemel zal zijn, dat het geloof, met gesloten ogen en zonder andere gedachten de kans te geven en bezwaren te opperen, heel eenvoudig het Woord gelooft en zó de God van de Waarheid verheerlijkt. Aangezien Jona dit niet gedaan heeft, maar naar de omvang en de moeilijkheid van de hem opgelegde taak keek, kon hij alleen maar bang zijn.

(1) Een mens zoals hij van nature is en denkt en redeneert en handelt.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 13, 244, 5-23

Waar de weg mij brengen moge, aan des Vaders trouwe hand
loop ik met gesloten ogen naar het onbekende land.
(Liedboek uit Gezang 293)

Bron: Bovenstaande tekst werd vertaald uit het Engels (één van de “martinluther-quotes” – zie hieronder).

If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com. Or, they can use our web-form located on the homepage of www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. Our emails are free of charge and we do not ask for donations.

Bron afbeelding:  Pinterest

Wat de toekomst brenge moge - Lied 293 - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Groei van Godsvertrouwen in tijd van diepe nood…

Trouwens, allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven zullen worden vervolgd.
(2 Timoteüs 3 : 12)

(…) God gaf op vrijdag 2 februari 1945, tijdens een procesdag van het Volksgerichtshof, aan Friedrich Justus Perels moed en verstand, zodat hij een geschikt woord tot zijn verdediging kon spreken. De gevreesde voorzitter van die hoge rechtbank, Roland Freisler, vonniste op deze dag tevens voor het laatst. Eén dag later werd hij tijdens een geallieerde luchtaanval door een vallende balk verpletterd.

(…) Verstandelijk was het voor Friedrich Justus helder wat dit vonnis betekende. Maar later greep deze rechterlijke uitspraak hem emotioneel en psychisch zo aan, dat hij veel diepe dalen van aanvechtingen en worstelingen beleefde, voor hij de ware rust mocht vinden. In het Woord van God en in het gebed vond hij uiteindelijk de kracht om alles wat hem was opgelegd te dragen.

Perels zag de levenstijd die hij nog zou krijgen als een voorbereiding op de eeuwigheid. Hij schreef: “Elke dag zie ik onbekende zwakheden en zonden. En ik probeer die door middel van het bidden aan God over te geven, ook jullie dienen dat te doen. Hij helpt werkelijk, omdat Hij leeft en is opgestaan.”

(…) Zijn geloof werd versterkt. Daarvan getuigen deze woorden: “Men dient te geloven als Abraham, Mozes en Jakob en zoals zij in het Evangelie, aan wie de Heere een wonder heeft gedaan. God is de soevereine God. Wij behoren steeds weer naar Hem te gaan, juist dan als wij ervaren dat wij zwak zijn en niets betekenen! Het ergste van alles is de onverschilligheid.”

Vier weken voor zijn sterven schreef hij aan zijn vrouw en driejarig zoontje Joachim: “Ik ben geheel getroost, hoe ook alles mag gaan. In deze tijd heb ik veel innerlijke hulp ervaren. Het beslissende punt voor ons allen is: Christus’ bloed en gerechtigheid is mijn heerlijkheid en erekleed. Ik moest eerst geheel verloren gaan en tot schande worden, voordat ik dat heil verstond, gelijk de tollenaar. Lieve vrouw, wees daarom getroost. Christus wil ook jou en de anderen wonderlijk helpen.”

(…) In een alinea over de dood, door Kohlbrugge geschreven in augustus 1827 aan zijn moeder en grootmoeder, had Perels deze woorden onderstreept: “Geen nood, waar wij strijden, daar is God; waar het dal des doods is, daar is God; waar de duivel met zijn ganse heir op ons losstormt; daar is God; waar de wereld grijnst en ons lastert, haat en vervolgt, daar is God; waar zonde en dood ons dreigen, daar is God. Ja, onze God, wij volgen Hem; op Zijn bevel gaan wij, waar Hij ons zendt; wij sidderen niet, Hij is met ons, geen haar valt van ons hoofd zonder Zijn wil. Zijn wil geschiede! Houden wij niets meer, wij houden toch Hem. Hij houdt ons!”

