Reddende Herder nodig en gevraagd…

Ik verwacht dat U mij redt Heer, (…)
Ik verlang ernaar dat U mij redt Heer, (…)
Ik dwaal rond als een verloren schaap. Zoek uw dienaar,
want ik vergeet uw geboden niet. (1)
(Uit het slot van Psalm 119 de verzen 166, 174 en 176)

(…) 16 Maar tot wie kwaad doet zegt God:
‘Wat baat het dat je mijn geboden opzegt
en mijn verbond in de mond neemt?
17 Je haat het als ik je terechtwijs,
mijn woorden schuif je terzijde.
18 Zie je een dief, je loopt met hem mee,
en bij overspeligen ben je thuis.
19 Je gebruikt je mond voor lastertaal
en verbindt je tong aan bedrog.
20 Je getuigt tegen je eigen broer,
werpt een smet op de zoon van je moeder (2).
21 Zou ik dan zwijgen bij wat je doet,
je denkt toch niet dat ik ben als jij?
Ik klaag je aan, ik som je wandaden op.
22 Begrijp dit goed, jullie die God vergeten,
of ik verscheur je, en er is niemand die redt (3):
23 wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer,
wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.
(Uit Psalm 50)

Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,
verban mij niet uit Uw nabijheid,
neem Uw Heilige geest niet van mij weg.
Red mij en geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.
(Uit Psalm 51 de verzen 12-14)

(1) Ook in het Oude Testament wordt God (m.n. in de Psalmen, maar ook op heel wat andere plaatsen) voorgesteld als een goede herder die zorg draagt voor de kudde én voor de individuele schapen. Deze schapen behoren Hem niet alleen te kennen als de Herder en Redder van Gods volk, maar beslist ook als hun persoonlijke Redder en m.n. betreft dit het niet in en op eigen kracht uit liefde kunnen volbrengen van het leven “naar God’s wet”, zoals onze Heer Jezus Christus die heeft samengevat in ‘de hoofdsom van de wet’ (“de wet en de profeten”); Mattheüs 22:34-40, Markus 12:28-34, Lukas 10:25-37.

(2) Omdat we hier te maken hebben met het spreken van God tot Zijn eigen Verbondsvolk behoren we “eigen broer” en “zoon van je moeder” beslist en m.n. hier te lezen en begrijpen als: “je eigen broeder” en “kind van Gods volk“.

(3) Zo kan God zich dus ook laten kennen in het leven van zijn kinderen en van zijn volk. Als “een wolf” die hen levensgevaarlijk bedreigt. En dat natuurlijk met de bedoeling dat ze weer uit zullen zien naar een Herder die hen redden komt en verzorgt wanneer ze verdwaald en/of verwond zijn geraakt… (zie “de profeten”, bijv. Jesaja 5 : 25-30)

Bron tekst: de Bijbel (NBV).
Bron afbeelding: SlidePlayer

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s