Wie mogen aanzitten aan de koninklijke maaltijd… (IV)

De tweede groep genodigden

(…) Hoe gedroeg deze tweede groep genodigden zich nu? Op grond van het 22ste vers is wel te vermoeden dat zeker een belangrijk deel daarvan gekomen is.
En inderdaad, allen in wier hart God onder de dienst van Johannes (1) of ook reeds eerder door Zijn Geest aanvankelijk iets gewerkt had, die kwamen op de blijde prediking van het Evangelie tot Jezus, en namen Hem met blijdschap aan als de door God gezonden Heiland en Zaligmaker. In anderen van de geringe Joden werkte God gedurende de dienst van Jezus en Zijn apostelen door Zijn Geest zo krachtig, dat ze metterdaad tot geloofsgehoorzaamheid gebracht werden. (2)

Wat kenmerkte het gedrag van deze mensen? Ze zagen bij goddelijk licht hoe diep ellendig zij waren. Ze kregen levendige indrukken van hun beklagenswaardige staat. Ze begrepen heel duidelijk dat mensen, die zo geheel arm, volstrekt ellendig, berooid en geheel gebrekkig waren, aan ‘s Heeren maaltijd geen luister of sieraad konden geven. Zij vonden daarin echter geen grond voor ongeloof. Integendeel, in de volle overtuiging dat de dienstknecht van de Heere in de naam van zijn grote Zender tot hen sprak, achtten ze het een dure plicht te gehoorzamen. Ze kregen daarbij zoveel eerbied voor en zoveel vertrouwen op het woord van de Koning, dat ze dit gewillig aannamen. Ze verdachten de Koning niet van huichelarij, alsof Hij hen alleen liet roepen om later met hen te spotten.

Zij vertrouwden er dus op dat Zijn uitnodiging welgemeend was. Hoewel ze in zichzelf geen reden zagen waarom de Heere hen riep, aarzelden ze daarom niet. Maar verrukt over de eer die de Koning met Zijn uitnodiging hen aandeed, dachten ze bij zichzelf: Als de Koning ellendigen wil hebben en de minst verkieslijksten onder het volk roept, als Hij op deze manier de onnaspeurlijke rijkdom van Zijn goedheid op een nooit gehoorde en alleszins verbazingwekkende manier aan de dag wil leggen, als de Heere het niet te gering acht om zulke slechte mensen als wij zijn met Zijn bijzondere vriendschap te vereren, dan past het ons zeker niet om deze verregaande goedheid te versmaden, maar integendeel deze juist te eerbiedigen. Met te gehoorzamen kunnen we niet zondigen, met de boodschap af te wijzen doen we dat wel.

De zaak die ons bij deze nodiging wordt voorgesteld, is ook zó begeerlijk dat we die niet mogen versmaden. Hij Die roept, is te getrouw om Zich niet aan Zijn Woord te houden. Als ze dit overdenken, krijgen ze vrijmoedigheid om, zo ellendig, beklagenswaardig, arm, verminkt, kreupel en blind als ze ook zijn, op de uitnodiging van de Heere te komen en zich aan Zijn bevel bereidwillig te onderwerpen. (…)

(1) (…) 29 Alle mensen die dit hoorden, ook de ​tollenaars, brachten hulde aan God en zijn ​gerechtigheid: zij hadden zich immers door Johannes laten ​dopen. 30 Maar de ​farizeeën​ en ​wetgeleerden​ verwierpen het plan van God: zij hadden zich immers niet door hem laten ​dopen. (Uit Lukas 7)
(2) (…) 21 Op dat moment begon hij vervuld van de ​heilige​ Geest​ te juichen en zei: ‘Ik loof u, Vader, ​Heer​ van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt u het gewild. (Uit Lukas 10)

Bron tekst: Gedeelte uit de preek “Dwing ze om in te komen” van ds. Adrianus Theodorus Clarisse (1741-1782) – uitgegeven in de Reveil-serie (No. 535 – Juni 2017) van Stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeelding: Pinterest en Message From our Lord

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s