(…) Terwijl de Russen al in de wijken en straten van Berlijn vochten, werd Perels in de nacht van zondag op maandag 23 april 1945 door zwaarbewapende SS-ers met zijn zeven vrienden uit de gevangenis gehaald. Men zei hen, dat ze in de Prinz Albrechtsstrasse zouden worden vrijgelaten. Maar het tegendeel gebeurde, want in de puinhopen van de Duitse hoofdstad werden ze dichtbij het station van Potsdam heimelijk door een nekschot vermoord. Voorlopig werden ze in een bomtrechter ‘begraven’. Op zijn overlijdensbericht stond zakelijk vermeld: ‘Op een stuk grond bij het station dood gevonden.’ (…)

Bron tekst: Protestants Nederland – “Nazi’s vermoordden Friedrich Justus Perels (2) – door A.B. Goedhart te Leerbroek (83e jaargang | No. 5 | Mei 2017)

Bron afbeelding: Wikipedia

Graf van Justus Friedrich Perels - Wikipedia

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Politiek | Plaats een reactie

Opdat niemand roeme…

Opdat het zal zijn zoals geschreven staat: Wil iemand zich op iets beroemen,
laat hij zich op de Heer beroemen. (1 Korintiërs 1 : 31)

‘Daarom heb ik u gezegd dat niemand tot Mij kan komen, tenzij het hem van de Vader gegeven wordt’ (Johannes 6 : 65).

“Je moet geloven. Nou, wanneer je hoort dat dit absoluut noodzakelijk is, kan je natuurlijk direct denken en zeggen: ‘Dan zal ik zelf dit geloof initiëren.’ Maar nee, ik verzeker je dat je daar niet erg ver mee komt. Dit is wel naar onze natuur: wanneer de noodzaak van genoegdoening voor onze zonden wordt geproclameerd, komen we alvast maar aanzetten met onze eigen inspanningen en werken. Christus verbiedt dit. Hij wil niet dat je iets van jezelf uit onderneemt. Hij wil het Zelf doen – Hij wil de zonde verwerpen. Jij mens kunt toch niet claimen meesterschap over eigen hart te hebben? (1)

Ok, begrepen en aanvaard?! Ga en zeg: Ik dank mijn God dat ik heb geleerd niet te proberen mij met mijn eigen boetvaardigheid van zonde(n)te verlossen, of door mijn geloof te beginnen met en door mijn werken, of voor mijn eigen zonde(n) verzoening menen te moeten bewerken. Natuurlijk kan ik zoiets onder en voor de (mede)mensen wel doen – dat is de gebruikelijke procedure in de gewone mensenwereld en voor een rechter. Maar bij U, o God, brandt een eeuwige toorn, die ik niet kan wegnemen. Daarover moet ik wanhopen. Dit beseffend ben ik U dankbaar dat een Ander mijn zonde heeft gedragen, betaald en verzoend. En ik wil en zou dit graag geloven! Het lijkt zo goed, zo aangenaam en troostend. Maar ik vind het onmogelijk om het te aanvaarden. Het ligt niet in mijn vermogen om het te geloven zoals ik dat zou moeten doen. Ik kan er geen beslag op leggen, hoe graag ik dat ook wil.

Ja, eerst moet je leren dat geloof een geschenk van God is en daarmee een puur goddelijke kracht. Je kan niet met en vanuit je eigen kracht geloven. Zou je de duivel willen verzetten? Jij dwaas! Wat wil je doen en denk je te kunnen bereiken? Dit is te groot voor jou. Pas op en laten we ons wachten voor zulke hoogmoedige en arrogante gedachten, dat we zouden veronderstellen dat het in ons vermogen ligt (2) om te geloven zodra u de (Bijbel)woorden hoort. Dit is de gemeenschappelijke mening van de schismatische geesten en de valse christenen van vandaag. Maar als het gaat om het bewijzen van hun geloof, een valse leerstelling te beoordelen of zich in moeilijke dagen daarmee te laten troosten, dan is hun lied stilgelegd, en dan geven ze “niet thuis”.

