Een lamp die schijnt…

Ons vertrouwen in de woorden van de profeten is daardoor alleen maar toegenomen. U doet er goed aan uw aandacht altijd daarop gericht te houden, als op een ​lamp​ die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de ​morgenster​ opgaat in uw ​hart.
(2 Petrus 1 : 19)

Petrus dringt er op aan, dat de gelovigen bij de Schrift leven, ook bij die van het Oude Testament; want met „het profetische woord” kan hij alleen het Oude Testament bedoelen. Dit is een lamp, die schijnt in een duistere plaats. Het is dezelfde gedachte, die we vinden in het Evangelie naar Johannes: Johannes de Doper was het licht niet, maar getuigde van het licht. Johannes de Doper was de laatste en grootste profeet van het Oude Testament, hij getuigde van het licht, „en intussen was het waarachtige Licht, het Licht Zelf, reeds bezig in de wereld te komen” (Johannes 1 : 9).

In zijn polemiek tegen de hellenistische mystiek spreekt Petrus van de indeling in de geschiedenis, die aangebracht wordt door de komst van de Christus. Hij spreekt van de lamp, die schijnt in een duistere plaats, en van het aanbreken van de dag. Wie nu acht geeft op het profetisch woord van het Oude Testament, heeft daardoor het licht, dat schijnt in een duistere plaats; hij leert daardoor de oude tijd in zijn ware zin begrijpen. Maar hij kan ook verder komen: de dag breekt voor hem aan, als hij acht geeft op de lamp. Door de komst van de Christus is de dag aangebroken. De tijd is de nieuwe tijd, de tijd van het volle licht. Maar dat licht kan alleen dan door de gelovige worden gezien, als hij acht slaat op de lamp, die schijnt in een duistere plaats: dan zal de morgenster opgaan in zijn hart.

Dit wil evenwel niet zeggen, dat Petrus de gelovigen op hun binnenste terugwerpt. In zekere zin is de plaats, waar de gelovige woont, nog steeds de duistere plaats. Er zijn overblijfsels van de oude tijd; er is de lange tussenperiode van de lankmoedigheid (liefdevol geduld), waarover de tweede brief van Petrus spreekt in hoofdstuk 3. „Sinds de vaderen gestorven zijn, blijven alle dingen zo, als ze van het begin van de schepping af geweest zijn”. De oude tijd, de tijd van het vlees, schijnt zich te hebben voortgezet, en nu nog te gelden. Maar dat is niet zo, de dag is inderdaad aangebroken, en de gelovigen die het profetisch woord gebruiken als een lamp, zullen dat ook in het geloof verstaan: de morgenster zal opgaan in hun hart.

In heel zijn brief spreekt Petrus van de nieuwe tijd, de tijd van het nieuwe en eeuwige testament. Hij spreekt ervan op zo’n manier, dat we herinnerd worden aan wat op andere plaatsen in het Nieuwe Testament daarover wordt gezegd. Hij getuigt van de centrale plaats, die de Christus inneemt in de geschiedenis. Hij spreekt van de volmaaktheid: door deze zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zou hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst. (2 Petrus 1 : 4). Hier staat vlees tegenover Geest. Maar vlees dan genomen in afvallige zin: het verderf dat in de wereld heerst. De tijd van de Geest wordt hier dan gezien in de volmaaktheid, en om die reden gebruikt Petrus die sterke, vermoedelijk aan de terminologie van de mystiek ontleende uitdrukking: deel hebben aan de goddelijke natuur. Willen we dit goed begrijpen, dan hebben we de onderscheiding nodig van de twee perioden, vlees en Geest, waarvan de eerste sinds de zondeval naast het schepselmatige ook een afvallig aspect heeft, zodat het woord vlees op twee manieren van uitleg en toepassing kan worden gebruikt. Verder het over elkaar heen schuiven van de beide perioden, waardoor in de tijd van het vlees blijken van de tijd van de Geest, met mate, zijn waar te nemen; en waardoor ook na de hemelvaart van de Christus het vlees nog niet heeft uitgediend, maar in de periode van Gods lankmoedigheid tussen hemelvaart en wederkomst nog doorwerkt, zowel in schepselmatige als in afvallige zin.

“Want zo zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwig Koninkrijk van onze Heer en Heiland, Jezus Christus”, (2 Petrus 1 : 11).
Opvallend is hier, dat het Koninkrijk van de Christus een eeuwig Koninkrijk wordt genoemd. Een van de duidelijkste uitspraken van de Schrift, die doet zien, dat de geschiedenis met het eindgericht niet afknapt. Reeds nu is de Christus de Overste van de koningen der aarde, Hij is de enige wettige overheid van deze wereld. Maar eerst in de volmaaktheid is Zijn Koningschap vol. Hij blijft eeuwig Koning van de schepping en wettige Overheid in de hemel en op de aarde.
Toch spreekt Petrus hier van toegang tot dat Koninkrijk. Want al zijn alle mensen onderdanen — of anders slaven — van de Christus, eerst na het eindgericht is dat Koninkrijk volmaakt in het Hoofd en de leden. Nu is alleen het Hoofd in de volmaking. De leden gaan nog voort tot de volmaaktheid, en dat voortgaan is de toegang tot het eeuwig Koninkrijk van den Christus. Nog is er sprake van kostbare en zeer grote beloften, die nog niet verwezenlijkt zijn.

Wie niet in dit geloof staat, zal de nieuwe tijd zeker ook niet zien. Zoals de Christus, met verwijzing naar den doop van Johannes, tegen Nicodemus zegt: Tenzij men wederom geboren wordt, kan men het Koninkrijk van God niet zien. En zoals Johannes de Doper zegt: Wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven (d.i. het eeuwige leven) niet zien.
Degenen, die niet wederom geboren worden en de Zoon ongehoorzaam zijn, zien alleen maar, dat alle dingen zo blijven, als ze van het begin van de schepping af geweest zijn. Zij begrijpen de kosmos en de geschiedenis niet. Zij zijn de spotters. Zij krijgen een afkeer van het geschapene, omdat alle dingen net zo blijven als ze altijd zijn geweest, en de belofte van Christus’ komst niet wordt aanschouwd. De afkeer van deze „dingen die blijven zoals ze altijd zijn geweest” kan zo groot worden, dat men daardoor tenslotte vlucht in zijn fantasie. En dat doet elk ongelovige op zijn manier.

Wij mensen, zegt Petrus, zijn in de tijd. We merken van de nieuwe tijd nog niet veel. Maar dit moeten we niet vergeten, dat God, Die ons roept, Zelf boven de tijd staat. Een dag is bij Hem als duizend jaar, en duizend jaar als één dag. Hij talmt niet met de belofte, maar Hij is lankmoedig, in geduldige en vriendelijke liefdevolle vergevingsgezindheid, opdat allen tot bekering komen. (…) Wij verwachten echter naar Zijn beloften nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. (Zie 2 Petrus 3)

In die verwachting is de geschiedenis toch doorzichtig en overzienbaar.

Bron tekst: “Eerst de Jood maar ook de Griek” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Bron afbeelding: Mens en samenleving

 

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s