Voortgaan op de weg…

Ik zal voortgaan op de weg van uw geboden, wanneer U mijn ​hart​ verruimd hebt. (Psalm 119 : 32)

>>> Het hart van Gods kinderen is door de kracht van de inwonende zonden vaak helemaal van streek. ín de grond van de zaak is hun hart even goddeloos, zondig en geneigd om de wereld en de god van deze eeuw te dienen als het hart van een natuurlijk mens. <<<

(…) Het lopen van de weg van Gods geboden veronderstelt dat het leven der genade aanwezig is. Vrienden, een dood mens kan niet eens kruipen, nog veel minder lopen. Nodig is wat we lezen in Romeinen 8: ‘Want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods’, vers 2. We moeten in Christus een nieuw schepsel geworden zijn (2 Korinthe 5:17). Ook is het voor het lopen enigermate nodig dat het hart in een goede, geestelijke staat is. Een mens die ziek of gewond is of lijdt onder benauwdheid, kan niet goed lopen; hooguit kan hij wat strompelen. De grote Geneesheer moet de krachten die door de zonden verloren gegaan zijn, weer vernieuwen en de ziel van haar ziekten en wonden genezen; dan kan zij weer lopen.

Voor het lopen is nodig dat een mens ziet hoe gelukkig en voortreffelijk de weg is om te bewandelen, anders zal hij de andere wegen niet verlaten. Het is nodig dat hij van het zwerven op wegen buiten de Heere moe geworden is. Hij moet er hartelijk naar verlangen door de Geest op die uitnemende weg gebracht te worden en daarop te lopen. David zegt: ‘Ik ben vrolijker in de weg van Uw getuigenissen, dan over alle rijkdom’ (Psalm 119:14). De mens die deze weg loopt, kent zijn grote zwakheid in de genade en weet hoe nodig het is om de kracht van Christus te ontvangen. Het sterke verlangen en het diepe gevoel van onmacht gaan hier wonderwel samen.

Het lopen wijst op een innerlijke aandrang van het hart die ervoor zorgt dat er een gestadige voortgang is, en dat alle moeilijkheden uiteindelijk worden overwonnen. Het lopen in de weg van Gods geboden is dus een ernstige, krachtige en alles overwinnende voortgang van de ziel in de genade. Het hart neemt steeds door het geloof de toevlucht tot Christus, zodat zij steeds meer geestelijke kennis, licht, heiligheid en kracht krijgt.

Gods kind kan nu, als hij Christus in het oog houdt, bergen en hindernissen overwinnen, waarvoor hij eerst bleef staan. Hieraan kunnen hij en anderen hun vooruitgang zien. In Psalm 84 wordt dit genoemd een gaan van kracht tot kracht, een gaan van genade tot genade. We kunnen ook lezen: van licht tot licht, van geloof tot geloof, of uit geloof in het geloof. In 2 Petrus 1:5 lezen we: ‘Voeg bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis’. Het is ook een vergeten van wat achter is en het jagen naar het volmaakte dat vóór ons ligt (Filippenzen 3:14). Dit was vaak de gesteldheid van het hart van David. Hij kende een brandend verlangen om het beeld van God en Zijn wet in zijn leven te laten zien, en zich daarin te verheugen. Ja, het onderhouden van de wet was voor hem een grote beloning (Psalm 19:12). Het was voor hem de zaligheid. Hij was het eens met deze weg, en zijn ziel verlangde ernaar om dit hoe langer hoe meer in zijn leven te laten zien.

Waarom wordt die gestage vooruitgang in de heiligmaking een lopen genoemd, terwijl er ook mensen zijn die niet of nauwelijks kunnen lopen en die daarom gedragen moeten worden? Er zijn er die door de zwakheid in de genade en het afnemen van hun krachten door hun zonde, niet verder komen dan de keuze en het goedkeuren van de weg. Zo spreekt David ervan dat de Heere zijn kracht op de weg terneer heeft gedrukt (Psalm 102:24), zo op en neer ging het met die oprechte David. Dat is niet het lopen in de loopbaan, zoals Paulus daarover spreekt. Maar David bedoelt hier het lopen van iemand die heel graag een bepaald doel wil bereiken, of die vlucht voor een groot gevaar. Hij doet dit haastig en met veel inspanning.

Uiteindelijk komt zo iemand alle moeilijkheden te boven en achteraf kan hij er verwonderd over zijn dat hij erdoor gekomen is. Voor zo’n mens zijn Gods geboden niet zwaar (1 Johannes 5:3), zolang zijn geloof, zijn hoop en zijn vertrouwen hem niet ontvallen. Als het zijn hoogste doel is om aan het gevaar te ontkomen en de hemelse stad in de heerlijkheid te bereiken, zal hij onderweg de dood niet vrezen en zal hij alle gevaren trotseren. Want zoals hij vroeger was, zou hij zeker moeten sterven en het einde van de weg nooit bereiken. Hij heeft de stok en de staf van de beloften nodig om hem te brengen waar hij wezen moet (Psalm 23:4).

Het wordt ook een lopen genoemd, omdat iemand die snel vooruit wil komen zijn kleren, die hem hinderen, uittrekt. Dit gebeurt ook hier. Als iemand op de weg van de heiligmaking vooruit wil komen, is niets nadeliger dan de kleren van eigengerechtigheid; het is echt nodig dat hij ze van zich af gooit (Jesaja 64:6). Iemand zal op deze weg alles wat zwaar is, van zich afleggen, bijvoorbeeld goederen, geld, goud en zilver. Geld, goud en zilver zijn zwaar en veel mensen zijn eronder bezweken. Daarom zijn ook rijke mensen die genade ontvangen hebben, niet de verst gevorderden of de meest krachtige lopers op de weg van de heiligmaking. (1) Paulus zegt: ‘Laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is’ (Hebreeën 12:1).

Iemand die onderweg is, moet zich bewust zijn van de gevaren en andere omstandigheden die hij kan ontmoeten. Hij zal zich niet laten ophouden door allerlei onbelangrijke zaken of omdat de dag ten einde loopt. Aan de verleidingen van de wereld zoals rijkdom, macht en aanzien, waarvoor andere mensen stil blijven staan, gaat hij voorbij. Hij volgt in zijn leven Paulus na, die zegt: ‘Daar wij niet aan merken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig’ (2 Korinthe 4:18).

Ten slotte, iedereen kan het zien wanneer iemand loopt en vooruit komt. Het is dus geen verborgen werk. Salomo noemt het pad van de rechtvaardigen een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe (Spreuken 4:18). Andere mensen kunnen zien dat hij niet ver meer van de heerlijkheid verwijderd is. Dit is de zaak waarop David het oog heeft en waarop het hart van ieder rechtgeaard kind van God gericht is: ‘Ik zal de weg van Uw geboden lopen’. Omdat hij dit niet in zijn eigen kracht wil en kan doen, stelt hij zich nu open voor de hulp van God, die hij er als een gepaste voorwaarde bij voegt.

David is heel voorzichtig in het doen van zijn belofte.
Hij doet het in navolging van het Evangelie niet in eigen kracht, maar hij voegt er gelovig een uiterst gepaste voorwaarde aan toe: ‘als Gij mijn hart verwijd zult hebben’. We letten eerst op de inhoud van wat David aan de Heere voorstelt, en daarna op de voorwaarde zelf. (… wordt vervolgd!)

(1) Wij in Nederland behoren tot de tien procent rijkste landen/mensen in deze wereld.

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Bede van de gelovige om de hulp van God” van ds. Justus Vermeer (1696-1745) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 534 – Mei 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: Pinterest

Ken Hem in al uw wegen - Spr 3-6 - Pinterest

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël, Persoonlijk. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s