Daarom, Here, trek mij, help mij, en geef mij de kracht als Uw geschenk om dit te geloven. Zo zucht de profeet in Psalm 51:10: “Schep een rein hart in mij, o God en plaats een nieuwe en volhardende geest in mij”. Zelf mis ik de kracht voor vernieuwing en reiniging van mijn hart – dit is alleen Uw schepping en handwerk. Net zomin als ik de zon en de maan kan bevelen om helder te schijnen aan de hemel, zomin kan ik een rein hart en een vaste geest voortbrengen, dat wil zeggen een sterke en standvastige geest, die niet zal wankelen of twijfelen aan uw Woord. Alleen een herboren, gereinigd en ootmoedig hart kan zeggen: in mij is een goede geest, een nieuwe geest, een gesteldheid van hart, dat standvastig is en niet twijfelt, maar gelooft en wel zo vastberaden dat het bereid is om lijf en goed te offeren vanwege het feit dat Christus daarvoor stierf. ‘

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 33, 284, 24 – 286, 15

Opgemerkt: Deze tekst werd vertaald uit het Engels.

(1) We kunnen en zullen de Bijbel dus gewoon menselijk lezen – niet bijvoorbeeld door pogingen tot het (eerst) bereiken van “Lectio Divina” –  en daarbij bidden. God zelf doet daarmee het werk in en aan onze harten!
(2) Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; (1 Johannes : 12).
Lees bovenstaande tekst als volgt: Wanneer je het Evangeliewoord hoort en wanneer je dat eenvoudig God gelovend op Zijn Woord aanneemt en je dat niet in eigenwijsheid en ongeloof afwijst, dan mag je weten dat die “Macht om te geloven” – door Gods Woord (en door het werk van de Heilige Geest daardoor en daarmee) – ons/jou/u gegeven is. En dat geldt net zo goed voor kleine kinderen die gelovig luisteren en aannemen als dat het geldt voor jongeren en ouderen die het evangelie horen en daar gelovig naar luisteren. (Zie ook Romeinen 10: 14: Maar hoe kunnen ze Hem aanroepen als ze niet in hem geloven? En hoe kunnen ze in hem geloven als ze niet over hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze over hem horen als hij niet verkondigd wordt?

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.comen van deze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geloof - gave van God - Opdat niemand roeme

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Persoonlijk | Plaats een reactie

Een ogenblik duurt Zijn toorn…

Psalmzingt de Here, gij zijn gunstgenoten, en looft zijn ​heilige​ Naam;
want een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn welbehagen;
(Uit Psalm 30)

Bekeer u tot Mij met uw hele hart

‘Zo spreekt nu de HEERE: Bekeer u tot Mij met uw hele hart, met vasten, met wenen, met klagen – scheur uw harten en niet uw klederen, en bekeer u tot de HEERE uw God. Want Hij is genadig, barmhartig, geduldig, en groot van goedheid, en de straf berouwt Hem spoedig ’ (Joël 2:12-13, weergave Walch 1741).

(1) (…) “Wij mensen zijn van karakter en natuur onbarmhartig en onvriendelijk [vgl. o.a. Titus 3:1-5, hcvw]. Want als we worden beledigd of aangevallen, zijn we niet makkelijk weer verzoend. We blijven wantrouwig tegen hen die ons kwaad hebben aangedaan. Het is dan niet eenvoudig om zich weer met elkaar te verzoenen en in vrede te leven – wij mensen zijn niet zo haastig als het gaat over vergeven en vergeten!

Daarentegen is God van karakter en natuur totaal anders: Hij laat Zich makkelijk overreden en bewegen, is spoedig te verzoenen en te verbidden, en wil graag vergeven. Ja, als iemand nog maar net begint te bidden en nog maar één woord heeft gezegd, wordt Hij al zacht en week, en wil van harte alles vergeven wat deze mens tegen Hem misdaan en gezondigd heeft. ‘God is genadig en barmhartig’, deze eretitel of erenaam van God moet je vóór alle dingen in gedachten houden. Ja, helemaal tégen al je eigen gedachten in: die onze God afschilderen als een genadeloze, harde, toornige dwingeland, pijniger en scherprechter – iemand die onmogelijk te verzoenen is [vgl. o.a. Exodus 34:6; Nehemia 9:17b; Psalm 86:15; 103:8, 111:4; 145:8; Joël 2:13; Jona 4:2, hcvw].

Daardoor komt het: wanneer ons geweten bevreesd wordt en ons overtuigt van één of andere zonde, vooral als de straf voelbaar is en ons neerdrukt, dat we voor God wegvluchten – net als Adam in het paradijs – en ons voor Hem verbergen (vgl. Genesis 3:10). Maar daarbij moeten we wel bedenken dat we dan de goede en barmhartige God geweld en onrecht aandoen. Want, hoewel Hij ook straft, verandert Hij daarom Zijn karakter en natuur niet – Hij houdt altijd een zacht en vriendelijk hart, dat zich weer spoedig laat overhalen en overreden, zelfs als wij denken dat Hij op het aller-toornigste met ons omgaat.

Want dit is de reden waarom Hij ons straft: dat we niet dieper in de zonde vallen, maar dat we ons bekeren en leven (vgl. Ezechiël 18:32,  Hebreeën 12 : 6-8 ). Waarom vlucht je dan weg voor deze goede, genadige, barmhartige en lieve Vader? Hij komt niet achter je aan om je dood te slaan, maar eerder dat Hij je op de goede weg brengt. Daarom, wacht op Hem: bekeer je met je hele hart, dan zal Hij je genadig zijn en je zonden vergeven. Val neer aan Zijn voeten, bid Hem om genade, dan zal Hij je graag in genade aannemen.

Maar zij die in zware aanvechtingen zijn, Gods toorn tegen de zonde echt voelen, kan men niet overtuigen dat ze dit zouden geloven – ja, ze hebben allerlei verkeerde gedachten over God. Daarom moet je de andere kant op kijken naar het troostrijke, zekere en duidelijke teken der genade: ‘Dat zo lief God de wereld gehad heeft, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat allen die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben’ (vgl. Johannes 3:16).

Houd dit genadewerk voor ogen en denk er zonder ophouden aan! Want God heeft dat tot heil en troost van arme zondaren gedaan. Als Hij nu de zondaren zo vriendelijk aanneemt – en dat met het lijden en sterven van Zijn Eigen Zoon heeft bewezen – dan zie je toch zelf dat Hij je ondergang niet zoekt, maar wil dat je van de eeuwige dood bevrijd en zalig zult worden? Waarom leef je dan in twijfel en weet je niet hoe God over je denkt? Hij heeft immers Zijn Zoon gegeven om je met Hem te verzoenen!”

Maarten Luther: Praelectiones in prophetas minores. 1524-1526 (Joel: Juli-August 1524). Weergave: Sämtliche Schriften, Johann Georg Walch 1741, Sechster Theil, S. 2232 – S. 2234

(1) In het 1553 verscheen er een tweede Duitse vertaling van Luthers Latijnse colleges over het boek Joël. Zowel Veith Dietrich als Nicolaus von Amsdorf, twee bevriende godgeleerden die Luthers theologie ook na zijn dood in 1546 verdedigden en handhaafden, hebben aan deze uitgave meegewerkt en ieder van hen heeft daarbij een woord van aanbeveling geschreven. De tekst maakt deel uit van Luthers Latijnse verklaring van de ‘Kleine Profeten’ uit de jaren 1524 tot 1526 te Wittenberg.

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.comen van deze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding: DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Welvaartsgeneraties en opvoeding na WO II…

Zalig de armen van geest,  want van hen is het Koninkrijk der hemelen. (Matteüs 5 : 3)

(…) (Dat de “millennial” generatie) …minder zelfvertrouwen heeft dan eerdere generaties en niet geleerd om om te gaan met tegenslagen, volgens Sinek. (…)
(…) En die torenhoge verwachtingen over het leven zijn ontstaan tijdens de opvoeding. Hun ouders zijn optimistisch en dankbaar: hun eigen leven verliep veel soepeler dan verwacht.
(…) Maar na de middelbare school gaat het zorgvuldig opgebouwde zelfbeeld aan diggelen. In de grotemensenwereld komen ze erachter dat ze niet specialer zijn dan leeftijdgenoten, dat ze niks winnen als ze eindigen als laatste en dat ze dingen niet krijgen ’gewoon omdat ze het graag willen’.(…)
(…) Vaak genoeg als ze aan het piekeren is over gevoelige opmerkingen in haar open relatie denkt ze bij zichzelf: „Dit is wie ik ben en je neemt me maar zoals ik ben.” Maar dat blijft moeilijk. Hoe dat komt? Waarschijnlijk omdat ze diep van binnen eigenlijk bang is verlaten te worden.(…)

Opgemerkt: Zijn de huidige generaties van na WO II niet (wel heel) erg vervreemd van het soort wijsheid, zoals hieronder verwoord?

(…) 2 Voorzeker, ik ben onverstandiger dan iemand anders,
ik heb geen menselijk inzicht.
3 Ik heb geen wijsheid geleerd en de kennis van ​heiligen​ niet bezeten.
4 Wie is er naar de hemel opgestegen en vandaar neergedaald?
Wie heeft de wind in zijn handen verzameld?
Wie heeft de wateren in een kleed gebonden?
Wie heeft alle einden der aarde vastgesteld?
Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam van Zijn Zoon,
u weet het immers?

5 Ieder woord van God is gelouterd,
Hij is een ​schild​ voor hen die tot Hem de toevlucht nemen.
6 Voeg niets toe aan Zijn woorden, anders zal Hij u straffen,
omdat u een leugenaar zou blijken te zijn.
7 Twee dingen heb ik van U gevraagd, onthoud ze mij niet, voordat ik sterf:
8 Houd valsheid en leugentaal ver van mij.
En: geef mij geen armoede of rijkdom,
voorzie mij van het mij toegewezen deel aan brood.
9 Anders zou ik, verzadigd, U verloochenen en zeggen: Wie is de HEERE?
of anders zou ik, arm geworden, stelen,
en de Naam van mijn God aantasten.
(Uit Spreuken 30 – De uitspraken van Agur).

Bron tekst: De telegraaf (via Blendle) – “Millennial wil altijd meer” – Eva Gabeler
Bron afbeelding: Orakels.net

Generaties - verwezenlijk-je-dromen - Orakels.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Reddende Herder nodig en gevraagd…

Ik verwacht dat U mij redt Heer, (…)
Ik verlang ernaar dat U mij redt Heer, (…)
Ik dwaal rond als een verloren schaap. Zoek uw dienaar,
want ik vergeet uw geboden niet. (1)
(Uit het slot van Psalm 119 de verzen 166, 174 en 176)

(…) 16 Maar tot wie kwaad doet zegt God:
‘Wat baat het dat je mijn geboden opzegt
en mijn verbond in de mond neemt?
17 Je haat het als ik je terechtwijs,
mijn woorden schuif je terzijde.
18 Zie je een dief, je loopt met hem mee,
en bij overspeligen ben je thuis.
19 Je gebruikt je mond voor lastertaal
en verbindt je tong aan bedrog.
20 Je getuigt tegen je eigen broer,
werpt een smet op de zoon van je moeder (2).
21 Zou ik dan zwijgen bij wat je doet,
je denkt toch niet dat ik ben als jij?
Ik klaag je aan, ik som je wandaden op.
22 Begrijp dit goed, jullie die God vergeten,
of ik verscheur je, en er is niemand die redt (3):
23 wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer,
wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.’
(Uit Psalm 50)

Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,
verban mij niet uit Uw nabijheid,
neem Uw Heilige geest niet van mij weg.
Red mij en geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.
(Uit Psalm 51 de verzen 12-14)

(1) Ook in het Oude Testament wordt God (m.n. in de Psalmen, maar ook op heel wat andere plaatsen) voorgesteld als een goede herder die zorg draagt voor de kudde én voor de individuele schapen. Deze schapen behoren Hem niet alleen te kennen als de Herder en Redder van Gods volk, maar beslist ook als hun persoonlijke Redder en m.n. betreft dit het niet in en op eigen kracht uit liefde kunnen volbrengen van het leven “naar God’s wet”, zoals onze Heer Jezus Christus die heeft samengevat in ‘de hoofdsom van de wet’ (“de wet en de profeten”); Mattheüs 22:34-40, Markus 12:28-34, Lukas 10:25-37.

(2) Omdat we hier te maken hebben met het spreken van God tot Zijn eigen Verbondsvolk behoren we “eigen broer” en “zoon van je moeder” beslist en m.n. hier te lezen en begrijpen als: “je eigen broeder” en “kind van Gods volk“.

(3) Zo kan God zich dus ook laten kennen in het leven van zijn kinderen en van zijn volk. Als “een wolf” die hen levensgevaarlijk bedreigt. En dat natuurlijk met de bedoeling dat ze weer uit zullen zien naar een Herder die hen redden komt en verzorgt wanneer ze verdwaald en/of verwond zijn geraakt… (zie “de profeten”, bijv. Jesaja 5 : 25-30)

Bron tekst: de Bijbel (NBV).
Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Missionair: omwille van Zijn Naam…

“Broeders, luister naar mij. Simeon heeft uiteengezet hoe God zelf het plan heeft opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat Zijn Naam vereert.”

EEN VOLK VOOR ZIJN NAAM…

“Simeon (1) heeft uiteengezet hoe God zelf het plan heeft opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat zijn naam vereert.” (Handelingen 15:14).
Het is vrijwel onmogelijk om de eer (de faam) van God’s Naam te hoog in te schatten als motief voor de missie van de Kerk.
Toen Petrus’ wereld ondersteboven ging vanwege het visioen over het eten van onreine dieren (Handelingen 10), en het onderwijs daarbij van God dat hij zowel aan heidenen als Joden het evangelie diende te verkondigen, ging hij terug naar Jeruzalem en vertelde de apostelen daar dat dit alles te maken heeft met de ijver van God voor Zijn Naam. We weten dit omdat Jacobus later Petrus’ toespraak als volgt heeft samengevat: “Broeders, luister naar mij. Simeon heeft uiteengezet hoe God zelf het plan heeft opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat Zijn Naam vereert.” (Handelingen 15: 13-14).
Het is niet verrassend dat Petrus gezegd heeft dat het Gods doel (plan) was om Zich een ​​volk te verzamelen voor Zijn Naam; En wel omdat onze Heer Jezus een paar jaar eerder tot hem en de andere discipelen hierover onvergetelijke woorden had gesproken.
Bedenk dat dit gebeurde, nadat een rijke jonge man zich van Jezus had afgekeerd en geweigerd Hem te volgen. Petrus vroeg toen aan Jezus: “Zie, wij hebben alles achter gelaten en zijn U gevolgd [in tegenstelling tot deze rijke jonge man]. Wat zullen wij ontvangen? ” (Mattheüs 19:27). Jezus reageerde daarop met een milde terechtwijzing, en zei dat het geen ultiem offer is wanneer je voor de Naam van de Zoon des mensen leeft: ‘En ieder die broers of zusters, vader, moeder of ​kinderen, akkers of ​huizen​ heeft achtergelaten omwille van Mijn Naam, zal het honderdvoudige ontvangen en deel krijgen aan het eeuwige leven.’ (Mattheüs 19:29). (2)
De waarheid (hiervan) is klip en klaar: God streeft met almachtige inzet en vreugde naar het doel om Zich wereldwijd een ​​volk te verzamelen tot eer van Zijn Naam uit elke stam en taal en natie (Openbaring 5: 9; 7: 9). Hij vind onuitputtelijk vreugde in het verbreiden van de eer (faam) van Zijn Naam onder de volken.
Daarom zullen we, wanneer we we omwille van Zijn Naam onze toewijding aan Hem hiermee in overeenstemming brengen, afzien van onze zoektocht naar wereldse gemak en geluk en sluiten we ons aan bij God’s wereldwijde plan en doel, bij Gods almachtige werk voor de verbreiding en vergroting van de lof en eer van Zijn naam over en onder ons mensen en we kunnen en hebben dan niets meer te verliezen, ondanks dat ons veel verdrukking (2) kan en zal overkomen (Marcus 10 : 30, Handelingen 9:16; Romeinen 8: 35-39).

(1) In Lucas 2 lezen we van (een andere) Simeon de volgende woorden en daar wordt ook Gods volk Israël betrokken in de eer van Gods Naam onder de volken :
29 ‘Nu laat u, ​Heer, uw dienaar in ​vrede​ heengaan, zoals U hebt beloofd. 30 Want met eigen ogen heb ik de redding gezien 31 die U bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: 32 een Licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.’
(2) 29 Jezus​ zei: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zusters, moeder, vader of ​kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van Mij en het ​evangelie, 30 zal het honderdvoudige ontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en ​kinderen, ​huizen​ en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging, en in de tijd die komt het eeuwige leven. 31 Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.’ (Uit Marcus 10)

Bron tekst:  John Piper – Citaat (Engelstalig) eerder gepubliceerd op Facebook door pastor Paul Zadok (Uganda).
Bron afbeelding:  Pinterest

Naam aller Namen - Sela - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

In al mijn nood…

4 Toen riep ik de naam van de HEER: ‘HEER, red toch mijn leven!’ (Uit Psalm 116)

Ik riep de HEERE aan in mijn benauwdheid

Het onderstaande citaat komt uit Luthers verklaring van Psalm 118 uit 1529/30. In boekvorm is het dikwijls in het Duits uitgegeven onder de naam ‘Das schöne Confitemini’. Ook in het Nederlands heeft ‘Het schone Confitemini’ de nodige vertalingen en herdrukken beleefd.

‘Ik riep de HEERE aan in [mijn] benauwdheid, en de HEERE verhoorde mij, en bracht mij in een wijde ruimte’ (Psalm 118 : 5, weergave WA)

(…) “Hier moet leren wie leren kan! Ieder moet als een valk worden, die zich als hij in nood is omhoog verheft. Je moet in de eerste plaats zeker en zonder twijfel weten en geloven dat God met deze nood niet je ondergang bedoelt, maar dat Hij je daarmee wil drijven tot het gebed, tot roepen en strijden, om daarmee je geloof te oefenen – om God zo op een andere manier te leren kennen dan dat je tot nu toe gedaan hebt. Je moet er nu aan wennen om met de duivel en de zonde te strijden en door Gods hulp te overwinnen.

Anders zullen wij immers nooit weten wat geloof, Woord, Geest, genade, zonde, dood of duivel is. Als er alleen vrede is en geen aanvechtingen zijn, dan zullen wij God Zelf nooit leren kennen. Kortom: dan kunnen wij nooit echte christenen worden en ook geen christenen blijven! Alleen nood en vrees drijven ons naar Christus en doen ons christenen blijven. Daarom zijn verdriet en kruis net zo nodig als het leven zelf, ja nog veel nodiger en nuttiger dat alle goed en eer van de deze wereld.

Daarom: niet zitten piekeren, maar God aanroepen! Je moet leren roepen en niet ergens alleen gaan zitten of op de bank (1) gaan liggen en vanwege de problemen het hoofd maar laten hangen en alles – met allerlei gedachten – zelf verbijten en vereten – zorgen en zoeken hoe je eruit komt. Je gaat er dan alleen maar op letten hoe slecht het met je gaat en wat je allemaal voor ellende mee moet maken.

Zo gaat het niet goed! Nu op je knieën gevallen – handen en ogen tot God opgeheven – een Psalm of het Onze Vader gelezen en je nood wenende voor God neergelegd. Hem geklaagd en aangeroepen, zoals de Psalm ook leert: ‘Ik stortte mijn gebed voor Hem uit en vertelde Hem al mijn nood’ (vgl. Psalm 142 : 3). En ook deze Psalm: “Laat mijn gebed voor U komen als een reukoffer, en laat mijn handen tot U zijn opgeheven als een avondoffer” (vgl. Psalm 141 : 2).

Hier hoor je, dat bidden – je nood vertellen en je handen tot Hem opheffen – bij God de liefste offers zijn. Daar verlangt Hij naar! Hij wil, dat je Hem je nood voorlegt en die niet zelf draagt en voortsleept – die aan je laat knagen en je erdoor laat martelen. Daardoor maak je het alleen maar erger en maak je van één ramp er twee, ja, tien en honderd. Hij wil dat je weet, dat je te zwak bent om zulke grote zorgen zelf te dragen en te overwinnen, zodat Hij je nu wil leren om in Hem sterk te zijn en Hij in jou door Zijn kracht wordt verheerlijkt.”

Maarten Luther: Auslegung des 118. Psalms 1529/1530, vgl. WA 31.1, 95, 1 – 96, 35

(1) Hier worden letterlijk de houten banken bedoeld die in de kamers tegen de muren en onder de vensters stonden. Een geliefde uitspraak van Luther is bijvoorbeeld: Gods Woord onder de bank gooien, d.i. Gods Woord verachten.

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Assistenten en assistentie gevraagd?

Want de ogen van de Here gaan over de hele aarde, om krachtig bij te staan hen, van wie het ​hart​ volkomen naar Hem uitgaat. (2 Kronieken 16: 9)

Wat zoekt God in Zijn wereld? Assistenten? Nee. Het evangelie is geen advertentie waarin om hulpverleners wordt gevraagd. Het is ook niet de oproep tot christelijke dienstbaarheid.
God zoekt geen mensen die voor Hem het werk moeten doen. “De HEER laat immers voortdurend zijn ogen over de aarde rondgaan en biedt iedereen hulp die hem met heel zijn ​hart​ is toegedaan. “ (2 Kronieken 16: 9).
Wat wil God dan van ons? Niet wat we zouden verwachten. Hij verwijt Israël Hem zoveel offers te brengen: ‘Ik zal een stier uit jouw huis niet accepteren. . . . Mij behoren de dieren van het woud. . . . Als ik honger heb, zou ik je niet vertellen, want de wereld en haar volheid zijn van Mij ” (Psalm 50: 9-12).
Maar is er dan niets dat we aan God kunnen geven, waarmee we Hem niet tot de status van door ons “begunstigde” verlagen?
Jawel. Dat is onze bezorgdheid.
Hierbij klinkt zelfs een bevel: “Werp al je zorgen (bekommernis) op hem” (1 Petrus 5: 7). God ontvangt graag van ons alles waarmee wij Hem onze afhankelijkheid tonen en Hem eren in Zijn alvoorzienende zorg voor ons.
Dit is een fundamentele zaak voor het christendom en het christen-zijn. Patiënten reiken hun artsen niets aan. Zij vertrouwen op hun goede voorschriften. De Bergrede is het medisch advies van onze Arts, niet een taakomschrijving van onze werkgever (1).
Onze hele leven hangt af van het niet werken voor God. “Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit ​genade, maar krachtens verplichting. Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot ​gerechtigheid…” (Romeinen 4: 4-5).
Werknemers ontvangen geen geschenk(en). Ze krijgen hun loon. Wanneer we het geschenk van onze rechtvaardiging ontvangen hebben, dan durven we niet meer te werken. God is de werkman en werkt in deze zaak. En wat hij van ons ontvangt is de eer en dank voor de weldaden van Zijn genade, niet het profijt (voordeel) van onze dienst aan Hem.

(1) Daarom kunnen we ons ook zo rücksichtslos op Gods Woord alleen verlaten, ook in onze samenkomsten om deze werkelijk “dienst van(!) het Woord” laten zijn!
(…) 14 Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, 15 maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in ​liefde​ in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, ​Christus. 16 En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de ​liefde. (Uit Efeziërs 4)

Bron:  John Piper – Citaat (Engelstalig) eerder gepubliceerd op facebook door pastor Paul Zadok (Uganda).
Bron afbeelding: genade.info

Amazing Grace - genade.info

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie