Hard tegen hard…

(…) En stelden hun harten als een diamant, zodat zij niet hoorden
de wet en het Woord
(Uit Zacharia 7 : 12)

(…) ‘Maar zij wilden niet opmerken en keerden Mij de rug toe – zij sloten [letterlijk: verstokten] hun oren, zodat zij niet hoorden. En stelden hun harten als een diamant, zodat zij niet hoorden de wet en het Woord, die de HEERE Zebaoth (2zond door Zijn Geest, door [middel van] de vorige profeten (Zacharia 7 : 12, weergave DB 1545).

(1) (…) “Hard tegen hard” deugt nergens voor, met twee harde stenen kan je niet goed malen. Gods gebod is hard – ja, en het moet eeuwig hard blijven! Wie zich ertegen verzet en hard tegen hard wil [spelen], die zal zijn zin krijgen. Want als het niet wil buigen, dan moet het maar barsten, en alles tot puin en gruis vermalen worden – tot stof en poeder. Al ben je zo hard als een diamant, God zal je in stukken breken en stof van je maken, en het overal heen werpen. (a,b)

Dan helpt het niet meer als je roept en bidt om genade en barmhartigheid. ‘Want zij maakten hun hart als een diamant’, en zij bleven bij hun eigengerechtige werken en verachtten Gods Woord. Als God zegt: ‘Zij riepen, maar Ik hoorde niet’, dan moet je dit niet zo uitleggen, dat Hij niet horen wil als je roept in de nood. Hij zegt Zelf: ‘Roep Mij aan in tijd van nood, dan zal Ik u verlossen, en u zult Mij loven’ (vgl. Psalm 50 : 15).

Je moet het echter zo begrijpen: dat wanneer wij niet horen naar Zijn gebod, Hij ook niet hoort naar ons gebed. Wanneer wij ons tegen Zijn gebod opstellen en ons verharden, dan stelt Hij Zich ook tegen ons gebed op – wil het niet horen en laat het zonde zijn. Zoals in de Psalmen geschreven staat: ‘Laat zijn gebed tot zonde zijn’ (vgl. Psalm 109  : 7). (3)

Die echter Zijn gebod aannemen en hun zonden belijden, die moeten weten dat hun gebed zeker verhoord is. Maar de anderen die gelijk willen hebben en hun zonden verdedigen [letterlijk: geen zonde willen laten zijn], die bidden en roepen in hun nood tevergeefs. Dát zegt een andere psalm: ‘Zij riepen, maar er was geen verlosser – tot de HEERE, maar Hij antwoordde niet’ (vgl. Psalm 18 : 42).”

Maarten Luther: Der Prophet Sacharja ausgelegt, 1527, vgl. WA 23, 597, 15 – 598, 6 (verkort)

(1) Nadat Luther in het jaar 1526 zijn colleges over Habakuk en Jona liet verschijnen, heeft hij later in dat jaar het boek Zacharia nog uitgebreid behandeld. De uitgave daarvan kwam in januari 1527 al op de markt. In het voorwoord zegt Luther dat hij dit Bijbelboek o.a. behandelt om te laten zien dat men ook in een op zich ‘duister’ boek, vóór alle dingen naar de hoofdzaak van het christendom, namelijk naar ‘het geloof in Christus’ moet zoeken.
(2) HEERE Zebaoth: HEERE der legerscharen
(3Wie zijn oor afwendt van het horen der wet, diens gebed zelfs is een gruwel. (Spreuken 28 : 9)

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com

(a,b) God’s hart gaat uit naar mensen met verbrijzelde en verbroken harten… 

 (a) Uit Hosea 11
7 Mijn volk bijt zich vast in zijn ontrouw jegens Mij.
Al roepen ze tot Mij, de Allerhoogste,
Ik zal hun lot niet verlichten.
8 Ach Efraïm, hoe zou Ik je ooit kunnen prijsgeven?
Hoe zou Ik je kunnen uitleveren, Israël?
Zou Ik je prijsgeven als Adma,
je laten ondergaan als Seboïm?
Mijn ​hart​ wordt verscheurd,
door ​barmhartigheid​ word Ik bewogen.
9 Ik zal Mijn toorn laten varen
en Efraïm niet opnieuw te gronde richten.
Want God ben Ik, en geen mens,
Ik ben in jullie midden, Ik ben ​heilig,
Ik zal niet meer in woede ontsteken.
10 De HEER zal brullen als een leeuw en zij zullen Hem weer volgen.
Wanneer Hij brult, keren ze schuchter terug van overzee,
11 als bange vogeltjes komen ze uit Egypte,
als duiven uit Assyrië.
Dan laat Ik hen weer wonen in hun eigen ​huis
– ​zo ​spreekt de HEER.

(bEen gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten. Doe wel aan Sion naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem op”. (Psalm 51 : 19b en 20)

NB. Bovenstaande tekst is aangebracht als gevelsteen boven de deuren van het kerkgebouwtje dat nu eigendom is van de NGK Voorthuizen-Barneveld (zie afbeelding). Deze Psalmwoorden vormden de intrede-tekst die ds. Willem van den Bergh (1850-1890) koos voor de dienst waarin hij voorging toen hij predikant werd in Voorthuizen, waar hij maar korte tijd – tot aan zijn vroege dood – gewerkt heeft (1884-1890). Deze woorden uit Psalm 51 vormden ook het motto van zijn werk in Voorthuizen.

Bron afbeelding:  Eigen foto

Gevelsteen NGK Voorthuizen

 

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s