Diotrefes, en de voorrang van liefde en dienstbetoon… (II)

(…) Gajus (1), zeiden we al, had lief, en van de liefde geldt ook: zij denkt geen kwaad. Maar nu gaat Johannes in dit briefje eens vertellen wat voor een man die ouderling Diotrefes eigenlijk wel is. De ogen moeten daarvoor open gaan in de gemeente. U voelt wel, Johannes schrijft dit niet aan Gajus, om Diotrefes achter de rug om te belasteren.

Dit briefje (1) is dan ook geen achterklap of roddel.

Johannes deelt alvast aan Gajus mee: „daarom zal ik, als ik kom, herinneren aan zijn werk” (vs 10)…. de apostel zal hem dus ronduit in z’n gezicht zeggen, wat hij nu aan Gajus schrijft. Maar Johannes schrijft dit nu alvast, omdat het heil der kerk er mee gemoeid is.

Diotrefes kon mooi praten.

Het gevaar bestond dat Gajus en de andere gemeenteleden onder zijn invloed kwamen. Dit zou funest zijn voor de kerk. Zo spoedig mogelijk moet deze man worden ontmaskerd. Want behalve dat hij brieven achterhoudt, voor de gemeente bestemd, heeft deze broeder nog meer op z’n geweten — inderdaad een „christen”, op wiens onchristelijke levenswandel veel aan te merken viel!

Wat „broeder” Diotrefes zoal op z’n geweten heeft, vertelt Johannes in dén brede aan Gajus; hij heeft een apostolisch schrijven achtergehouden, hij erkent het gezag van Johannes niet, hij „bebabbelt” de apostel met boze woorden (vs 10), hij ontvangt de broeders niet, en bant andere willekeurig uit de gemeente. Enzovoort.

Maar dit is alles ondergeschikt aan de grote zonde waarin Diotrefes is gevallen, en die door Johannes dan ook vooropgesteld wordt. Deze Diotrefes wordt namelijk gekarakteriseerd als iemand: „die onder hen de eerste tracht te zijn”. Diotrefes was een heerszuchtig en een eerzuchtig man. Hij wou het alleen te zeggen hebben. Zijn haan moest koning kraaien. Hij duldde daarin niets of niemand naast zich.

De leiding in de gemeente moest in zijn handen zijn.

Wij lezen er met geen woord van, dat deze ouderling niet zuiver in de leer was, of de een of andere ketterse mening verkondigde. In de andere brieven van Johannes is daar wel sprake van. Hij moet daar waarschuwen tegen valse leringen en anti-christelijke stromingen. Daar is nú geen sprake van. Ouderling Diotrefes was zo zuiver in de leer als maar enigszins mogelijk was. Hij was doorkneed in de dogmatiek zo gezegd. Als hij preken hoorde, kon hij zo maar zeggen, waar het te licht en waar het te zwaar was, en hij oefende die kritiek ook vrijmoedig. Nee, over de rechtzinnigheid van deze doorgewinterde ouderling behoefde men geen ogenblik in twijfel te verkeren.

Het is met deze „broeder” veel erger gesteld !

Hij was niet on- of anti-christelijk in de leer, maar in z’n leven, en daartegen is het dat Johannes met bewogenheid waarschuwt. Diotrefes wilde onder hen de eerste zijn. Dat is dé grote anti-christelijke zonde. Er is nauwelijks één kwaad te noemen dat bedenkelijker is, en nauwelijks één zonde die meer funest is voor het kerkelijk leven dan dit: de eerste willen zijn.

Ik schrijf dit met grote vrijmoedigheid neer, niet zozeer omdat de Schrift ons meldt, dat de hoogmoed de zonde geweest is die het allereerst haar intrede gedaan heeft in de wereld. Maar vooral omdat zij zo lijnrecht indruist tegen alles wat Christus Zelf geleerd en gedaan heeft.
Over de twisten der discipelen „wie van hen de meeste zou zijn”, heeft de Heiland Zich uitermate bedroefd. In de voetwassing heeft Hij hun een gevoelig lesje gegeven. Hij heeft ze diep ingeprent dat de meeste is, wie de minste wil wezen.

Hij Zelf was onder ons als één die dient.

De echt-christelijke levensstijl is niet heersen, maar dienen. En het is wel heel merkwaardig, dat als Paulus schrijft in Filippenzen 2 over de menswording van Christus, dat hij dat niet doet in dogmatische formuleringen, maar echt toepasselijk voor de levenspraktijk : „dit gevoelen zij in u hetwelk ook in Christus Jezus was, Die Zichzelf vernederd heeft”.

En dáárom is de zonde van Diotrefes en van allen die met hem in hetzelfde schuitje varen, gemerkt met een anti-christelijk stempel.

(1) De derde brief van Johannes is gericht aan Gajus, een “gewoon gemeentelid” van de gemeente waar ook Diotrefes lid van is en “voorzitter van de kerkenraad”.

(…) 5 Laat onder u de gezindheid heersen die ​Christus​ ​Jezus​ had. 6 Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, 7 maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een ​slaaf​ en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, 8 heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het ​kruis. 9 Daarom heeft God Hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, 10 opdat in de naam van ​Jezus​ elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, 11 en elke tong zal belijden: ‘Jezus​ ​Christus​ is ​Heer,’ tot eer van God, de Vader. (Uit Filippenzen 2)

Bron tekst: Gedeelten uit “Hoofdstuk XIV – Diotrefes” uit “Dubieuze posten – figuren uit de Bijbel” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding:   SlidePlayer

 

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s