Je omkeren te midden van een boos en overspelig geslacht…

(…) Laat mijn hartenkreet u bereiken, HEER, geef mij inzicht zoals u hebt beloofd…
(…) Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw dienaar, want Uw geboden heb ik niet vergeten. (Psalm 119 : 169 en 176=slot)

(…) ‘Ik heb met mijn stem tot God de HEERE geroepen – ik heb met mijn stem God gebeden. Ik wil voor Zijn ogen mijn gebed uitbreiden en wil voor Hem alles wat mij beangstigt, uitstorten’ (Psalm 142:2, Vulgaat-editie WA 1520).

Op die manier moet een christen ook eens overdenken wat hem ontbreekt of waarvan hij juist teveel heeft – dat alles vrijmoedig voor God uitstorten met wenen en kermen, zo bedroefd als hij maar kan zijn. Hetzelfde als hij zou doen voor zijn lieve vader, die bereid is om hem te helpen en te redden.

Als je zelf je zonde en ellende niet kent of weet, en als je daar niet mee wordt aangevochten, dan moet je weten dat je er heel slecht aan toe bent.

Dan is dat je grootste ellende, dat je zo versteend en verhard bent, dat je nu helemaal ongevoelig moet ondervinden dat niets je kan bewegen. Maar er is geen betere spiegel, waarin je je eigen nood kunt zien, dan in de Tien Geboden, daarin vind je wat je ontbreekt en wat je moet zoeken. (1)

Daarom, als je ziet dat je een zwak geloof hebt: niet veel hoop, weinig liefde tot God, idem dat je God niet looft of eert, maar eigen roem en eer liefhebt, de gunst van mensen zoekt, slordig en nalatig bent in gebed en kerkgang – in welke zaken niemand zonder gebrek is – dan moet je van deze gebreken meer schrikken dan van alle tijdelijke schade aan bezit, eer, lichaam en leven. Dan moet je weten dat die erger zijn dan de dood en alle dodelijke ziekten. Deze nood mag je met alle ernst voor God neerleggen, Hem klagen en om bijstand bidden, in vertrouwen dat je hulp en genade zult ontvangen.

Ga zo maar van de eerste tafel van de wet, waarin je tegen God gezondigd hebt, naar de tweede tafel, waarin je tegen God én mensen gezondigd hebt. Zie, hoe ongehoorzaam je bent geweest en nog bent, tegen je vader en je moeder en allen die over je gesteld zijn. Je verkeerdheid, haat, schelden, lasteren, ontucht, gierigheid, leugens en onrecht. Dan zal je zonder twijfel zien dat je vol bent met allerlei zonde en ellende, en dat je reden genoeg hebt om tot God te roepen en te kermen of bloeddruppels te wenen als je dat kon.”

 (…) Span daarom al uw krachten in om uw geloof te verrijken… (2 Petrus 1 : 5)

(1) Daarom valt het zeer te betreuren wanneer de regelmatige prediking van de wet zoals die vanwege de catechismusprediking aan de orde komt/kwam op veel plaatsen niet meer klinkt in onze (tweede) samenkomsten/leerdiensten (en voor zover die nog bezocht worden door de leden van onze kerken.)

Maarten Luther: Von den guten Werken, 1520, vgl. WA 6, 236, 10 – 237, 2

Bron citaat: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van ons e-mailadres info@maartenluther.com en van onze website: www.maartenluther.com

Lezen: Psalm 15 “Wie mag te gast zijn in uw tent”

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Catechismus - Zondag 44 - Waarom tien geboden streng prediken - SlidePlayer

 

 

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

Eén ding slechts…

(…) 42 Slechts één ding is nodig; (…) Maria heeft het goede deel uitgekozen,
hetwelk van haar niet zal weggenomen worden. (Uit Lucas 10)

Het traktaatje van Luther met de titel: ‘De vrijheid van een christen’, is waarschijnlijk wel één van de bekendste uitgaven van de reformator uit Wittenberg geworden. Er bestaat een Duitse en Latijnse versie. De Latijnse uitgave is soms iets uitgebreider en geeft wat meer bewijsplaatsen uit de heilige Schrift.

Hier volgt een citaat uit de Latijnse variant:

“Eén ding – en dat alleen – is nodig voor het christelijke leven, voor de christelijke gerechtigheid en voor de christelijke vrijheid. En dat is het heilige Woord van God, het evangelie van Christus. Dit wordt duidelijk wanneer Hij in het evangelie zegt: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven, wie in Mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven’ (vgl. Johannes 11 : 25-26). En evenzo: ‘Wanneer de Zoon u vrijgemaakt zal hebben, dan zult u werkelijk vrij zijn’ (vgl. Johannes 8 : 36). En ook: ‘Niet van brood alleen leeft de mens, maar van elk woord dat uit de mond van God uitgaat’ (vgl. Matthéüs 4 : 4).

Wij houden het dus voor zeker en beschouwen het als een vastgestelde waarheid dat de ziel alle dingen kan missen behalve Gods Woord. Zonder dit Woord is er verder niets waardoor zij geholpen kan worden. Heeft zij echter het Woord, dan is zij rijk en heeft aan niets gebrek. Want met en in dit Woord heeft zij het leven, de waarheid, het licht, de vrede, de gerechtigheid, de zaligheid, de vreugde, de vrijheid, de wijsheid, de kracht, de genade, de heerlijkheid en verder alles wat onbegrijpelijk en onmetelijk goed is. Dit is de reden waarom de profeet in geheel Psalm 119, en op veel meer andere plaatsen, met zoveel zuchten en roepen naar het Woord van God verlangt en smacht.

Daartegenover bestaat er geen ergere straf, in de toorn van God, dan dat Hij een honger (1) zendt om Zijn Woord te mogen horen, zoals Amos zegt (vgl. Amos 8 : 11-12). Zoals er aan de andere kant ook geen grotere genade is, dan wanneer Hij Zijn Woord uitzendt, zoals de Psalm zegt: ‘Hij heeft Zijn Woord uitgezonden en hen genezen, en deed hen aan de ondergang ontkomen’ (vgl. Psalm 107 : 18-21 o.a.). En ook Christus is tot geen ander ambt gezonden dan dat van het Woord (vgl. Jesaja 50 : 4). En de apostolische, de bisschoppelijke en de hele geestelijke stand is slechts geroepen en ingesteld voor de dienst van het Woord.

Vraag je nu: ‘Wat is dan dit Woord, of op welke manier moet het gebruikt worden, aangezien er zo véél woorden van God zijn?’ Dan antwoord ik: ‘De apostel legt dit [o.a.] uit in de brief aan de Romeinen, namelijk dat dit het evangelie van God is, betreffende Zijn Zoon Die vlees is geworden, heeft geleden, is opgestaan en is verheerlijkt door de Geest Die heilig maakt. Want ‘Christus prediken’ wil zeggen: de ziel weiden, rechtvaardigen, bevrijden en zalig maken – als zij de prediking tenminste gelooft.’

Want alleen het geloof is het zaligmakende en vruchtdragende gebruik van het Woord van God: ‘Als u met uw mond belijdt dat Jezus Heere is, en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u behouden worden’ (vgl. Romeinen 10 : 9). En opnieuw: ‘Christus is het einde van de wet tot rechtvaardigheid van ieder die in Hem gelooft’ (vgl. Romeinen 10 : 4). En: ‘De rechtvaardige zal uit zijn geloof leven’ (vgl. Habakuk 2 : 4 en Romeinen 1 : 17).

Want het Woord van God kan niet door goede werken, maar alleen door het geloof aangenomen en verheerlijkt worden.”

Maarten Luther: Tractatus de libertate christiana (1520), vgl. WA 7, 50, 32 – 51, 22

(1) Honger: een geestelijke hongersnood, omdat de openbare prediking van Gods Woord niet of nauwelijks meer te vinden is. Zoals de genoemde tekst zegt: ‘Zie de tijd komt, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden – niet honger naar brood, of dorst naar water, maar om het Woord des HEEREN te horen. Zodat zij zullen omzwerven van de ene zee tot de andere, en zullen omlopen van het noorden naar het oosten, om het Woord des HEEREN te zoeken en zullen het toch niet vinden’ (Amos 8 : 11-12, weergave DB 1545).

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com

Eén ding slechts kan ik van den HEER verlangen,
dit ene: dat zijn gunst mij eenmaal geev’
Hem dagelijks te loven met gezangen,
te wonen in zijn huis zolang ik leef !
Hoe lieflijk straalt zijn schoonheid van omhoog.
Hier weidt mijn ziel met een verwonderd oog,
aanschouwende hoe schoon en zuiver is
zijn licht, verlichtende de duisternis.
(Psalm 27 vers 2, berijmd, NB)

Bron afbeelding:  Do Not Depart

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Honger of verzadiging en minachting…

(…) Wie weet, God mocht Zich omkeren en ​berouw​ krijgen… (Jona 3 : 9)

Lectures on Jonah – 1525/1526 (16)

(…) “Het moet ons opvallen en het is opmerkelijk dat de inwoners van Ninevé niet in hun angst en vrees wanhopen, terwijl ze toch geen enkele belofte van barmhartigheid gehoord hebben. Mijn lieve mensen, over welke steunpilaar beschikten zij dan toch om hen voor wanhoop te bewaren? Wij hebben zoveel profeten, zoveel apostelen, zoveel geschriften, zoveel boeken, zoveel herders en troostende woorden, en nóg vertrouwen we niet zó op God dat we Hem daarmee recht doen.

De volheid van Gods Woord zoals wij die bezitten zou een oceaan kunnen worden genoemd tegenover de kleine druppel die zij daar hadden. Want ze konden niet meer van Gods Woord hebben gehoord dan dat Hij de Schepper van hemel en aarde is, dat Hij de ware God is, dat Hij genadig en barmhartig is. Dit kleine fragmentje van informatie weten ze echter zo goed in hun voordeel te gebruiken voor hun redding, dat ze zowel Joden als christenen hiermee beschamen. Die gebruiken de overvloed van Gods Woord nog niet eens half zo goed als de inwoners van Ninevé  vanwege de prediking van Jona.

Daarom noemt Christus hun een voorbeeld voor de Joden en voor ieder van ons vandaag. In Matteüs 12 vers 41 zegt Hij: ‘De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel samen met dit geslacht en zullen het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van ​Jona; en zie, meer dan ​Jona​ is hier!‘

En die waarschuwende en veroordelende woorden zijn heel terecht en eerlijk, want wij tonen nog niet de helft van die (bekerings)ijver, hoewel we reeds door duizenden bedreigingen en beloften werden en worden aangespoord en vermaand. De mensen van Ninevé toonden een groot geloof, en dat terwijl zij verschrikt werden door slechts één enkel woord van bedreiging en het daarbij moesten doen/stellen zonder de troost van ook maar één enkel beloftewoord.

Maar zo gaat het nu eenmaal: waar het Woord van God dun gezaaid is, daar zijn de honger naar het Woord en de ernst waarmee het gezocht wordt sterk en krachtig – maar waar het in overvloed beschikbaar is, daar vindt men verzadiging en minachting.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19,238,20–239,5

Bron tekst: This text was translated form English to Dutch. If you would like to have these (English-language) Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, they can use the web-form located on the homepage of www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. These emails are free of charge and you do not ask for donations.

Bron afbeelding:  Slideshare

Matteüs 12 41 - The men of Nineveh - Slideshare

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Gastheer voor de koning…

Stel u voor u bent uitgenodigd om gastheer voor koning Willem Alexander en koningin Maxima te zijn op een bijeenkomst die zij vaker in hun paleis organiseren en waar de koning een rede wil laten horen, die hij zelf grotendeels op papier heeft gezet en ook de kaders daarvan aangegeven, maar die hij toch door de gastheer wil laten uitspreken. Hij heeft u gevraagd om deze bijeenkomst met een commissie voor te bereiden, alhoewel de koning daarvoor zelf ook al de kaders heeft aangegeven en waarvan hij verwacht dat u dat zoals door hem in grote lijnen aangegeven ten uitvoer zult brengen.

En dan is het zo ver. De genodigde gasten zijn gearriveerd en hebben plaatsgenomen in de paleiszaal en u als gastheer opent deze bijeenkomst.

U vraagt de gasten te gaan staan om de koning en de koningin en elkaar eerst maar eens het Wilhelmus toe te zingen. En wanneer dat gebeurd is vertelt u de gasten dat u met een in opdracht van de koning door u aangestelde commissie aan de slag bent geweest en ook dat deze commissie uit een aantal zeer ijverige en creatieve mensen bestaat, die bedacht hebben dat het koninklijk paleis voortaan niet meer de gebruikelijke paleisnaam behoort te dragen, maar dat het nu voortaan in de mond van de gasten en in de volksmond “Paleis van Ontmoeting” zal heten en om de betekenis en invulling van die naam gelijk maar duidelijk te maken, draagt u de genodigde gasten op om de andere genodigden naast en voor en achter hen nu vast maar even de hand te schudden en hen wat vriendelijks toe te voegen en ook dat deze “ontmoeting” aan het eind van de bijeenkomst kan worden voortgezet in een paleiszaal (“straks hoeft u slechts de bordjes ‘Ontmoetingszaal’ te volgen) waar de leden van de commissie een en ander aan drinken en ander lekkers hebben klaar gezet.

Nadat u de gasten enige tijd gelegenheid gegeven hebt voor die “ontmoeting”, vraagt u of iedereen in de zaal stil wil worden en dan komt u met de volgende opdracht: Laat iedereen stil voor zichzelf opschrijven wat hij de koning of koningin altijd al heeft willen vragen of zeggen. Wat u opgeschreven hebt zal na de bijeenkomst verzameld worden door een speciaal team (door literatuurstudie – o.a. het blad “Vorsten” – redelijk bekend geraakt met hoe de koninklijke familie denkt) achter in de zaal en die zullen proberen in gesprek met u zo goed mogelijk een antwoord in te denken en u te geven op wat u te vragen of te zeggen had.

Terwijl u de gasten voor dat opschrijven maar eventjes de tijd geeft komt u vervolgens met de melding dat de koning en de koningin de genodigden (natuurlijk) ook graag hartelijk welkom heten op deze door u georganiseerde bijeenkomst hier in het “Paleis van Ontmoeting”.

Nadat u de gasten het lied “Oranje boven” heeft laten zingen meldt u de gasten dat de “creatieve commissie” – geheel op eigen initiatief, vooral ook om de koning werk uit handen te nemen – ook al plannen gemaakt heeft voor volgende bijeenkomsten en redes (en zelfs al onderwerpen daarvoor heeft uitgekozen en schetsen daarvoor opgesteld).

En, zo vervolgt u, omdat u als vaste gasten inmiddels ook wel zo’n beetje weet wat voor redes, samengesteld op aangegeven van onze koning, er op dit soort bijeenkomsten gehouden worden, hebben we nu ter verassing eerst nog een presentatie van de foto’s, die door onze gasten zijn ingezonden – n.a.v. het verzoek van onze “creatieve commissie” om aardige foto’s van huidige en vroegere koninklijke verblijven in te zenden. En wij zullen nu eerst ook de winnaar daarvan bekend maken en hier even op het podium nodigen.
Daarna hopen we toe te komen aan de rede van onze koning en de onderwerpen waarvan hij meende u dit keer nog de aandacht voor te vragen, we verzoeken u dan ook om niet eerder naar de “Ontmoetingszaal” te gaan of te vertrekken dan nadat we ook aan deze rede zijn begonnen en die hebben uitgesproken…

<<<===>>>>

Helaas hoort u, als gastheer, enige tijd na deze in uw ogen toch “zeer geslaagde bijeenkomst” dat de koning en de koningin niet meer van uw diensten gebruik zullen maken en ook dat door hen de door u samengestelde “creatieve commissie” ontbonden is…

Bron afbeelding:  Vorsten.nl

Koning Willem Alexander en koningin Maxima

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Politiek | Plaats een reactie

De heilige Drie-eenheid…

(…) 11 Want als de Geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn Geest, die in u leeft. 12 Broeders en zusters, we hoeven ons niet langer te laten leiden door onze eigen wil. 13 Als u dat wel doet, zult u zeker sterven. Als u echter uw zondige wil doodt door de Geest, zult u leven. 14 Allen die door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God. 15 U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’. (Uit Romeinen 8)

[Catechismuspreek over de heilige Drie-eenheid, 1535, zonder tekstopgave]

Christus, onze Zaligheid Zelf, getuigt en verklaart ons duidelijk dat de Heilige Geest eeuwig, almachtig God is, anders zou Hij het bevel van de Heilige Doop niet op deze manier samenvatten. Namelijk: dat men in de Naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest moet dopen (vgl. Mattheüs 28 : 19). Omdat Hij echter de verordening van ‘de doop met duidelijke woorden zo voorschrijft, moet daaruit volgen dat de Heilige Geest waarachtig en eeuwig God is, in gelijke macht en heerlijkheid met de Vader en de Zoon van eeuwigheid. Zo niet, dan zou Christus Hem in zulke werken, die vergeving van zonden en eeuwig leven betreffen, naast Zich en Zijn Vader niet noemen.

Dit zegt Christus ook: ‘En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in eeuwigheid. De Geest der waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet’ (vgl. Johannes 14 : 16). Op deze tekst moet u letten, want daar kunt u het onderscheid tussen de drie Personen van de Drie-eenheid zien. ‘Ik’, zegt Hij, ‘zal de Vader bidden.’ Daar hebt u twee Personen, Christus de Zoon Die bidt, en de Vader tot Wie gebeden wordt dat Hij een andere Trooster zal geven. Als deze Trooster door de Vader gegeven moet worden, dan kan de Trooster niet de Vader Zelf zijn. Christus Die om deze Trooster bidt, kan ook Zelf de Trooster niet zijn. Hij zegt immers dat Hij een andere Trooster zal geven.

Dat de drie Personen hier op het nauwkeurigst omschreven worden, valt niet te ontkennen. Zoals de Vader en de Zoon twee onderscheiden Personen zijn, zo is ook de derde Persoon, de Heilige Geest, een andere Persoon dan de Vader en de Zoon. En is toch alleen één eeuwige God.

Wie nu deze derde Persoon is, leert de Heere als Hij zegt: ‘Wanneer echter de Trooster zal komen, Die Ik u zenden zal, de Geest der waarheid, Die van de Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.’ Hier spreekt Christus niet alleen over het ambt en het werk van de Heilige Geest, maar ook over Zijn Wezen. Want Hij zegt: dat Hij van de Vader uitgaat. Dat is zoveel gezegd: dat Zijn uitgang zonder begin is, van eeuwigheid.

Maarten Luther: Hauspostille 1544, gepredigt zu Hause, 1530-1535, vgl. WA 52,340,30-341,19

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Bron afbeelding:  YouTube (Psalm 119 vers 3, OB)

Psalm 119 vers 3 OB - YouTube

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Gods orde en die van de geestdrijvers…

(…) 14 Maar hoe kunnen ze hem aanroepen als ze niet in hem geloven? En hoe kunnen ze in hem geloven als ze niet over hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze over hem horen als hij niet verkondigd wordt? 15 En hoe kan iemand verkondigen als hij niet is uitgezonden? Het is zoals geschreven staat: ‘Welkom zijn zij die goed nieuws verkondigen.’ 16 Toch hebben slechts weinigen aan het ​evangelie​ gehoor gegeven, want ​Jesaja​ vraagt: ‘Heer, heeft iemand geloofd wat wij hebben gezegd?’ 17 Dus door te luisteren komt men tot geloof, en wat men hoort is de verkondiging van ​Christus. (Uit Romeinen 10)

Zondag 20 HC:  Van God de Heilige Geest en van onze heiligmaking.

[Tegen de hemelse profeten]
Nu God Zijn heilig Evangelie heeft laten uitgaan onder de mensen, handelt Hij met ons op twee manieren.

In de eerste plaats uitwendig en in de tweede plaats inwendig. Uitwendig handelt Hij met ons door het mondeling gesproken woord van het Evangelie en door zichtbare [of tastbare] tekenen, zoals de doop en het avondmaal zijn. Inwendig handelt Hij met ons door de Heilige Geest en het geloof, bovendien door alle andere gaven. Echter wel in die maat en orde dat de uitwendige zaken zullen en moeten voorafgaan aan de inwendige.

De inwendige zaken moeten volgen en door de uitwendige zaken gewerkt worden. Want God heeft het zo besloten: dat Hij niemand de inwendige zaken wil geven dan alleen door het middel van de uitwendige zaken. Hij wil immers op geen andere manier aan iemand de Geest of het geloof geven, dan alleen door het uitwendige Woord en de tekenen [= sacramenten].

Dit alles alleen zoals Hij dat ingesteld heeft volgens het Evangelie van Lukas: ‘Laten zij naar Mozes en de Profeten luisteren (Lukas 16 : 29). Vandaar dat ook Paulus de doop het bad der wedergeboorte noemt, waarin de Heilige Geest door God rijkelijk uitgegoten wordt (Titus 3 : 5). Het mondeling gesproken Evangelie wordt door Paulus bovendien een Goddelijke kracht genoemd, die allen zalig maakt die daarin geloven (Romeinen 1 : 16).

Broeders, op deze orde moet u letten, want dat is van het grootste belang! Hoewel dan de geestdrijvers zich voordoen alsof zij hoog opgeven van Gods Woord en Geest en zich beroemen op een voortreffelijke, brandende liefde en ijver om de waarheid en de gerechtigheid van God, toch is het hun bedoeling om deze door God ingestelde orde om te keren. Uit weerspannigheid willen zij het tegenovergestelde instellen en daarom drijven zij het op deze manier: alles wat God uitwendig verordent om het inwendige door Zijn Geest te werken – zoals reeds gezegd is – bespotten zij. Ach, hoe vol hoon en laster verwerpen zij alle genademiddelen en slaan zij die in de wind en willen eerst beginnen met de Geest.

Maarten Luther: Wider die himmlischen Propheten, von den Bildern und Sacrament, vgl. WA 18,136,9-31

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Luther geciteerd: Want hoewel het wáár is dat de Heilige Geest inwendig in het hart Zijn werking heeft, wil Hij toch deze werking ordelijk en in het algemeen niet anders dan door het mondeling gesproken Woord uitrichten. Paulus zegt dat ook: ‘Hoe zouden kunnen geloven, die eerst niet over Hem hebben gehoord? (vgl. Romeinen 10:14). Daarom noemt Christus Hem een Getuige. Nu echter, bij dit getuigen hoort de mond en het woord van de apostelen en van alle predikers die het Evangelie van Christus rein en zuiver verkondigen. Daarom mag niemand die waarlijk troost begeert, wachten totdat de Heilige Geest Christus persoonlijk aan hem voorstelt of direct uit de hemel tot hem zal spreken. Hij houdt Zijn getuigenis openbaar in de prediking, dáár moet u Hem zoeken en op Hem wachten, totdat Hij door dit Woord – dat u met uw oren hoort – uw hart aanraakt en op die manier door Zijn werking inwendig in het hart van Christus getuigt. Maar dit inwendige getuigenis komt niet eerder, of alleen dan, als daarvóór dat andere openbare en mondelinge getuigenis van het Woord heeft plaatsgevonden.
Bron: Vom Abendmahl Christi. Bekenntnis, 1528, vgl. WA 26,505,29-37; Hauspostille 1544, WA 52,308,30-30

Bron afbeelding:  YouTube

Romeinen 1 16-17 - I am not ashamed - YouTube

 

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Ons ‘sieraad en feestkleed’…

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven… (Uit Psalm 27 zevende vers, OB)

Hoewel stellig de ruimte van het psalmgebed ver uitgaat boven de beperktheid der persoonlijke ervaring, bidt de enkeling toch in het geloof dit hele gebed (1) van Christus. Het gebed van Hem, die waarachtig mens was en die alleen de ervaringen van deze gebeden ten volle gekend heeft.

Mogen wij dus de wraakpsalmen bidden? Voor zover wij zondaren zijn en aan het ‘wraakgebed’ boze gedachten koppelen, mogen wij het niet. Maar, voor zover Christus in ons is, die alle wraak Gods op zich zelf laadt; wie de wraak van God trof, waar deze ons had moeten treffen; die zo — door de wraak Gods getroffen en niet anders — de vijanden vergeven kon; die zelf de wraak ondervond, opdat zijn vijanden vrij zouden worden, mogen wij als leden van deze Jezus Christus ook deze psalmen bidden: door Jezus Christus, uit het hart van Jezus Christus.

Mogen wij ons met de bidder der psalmen onschuldig, vroom en rechtvaardig noemen? Wij mogen het niet als degenen die wij uit ons zelf zijn; wij kunnen het niet als het gebed van ons verdorven hart; maar wij mogen en moeten het uit het hart van Jezus Christus, dat zondeloos en zuiver was en uit de schuldeloosheid van Christus, waaraan Hij ons in het geloof heeft deel gegeven; voor zover Christus’ bloed en gerechtigheid ons ‘sieraad en feestkleed’ geworden zijn, mogen en moeten wij de onschuldpsalmen bidden als het gebed van Christus voor ons en als zijn geschenk aan ons. Ook deze psalmen behoren ons toe door Hem.

En hoe moeten wij die gebeden van onzegbare ellende en lijden bidden, terwijl wij nog nauwelijks begonnen zijn er in de verte iets van te vermoeden, wat hier wordt bedoeld?

Niet om ons kunstmatig op te werken tot iets dat onze eigen ervaring niet kent, en niet om ons zelf te beklagen. Maar omdat al dit lijden waarachtig en werkelijk geweest is in Jezus Christus. Omdat de mens Jezus Christus ziekte, pijn, schande en dood heeft ondergaan en omdat in zijn lijden alle vlees geleden heeft en gestorven is – daarom zullen en moeten wij de lijdenspsalmen bidden. Wat met ons aan het kruis van Christus geschiedde, de dood van onze oude mens, en wat sedert onze doop eigenlijk met ons geschiedt en geschieden moet in het afsterven van ons vlees, dat geeft ons het recht tot deze gebeden.

Door het kruis van Jezus zijn deze psalmen deel geworden van zijn lichaam op aarde
als gebeden uit Zijn hart.

(1) Het boek van de Psalmen zoals te vinden in het OT.

Opgemerkt:
Lees bij deze meditatie Psalmen 9+10 en Psalm 27 (zie ook hieronder).

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Het bidden van de psalmen” – (8 februari) “Ons ‘sieraad en feestkleed’” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Uit Psalm 9+10

(…) 8 Maar de Here zetelt voor eeuwig,
zijn rechterstoel heeft Hij ten gerichte gezet;
9 ja, Hij oordeelt de wereld in ​gerechtigheid,
Hij richt de natiën in rechtmatigheid.
10 Daarom is de Here een burcht voor de verdrukte,
een burcht in tijden van nood.
11 Daarom vertrouwen op U wie uw Naam kennen,
want Gij hebt nooit verlaten wie U zoeken, o Here.

(…) 15 Verbreek de arm van de goddeloze en boze,
straf zijn goddeloosheid, totdat Gij ze niet meer vindt.
16 De Here is ​Koning, eeuwig en altoos.
De volken zijn vergaan uit zijn land.
17 De begeerte der ootmoedigen hebt Gij, Here, gehoord:
Gij sterkt hun ​hart, uw oor merkt op,
18 om recht te doen de wees en de verdrukte,
zodat nooit meer een aards sterveling schrik aanjaagt.

Bron afbeelding:  Bible Verse Images

Psalm 9 9-10 - The Lord is a refuge for the oppressed

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Bewaar ons voor zelfgenoegzaamheid…

Ik zoek U met heel mijn ​hart, laat mij niet afdwalen van Uw geboden.
(Psalm 119 : 10)

Gedreven tot steeds dieper kennen!

Wie Gods woord ontvangen heeft, móet beginnen, God te zoeken; hij kan niet anders. Naarmate Gods woord zich duidelijker en dieper aan ons openbaart, wordt in ons het verlangen naar de volkomen doorzichtigheid en de onuitputtelïjke diepte van God zelf levendiger. God drijft ons door de gave van zijn woord ertoe naar steeds rijker inzicht en heerlijker gave te zoeken. Hij wil geen valse zelfgenoegzaamheid. Hoe meer wij ontvangen, hoe meer moeten wij Hem zoeken en hoe meer wij zoeken, hoe meer wij van Hem zullen ontvangen. ‘Wie heeft, die zal gegeven worden’.

God wil zich geheel aan ons verheerlijken en in heel zijn rijkdom openbaar worden. Weliswaar kunnen wij God nergens anders zoeken dan in zijn Woord, maar dit Woord is leven en onuitputtelijk; want God zelf leeft erin. Heeft Gods woord ons geraakt, dan mogen wij zeggen: Ik zoek God met heel mijn hart. Want met een half hart zouden wij een afgod, maar nooit God zelf zoeken. God wil ons hele hart. Hij wil niet iéts van ons, maar Hij wil óns, geheel en al. Dat heeft ons zijn Woord gezegd. Daarom zoeken wij Hem met heel ons hart.

Er blijft ons nog maar één zorg, dat wij van de begonnen weg, van de geboden die wij hoorden, afdwalen. Afdwalen, zegt de psalmist. Hij denkt niet meer aan een vooropgezet, moedwillig overtreden van wat men als goddelijk gebod heeft leren zien. Maar hoe gemakkelijk verdwalen wij, wanneer het kwade onze blik vertroebelt. Wij raken op zijwegen en weten niet meer vanwaar en waarheen en vinden niet meer de weg terug naar Gods geboden.

Wij moeten God dagelijks bidden ons voor de zonde van het afdwalen, voor de zonde in onwetendheid te bewaren; want zijn wij eenmaal onwetend op een slechte weg geraakt, dan scheppen wij al gauw behagen in deze weg en een vergissing wordt tot boze opzet.

Wie echter God zoekt met heel zijn hart, die zal niet dwalen. (1)

(1) Opgemerkt AJ: Of zich daarvan laten terugroepen en zich omkeren wanneer hij eerder door onvoorzichtige eigenwijsheid en/of halfhartigheid en halfslachtigheid toch op een dwaalweg was geraakt.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Het bidden van de psalmen” – (10 februari) “Gedreven tot steeds dieper kennen” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  Yumpu

Psalm 119 10-11 - With all my heart - Yumpu

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Persoonlijk | Plaats een reactie

Pinksterpreken…

(…) 36 Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en ​Christus​ gemaakt heeft, namelijk deze ​Jezus, Die u gekruisigd hebt. 37 En toen zij dit hoorden, werden zij diep in het ​hart​ geraakt… (…) 40 En met veel meer andere woorden legde hij getuigenis af en spoorde hij hen aan met de woorden: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht! 41 Zij nu die zijn woord met vreugde aannamen, werden ​gedoopt; en ongeveer drieduizend zielen werden er op die dag aan hen toegevoegd. (Uit Handelingen 2)

(…) Daarom dan, ik of zij, zó prediken wij, en zó zijt gij tot het geloof gekomen.
(Uit 1 Korintiërs 15)

Zondag 19 HC:  Over het nut van de heerlijkheid van ons Hoofd Christus in de hemel.

[Behandelde tekst: Handelingen 2 : 14 – 36, gepreekt op Pinksteren 1533]

Wanneer wij gestorven zijn, zal God anderen geven die na ons over de uitstorting van de Heilige Geest zullen preken. Want de Heere Christus, Die door de profeet Joël heeft laten profeteren dat Hij in de laatste dagen van Zijn Geest zal uitgieten, zit nog hierboven aan de rechterhand van God en vervult dagelijks deze profetie (Joël 2 : 28). Dat is: Hij giet nog steeds Zijn Heilige Geest uit, verlost uit noden, doopt, spreekt vrij, vergeeft de zonden, en schenkt de eeuwige zaligheid aan allen die in Hem geloven en Zijn Naam aanroepen.

Als Christus niet aan de rechterhand van God zou zitten en ook van Zijn Geest niet dagelijks zou uitgieten, dan zou het christelijk geloof niet blijven bestaan. Want het gaat tegen alle mensenverstand in, en de duivel is het vijandig gezind. Daarom, wanneer deze uitstorting van de Heilige Geest niet altijd zou doorgaan, dan zou de duivel niet één mens bij de pinksterpreek en bij het geloof in Christus laten blijven. Maar onze lieve God in de hemel heeft een eeuwige, Goddelijke Muur daarvoor gezet, Jezus Christus, Zijn Zoon en onze Heere, verhoogd aan Zijn rechterhand. Hij alleen laat ons de pinksterpreek en het christelijk geloof behouden, totdat ook wij ondankbaar worden en God de duivel toestaat om vanwege onze verkeerdheid en ondankbaarheid deze prediking van ons te nemen.

Toch moet de pinksterpreek en het christelijk geloof blijven tot aan het einde van de wereld. Ook als wij dit alles vanwege onze ondankbaarheid verliezen, dan moeten toch anderen het weer krijgen, zolang de wereld bestaat. Als de duivel de pinksterpreek uit een stad, dorp, gebied of land verdrijft: dan kan hij die toch niet uit de hele wereld verdrijven. Want Christus zit aan de rechterhand van God en regeert met Goddelijke macht, zodat Hij Zijn christenheid door de uitstorting van de Heilige Geest, door de prediking van het Evangelie, en door doop en avondmaal vergadert tot één geloof, hoop en liefde. Daarom is Hij ook naar de hemel gevaren en heeft Hij Zich gezet aan de rechterhand van God, opdat Hij die werken zou verrichten en volbrengen die alleen eigen zijn aan God.

Maarten Luther: Am Tage der Himmelfahrt Christi, 1533,W(2)13,S.2069 ff

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Bron afbeelding: Warren Camp Design

1 Korintiërs 15 3-4 - According to the Scriptures - Warren Camp Design

 

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Huwelijk: beeld van grote verborgenheid…

(…) 2 ‘Het is met het ​koninkrijk van de hemel​ als met een ​koning​
die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. (uit Matteüs 22)

(1) Het huwelijk is een voorbeeld van de grote verborgenheid en wonderlijke vereniging van Christus en Zijn kerk (vgl. Efeze 5:32). Allen die in Hem geloven, zijn Zijn lidmaten en Hij is hun Hoofd (vgl. Efeze 5:23). Zoals Paulus zegt: ‘van Zijn vlees en van Zijn gebeente.’ (Efeze 5:30), net als in de eerste schepping de vrouw uit de man is genomen (Genesis 2:23).

Het moet zeker wel een ondoorgrondelijke en onuitsprekelijke liefde van God zijn, dat de Goddelijke natuur nu zo met ons is verbonden en in ons vlees en bloed is neergedaald dat de Zoon van God werkelijk met ons één vlees en één lichaam is geworden. En wel op die manier dat Hij niet alleen onze Broeder, maar ook onze Bruidegom wil zijn (vgl. o.a. Openbaring 21 : 9). Daarbij geeft Hij ook al het Zijne aan ons in eigendom. Dat is: al Zijn Goddelijke heerlijkheid, wijsheid, gerechtigheid, heiligheid, leven, kracht en macht, zodat wij in en met Hem ook de Goddelijke natuur deelachtig worden, zoals de apostel Petrus zegt (vgl. 2 Petrus 1 : 4).

Onze Heere Christus wil dat wij geloven dat wij al deze hemelse goederen en heerlijkheid van Hem hebben ontvangen, zodat wij ons vrolijk en vol vertrouwen in Hem verblijden, zoals een bruid doet die deelt in de heerlijkheid en de goederen van haar bruidegom. Kijk, dát laat Hij ons zien in dit dagelijkse beeld van een bruiloft of huwelijk, waarbij de bruid en de bruidegom voortaan alles gemeenschappelijk hebben (vgl. Mattheüs 22 : 1-14). Zodat wij daaruit Ieren en verstaan dat Christus ook zo’n hartelijke liefde heeft voor Zijn bruid, de christelijke kerk. Maar dan met veel grotere liefde, trouw en genade dan ooit een aardse bruidegom had voor zijn bruid.

Bij deze vrolijke bruiloft bekleedt en versiert Hij Zijn bruid met al Zijn heerlijkheid, dat is met de vergeving en afwassing van zonde en met Zijn eeuwige gerechtigheid, en daarbij schenkt Hij haar de Heilige Geest. Verder geeft Hij ook licht, wijsheid, kracht en alle andere gaven die Zijn lieveling nodig heeft.

(1) Behandelde tekst: Mattheüs 22:1-14.

Maarten Luther: Crucigces Sommerpostille, vgl. WA 22,336,20 – 337,16

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Jesaja 61 10 - grote vreugde in de Heer - bruid bruidegom - DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Politiek | Plaats een reactie