Gebonden in en door de liefde…

Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past.
(Uit Genesis 2 : 18-23)

De eerste mens is alleen. Christus was alleen; wij zijn ook alleen. Maar ieder is op eigen wijze alleen. Adam is alleen in de verwachting van de andere mens, van de gemeenschap; Christus is alleen, omdat Hij alleen de andere mensen liefheeft, omdat Hij de weg is waarlangs het mensengeslacht tot zijn Schepper terugkeerde; wij zijn alleen, omdat wij de andere mensen van ons gestoten hebben, omdat wij hen haatten.

Adam was alleen in hoop, Christus was alleen in de volheid van zijn godheid, wij zijn alleen in het kwaad, in de hopeloosheid.

God schept de mens een hulp; het is niet goed, dat Adam alleen zij. Waarvoor heeft de mens, die in Gods bescherming leeft, een hulp nodig? Elders in de Bijbel is alleen God zelf de mens een hulp.

Wanneer hier dus van de vrouw gesproken wordt, moet daarmee iets heel ongewoons bedoeld zijn. Het kan in de samenhang van het geheel alleen hier om gaan, dat de vrouw de man een hulp zal zijn bij het verdragen van de hem gestelde grens. De andere mens is de mij door God gestelde grens, die ik liefheb en die ik om wille van mijn liefde niet zal overschrijden.

De vrijheid en het creatuur-zijn zijn door de schepping van de andere mens gebonden in de liefde. (1)

Hiermee staat al één ding vast: waar de liefde tot de ander verminkt is, kan de mens zijn grens alleen nog maar haten, wil hij deze alleen maar bezitten – grenzeloos, of vernietigen — grenzeloos, want nu beroept de mens zich op zijn recht en wat hij tot dan toe deemoedig ontving, wordt nu aanleiding tot roemen en rebellie.

Dat is onze wereld. De genade van de andere mens die onze hulp is, doordat hij ons helpt onze grens te verdragen – deze genade is tot een vloek geworden; de ander is geworden tot degene die onze haat tegen God (1a,1b) steeds hartstochtelijker maakt, om wie wij niet meer kunnen leven voor God en die ons steeds weer en meer tot oordeel wordt.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Wat is de mens” – (20 februari) “Wachten op hulp” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(1a) (…) 20 Als iemand zegt: ‘Ik heb God lief,’ maar hij haat zijn broeder of zuster, is hij een leugenaar. Want iemand kan onmogelijk God, die hij nooit gezien heeft, ​liefhebben​ als hij de ander, die hij wel ziet, niet liefheeft. 21 We hebben dan ook dit gebod van Hem gekregen: wie God liefheeft, moet ook de ander ​liefhebben. (Uit 1 Johannes 4)

(1b) (…) 3 Want dit is de ​liefde​ tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen; en Zijn geboden zijn geen zware last. 4 Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. (Uit 1 Johannes 5)

Zie evt. ook:  “Huwelijk – beeld van grote verborgenheid…”

Bron afbeeldingen:  Bible verses en DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Geef ons ook heden ons dagelijks Brood…

‘Ik ben het Brood des levens, wie tot Mij komt, die zal niet hongeren, en wie in Mij gelooft, die zal nooit meer dorsten (Johannes 6 : 35, weergave DB 1545)

Het Brood des levens (a)

(1) (…) “Het is duidelijk dat de Heere hier over ‘geestelijk eten en drinken’ spreekt. Op deze manier legt Hij het immers Zelf uit: Hij spreekt over een honger en dorst die de ziel aangaat. De ziel wil graag eeuwig leven en niet verdoemd worden. Ze wil een genadige God hebben en voor de toorn en het gericht van God kunnen bestaan. Kort gezegd: ze wil door de zonde en de wet niet worden aangeklaagd en wil niet in de hel terechtkomen. Dat is het verlangen van de ziel.

Dat betekent: een geestelijke honger en dorst hebben, waarvoor ook een geestelijke spijs en drank nodig is. Dit gebrek wordt alleen vervuld als de Heilige Geest komt en [tegen de ziel] zegt: ‘Wil je niet sterven of verdoemd worden? Kom dan tot Christus en geloof in Hem, houd je aan Hem, eet dit geestelijke Brood: geloof in de Heere Jezus Christus’ [vgl. o.a. Handelingen 16 : 30-31, hcvw]. Dat is één!

In de tweede plaats moet men deze tekst met aandacht overdenken tot grote troost en versterking van het geloof. En wel, omdat de Heere zegt: ‘Wie tot Mij komt, die zal niet hongeren of dorsten’, dat wil zeggen: hij zal niet sterven (2). Deze woorden moet men met gouden letters, ja nog beter, met levende letters in het hart schrijven.

Zodoende zou de mens kunnen weten, aan Wie hij zijn ziel moet bevelen en waar hij heen zal gaan wanneer hij van deze wereld moet scheiden. Het is immers te wensen dat hij deze gouden kunst [of: kennis] zou bezitten: hier, bij Christus, is mijn ziel veilig, deze Man zal mij niet teleurstellen.

Het zijn zeer heerlijke, kostbare en waardevolle woorden, die wij niet alleen uitwendig moeten kennen, maar waar wij ook ons voordeel mee moeten doen en zeggen: ‘Daarmee wil ik ’s avonds naar bed gaan en daarmee wil ik ’s morgens weer opstaan. Op deze woorden wil ik mijn vertrouwen stellen – op deze woorden wil ik slapen, waken, werken en over de brug [naar de andere wereld] gaan.’”

Maarten Luther:  Wochenpredigten über Joh. 6 – 8, vgl. WA 33, 61, 8 – 62, 11 (H)

(1) Op zaterdagmiddag 3 december 1530 preekte Luther, die de diensten voor de stadspredikant dr. Johannes Bugenhagen tijdelijk waarnam, uit het Evangelie van Johannes. Bugenhagen diende de reformatie voor langere tijd in het Noord-Duitse Lübeck (1530-1532). De tekst voor deze preek was Johannes 6 vers 32 tot 35. Vers 35 was het door Luther behandelde tekstdeel waaruit dit citaat is genomen:

(2) ‘hij zal niet sterven’: zie hiervoor niet alleen Johannes 6 vers 35, maar vervolgens ook de tekst tot vers 40 en o.a. Johannes 6 vers 58; 8 vers 51; 10 vers 28; 11 vers 25-26.

(a) Opgemerkt AJ: Net zoals wij het Avondmaal steeds weer mogen en kunnen vieren, zo mogen en hebben wij  – in het zoeken en in het dienen van Gods koninkrijk – ook steeds weer te vragen om “ons dagelijks Brood” (de Liefde, Wijsheid en Kracht die ons geloof en werken door het geloof nodig heeft) – het is ons door Jezus zelf geleerd!

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van onze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Johannes 6 35 - Bread of life - DailyVerses

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Vrijheid en vrij zijn is een relatie…

En God zei: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis.
(Genesis 1 : 26-27)

Dat God in de mens zijn beeld op aarde schept wil zeggen, dat de mens daarin op de Schepper lijkt, dat hij vrij is. Natuurlijk, hij is alleen vrij door de schepping Gods, door het Woord Gods. Hij is vrij voor de lofprijzing van de Schepper.

Want vrijheid is in de taal van de bijbel niet iets dat de mens voor zich zelf heeft, maar iets dat hij voor anderen heeft. Geen mens is vrij ‘op zich’, dus als het ware in het luchtledige, zoals hij op zich muzikaal, verstandig of blind kan zijn.

Vrijheid is geen kwaliteit, geen hoedanigheid die ergens diep in de mens ontspringt, geen aangeboren eigenschap.

Wie de mens doorvorst op zoek naar vrijheid, vindt niets. Hoe komt dat?

Omdat vrijheid geen kwaliteit is die aan het licht gebracht kan worden, geen bezit. Vrijheid is geen gegeven grootheid, niet iets waarover men beschikt, vrijheid is een relatie en niets anders. Vrij zijn wil zeggen ‘vrij-zijn-voor-de-ander‘, omdat de ander mij aan zich heeft gebonden. Alleen in de relatie tot de ander ben ik vrij.

Vrijheid is dat, waarover ik niet zonder meer als over een eigenschap kan beschikken, vrijheid gebeurt eenvoudig, gebeurt door de ander aan mij. Vragen wij, hoe wij dat weten dan antwoorden wij: het is de boodschap van het evangelie zelf, dat Gods vrijheid zich aan ons heeft gebonden, dat zijn vrije genade alleen aan ons werkelijk wordt, dat God niet voor zich zelf vrij wil zijn, maar voor de mensen.

Omdat God in Christus vrij is voor de mensen, omdat Hij zijn vrijheid niet voor zich zelf houdt, kunnen wij vrijheid niet anders zien dan als ‘vrij- zijn-voor…’. Dat God vrij is, betekent voor ons die met en door Christus existeren en ons mens-zijn kennen uit zijn opstanding niets anders, dan dat wij vrij zijn voor God.

De vrijheid van de Schepper blijkt daarin, dat Hij ons vrij laat zijn voor Hem,
wat niets anders zeggen wil dan dat Hij zijn beeld op aarde schept.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Wat is de mens” – (18 februari) “Plaatsbekleder” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 15 Beeld van God, de onzichtbare, is Hij, Eerstgeborene​ van heel de schepping:
16 in Hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde,
het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en heersers, machten en krachten,
alles is door Hem en voor Hem geschapen. (Uit Kolossenzen 1)

Bron afbeelding:  SlideShare

Genesis 1 26-27 - In His own image - SlideShare

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Lichaam én geest…

(…) En blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.
(Genesis 2 : 7b)

Lichaam en leven gaan hier volledig in elkaar over. God blaast zijn Geest in het lichaam van de mens. En deze geest is leven, maakt de mens levend. Het overige leven schept God door zijn woord, de mens geeft Hij van zijn leven, van zijn geest. De mens als mens is niet denkbaar zonder de geest Gods. Als mens leven wil zeggen als lichaam in de geest leven.

De vlucht uit het lichaam is evenzeer een vlucht uit het mens-zijn als de vlucht uit de geest. Het lichaam is de existentievorm van de geest, zoals de geest de existentievorm van het lichaam is. Dit alles heeft alleen op de mens betrekking, want alleen bij de mens vinden wij lichaam en geest.

Het menselijk lichaam verschilt van alle andere lichamen daarin, dat het de existentievorm van Gods geest op aarde is, zoals het met alle andere leven daarin overeenkomt, dat het aarde is. Het menselijk lichaam leeft werkelijk alleen door Gods geest, dat is juist zijn wezen. God verheerlijkt zich in het lichaam en wel in de specifieke lichamelijke bestaansvorm van het menselijk lichaam. (1)

Daarom treedt God, als het oorspronkelijk lichaam in zijn geschapen zijn is verminkt, opnieuw binnen in het lichaam, in Jezus Christus en als ook dit lichaam uiteengereten is, in de gestalten van het sacrament van het lichaam en bloed. Lichaam en bloed van het Avondmaal zijn de werkelijkheden van de nieuwe schepping, die de belofte bevatten voor de gevallen Adam. Omdat Adam geschapen is als lichaam, wordt hij ook verlost als lichaam, in Jezus Christus en in het sacrament.

De zo geschapen mens is de mens als beeld en gelijkenis van God. Beeld en gelijkenis, niet ondanks maar juist in deze lichamelijkheid. Want in zijn lichamelijkheid is hij betrokken op de aarde en op het lichaam van de ander, is hij er voor anderen, en is hij op anderen aangewezen. In zijn lichamelijkheid vindt hij de broeders en de aarde. Zó schepsel, is de mens uit aarde en geest ‘gelijkend’ op zijn schepper God.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Wat is de mens” – (18 februari) “Lichaam en geest” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(1) Opgemerkt door AJ: We hebben hierbij dan te denken aan en te maken met de bij de schepping aan de mens geschonken (beperkte) menselijke geest, daarnaast zijn er hemelse en ook boze geesten die allen bestaan door en vanwege Gods Geest, maar alleen (in) de Heilige Geest is de volledige volheid en volmaaktheid van onze drie-enige God, Die Zich door Woord en Sacrament woning wil maken en maakt in ons lichaam en Die op de nieuwe aarde in volheid in de vernieuwde mensheid woning zal hebben.

Uit 1 Korintiërs 15:
44 Een natuurlijk lichaam wordt ​gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam en er is een geestelijk lichaam.
45 Zo staat er ook geschreven: De eerste mens ​Adam​ is geworden tot een levend wezen, de laatste ​Adam​ tot een levendmakende Geest.
46 Het geestelijke is echter niet eerst, maar het natuurlijke en daarna komt het geestelijke.
47 De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk; de tweede Mens is de Heere uit de hemel.
48 Zoals de stoffelijke is, zo zijn ook de stoffelijke mensen, en zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelse mensen.
49 En zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen.

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Natuur, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Uit de aarde genomen…

Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem.
(Genesis 2 : 7)

De mens, die God naar zijn beeld en gelijkenis heeft geschapen, is uit de aarde genomen.

Sterker zouden zelfs Darwin en Feuerbach het niet kunnen uitdrukken.

De mens stamt uit een stuk aarde. De verbondenheid met die aarde behoort tot zijn wezen. De ‘aarde is zijn moeder’, uit haar schoot komt hij voort. Uit haar is zijn lichaam. Zijn lichaam behoort tot zijn wezen. Zijn lichaam is niet zijn kerker, zijn omhulsel, zijn uiterlijk, maar zijn lichaam is hij zelf. De mens ‘heeft’ geen lichaam en ‘heeft’ geen ziel, maar hij ‘is’ lichaam en ziel.

De mens die zich van zijn lichaam losmaakt, maakt zich los van zijn existentie voor God, de Schepper. De ernst van het mens-zijn is zijn gebondenheid aan de moederlijke aarde, aan zijn Zijn als lichaam. Zijn bestaan is een bestaan op aarde. Hij is niet, van boven neerdalend, door een wreed lot in de aardse wereld geketend en geknecht, maar uit de aarde waarin hij sluimerde, dood was, werd hij opgeroepen door het woord van God, de almachtige. Een stuk aarde, maar aarde door God geroepen tot mens-zijn.

Zo heeft ook Michel Angelo het bedoeld. De op de jonge aarde rustende Adam is zo vast en innig met de grond waarop hij ligt verbonden, dat hij in zijn nog dromende bestaan zelf een uitzonderlijk en zeer wonderlijk maar toch echt stuk aarde is. Juist in dit volledig toebehoren aan de gezegende grond van de pas geschapen aarde komt de volle heerlijkheid van de eerste mens aan het licht.

En in dit rusten op de aarde, in deze diepe scheppingsslaap, ervaart de mens door de lijfelijke aanraking van Gods vinger het leven – dezelfde hand, die de mens gemaakt heeft, raakt hem nu als van verre teder aan en wekt hem tot leven. Niet langer houdt de hand Gods de mens in zich zelf besloten, zij laat hem gaan en haar scheppende kracht wordt tot de verlangende liefde van de Schepper voor het schepsel.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Wat is de mens” – (17 februari) “De aarde is zijn moeder” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 3 Ik heb geen wijsheid opgedaan, van de ​Heilige​ weet ik niets.
4 Wie is naar de hemel geklommen en weer afgedaald?
Wie heeft de wind met zijn handen gevangen?
Wie heeft het water in zijn ​mantel​ gebonden?
Wie heeft de grenzen van de aarde bepaald?
Noem mij Zijn Naam, en de Naam van Zijn Zoon,
als je Die kent.
(Uit Spreuken 30 – de woorden van Agur)

Bron afbeelding:  Verse of the Day

Genesis 2 7 God-Formed-Man-From-Dust - Verse of the Day

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Natuur, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Niét vergeten…

In uw inzettingen zal ik mij verlustigen, uw Woord zal ik niet vergeten. 
(Psalm 119 : 16)

Hoe komt het dat mijn gedachten zo snel van Gods woord afwijken en dat mij bij zo vele gelegenheden niet het juiste Woord invalt? Vergeet ik soms te eten, te drinken en te slapen? Waarom vergeet ik dan Gods woord?

Omdat ik nog niet zeggen kan, zoals de psalm het zegt:
in uw inzettingen zal ik mij verlustigen.

Iets, waarin ik mij verlustig, vergeet ik niet. Vergeten of niet is geen kwestie van verstand, maar van de gehele mens, van het hart. Iets, waar ik met hart en ziel aan verbonden ben, kan ik nooit vergeten. Hoe meer ik de verordeningen van God in Schepping en Woord liefkrijg, des te meer zullen zij mij ook op het juiste moment voor de geest staan. Tegen het vergeten beschermt alleen de liefde.

Omdat Gods woord in de geschiedenis, dat wil zeggen in het verleden tot ons gesproken heeft, is het noodzakelijk ons iedere dag het geleerde in herinnering te brengen en te herhalen. ‘Vergeet niet één van zijn weldaden’ (Psalm 103 : 2). ‘Gedenk Jezus Christus’ (2 Timoteüs 2 : 8). Geloof en gehoorzaamheid leven uit de herinnering en de herhaling.

Herinnering wordt tot een kracht in het heden, want het is de levende God, die eens voor mij handelde en mij heden daarvan de garantie geeft. Wat voorbij is is op zich genomen van geen belang. Omdat echter in het verleden iets beslissends ‘voor mij’ geschiedde, wordt het verleden tot heden voor hen, die het ‘voor mij’ in geloof aannemen, ‘want het woord ‘voor mij’ spreekt alleen tot gelovige harten’ (Luther).

Omdat mijn heil niet in mij zelf maar buiten mij zelf ligt, omdat mijn gerechtigheid alleen de gerechtigheid van Jezus Christus is en omdat dit alles mij alleen in het Woord verkondigd kan worden, is herinnering en herhaling nodig om wille van de zaligheid en daarom betekent vergeten hetzelfde als niet meer in het geloof zijn.

In de dagelijkse herinnering aan Jezus Christus echter wordt mij toegezegd, dat God mij van eeuwigheid heeft liefgehad en mij niet heeft vergeten (Jesaja 49 : 14). En als ik weet dat God mij niet vergeet, omdat Hij mij liefheeft, dan verblijd ik mij, en mijn liefde voor Gods trouw in zijn woord vervult mij, en ik leer zeggen: ‘Uw woord zal ik niet vergeten.’

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Het bidden van de Psalmen” – (16 februari) “Vergeten is een gebrek aan liefde” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  Deborah H Bateman

Psalm 119 16 - I will not forget - Deborah H Bateman

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Een dwaze heilige…

“Dit wekte grote ergernis bij ​Jona​ en hij werd kwaad. Hij bad tot de HEER,” etc.
(Jona 4 : 1-2)

Lectures on Jonah – 1525/1526 (17)

‘Hier zien we volgens mij een vreemde en dwaze heilige die boos is vanwege Gods genade voor zondaars, die hen al de zegen daarvan misgunt en hen elk kwaad toewenst. Dit strijdt tegen de aard van de liefde, die alle goeds doet en alle goeds wil, zelfs voor vijanden. Het is nog verbazingwekkender om juist bij Jona deze houding te vinden na zijn ervaring met de grote gestrengheid van de goddelijke wil in de oceaan en in de walvis.

Jona verandert zelfs niet wanneer God hem straft voor deze onredelijke woede. En toch blijkt hij tegelijkertijd genoeg vertrouwen in God te hebben om Hem te vragen hem te laten sterven – hij geeft er niet om nog langer te leven. Maar, zó had hij niet kunnen bidden als hij God daarbij niet (impliciet) had vertrouwd.

Wat moeten we hier nog van zeggen? Hoe kunnen zo’n geloof en zulk kwaad naast elkaar bestaan? Hier zijn zaken aan de orde die om een antwoord vragen en waarvan we profijt kunnen trekken. We kunnen niet ontkennen dat Jona zonder reden boos is en dat hij inderdaad verkeerd doet. Dit blijkt uit het feit dat God hem hiervoor met woorden en daden terecht wijst en straft, en dat Hij hem met het teken van de wonderboom een berisping geeft.

Maar tegelijkertijd moeten we constateren dat Jona hiermee in het geloof bleef en door God aanvaard werd, en wel omdat Hij zo vriendelijk met Jona sprak en hem een teken gaf, en met Jona handelde zoals iemand op een vriendelijke manier met zijn medemens omgaat en spreekt. ‘

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19,239,20–240,3

Bron tekst: This Luther Quote was translated from english into Dutch. If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, they can use the web-form located on the homepage of www.maartenluther.com There you can find both options to subscribe and unsubscribe from these weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Jona 4 1-11 - take away my life - SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Geen zaak van maar een ogenblik…

(…) 15 Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als dwazen, maar als wijzen, 16 u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad. 17 Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de wil des Heren is. (Uit Efeziërs 5)

Tijd nemen, tijd maken…

Uw bevelen zal ik overdenken en op uw paden zal ik letten.
(Psalm 119 : 15)

Stilstaan is onmogelijk. Iedere gave, ieder inzicht dat ik ontvang, leidt mij dieper binnen in Gods woord. Voor Gods woord heb ik tijd nodig. Om de bevelen van God op de juiste wijze te verstaan, moet ik vaak lang op het woord zitten peinzen. Niets zou meer verkeerd zijn dan die activiteit of die gevoelsverheerlijking, die de waarde van het reflecteren ontkent. Dit reflecteren is niet alleen een zaak van mensen die daarvoor een speciale roeping hebben ontvangen, maar van een ieder die op Gods wegen wil gaan.

Natuurlijk eist God vaak een snel en ogenblikkelijk handelen; maar Hij eist ook stilte en bezinning. Zo mag en moet ik vaak uren en dagen lang bij één en hetzelfde woord blijven, tot ik het ware inzicht krijg. Niemand is zo ver gevorderd, dat hij daar buiten zou kunnen. Niemand moet geloven daarvan ontheven te zijn, omdat hij te veel werk heeft. Gods woord neemt mijn tijd in beslag. God ging zelf in de tijd staan en wil nu ook, dat ik Hem mijn tijd geef.

Christen zijn is geen zaak van een ogenblik, het vraagt tijd. God gaf ons de Schrift, waaruit wij zijn wil moeten leren kennen. De Schrift wil gelezen en overdacht worden, dag aan dag. Gods woord is niet de som van enkele eeuwige en algemene stellingen die ik mij te allen tijde voor de geest zou kunnen roepen, maar het dagelijks nieuwe woord van God aan mij in de oneindige rijkdom van de uitlegging. (1)

Meditatie, het biddend overdenken van de Schrift en uitleg zijn onontbeerlijk voor hem, die oprecht Gods bevelen en niet zijn eigen gedachten zoekt. Meditatie betekent, Gods woord in de Schrift biddend ter harte nemen, uitleggen betekent, Gods woord in de Schrift als Gods woord leren zien en begrijpen. Het een is er niet zonder het andere. Het een zowel als het ander is bezinning en moet dagelijks gepraktiseerd worden. (1)

Wil ik Gods bevelen ontdekken, dan mag ik niet op mij zelf en mijn situatie maar alleen op Gods paden letten. Wat God voor mij deed toen Hij aan zijn volk en toen Hij in Jezus Christus handelde, wat menswording, kruis en opstanding van Jezus Christus als Gods daden voor mij betekenen, dat alleen behoort mijn weg te bepalen. (1)

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Het bidden van de Psalmen” – (15 februari) “Tijd hebben” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(1) We moeten hier dan m.n. ook denken aan het overdenken van de gelezen Bijbelwoorden om ze te benutten en toe te passen voor de tijd waarin we leven en in de dag die voor ons ligt. Dat is dus wat anders dan het onderwijs in “de gezonde leer” dat ook nodig is en waar de Belijdenisgeschriften (m.n. de Heidelbergse catechismus) voor gegeven zijn, maar zeker ook de zondagse verkondiging en natuurlijk ook het dagelijkse Bijbellezen en overdenken draagt daaraan bij.

Bron afbeelding:  Pinterest

Efeziërs 5 15-16 - Not as unwise men - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Vreugde en blijdschap…

In de weg van uw getuigenissen verblijd ik mij als over allerlei rijkdom.
(Psalm 119 :14)

Wat het Woord ons schenkt

Ik verblijd mij – hier valt het grote woord en zonder dit woord is er geen gaan op Gods weg. ‘In zijn blijdschap erover gaat hij heen’ wordt er gezegd van de mens, die de schat in de akker gevonden had, ‘en verkoopt alles wat hij heeft en koopt de akker’ (Matteüs 13 : 44).

Al zijn rijkdom en bezit was gering in zijn ogen, vergeleken met de goddelijke schat. Wie de weg van God vindt, moet eerst alle eigen rijkdom verloren hebben, om dan de volle rijkdom van God en daarin alle rijkdom tout court te verkrijgen. Gods woord schept blijdschap in hem die het in zich opneemt. Het is de blijdschap over de opnieuw geschonken gemeenschap met God. Het is de vreugde over de verlossing uit angst en zonde. Het is de vreugde van de verdwaalde die na een lange nacht de goede weg heeft weergevonden. God bereidt de mensen feestelijke blijdschap. Hij is zelf de bron van alle blijdschap.

Gods woord zelf is vol van deze blijdschap, die bij ons moet aanbreken. Boven de vleeswording van het woord Gods in Jezus Christus staat de verkondiging van de grote blijdschap (Lucas 2 : 10). De aardse dagen van de Heer zijn als één grote bruiloft (Marcus 2 : 19; vgl. Lucas 19 : 6). Over de bekering, het heil van iedere boetvaardige zondaar door Jezus Christus heerst blijdschap in de hemel (Lucas 15 : 7, 10). Opstanding en hemelvaart van de Heer vervullen de discipelen met blijdschap (Marcus 28 : 8; Lucas 24 : 41,52; Johannes 20 : 20), en met blijdschap viert de jonge gemeente Jezus’ Avondmaal (Handelingen 2 : 46). Waar het woord Gods is, daar is blijdschap.

Als Jezus zijn discipelen verlaat om tot zijn Vader te gaan, laat Hij hen zijn woord na en in dit woord zijn blijdschap. ‘Dit heb ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde’ (Johannes 15 : 11). Deze vervulde blijdschap is het geschenk van het woord Gods aan zijn hoorders. Gods woord is de bron van alle blijdschap en de wegen van zijn getuigenissen zijn vol van zulk een blijdschap, want het zijn de wegen, die God zelf is gegaan, en met ons gaat.

Waar echter God met ons is, daar is ook blijdschap en deze blijdschap
zal niemand ons ontnemen (Johannes 16 : 22).

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Het bidden van de Psalmen” – (14 februari) “Wat het Woord schenkt’” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  Pinterest

Filippenzen 4 4 - Rejoice in the Lord - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Tegelijk onheilig en heilig…

(…) 10 Want de droefheid die overeenkomstig de wil van God is, brengt een onberouwelijke bekering (a) tot zaligheid teweeg, maar de droefheid van de wereld brengt de dood teweeg. 11 Want zie, juist dit, dat u overeenkomstig de wil van God bedroefd bent geworden, wat een grote inzet heeft dat in u teweeggebracht! (Uit 2 Korintiërs 7)

N.a.v. Lukas 24 vers 13-35 : “Een Christen is op hetzelfde moment een zondaar en een heilige, tegelijk slecht en goed. (1) Want wat onze persoon aangaat zijn we in zonden, en wat onze eigen naam aangaat zijn we zondaren. Maar Christus geeft ons een nieuwe naam. Hij noemt ons: ‘Uw-zonden-zijn-u-vergeven’. Die naam houdt in: omwille van Christus zijn al uw zonden vergeten en vergeven. Zo is het beide wáár: de zonden zijn er – want de oude-Adam is nog niet helemaal gestorven – en ze zijn er ook niet, omdat God ze om Christus’ wil niet wil zien.

Voor mijn ogen zijn ze er, ik zie en voel ze wel degelijk! Maar hier is Christus – Hij laat aan mij verkondigen: ’Ik moet boete (a) doen.’ Dat is: ik moet belijden dat ik een zondaar ben, én in Zijn Naam vergeving van zonden geloven (vgl. Handelingen 5 : 31).

Want de boete – hoewel deze niet gemist kan worden – is op zich niet genoeg om de zonden weg te nemen. Het moet zovér met je komen dat je in de Naam van Christus gelooft en zó ook voor jezelf de vergeving van zonden ontvangt. Waar dit geloof is, daar ziet God geen zonden meer. Want daar sta je voor God niet in je eigen naam, maar in de Naam van Christus – Hij kleedt en versiert je met Zijn genade en gerechtigheid.

Dat doet Hij, hoewel je in eigen waarneming een arme zondaar bent en vol zit met zwakheid en ongeloof. Toch hoef je daarvan geen doodschrik te krijgen – hoe zou je anders de prediking van de boete nog kunnen horen? (b) Daarom, zeg dan: ‘Ach Heere, ik ben een arme zondaar, dat weet ik, maar U zegt: “Zo zal het toch niet met je blijven, want Ik heb bevel gegeven dat in Mijn Naam vergeving van zonden gepredikt moet worden”’ (vgl. Lukas 24 : 47).”

(1) Het bovenstaande citaat is genomen uit de derde (!) preek die Luther op Paasdag 1533 thuis in besloten kring heeft gehouden. Deze drie preken omvatten tezamen 20 pagina’s in de ‘Weimarer Ausgabe’ (afgekort: WA). Het zijn dus geen lange preken. Waarschijnlijk werden ze n.a.v. de Schriftlezingen die voor die dag bestemd waren, uitgesproken na de gemeenschappelijke maaltijden. De twee eerste preken gaan over de opstanding op de Paasmorgen uit Mattheüs 28. De tekst voor de derde preek was Lukas 24 vers 13-35.

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1533 (Ausgabe: Hauspostille 1544). Über das Evangelium Lucå am 24. v. 13-35. Die dritt predig vom Osterfest, Anno 1533, vgl. WA 52, 264, 33 – 265, 10

(a) Boete: = berouw of bekering. Boete (Busse) in de hele Lutherse context en Bijbelvertaling een vaak gebruikt woord. Daarvoor gebruiken wij (ook de SV) vaak terecht het woord ’bekering’. Alleen wel jammer dat ‘bekering’ vooral in de zin van ‘berouw’ door de tijd heen veel aan betekenis heeft verloren.

(b) (…) Maar de mens hoeft geen angst te hebben! Dat is het verschil tussen de mens en alle andere creatuur, dat de mens te midden van uitzichtloosheid, chaos en schuld hopen kan. En wanneer gevraagd wordt, hoe hij dat kan, dan noemen wij de naam van Hem, voor wie het kwaad ineenkrimpt, die de angst zelf angst inboezemt, de naam van Hem, die geheel alleen de angst overwon en in triomf in gevangenschap voerde en aan het kruis sloeg en prijsgaf aan de vernietiging, de naam van Hem, die de overwinningskreet van de van angst verloste mensheid is – Jezus Christus, de gekruisigde en levende. (Dietrich Bonhoeffer geciteerd)

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie