Startzondag als exponent van de tijdgeest…

N.a.v. “Startzondag”  bij NGK “De Ontmoeting”
Anno 2017 (500 jaar na de Reformatie)

Vorige week zondagmorgen (3 september) kreeg onze gemeente aan het eind van de Avondmaalsdienst in het slotlied deze woorden te zingen “Ga heen en maak het waar” en de opmerking van de schrijver van deze blog (AJ) was toen (al) “laten we maar zingen: Ga heen Hij maakt het waar”… (1)

En nu op de (start)zondag” van onze gemeente begon onze predikant (nog voordat hij onze afhankelijkheid en onze rotsvaste zekerheid uitsprak en beleed met de zegen-groet) met de woorden “Wij zijn NGK ‘De Ontmoeting’… (2) en IK ZAL dat gelijk maar even WAARMAKEN…” (1) en toen gaf hij de gemeente de opdracht om elkaar even de hand te geven en wat vriendelijke woorden uit te wisselen, en toen daar volgens hem genoeg gelegenheid voor geweest was, toen zei hij dat de gemeente deze ontmoeting na de dienst kon voortzetten onder het genot van een kopje koffie en alles wat de gemeenteleden verder zelf nog aan lekkers hadden klaargemaakt en mee gebracht… (a)

Daarna moest de gemeente eerst tot stilte gemaand worden om eerst nog zelf te kunnen spreken tot God en daarna kreeg de gemeente (ook nog) Gods zegen-groet te horen…

Vervolgens – na eerst een aan God en elkaar verklarend gezang dat we toch echt alles van God de Vader, de Zoon en de Geest verwachten – kwam er een heel verhaal over wat we in het nieuwe seizoen van het werk van onze kerkenraad en commissies mogen verwachten (a), zoals zij dat voor ons georganiseerd hebben in het jaarthema en zoals dat door hen aan onze gemeente in de vorm van een project aangeboden wordt… (dat verhaal valt online te beluisteren)

Nu komen er in Barneveld elke zondag op veel plaatsen christelijke gemeenten bijeen (2) waar Gods Woord geopend, gelezen en verkondigd wordt en Jezus Christus doet met zijn gaven geen enkele gemeente waar ook ter wereld tekort! (*) Maar onze predikant wil en durft onze gemeente voor te houden dat we vooral toch hebben te verlangen naar (nog) meer van de Geest…

(*) Zie daarvoor bijvoorbeeld hoe Paulus zijn eerste brief aan de gemeente van de Korintiërs begint. En dan blijkt uit het vervolg van de brief dat ze vooral (nog) moesten leren – door het geregelde onderwijs uit Gods Woord!!! – hoe ze met die overvloed aan gaven dienden om te gaan. Dat ze daarmee geen indruk moesten willen maken onder elkaar of bij de buitenwacht, maar dat ze er naar streven moesten om de Liefde er mee te dienen.

En nu – zo kreeg de gemeente te horen – is de kerkenraad van onze gemeente al voor ons aan de slag geweest om ervoor te zorgen dat van die overvloedige bron – dat wordt dan nog wel gezegd (erkend?) – tenminste in elk geval wat druppels bij de leden van de gemeente terecht zullen komen en misschien wordt het dan – dankzij inspanningen van onze kerkenraad en wijzelf als gemeente – zelfs nog een overvloed… (3)
In elk geval heeft de KERKENRAAD van onze gemeente al één en ander voor ons WAAR GEMAAKT, en nu mogen de leden van de gemeente instappen om te helpen het ook in eigen leven en dat van onze gemeente waar TE MAKEN… En natuurlijk zullen we daarbij niet nalaten  om God daarbij aan te roepen – (liefst) met gezang maar ook met gebed – om ons daarbij behulpzaam te zijn…

En toen na de vele (eigen) woorden aan het begin van deze dienst de hoop begon te gloren dat nu toch het Woord aan het woord zou komen, toen begon onze predikant eerst nog weer een verhaal te houden, nu over een door hem georganiseerde zonnebloem-fotowedstrijd om daarvan de winnaar bekend te maken en mogelijk ook om nog wat andere leuke ingezonden plaatjes te tonen met wat verhaal daar omheen…

Voor de schrijver van deze blog was het toen echter “einde verhaal” in/van deze samenkomst…

Zie eventueel ook nog de recente blogs:
– Op wiens gezag (s)preken en dienen wij…
– Goddeloos denken over onze jongeren/jeugd

~~~

(1) Dat wil ons Gods Woord (ook) door de verkondiging daarvan onder ogen brengen en leren belijden bijvoorbeeld zoals Paulus dat heeft leren doen en daadwerkelijk gedaan in 1 Korintiërs 15 met de woorden: 10 Maar door de ​genade​ Gods ben ik, wat ik ben, en zijn ​genade​ aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de ​genade​ Gods, die met mij is. 11 Daarom dan, ik of zij, zó prediken wij, en zó zijt gij tot het geloof gekomen.
(2) We klagen vandaag de dag nogal over de onnodige verdeeldheid van de christenen – juist vooral ook waar te nemen in een (burgerlijke) gemeente als Barneveld is. Pak de gemeentegids er maar bij op pagina’s “Religie en levensbeschouwing” en/of zie de stromen kerkgangers zich (m.n. zondags) her- en derwaarts begeven… – maar wij zeggen wel ons te schamen dat we ons als kerken met onderscheidende woorden van elkaar onderscheiden, maar zelfs binnen Barneveld en ook binnen onze eigen gereformeerde kerken doen we onze uiterste best om ons als christenen nog verder van elkaar te onderscheiden, door ons zelfs op plaatselijk niveau nog weer extra onderscheidende namen toe te bedelen en door dat elkaar en anderen op nogal “luidruchtige manier” onder ogen en in de oren te brengen (plaatjes en praatjes in de samenkomsten en op internet, door vlagvertoon op conferenties, etc.) (*)
(*) Men meent dat men “in het belang van de zaak” voorbij kan gaan aan Bijbelse noties als: (…) 2 Laat een vreemde u prijzen en niet uw eigen mond, een onbekende en niet uw eigen lippen. (Spreuken 27) en (…) 17 Maar wie roemt, laat hij roemen in de Heere. 18 Want niet wie zichzelf aanbeveelt, die is wel-beproefd, maar wie door de Heere wordt aanbevolen. (2 Korintiërs 10 en 11)
(3) Uit Johannes 7 en Lukas 11 lezen/horen we het volgende:
(…) 38 Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. 39 (En dit zei Hij over de ​Geest, Die zij die in Hem geloven, ontvangen zouden; want de ​Heilige​ ​Geest​ was er nog niet, omdat ​Jezus​ nog niet verheerlijkt was.)
(…) 13 Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw ​kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de ​heilige​ Geest​ geven aan hen, die Hem daarom ​bidden?
Hierbij nog opgemerkt: en dan te weten dat de gemeente bijeenkomt onder Gods belofte met Zijn Geest aanwezig te zijn waar twee of meer in ZIJN NAAM samen zijn… (dat laat de zegen-groet aan het begin van onze samenkomsten ons ook iedere keer al horen/weten, in feite hoeven we er niet eens meer om te bidden!)

(a) We (ver)tonen ons als gemeente zo liefst toch allereerst als een warme sociale gemeenschap, het “leeft en bruist bij ons” – zo zeggen/pretenderen we: zie laatste kerkblad (b) – en die daarin en daarmee dan toch liefst als christelijke gemeenschap bekend wil staan – we leven per slot van rekening op de biblebelt nietwaar – en waar Gods Woord dan nog heel bruikbaar blijkt en aangeprezen wordt om aan die warme en hechte gemeenschap (vooral zelf, met “onze aanpak”) invulling te geven…
(b) Laten we bij zulke woorden ook maar weer eens de Bijbelwoorden aan de zeven gemeenten lezen en overdenken en daarbij ook de – waarschijnlijk  ook voor de apostel Johannes onverwachtse – woorden uit Openbaring 3 : 17 in gedachten nemen/houden.

Bron afbeelding:  Imgrum

Johannes 7 35 - Whoever believes in Me - Imgrum

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Goddeloos denken over onze jongeren/jeugd…

(…) ik keer terug in het ​huis​ van de HEER tot in lengte van dagen.
(Uit Psalm 23 : 6)
Waarmede zal de jongeling zijn pad rein bewaren? Als hij dat houdt naar uw Woord.
(Psalm 119 : 9)

Deze psalm en dit vers zijn het gebed van een jonge man (vgl. vs. 99 en 100). Een jonge man (1) stoot hier op zijn levensvraag, niet uit geestdrift voor het goede en het edele in het algemeen, niet uit een dweperig idealisme, maar uit de ervaring die hij heeft opgedaan met de macht van het woord Gods en de onmacht van zijn eigen leven. Wanneer ons deze vraag naar de ‘reine’, onberispelijke weg ouwelijk, geforceerd en pessimistisch in de oren klinkt, komt dit alleen maar, omdat wij ons eraan hebben gewend zeer goddeloos over de jeugd te denken en de kracht en energie, die de onschuld bezit, niet meer kunnen begrijpen.

Het is vermetel en verkeerd te denken, dat de mens eerst diep in de schuld van het leven verstrikt zou moeten raken voor hij het leven en dan ten slotte ook God kan leren peilen. Het leven en de daarmee verbonden schuld leren wij nooit kennen door het leven zelf, maar alleen door Gods gericht over de mensen en door zijn genade in het kruis van Jezus Christus.

De zonde als pedagogische factor in de opvoeding willen betrekken, is een lichtvaardig gedachtenspel, dat zich verschrikkelijk wreekt. Rein zijn daar waar onreinheid nog een gevaar is, onberispelijk zijn niet uit burgerlijke gezapigheid maar uit liefde voor God, is geen levensvlucht maar levensvervulling, het is geen miskenning van Gods schepping, maar de heiliging ervan door de Schepper te gehoorzamen. God is de heer van de mens vanaf zijn eerste ademtocht, en Hij wil geen moment van zijn heerschappij afstand doen.

Door de vraag naar de onberispelijke weg te stellen, erkent de jonge man de zonde die in hem woont. Anders hoeft hij niet te vragen. En alleen, omdat hij de zonde heeft herkend in heel zijn macht over zijn hart en zijn natuur, ziet hij niet meer uit naar menselijke middelen tot herstel.

Geen goede voornemens of brandende idealen, evenmin werk en plichtsvervulling, maar Gods woord alleen kan de weg ‘rein bewaren’; want tegen de zonde kan alleen God zelf het opnemen. Hij heeft het gedaan door ons in Jezus Christus alle zonde te vergeven, Hij doet het nog, doordat Hij ons zijn woord van Genade en Gericht doet weten en ons dagelijks opnieuw richt en begenadigt. Waaraan zal ik mij vasthouden in het uur van aanvechting en verzoeking? Aan Gods woord alleen. Zó zal mijn weg rein blijven.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Het bidden van de Psalmen”  – (9 februari) “Goddeloos denken over de jeugd” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(1) Opgemerkt door AJ: Het lijkt me niet onmogelijk dat de dichter (mogelijk inmiddels “op leeftijd”) zowel (zichzelf als) een jonge als ook een oude(re) man “sprekend” aan het woord laat in deze Psalm.

Bron afbeelding:  Like Gold Refined Again

Psalm 23 6 - Surely goodness and mercy - LikeGoldRefinedAgain

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Op wiens gezag (s)preken en dienen wij?

(…) Opnieuw richtte God het woord tot Jona: “Maak je gereed en ga naar Ninevé, die grote stad om haar aan te klagen met de woorden die Ik je zeg.” (Jona 3 : 1-2).

“Dit is geschreven opdat we ons ervoor zullen wachten om ook maar iets te ondernemen zonder Gods Woord en bevel daartoe. Het eerste bevel van God was door de ongehoorzaamheid van Jona teniet gedaan. Dus, als God Zijn opdracht niet had herhaald, zou Jona niet geweten hebben of hij deze nog moest uitvoeren. Hij zou dan mogelijk dezelfde ervaring opgedaan hebben als eerder de Israëlieten (zie Numeri 14 : 1 vv. en Deuteronomium 1 : 41 vv.), die eerst Gods bevel om te strijden weigerden op te volgen en even later meenden dit dan maar op eigen initiatief te moeten en kunnen gaan doen en die toen een nederlaag leden vanwege hun verkeerde aannames.

Het is volstrekt zinloos en verkeerd wanneer mensen op eigen initiatief aan de slag gaan en zelfgekozen projecten van eigen makelij opzetten zonder dat dit gedekt wordt door Gods bevel en Woord daartoe. Daarom bevat deze tweede opdracht nu als toevoeging de opdracht om dat te prediken wat God hem zeggen zal. Zodoende moet zowel de opgelegde taak als het in deze taak verkondigde Woord begrepen (aanwezig) zijn in een van Godswege uit te voeren opdracht. Als dat het geval is, zal het werk bloeien en vrucht dragen. Maar als mensen draven zonder Gods bevel of een andere boodschap verkondigen dan het van God gegeven Woord, dan bewerken ze niets anders dan kwaad. Ook Jeremia wijst op die twee kanten van het werk dat in Gods naam en in Zijn dienst wordt uitgevoerd en zegt: ‘Ik heb die profeten niet gestuurd, maar toch hebben ze voor Mij gedraafd – Ik heb niet tot hen gesproken, en toch hebben ze geprofeteerd’ (Jeremia 23 : 21).

U, die preken moet, moet uzelf deze twee zaken diep in uw ziel geprent hebben – let daar goed op. Zij zijn bedoelt voor u en uw hoorders – ze stellen u in staat zielen te onderwijzen. Petrus benadrukt ook deze twee kanten wanneer hij zegt: ‘Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God; dient iemand, laat het zijn als uit kracht, door God verleend’ (1 Petrus 4 : 11), zodat hij er zeker van kan zijn, dat zowel het gesproken woord als de opdracht daartoe van God gegeven en door God geboden zijn.

Want het staat vast dat wanneer God spreekt, het ook geschieden zal (zie: Psalm 33 : 9), en dus dat alle dingen door Zijn Woord tot stand komen (zie Johannes 1 : 3). ‘Daarom zal elke plant die mijn hemelse Vader niet geplant heeft, worden uitgerukt met wortel en al’ (Mattheüs 15 : 13). Zelfs wanneer ze toch geplant worden en zelfs al beginnen te ontkiemen, zullen ze toch niet het stadium van vrucht dragen bereiken. Zo kunnen de bedenksels van mensen schijnbaar succes hebben, maar ze bewerken verwoesting en ze zullen hun doel niet bereiken – nadat zij hun plannenmakers hebben gediend en genoeg schade aangericht, vergaan deze bedenksels alsook de bedenkers daarvan.”

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 232, 26 – 233, 23

Bron tekst: This text was translated form English to Dutch. If you would like to have these (English-language) Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, they can use the web-form located on the homepage of www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. These emails are free of charge and you do not ask for donations.

Bron afbeelding:  Bible Encyclopedia

1 Petrus 4 11 - If anyone speaks - Bible Encyclopedia

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Hij was mij tot vriend en broeder…

…Ben ik mijn broeders hoeder? …Wie is mijn naaste?
(Uit Genesis 4 en Lukas 10 )

(…) Weest niet eigenwijs. Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen. Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen. Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here. Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede. (Romeinen 12 : 17-21)

‘Mij is erbarming wedervaren’ – zo zingt de gehele christelijke gemeente iedere nieuwe dag. ‘Mij is erbarming wedervaren’ – toen ik mijn hart voor God toesloot; toen ik de eigen weg van mijn zonde ging; toen ik mijn zonde meer liefhad dan God, toen ik door mijn zonde in ellende en verdriet geraakte; toen ik gedwaald had en de weg terug niet meer vond – toen trof mij Gods Woord; toen hoorde ik: God heeft mij lief; toen vond mij Jezus, Hij was bij mij – Hij en Hij alleen – Hij troostte mij en vergaf mij al mijn zonden en rekende mij het kwade niet toe.

‘Mij is erbarming wedervaren.’ Toen ik een vijand van God was om zijn geboden, was Hij voor mij als een vriend. Toen ik Hem kwaad deed, was God goed voor mij. Hij rekende mij het kwade niet toe, dat ik gedaan had, Hij zocht mij, zonder het moe te worden, zonder te verbitteren. Hij leed met mij, Hij stierf voor mij, Hem was niets te zwaar voor mij. Toen had Hij mij overwonnen. God had zijn vijand gewonnen. De Vader heeft Zijn kind teruggevonden.

Bedoelen we dat niet wanneer wij dit lied zingen? Ik begrijp weliswaar niet waarom God mij liefheeft, waarom ik Hem dierbaar was; ik kan ook niet bevatten dat Hij mijn hart door zijn leven wilde overwinnen, maar ik kan nu zeggen: ‘Mij is erbarming wedervaren’. Maar juist omdat ik hier niets begrijp en versta, zegt onze tekst: ‘Weest niet eigenwijs’ — d.w.z. jullie kunt verder heel knap zijn, in je werk bijvoorbeeld, maar van één ding weten jullie van nature nooit voldoende -, op één punt zijn jullie dwaas en clownesk als een onmondig kind, namelijk op het punt van de goddelijke barmhartigheid; of veel meer: hoe uit een vijand een vriend wordt, hoe een vijand van God wordt overwonnen.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Liefde tot de vijand”  – (29 januari) “Hij was voor mij als een vriend” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 20 Als iemand zegt: ‘Ik heb God lief,’ maar hij haat (1) zijn broeder of zuster, is hij een leugenaar. Want iemand kan onmogelijk God, die hij nooit gezien heeft, ​liefhebben​ als hij de ander, die hij wel ziet, niet liefheeft. 21 We hebben dan ook dit gebod van hem gekregen: wie God liefheeft, moet ook de ander ​liefhebben. (Uit 1 Johannes 4)

(1) Haten: dat is God en/of een medemens en/of de dieren- en plantenwereld niet de hen van God gewezen plaats gunnen en/of geven in ons samenleven en omgaan met Hem en met elkaar en met de levende wezens in de ons omringende natuur. Juist hier blijkt nalatigheid een van de meest voorkomende zonden (zie m.n. de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, Lukas 10 : 25-37)

Bron afbeelding:  zie afbeelding

1 Johannes 4 20 - If anyone says I love God

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Weten hoe je gelooft…

Wie u vrezen zien mij met blijdschap, in uw Woord heb ik mijn hoop gesteld.
(Psalm 119 : 74)

Ons geloven blijft altijd even primitief… (Dietrich Bonhoeffer)

(…) En ik wil je nu ook nog heel persoonlijk zeggen: sinds ik geleerd heb, de Bijbel zó te lezen – en dat is nog niet zo’ heel lang geleden — wordt zij mij dagelijks een groter wonder. Ik lees haar ’s morgens en ’s avonds, dikwijls ook nog overdag, en iedere dag sla ik een tekst op, die ik voor een hele week gekozen heb, en probeer er geheel in te verzinken, om de tekst werkelijk te hóren. Ik weet, dat ik zonder dit niet meer echt zou kunnen leven. En zeker niet meer echt zou kunnen geloven. Dagelijks wordt mij meer duidelijk, wat eens een raadsel was. Wij blijken steeds nog te blijven staan bij de buitenkant.

Toen ik vandaag in Hildesheim weer eens middeleeuwse kunst zag, werd mij plotseling duidelijk, dat de mensen toen veel meer van de Bijbel begrepen. En dat onze voorvaders in hun geloofsconflicten niets anders hadden en wilden hebben dan de Bijbel, en dat zij door dit boek onafhankelijk en standvastig geworden zijn tot een echt leven in het geloof, is toch ook iets, dat te denken geeft. Het zou, geloof ik, van oppervlakkigheid getuigen te zeggen, dat sedertdien alles heel anders geworden zou zijn. De mensen en hun noden zijn beslist dezelfde gebleven. En de Bijbel antwoordt op deze noden vandaag de dag niet minder dan toen. Dat mag dan een zeer primitieve zaak zijn.

Maar je weet niet, hoe blij je bent, wanneer je de weg naar deze primitieve zaken weer hebt teruggevonden na in zo menige theologie het spoor te zijn bijster geraakt. Wat het geloof betreft, zijn wij, dacht ik, altijd even primitief. Over een paar dagen is het Pasen. Met vreugde zie ik daarnaar uit. Maar geloof je soms, dat iemand onder ons van zich uit de onmogelijke dingen die in de evangeliën bericht worden, zou kunnen en willen geloven, wanneer ze niet in de Bijbel stonden? Simpelweg het Woord als Gods Waarheid, waarvoor Hij borg staat. Opstanding, dat is toch geen gedachte die voor zich zelf spreekt, geen eeuwige waarheid. Ik bedoel het natuurlijk zoals de Bijbel het bedoelt – als opstanding uit de echte dood (niet uit de slaap) tot het echte leven, uit het verre-zijn-van God en de godloosheid tot het nieuwe leven met Christus in God. God heeft gezegd – en wij weten het door de Bijbel: Zie, ik maak alle dingen nieuw. Dat heeft Hij waar gemaakt in Pasen.

Wij staan dus voor de beslissing, of wij dit woord van de Bijbel willen vertrouwen of niet, of wij er ons door willen laten vasthouden, als door geen ander woord in leven en in sterven. En ik geloof, dat wij eerst dan echt blij en rustig kunnen worden, wanneer wij deze beslissing hebben genomen.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Christen-zijn in de realiteit” (28 januari) – “In het geloof  blijven wij altijd even primitief” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Lukas 24 25-27 Emmaus O foolish ones - SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Natuur, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Hard tegen hard…

(…) En stelden hun harten als een diamant, zodat zij niet hoorden
de wet en het Woord
(Uit Zacharia 7 : 12)

(…) ‘Maar zij wilden niet opmerken en keerden Mij de rug toe – zij sloten [letterlijk: verstokten] hun oren, zodat zij niet hoorden. En stelden hun harten als een diamant, zodat zij niet hoorden de wet en het Woord, die de HEERE Zebaoth (2) zond door Zijn Geest, door [middel van] de vorige profeten’ (Zacharia 7 : 12, weergave DB 1545).

(1) (…) “Hard tegen hard” deugt nergens voor, met twee harde stenen kan je niet goed malen. Gods gebod is hard – ja, en het moet eeuwig hard blijven! Wie zich ertegen verzet en hard tegen hard wil [spelen], die zal zijn zin krijgen. Want als het niet wil buigen, dan moet het maar barsten, en alles tot puin en gruis vermalen worden – tot stof en poeder. Al ben je zo hard als een diamant, God zal je in stukken breken en stof van je maken, en het overal heen werpen. (a,b)

Dan helpt het niet meer als je roept en bidt om genade en barmhartigheid. ‘Want zij maakten hun hart als een diamant’, en zij bleven bij hun eigengerechtige werken en verachtten Gods Woord. Als God zegt: ‘Zij riepen, maar Ik hoorde niet’, dan moet je dit niet zo uitleggen, dat Hij niet horen wil als je roept in de nood. Hij zegt Zelf: ‘Roep Mij aan in tijd van nood, dan zal Ik u verlossen, en u zult Mij loven’ (vgl. Psalm 50 : 15).

Je moet het echter zo begrijpen: dat wanneer wij niet horen naar Zijn gebod, Hij ook niet hoort naar ons gebed. Wanneer wij ons tegen Zijn gebod opstellen en ons verharden, dan stelt Hij Zich ook tegen ons gebed op – wil het niet horen en laat het zonde zijn. Zoals in de Psalmen geschreven staat: ‘Laat zijn gebed tot zonde zijn’ (vgl. Psalm 109  : 7). (3)

Die echter Zijn gebod aannemen en hun zonden belijden, die moeten weten dat hun gebed zeker verhoord is. Maar de anderen die gelijk willen hebben en hun zonden verdedigen [letterlijk: geen zonde willen laten zijn], die bidden en roepen in hun nood tevergeefs. Dát zegt een andere psalm: ‘Zij riepen, maar er was geen verlosser – tot de HEERE, maar Hij antwoordde niet’ (vgl. Psalm 18 : 42).”

Maarten Luther: Der Prophet Sacharja ausgelegt, 1527, vgl. WA 23, 597, 15 – 598, 6 (verkort)

(1) Nadat Luther in het jaar 1526 zijn colleges over Habakuk en Jona liet verschijnen, heeft hij later in dat jaar het boek Zacharia nog uitgebreid behandeld. De uitgave daarvan kwam in januari 1527 al op de markt. In het voorwoord zegt Luther dat hij dit Bijbelboek o.a. behandelt om te laten zien dat men ook in een op zich ‘duister’ boek, vóór alle dingen naar de hoofdzaak van het christendom, namelijk naar ‘het geloof in Christus’ moet zoeken.
(2) HEERE Zebaoth: HEERE der legerscharen
(3) Wie zijn oor afwendt van het horen der wet, diens gebed zelfs is een gruwel. (Spreuken 28 : 9)

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com

(a,b) God’s hart gaat uit naar mensen met verbrijzelde en verbroken harten… 

 (a) Uit Hosea 11
7 Mijn volk bijt zich vast in zijn ontrouw jegens Mij.
Al roepen ze tot Mij, de Allerhoogste,
Ik zal hun lot niet verlichten.
8 Ach Efraïm, hoe zou Ik je ooit kunnen prijsgeven?
Hoe zou Ik je kunnen uitleveren, Israël?
Zou Ik je prijsgeven als Adma,
je laten ondergaan als Seboïm?
Mijn ​hart​ wordt verscheurd,
door ​barmhartigheid​ word Ik bewogen.
9 Ik zal Mijn toorn laten varen
en Efraïm niet opnieuw te gronde richten.
Want God ben Ik, en geen mens,
Ik ben in jullie midden, Ik ben ​heilig,
Ik zal niet meer in woede ontsteken.
10 De HEER zal brullen als een leeuw en zij zullen Hem weer volgen.
Wanneer Hij brult, keren ze schuchter terug van overzee,
11 als bange vogeltjes komen ze uit Egypte,
als duiven uit Assyrië.
Dan laat Ik hen weer wonen in hun eigen ​huis
– ​zo ​spreekt de HEER.

(b) “Een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten. Doe wel aan Sion naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem op”. (Psalm 51 : 19b en 20)

NB. Bovenstaande tekst is aangebracht als gevelsteen boven de deuren van het kerkgebouwtje dat nu eigendom is van de NGK Voorthuizen-Barneveld (zie afbeelding). Deze Psalmwoorden vormden de intrede-tekst die ds. Willem van den Bergh (1850-1890) koos voor de dienst waarin hij voorging toen hij predikant werd in Voorthuizen, waar hij maar korte tijd – tot aan zijn vroege dood – gewerkt heeft (1884-1890). Deze woorden uit Psalm 51 vormden ook het motto van zijn werk in Voorthuizen.

Bron afbeelding:  Eigen foto

Gevelsteen NGK Voorthuizen

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Hoe kunnen we (heel) de Bijbel met vreugde lezen?

(…) 13 Mijn lippen hebben uitgesproken wat Uw mond ons voorschreef.
14 Leven naar Uw richtlijnen geeft mij vreugde, meer vreugde dan rijkdom en overvloed.
15 Uw regels wil ik overdenken, het oog op uw paden gericht. (Uit Psalm 119)

(…) Ik wil in de eerste plaats simpelweg bekennen: ik geloof dat de Bijbel, en de Bijbel alleen, het antwoord op al onze vragen kan geven en dat wij, om haar antwoord te vernemen, alleen volhardend en deemoedig hoeven te vragen.

De bijbel kan niet zomaar gelezen worden als andere boeken. Men moet bereid zijn, werkelijk te vragen, alleen dan gaat de bijbel open. Alleen als wij het definitieve antwoord van de bijbel verwachten, wordt dit ons ook gegeven. Dat komt, omdat in de bijbel God tot ons spreekt. En over God kan men niet van zich uit nadenken, Hij wil gevraagd zijn. Alleen als wij Hem zoeken, geeft Hij antwoord.

Natuurlijk kan de bijbel ook gelezen worden als ieder ander boek, zoals dat gebeurt in de tekstkritiek. Daar is niets tegen in te brengen. Alleen, dat op deze wijze niet het wezen van de Bijbel wordt ontsloten maar alleen de buitenkant.

Wij maken ons het woord van iemand die wij liefhebben ook niet eigen door het te gaan ontleden. Nee, zo’n woord aanvaarden wij eenvoudig. Het klinkt dagen lang in ons na, eenvoudig als het woord van deze mens die wij liefhebben. En naarmate wij het woord in ons hart overwegen leren wij degene die het ons gezegd heeft, beter kennen; zo bewaarde Maria de woorden van de engel in haar hart.

Zo, en niet anders, moeten wij ook met het woord van de bijbel omgaan. Alleen, als wij het eens wagen, zo op de bijbel in te gaan, als sprak hier werkelijk die God tot ons, die ons liefheeft en ons met onze vragen niet alleen wil laten, kunnen wij vreugde beleven aan de Bijbel.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Christen-zijn in de realiteit” (25 januari) – “Waar vinden wij een antwoord?” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Natuur, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Wie Jezus zalig spreekt in Zijn gemeente…

Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden. (Mattheüs 5 : 4).

(…) Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij ​vrede​ zult hebben. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar heb goede moed: Ik heb de wereld overwonnen. (Johannes 16 : 33)

Waarom moeten de volgelingen van Jezus zo vaak buiten blijven staan?

De treurenden zijn diegenen die, los van dat wat de wereld geluk en vrede noemt, bereid zijn te leven, die totaal anders afgestemd zijn dan de wereld, die niet gelijkvormig aan “de wereld” (1) kunnen worden of dat niet meer willen zijn. Ze dragen rouw over de wereld, over haar schuld, haar lot en haar geluk. “De wereld” viert feest en zij staan terzijde; de wereld roept het hun toe: geniet van het leven en zij treuren. Zij zien, dat het schip waarop feestgedruis klinkt, reeds lek is. “De wereld” fantaseert over vooruitgang, kracht, toekomst, de discipelen weten van het einde, gericht en de nadering van het Koninkrijk, waar “de wereld” zo helemaal niet aan toe is.

Daarom zijn de discipelen vreemdelingen in de wereld, lastige gasten, vredeverstoorders, die verworpen worden. Waarom moet de gemeente van Jezus bij zoveel feesten van het volk, waaronder zij leeft, buiten blijven staan? Begrijpt ze haar medemensen niet meer? Of is ze vervallen in mensenhaat en mensen-verachting? Niemand begrijpt zijn medemensen beter dan de gemeente van Jezus. (1) Niemand heeft de medemensen meer lief dan hen die waarlijk discipelen zijn van Jezus – juist daarom zijn ze buitenstaanders en juist daarom dragen zij rouw. Het heeft een diepe betekenis en het is goed, dat Luther het Griekse woord hier vertaalt met ‘rouw dragen’. Op het dragen komt het namelijk aan.

De gemeente van de discipelen schudt de rouw niet af, als had ze daar niets mee te maken, maar ze draagt die. Juist daarin treedt de verbondenheid met de medemensen aan de dag. Daar is tegelijkertijd mee gezegd, dat ze de rouw niet willekeurig zoekt, dat ze niet in eigenzinnige wereldverachting zich onttrekt, maar draagt wat haar is opgelegd en wat ter wille van Jezus op haar neerkomt in de navolging.

Ten slotte worden de discipelen door de rouw ook niet murw, verslagen en bitter, zodat zij er aan te gronde gaan. Zij dragen het veeleer in de kracht van Hem die hen draagt. De discipelen dragen de hun opgelegde rouw alleen in de kracht van Hem die aan het kruis al de rouw gedragen heeft. Ze staan als rouwdragers in de gemeenschap van de Gekruisigde.  Ze staan als vreemdelingen in de kracht van Hem die voor de wereld zo vreemd was, dat ze Hem kruisigde. Dat is hun troost, meer nog: Hij zelf is hun troost, hun Trooster (vgl. Lukas 2 : 25). (2)

De gemeente van vreemdelingen wordt getroost in het kruis, ze wordt daarin vertroost, dat ze verstoten wordt naar de plaats waar de Vertrooster Israëls op haar wacht. Zo vindt ze haar ware Vaderland bij de gekruisigde Heer, hier en in eeuwigheid.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “De zaliggeprezenen” (16 januari) – “Waarom moet de gemeente zo vaak buiten blijven staan?” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(1) Er zijn tijden en plaatsen waar zelfs zij, die nog (willen) pretenderen gemeente(n) van Jezus Christus te zijn, toch ook al wereldgelijkvormig en dus ook “wereld” genoemd kunnen en/of moeten worden en waarbinnen Zijn (ware) discipelen gezien en ervaren worden als “lastige gasten, vredeverstoorders, etc.”, die verworpen en uitgeworpen dienen te worden. In de tijd van Jezus gedroeg “de kerk” (de “Joodse synagoge” met haar leiders) zich als “wereld” tegenover haar eigen Heer en Heiland, de Messias. Later werden ook zijn discipelen vervolgd, verstoten en uitgeworpen.
(2) Daarom vinden zijn discipelen in die omstandigheden, vanwege de verbondenheid met hun Heer, een veel dieper en heerlijker vreugde dan de wereld mensen ooit geven kan. Dat is ook “de schijnbare paradox” van het Avondmaal, waar de gemeente in het gedenken van het lijden en sterven van haar Heer en Heiland, Die zich voor haar overgaf, toch haar diepste vreugde ontvangt en vindt.

Bron afbeelding:  AliExpress.com 

Johannes 16 33 - take heart - I have overcome the world - AliExpress

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Alles aan Hem onderworpen…

(…) 10 Hij was in de wereld en de wereld is door Hem ontstaan (1) en de wereld heeft Hem niet gekend. 11 Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12 Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven ​kinderen​ van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; 13 die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn. 14 En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van ​genade​ en waarheid. (Uit Johannes 1)

Zondag 19 HC – Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods?

[Behandelde tekst: Psalm 110 : 1]

Christus zegt Zelf: ‘Want Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ (vgl. Mattheüs 28 : 18). Als Hij echter alle macht heeft ontvangen, niet alleen over alles wat op aarde is, maar ook over wat in de hemel is, dan moet Hij ook macht hebben over de engelen en verder over alles wat schepsel is en onder God staat (1). Vandaar dat ook Paulus zegt: ‘God heeft Hem een Naam gegeven die boven alle naam is, opdat in de Naam van Jezus zich zullen buigen alle knieën, die in de hemel en op aarde en onder de aarde zijn’ (vgl. Filippenzen 2 : 9 vv).

Petrus zegt hetzelfde: ‘Hij is opgevaren naar de rechterhand van God in de hemel, en de engelen, en machten en krachten zijn Hem onderdanig’ (vgl. 1 Petrus 3 : 22). Deze macht echter zou aan Hem niet zijn gegeven als Hij niet aan God gelijk en niet Zelf God zou zijn.  (1) En hoewel in deze teksten over de Mens Christus gesproken wordt, nadat Hij in Zijn menselijke natuur uit de doden is opgestaan en naar de hemel is gevaren, toch is dat alleen zo omdat Hij van nature waarachtig God is van eeuwigheid.

Zoals Paulus zegt: dat Christus ‘krachtig bewijst de Zoon van God te zijn, omdat Hij opgestaan is uit de dood’ (vgl. Romeinen 1 : 4). En ook als er gezegd wordt: ‘Zet U aan Mijn rechterhand’ (vgl. Psalm 110 : 1), dan wordt daardoor aan Hem de Godheid niet gegeven, maar deze wordt nader verklaard. Namelijk dat Hij waarachtig, eeuwig God is met de Vader, en nu ook in de menselijke natuur tot dezelfde heerlijkheid is verheven. Zodat men moet geloven en belijden: Christus, de Mens, zit aan de rechterhand van God en heeft macht over de engelen, en er is niets in hemel en op aarde dat niet aan Hem onderworpen is. (1)

Nogmaals: Hij is nu waarachtig Mens én waarachtig God, zittend aan de rechterhand van de Vader, Heere over alle schepselen, Die in Goddelijke majesteit en toch óók in de menselijke natuur ons machtig regeert als onze Heere en Koning in eeuwigheid. Zodat wij van en door Hem alles hebben. (1) Want omdat Hij van nature Gods Zoon is, heeft Hij alle macht en kracht met de Vader. Omdat Hij echter ook waarachtig Mens is, en Hij ons toebehoort en evenzo Adams Kind is als wij – maar zonder zonde – gebruikt Hij deze macht ons ten goede, als voor Zijn broeders en mede-erfgenamen.

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1535, vgl. WA 41,90,29-91,21

(1) Opgemerkt AJ: Wanneer we belijden en beseffen dat alle krachten en machten in de Schepping, dus ook bijvoorbeeld de werking van de voedingsstoffen en de energie die ons lichaam ontvangt uit “het dagelijks brood” onder het beheer van Jezus Christus staan (a) en werkelijk niets daarvan buiten Zijn bestuur ons toevalt, dan zal het ons toch niet heel moeilijk vallen om tot het besef te komen, dat deze Christus ook in brood en wijn van het Avondmaal daadwerkelijk aanwezig is (b) en zó door Zijn kracht die daarin werkzaam is naar ons toekomt en niet alleen ons lichaam maar ook ons geloof daarmee en daardoor versterkt. En dan gaan we ook inzien en begrijpen waarom de bede om ons dagelijks brood, de bede is om ook daaruit de kracht (en wijsheid!) van het ware Brood uit de hemel te ontvangen. We bidden dan om niets anders dan dat onze Vader, Die de ware, volmaakt goede Vader voor Zijn kinderen is (o.a. Lukas 11 : 10-13), dat ons in en om en door Christus schenken wil, namelijk om in alle dagelijks werk en ontspanning gelovig bezig te kunnen zijn in en voor Zijn koninkrijk .
(a) Zie bijv. ook het reinigingswater-wijn-wonder te Kana.
(b) Zie ook “Luther en het Avondmaal“.

Uit Psalm 145

(…) 17 Rechtvaardig​ is de HEER in alles wat hij doet,
zijn schepselen blijft hij trouw.
18 Allen die Hem aanroepen is de HEER nabij,
die tot Hem roepen in vast vertrouwen.
19 Hij vervult het verlangen van wie Hem eren,
Hij hoort hun klacht en komt te hulp.
20 De HEER waakt over wie hem ​liefhebben,
maar wie hem afwijzen, vaagt Hij weg.’
21 Laat zó mijn mond de lof spreken van de HEER,
en alles wat leeft Zijn ​heilige​ Naam​ prijzen,
tot in eeuwigheid.

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Psalm-145 3 - Great is the Lord and most worthy of praise - DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Israël, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Racham, Eleos, Barmhartigheid – ben/wil IK…

(…) 13 Ga heen en leer, wat het betekent: ​Barmhartigheid​ wil Ik en geen offerande; (Uit Matteüs 9)

Moge de Here aan het huis van Onesiforus barmhartigheid bewijzen, want hij heeft mij vaak bemoedigd en heeft zich voor mijn boeien niet geschaamd. Integendeel, toen hij in Rome aangekomen was, heeft hij mij ijverig gezocht en heeft hij mij gevonden. Moge de Here hem geven dat hij barmhartigheid vindt bij de Here op die dag. En hoezeer hij in Efeze gediend heeft, weet u zelf het beste. (2 Timoteüs 1 : 16-18)

‘Barmhartigheid’ is een kernwoord in de Bijbel. Het heeft alles te maken met de NAAM van onze God. Wanneer Mozes de HEERE wil zien (Exodus 33/4), zegt God: Dat zou je niet overleven, Mozes. Ik zal echter mijn Naam uitroepen: ‘Heere, HEERE God, barmhartig en genadig …’ Met Psalmwoorden bezingen wij de Naam: ‘Barmhartig en genadig is de Heere… Loof de Heere, mijn ziel… Loof Hem die и kroont met barmhartigheid (Psalm 103).
Dit kernwoord schrijft de apostel Paulus tweemaal in de tekst die hierboven tussen haakjes staat. Op ‘barmhartigheid’ ligt dus duidelijk de nadruk. Dat de tweede Brief aan Timotheus mijn stille tijd ging vullen, hangt samen met een herinnering uit het verleden: een preek over niet zo bekende woorden van de apostel Paulus, die een halve eeuw geleden (!) indruk op mij heeft gemaakt.(1) Al mediterend, soms ook geschokt door wat er aan on-barmhartigheid plaatsvindt onder het mom van ‘Het recht moet zijn loop hebben’, gingen woorden over Gods barmhartigheid mijn gedachten ‘sturen’. Zij zijn ‘meegereisd’. Dit schrijf ik niet goed. Op onze levensreis worden we door de woorden van God gedragen en bewaard. Anders gezegd: De Heere bewijst dat Hij barmhartig is, dat Hij ons meeneemt op zijn reis door de tijd, dat Hij doet wat Hij belooft, trouw van generatie op generatie.

Paulus bidt het huisgezin van Onesiforus ‘barmhartigheid’ toe en vervolgens gebruikt hij hetzelfde woord in een zegenbede voor Onesiforus persoonlijk. Een aantal bijbel-exegeten gaat ervan uit dat de apostel via Timotheüs een zegenwens uitspreekt over het gezin van Onesiforus die niet oud is geworden. Deze broeder heeft voor Paulus – tijdens diens gevangenschap – veel betekend. De apostel is het niet vergeten dat hij zich voor hem – de gevangene! – ‘niet heeft geschaamd’ (vs. 16). Velen schaamden zich namelijk wel en hebben Paulus in de steek gelaten. Onesiforus begaf zich, door trouw nabij te blijven, in groot gevaar. Een apocrief geschrift vermeldt dat hij jong overleden is – als martelaar? – en dat zijn weduwe en de kinderen in groot verdriet en diepe zorg zijn achtergebleven. Zij hebben ‘barmhartigheid’ nodig, namelijk de zorg van God in het alledaagse leven. Zorg, door middel van de leden van de Gemeente (vgl. 4:19). De Heere kroont met barmhartigheid (Psalm 103).

Onesiforus heeft in praktijk gebracht wat Jezus zegt: ‘Ik was in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen’ (Matteüs 25). U hebt Mij niet laten ‘stikken’. U bleef trouw toen iedereen Mij liet vallen, toen allen zich voor Mij ‘schaamden’. Het contact werd te spannend, te duur, te… Men plakt iemand een etiket op. Verdiep je in de kerkgeschiedenis en volg de publicaties van Open Doors. Hetzelfde liedje, toen en vandaag: ‘Staatsgevaarlijk’. Paulus bidt om ‘barmhartigheid’. Daar is hij gevoelig voor. Niet zomaar wijst hij reeds in het begin van zijn brief op de omstandigheden van de ‘familie Onesiforus’. Wij zouden dit verwachten aan het einde van een persoonlijk schrijven: ‘Denk je ook aan de weduwe…?’ Dit staat nu voorop. Paulus weet uit ervaring hoezeer er behoefte is aan ‘barmhartigheid’. Dat gold ook van zijn Heiland: ‘Blijf hier en waak met Mij’. Toen vluchtten al zijn discipelen’.

De woorden van Jezus – ‘Ik was in de gevangenis’ – klinken op de jongste dag. Wanneer Paulus aan Onesiforus denkt, ziet hij in het verlengde van het aardse leven ‘die dag’ (vs. 18). Wij worden gedagvaard. Ook Onesiforus. De apostel bidt dat de Heere hem genadig zal zijn, dat hij ‘barmhartigheid’ mag vinden. Zou Paulus eraan twijfelen of het met zijn broeder wel goed zit? Dat niet. Hij weet echter dat ieder – juist als navolger van Christus – afhankelijk is en blijft, door de dood heen, van Gods barmhartigheid. ‘Eleos’ (Grieks), ‘racham’ (Hebreeuws) van ‘baarmoeder’, duidt op het erbarmen van een moeder met haar kind. ‘De Vader der barmhartigheid’ ontferme zich in moederlijke liefde over Onesiforus en de zijnen nu en op de jongste dag.

Hij erbarme zich over ons en de onzen, over de Kerk, over Israël. Wij bidden voor vandaag en met het oog op de toekomst – de grote dag van het oordeel: ‘Denk aan Uw barmhartigheid, Heere en aan Uw goedertierenheid, want die zijn van eeuwigheid’ (Psalm 25 : 6). En tot in eeuwigheid! ‘Laten we dan, ziende op Jezus , met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid verkrijgen …’ (Hebreeën 4) en onderweg achter Jezus aan belijden wat Jeremia – Ín de grootste smarten – zingt: ‘Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, dat zijn barmhartigheid niet opgehouden is! Nieuw zijn ze, elke morgen. Groot is Uw trouw!’ (Klaagliederen 3) Ook die laatste morgen.

(1) Dit betreft een preek van ds. C.Harinck. Na al die jaren – sinds mijn studententijd – bedient hij nog steeds het Woord van God.

Bron tekst: “Barmhartigheid” – Meditatie van dr. M. Verduin, Zeist in Ecclesia nr. 18 – september 2017

Bron afbeelding:  Pinterest

Uit Psalm 147

Halleluja!
Hoe goed is het te zingen voor onze God,
hoe heerlijk hem onze lof te brengen.
2 De bouwer van Jeruzalem, dat is de HEER,
Hij brengt de ballingen van Israël bijeen.
3 Hij geneest wie gebroken zijn
en verzorgt hun diepe wonden.
4 Hij bepaalt het getal van de sterren,
hij roept ze alle bij hun naam.
5 Groot is onze Heer en oppermachtig,
zijn inzicht is niet te meten.
6 De HEER richt de vernederden op
en drukt de goddelozen neer.
(…)

Matteüs 9 13 - I desire mercy, not sacrifice - Pinterest

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie