‘Och dat toch iemand onder u de deuren toesloot’…

Een zoon eert zijn vader en een knecht vreest zijn heer. Indien ik dan een Vader ben, waar is Mijn eer? Indien ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de Heer van de legermachten tot u, o priesters, die Mijn Naam veracht. En jullie durven nog te vragen: “Waarmee verachten wij Uw Naam?
Och dat toch iemand onder u de deuren toesloot, zodat jullie niet langer nutteloos op Mijn altaar vuur zouden kunnen ontsteken. Ik heb geen welgevallen in jullie, zegt de Heer van de legermachten, en de offergave uit uw hand behaagt Mij niet.‘ (Uit Maleachi 1 vers 6 en vers 10)

Geciteerd 1: O, die verschrikkelijke houding van het Godsvolk van “met hoe weinig kan ik toe?”. In plaats dat God verheugd is over dit Hem ‘welwillend’ toegestane minimum, antwoord Hij: “Och, dat toch iemand onder u de deuren toesloot, zodat jullie niet langer nutteloos op Mijn altaar vuur zouden kunnen ontsteken.

Geciteerd 2: Wie weet of God niet spoedig ook nu zo’n toon moet aanslaan, om Zijn christelijke kerk, Zijn volk en Zijn dienaren wakker te maken met dit Woord: “Och, dat toch iemand onder u de deuren toesloot!”.

Geciteerd 3: Maar God is toch niet op onze godsdienstige eerbewijzen aangewezen? Wanneer hier op aarde de laatste kerk gesloten is, en de laatste orgelpijp verstomt, dan prijzen Hem in de hemel nog alle gezaligden; en alle engelen, die Hem ‘dag en nacht’ eerbiedig dienen, stemmen in met Zijn verheerlijking. Waarom klaagt God er dan over dat het ‘in Jeruzalem’ niet in orde is met ‘tempel- en offerdienst’?

Wanneer God naar Zijn eer vraagt, dan is Hij juist niet bezorgd voor Zichzelf, maar voor ons! Wanneer God moet vragen: “Indien ik dan een Vader ben, waar is mijn eer?” dan moeten al spoedig alle vaders op aarde vragen: ‘Waar is mijn eer?’. En als God moet vragen: “Indien ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij?” dan zullen spoedig alle grote en alle kleine heren in het land ruimschoots aanleiding hebben, om óók die vraag te stellen.
Indien ik dan Vader ben, waar is mijn eer?” Deze vraag kon ook luiden: Waar is uw welzijn? Het gaat hier om ons welzijn. Het gaat hier, zoals wij weldra zullen zien, om meer dan alleen ons aardse welzijn: Gods eer, Gods Vadereer is ons eeuwig heil.

Geciteerd 4: Deze onafscheidelijke samenhang tussen Gods eer en ons heil (ere zij God in de hoge en vrede op aarde!) wordt ons heel duidelijk, als wij erop letten, waar de ontering van Gods Naam in het Israël van Maleachi’s tijd werd waargenomen: zij heeft plaats bij het brengen van het zoenoffer. (…) Dat zoenoffer bestaat daarin, dat een schuldig mens met een gave tot God mocht komen. En nu kon dat nooit een volwaardige vergoeding zijn voor wat een mens God verschuldigd is.* Daarom moest die gave op zijn minst zijn, wat zij hoogstens kan zijn: onberispelijk en zo volkomen mogelijk. Maar ze brachten Hem een onwaardig en gebrekkig offer.

Geciteerd 5: Ja daarachter zit die weerbarstigheid en die uitdaging, waartoe juist versaagden in staat zijn. Hiervandaan is het nog maar een kleine stap naar de misdadige gedachte, dat God zich tegenover ons moet verontschuldigen en rechtvaardigen ten aanzien van Zijn wereldregering, dat God bij ons zou moeten komen om boete te doen. Het waren de versaagden die in onze dagen (net na WO II) aldus formuleerden: ‘Niet wij hebben God verlaten, maar God heeft ons verlaten.’

Geciteerd 6: Nu weten wij dat er naar de roepstem van de Bode niet geluisterd werd. Naar een oproep tot boetedoening wordt in de regel niet geluisterd. Daarom is Maleachi toch niet Gods laatste Bode geweest. Hij heeft meer Boden gezonden. Tenslotte de roeper in de woestijn, Johannes de Doper. En ook heeft Christus, verteerd door de ijver voor het huis van Zijn Vader, de tempel gereinigd. Maar ook dit teken van de Vaderliefde heeft men voorbijgezien en verkeerd uitgelegd. Toen heeft Christus over Jeruzalem geweend en tenslotte gezegd dat er geen steen op de andere zou blijven.

Geciteerd 7: Maar voor die God, die door Zijn Boden heeft laten roepen: “Ik heb u lief“, en “Ik ben uw Vader, waar is Mijn eer?“, voor die God is op het moment dat wij niet meer naar Zijn Boden luisteren, het einde er nog niet. God doet nu nog een laatste ding, het allerlaatste, iets onbegrijpelijks: Hij brengt het offer Zelf. Het is Zijn zoenoffer. En het is rein, onbevlekt en zonder gebreken. En het wordt maar éénmaal gebracht. Het is hét Offer! Daarna zijn er geen zoenoffers meer nodig. Daarom scheurt het voorhangsel van de tempel van boven naar beneden. Spoedig worden de deuren van de tempel dichtgeslagen. Het offeraltaar zal koud worden. De mond van de offerpriesters zal voor altijd zich sluiten. De tempel zal verwoest worden. En zie: nu staat de toegang tot de Avondmaalstafel open!

Tot slot: Nog slechts één onderdeel van het beloftewoord van de Bode (Maleachi 4 vers 2) is thans nog niet in vervulling gegaan: dat is het woord over het jonge vee dat huppelen zal van vreugde over zijn bevrijding.
(…) De kerk van de Gekruisigde zal gedurende het wachten daarop een advocaat en beschermer zijn van wezen en weduwen, voor vreemdelingen en dagloners.* En zou zij zelf daardoor smaad en schande te verduren krijgen en onrecht moeten lijden, dan zal zij zich in onderscheiding van de moedeloze tijdgenoten van Maleachi volstrekt niet beklagen. Zij zal zich er zelfs niet over verbazen “Alsof haar iets vreemds overkwam”; zij zal getroost weten, dat het als het ware zó in orde is. Zo hoort zij geheel en al bij de Man van Smarten en mag zij onder de bescherming en in de schaduw van de Gekruisigde ook kruisdrager zijn en lijden (ver)dragen. Op deze manier gaat zij met heel de mensheid door de duistere nacht, die nu nog loodzwaar over de aarde ligt; maar zij weet, “de nacht is voorbijgegaan, de dag is nabij gekomen”- de dàg! Het zal tenslotte niet nacht zijn, maar dàg!

* Zie Maleachi 3 vers 5 en deze woorden van Paulus: ‘Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst.‘ (Uit Romeinen 12 vers 1)

Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God de Heer, de Almachtige is haar tempel, met het Lam. De stad heeft het licht van de zon en de maan niet nodig; over haar schijnt Gods luister, en het Lam is haar licht.‘ (Uit Openbaring 21 de verzen 22-23)

Bron citaten 1-7 en slot: ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ – ‘Het tweede gesprek’ en ‘het zevende gesprek’ – door dr. Walter Lüthi (1901-1982), een Zwitsers zielzorger en predikant.

Bron afbeelding: Pinterest – Pin on Bible verses and Scripture Memes

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Omhooggevallen kinderen?

Toen zei de HEERE God: Zie, de mens is geworden als één van Ons*, omdat hij goed en kwaad kent. Nu dan, laat hij zijn hand niet uitsteken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij eeuwig zou leven!‘ (Uit Genesis 3 vers 22)

Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren, … en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.‘ (Uit Genesis 11 de verzen 6-7)

* Vandaar mijn vraag: omhooggevallen?

Geciteerd 1: Adam zondigde. Wat hield zijn zonde in? Beatrice antwoord met één zin: ‘Adam verdroeg de grens die gesteld werd aan zijn wil niet, terwijl de grens hem alleen maar ten goede kwam. Daarmee haalde hij het oordeel over zichzelf en zijn nakomelingen, die vanaf nu in grote misvatting leefden.’

Geciteerd 2: Doordat de mens direct door God is aangeraakt en gezegend, is zijn wil vrij. Hij is niet als de dieren, onderworpen aan de krachten van de kosmos. Hij stond in directe verhouding tot God en had de mogelijkheid om, als hij daaruit leefde, tot zegen te zijn van de gehele geschapen werkelijkheid.

Opgemerkt 1: Wij zullen toch echt veel bescheidener (Bijbelser!, meer naar het onderwijs van Gods Woord!) hebben te spreken over de eerste mensenkinderen in het paradijs, dan in het artikel, waaruit geciteerd wordt, wordt gedaan! En het is heus niet moeilijk om in de Bijbel terug te vinden waarom we dat hebben te doen!

> Leestip: 1 Korintiërs 15 : 35-58 – Onontbeerlijk voor een goed lezen en begrijpen van de eerste hoofdstukken van Genesis.

Opgemerkt 2: We moeten van Adam geen halfgod maken (ook geen genie), die, onafhankelijk van de krachten in de natuur, de schepping tot zegen zou kunnen zijn en wel door met zijn onafhankelijke vrije wil steeds op basis van zijn geniale denkvermogen de goede keuzes te maken. Nee, ze waren, als van Gods Woord afhankelijke kinderen, geplaatst in een goede schepping en in een tuin vol vruchtbomen die door God Zelf geplant was en waarvan ze de vruchten mochten eten. De boom van kennis van goed en kwaad moest hen er steeds weer aan herinneren dat ze niet uit eigen kracht en van eigen wijsheid konden en zouden leven!
Deze boom in het midden van de hof was niet een ‘vrije-wil begrenzer’, maar een voortdurend herinnering aan hun afhankelijkheid en hun ongelijk zijn aan hun Schepper en Onderhouder. God had met deze boom ook niet een soort werk-contract opgesteld en daarbij gezegd dat als ze zich daaraan vergrepen, dat ze dan niet meer bruikbaar zouden zijn als beheerders van Zijn goede schepping. Nee, Hij had ze alleen voorgehouden dat ze dan zouden sterven. Meer niet.

Opgemerkt 3: De ‘natuurlijke’ mens(en), die Adam en Eva waren, zullen we ook niet zó van de dieren onderscheiden als in het betreffende artikel gebeurd. De levensgeest, die God heel persoonlijk, de mens de neus inblies, die hebben de dieren ook! Alleen blijft die levensgeest van de mens – na het sterven – op een bijzondere manier bewaard bij God (zie o.a. Prediker 3 vers 21 en 12 vers 7). Maar uiteindelijk zal niet die levensgeest, maar de heilige Geest, de volle uitstorting/gave van Gods Geest, bij de wederopstanding alles bepalend zijn bij het leven van ons mensen in Gods nieuwe schepping. Wij dienen allen te beseffen dat God dan ‘alles zal zijn in allen’ en dat we daarbij toch onze persoonlijkheid en individualiteit zullen kunnen/mogen behouden. (Zie hierbij ook 1 Korintiërs 15 vers 48)

Opgemerkt 4: Steeds weer zullen we goed hebben te beseffen dat er geen bestaan en krachten en machten en beweging mogelijk is buiten God. De boze die zich door het paradijs voortbewoog kon ook maar niet zijn eigen gang gaan! We lezen daarvan bijvoorbeeld in Job en ook bij de leugenprofeten, die Achab in dienst had (Zie 2 Kronieken 18 de verzen 16-22)! Adam en Eva hadden zelfs wanneer ‘de slang’ als een ‘engel des lichts’ aan hen verschenen was, gewoon (kinderlijk!) zullen vasthouden aan Gods waarheid, zoals Hij die gesproken had over de boom van goed en kwaad. Zingen we niet: God zal Zijn waarheid nimmer krenken…

Opgemerkt 5: We zullen van onze Heer Jezus leren wat het is om werkelijk als kinderen, als kinderen van God, te leven. Hij sprak en handelde niet op eigen gezag! Hij deed alles wat de Vader Hem verteld en geboden had. Hij ging zelfs de zware weg van het kruis in vertrouwen op de liefde en wijsheid van Zijn Vader!

Want God heeft ieder mens overgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat Hij voor ieder mens barmhartig kan zijn. Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk Zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk Zijn wegen. Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit Zijn raadsman? Wie heeft hem iets gegeven dat door Hem moest worden terugbetaald? Alles is uit Hem ontstaan, alles is door Hem geschapen, alles heeft in Hem Zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen.‘ (Uit Romeinen 11 de verzen 32-36)

De Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid, maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de Joden aanstootgevend en voor de heidenen dwaas. Maar voor wie geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, is Christus Gods kracht en wijsheid., want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen‘ (Uit 1 Korintiërs 1 de verzen 22-25)

Bron citaten: Ecclesia 25/26 – december 2021 – ‘Dante over de menswording van Christus’ – door dr. H. Klink (Hoornaar)

Bron afbeelding: Heartlight

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Sion word door recht verlost…

Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid.’
(Uit Jesaja 1 vers 27).

Vervolg van:Een fundamentele betrekking van liefde…

Citaten uit Preek n.a.v. Zondag 4 (HC) gehouden zondag 29 september 1940.

Geciteerd 1: God is rechtvaardig als Hij het paradijs openstelt in vaderlijke liefde over Zijn zoon. Maar Hij is rechtvaardig, ook wanneer hij de zoon daaruit verbant in vaderlijke toorn. Zijn gramschap ontbrandt; en Hij werpt Adam uit het paradijs; en Hij werpt de wereld in de ellende; en Hij dompelt de wereld van de ene verschrikking in de andere. En we sidderen. En de mensen zeggen: er moest maar snel een einde komen aan al dit verschrikkelijke; en wij zeggen het hun na.

En toch… ook dit is openbaring van Zijn rechtvaardigheid. De Schrift zegt: ook dit is handhaving van het paradijs; handhaving van het verbondsrecht.

Wij huiveren en zeggen; och dat er een uitweg mocht zijn; dat er gunst mocht zijn; dat er leven mocht zijn. Maar we worden met stomheid geslagen. Want God antwoord: Ik heb gemeenschap gesticht; Ik dring nog dagelijks er bij jullie allen op aan; maar Ik roep tevergeefs. En nu krimpen jullie onder de vloek; maar dit ook is een bewijs dat Ik de gemeenschap met jullie wilde en zoek; dat Ik daar geen afstand van wil doen; dat Ik daarmee niet speel. Ik heb zozeer jullie leven gezocht en strikt rechtvaardig jullie welzijn beoogd, dat Ik uw spelen moet wreken.

Wij moeten niet zeggen tot God, we moeten dat ook in deze tijd nog niet zeggen, dat we het leven zoeken en het geluk najagen. Want God antwoord: Jullie liegen; jullie hebt met je leven gespeeld; en jullie spelen er nog mee; Ik heb jullie leven gezocht en jullie geluk; Ik was het, Die het spelen daarmee niet verdragen kon en Die daarom Mijn toorn ontbranden deed.

Wij zijn zelf onrechtvaardig geweest en we zijn het nog; en we vinden het ook wel goed als God Zijn rechtvaardig oordeel niet komen doet; als we maar weer adem kunnen halen. Dat wil zeggen: we zoeken ook nu nog het leven buiten recht om; buiten het verbond om; buiten de liefde van de vader en de gehoorzaamheid van het kind om.

Ook dat verschrikkelijke van nu (toen WO II) is handhaving van het paradijs; ook daarin bewijst God zich Vader; daarin verwijt hij ons dat we geen kind geweest zijn; daarin roept Hij ons toe het weer te worden. In die dingen toont Hij, dat Hij werkelijk Vader is, maar wij geen kinderen! (…)

Geciteerd 2: Maar hoe leren wij dan belijden dat Sion door recht verlost wordt; hoe kunnen wij in onze onmacht en buigend onder het oordeel van Gods recht met vreugde gaan roemen?

Nu noem ik het laatste: Gods verlossingsrecht. David heeft ervan gezongen; Jesaja heeft ervan geprofeteerd; Paulus heeft er een hele brief overgeschreven. En onze belijdenis wijst ook daarnaar: Is God niet ook barmhartig? God is barmhartig; evenwel met handhaving van Zijn recht.

Zo pas zei ik: Gods wil tot gemeenschap is rechtvaardigheid. Nu keer ik het om: Zijn rechtvaardigheid betekent wil tot gemeenschap, die Hij daarin doorzet. Het verbond betekent dat God Zijn recht handhaaft; dat Hij op Zijn eisen staat, dat Hij de toorn ontlaadt. Maar dat God Zijn recht op die manier handhaaft, is alleen omdat Hij het verbond wil; omdat Hij de gemeenschap zoekt; omdat Hij Vader wil zijn.

De gemeenschap met Hem kan niet bestaan zonder het recht van Zondag 4. Maar dit recht heeft geen zin dan voor de gemeenschap met Hem. Het bewijs van de liefde zit achter Zijn recht; maar dat zit er ook bij vóór. Hij wil toch weer tot de gemeenschap der liefde komen.

Geciteerd 3: Daar zeg ik nu verder niet veel van. Want jullie weten wel dat: God betoont deze eisende en vergeldende rechtvaardigheid in het kruis van Christus; zo verlost Hij ons en maakt de gemeenschap weer mogelijk. Omdat God Vader is, handhaafde Hij Zijn recht. Maar Zijn recht liet Hij niet los: om Zich Vader te tonen én opdat er zou zijn de aanneming tot kinderen. Nu gaat het dus naar (volgens) recht; Maar wordt Sion toch verlost.

Slot: En nu ben ik getroost: de liefde drijft God tot handhaving van het recht. Maar het recht baant zo de weg tot betoning van Zijn liefde. Al Gods recht is tenslotte verlossingsrecht in Christus.
(…) We staan voor onmogelijke eisen: maar in Christus kunnen we ze volbrengen. Het oordeel wordt nu uitgestort over de wereld, en zie de vloek daarin gaat ons voorbij, om Christus’ wil. Sion wordt door recht verlost. Door recht. Dat is herinnering aan het eerste paradijs. Verlost: dat is belofte van het tweede paradijs. We leven tussen twee paradijzen in; we zijn verdreven uit de eerste; God was daarin rechtvaardig. Maar we worden weer aangenomen in het tweede; want God is rechtvaardig.

Nu leer ik de lofzang van David (Psalm 119 vers 69, berijmd, OB):
Gij zijt volmaakt; Gij zijt rechtvaardig, Heer.
Amen.

Bron citaten: Boek ‘De dingen die ons van God geschonken zijn – catechismuspreken’ – Eerste deel, Zondag 1-13 – van ds. B. Holwerda (1909-1952), bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool te Kampen.

‘Ik vind grote vreugde in de HEER,
mijn hele wezen jubelt om mijn God.
Hij deed mij het kleed van bevrijding aan,
hulde mij in een mantel van gerechtigheid,
zoals een bruidegom een kroon opzet,
zoals een bruid zich tooit met haar sieraden.
Want zoals de aarde haar gewassen voortbrengt,
zoals een tuin het gezaaide laat ontkiemen,
zo laat God, de HEER, gerechtigheid ontkiemen
en glorie voor het oog van alle volken.
(Uit Jesaja 61 de verzen 10-11 – Lees heel Jesaja 61)

Bron afbeelding: Master’s Hand Collection

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Een fundamentele betrekking van liefde…

‘Heer, niet trots is mijn hart,
niet hoogmoedig mijn blik,
ik zoek niet naar wat te groot is
voor mij en te hoog gegrepen
(Uit Psalm 131, Een pelgrimslied van David, vers 1)

Citaten uit Preek n.a.v. Zondag 4 (HC) gehouden op zondag 29 september 1940.

Geciteerd 1: Een rechter is rechtvaardig, wanneer hij strikt eerlijk recht spreekt; Hij behoeft werkelijk niet in een bepaalde verhouding tot de beklaagde te staan. Maar in Israël is dat anders. Daar veronderstelt gerechtigheid altijd, dat er een bepaalde verhouding is tussen twee partijen; een betrekking van liefde. Gerechtigheid wil daar niet zeggen, dat men strikt eerlijk handelt tegenover de naaste; maar het wil zeggen dat men in alles handelt overeenkomstig de band der liefde. Iemand is dan rechtvaardig, wanneer hij heel zijn optreden de betrekking met de ander erkent; wanneer hij in alles, wat hij doet zich aan de afspraken houdt, en het welzijn van de andere partij bevordert.

Gerechtigheid is het dus, wanneer men in heel zijn houding rekening houdt met een fundamentele betrekking. En waar tussen God en mens het verbond de oerverhouding is waardoor die twee aan elkaar verbonden zijn, daar is gerechtigheid van God niet maar, dat Hij strikt eerlijk handelt, ieder vergeldt naar zijn werken; maar dat Hij de mens als Zijn bondgenoot beschouwt en behandelt; dat hij zijn belang zoekt; dat Hij hem Zijn gunst geeft; dat Hij in alles een Vader is voor Hem.

Gerechtigheid is vrijwel hetzelfde als goedertierenheid en liefde.

Wanneer is God rechtvaardig? Wanneer Hij aan de mens een wet geeft; en hem precies uitbetaalt wat hij verdient? Maar van verdienen is bij God nooit sprake. Adam in het paradijs kon niets verdienen bij God. Kon Adam bij God gaan en zeggen: dat en dat heb ik gepresteerd; geef mij mijn loon? Kon Adam een nota indienen wegens verrichte werkzaamheden? Natuurlijk niet; want alles wat hij heeft is van God; en alles wat hij doet, is uit kracht die God verleende. Hij kon dus nooit iets verdienen.

Maar dit is de gerechtigheid van God: de mens is voor Hem niet maar een schepsel, zoals er vele andere schepselen zijn. Maar in God was de wil tot gemeenschap. God nam de mens aan als een kind; en Hij zei tot Hem, uit pure gunst: Ik ben uw Vader. Gij hebt in uzelf geen recht op de wereld; want de wereld is van Mij; en gij zijt ook van Mij. Maar ik heb u lief met een eeuwige liefde. Ik maak u tot mijn kind; en daarom mag je eten van alle bomen in deze hof.

Dat evangelie: ge zult vrij eten van alle bomen in deze hof, was dat rechtvaardig van God? Wij met ons begrip van gerechtigheid zeggen: van rechtvaardigheid is hier geen sprake; dat is alleen maar gunst van God. Maar de Bijbel zegt: toen God het hele paradijs voor de mens openstelde, en hem vergunning gaf alles te gebruiken, toen was dat rechtvaardig. Toen hield God zich daarin aan de verhouding, die Hij tussen Zich en de mens had gelegd.

Hij had in het verbond hem aangenomen als Zijn zoon; nu gaat Hij hem ook als zoon behandelen; en Hij doet hem delen in al de rijkdom van Zijn wereld; Hij doet hem meegenieten van de schoonheid van de schepping; Hij doet hem ingaan in de rust, die Hij zelf viert. Gerechtigheid van God is het, wanneer Hij naar eis van het verbond Zijn gunst en trouw geeft; Wanneer Hij de mens behandelt als Zijn geliefde kind.

En nu moet ook de mens rechtvaardig zijn; zijn God liefhebben, in alles wat hij doet, Hem eren als Vader. Gerechtigheid is het dus, wanneer ze in alles wat ze doen, de band van de liefde erkennen en daarmee altijd rekenen. Gerechtigheid is altijd in de Schrift: zich houden aan het verbond.

En nu komt de zondeval. De mens van zijn kant wordt ontrouw; hij weigert zijn God en Vader te eren, en met Hem heel zijn leven te leven. Bij God was er de sterke wil tot gemeenschap. Maar Adam weigerde die gemeenschap. Hij wil zijn eigen leven leiden, los van God, zelfstandig.

Dit is zijn ongerechtigheid dat hij de gemeenschap afwijst, de band verbreekt; dat hij zich van God scheidt. En nu hij eenmaal de band verbroken heeft, kan hij die zelf ook nooit weer aanknopen. Want hij had die band niet zelf gelegd; God had dat gedaan; als hij de band stuk maakt, kan hij die ook nooit herstellen; als dat zal gebeuren, moet God het doen.

Nu, daar staat Adam. Hij heeft ‘neen’ gezegd tot God. hij zei: ik ga wel mijn eigen wegen; het lust me niet met U (voortdurend) gemeenschap te houden. Wat moet God nu zeggen? Moet Hij Adam nu zijn gang maar laten gaan? Moet Hij nu zeggen: goed, als je niet langer met Mij in gemeenschap wilt leven, ga dan maar? Moet Hij zeggen: Je kunt nu niet langer doen wat Ik van je vraag; nu zal Ik van mijn kant Mijn vordering laten vallen? Moet Hij zeggen: nu annuleer ik de betrekking tussen jou en Mij?

Maar geliefden, dan zou God onrechtvaardig zijn! Dan zou Hij immers loslaten de grondverhouding waarin Hij de mens tot Zich had geplaatst. Gods gerechtigheid is, dat Hij krachtens Zijn wil tot gemeenschap, die gemeenschap maakt en in alles de ontplooiing daarvan zoekt. Gerechtigheid is het slechts, wanneer Hij ook na de val Zijn wil tot gemeenschap handhaaft;

Geciteerd 2: Als God had gezegd: nu goed, dan scheiden onze wegen zich hier, dan had Hij zelf de gemeenschap prijsgegeven; dan zou Hij nooit meer rechtvaardig kunnen heten; want dan had Hij zelf de basis onder Zijn recht weggeslagen. Als God Zijn verbond, dat de verhouding tussen beide partijen regelde had ingetrokken en Adam van zijn verplichtingen ontslagen, dát was onrecht geweest; immers zou Hij juist daarin zelf het verbond hebben losgelaten. Dan had Hij wel het verbond ingezet; dan was Hij zelf wel met de gemeenschapsoefening begonnen, maar Hij zou die niet hebben doorgezet. Het onrecht van Adam was met onrecht van God beantwoord geworden.

Geciteerd 3: God heeft de mens niet maar in de kinderpositie ingezet, maar hem ook gegeven het vermogen en de wil tot kinderlijke trouw. Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen door het ingeven van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid van zulke gaven beroofd. Dat de mens zich niet langer wil houden aan het verbond, dat hij zich niet meer daaraan kan houden, dat hij onrechtvaardig werd en nooit meer het recht van het verbond kon eerbiedigen, dat is zijn eigen schuld. Maar God is en blijft in alles trouw aan Zijn verbond.

Ja, geliefden, het is een donker woord, dat wij niet meer kunnen doen wat God van ons vraagt; het is volstrekte ellende. En toch is dit een stukje paradijs. We kunnen het niet; dat is ellende; maar we moeten toch; God blijft vragen; God handhaaft het oude recht van het paradijs.

O, het is een grote teleurstelling, dat van al die idealen tot zedelijke verbetering van de wereld niets terecht kwam; het is ontzaglijk tragisch dat er scholen worden gebouwd, maar dat de gevangenissen niet overbodig worden. Het is een afschuwelijke ellende, dat ook nu het radicaal boze in de mens zich openbaart. Maar toch, hier is een stukje paradijs. Wij zijn geen kind meer; maar God blijft Vader, want het oude ‘verbondsstuk’ van het paradijs laat Hij niet los.

Zie vervolg:Sion wordt door recht verlost

Bron citaten: Boek ‘De dingen die ons van God geschonken zijn – catechismuspreken’ – Eerste deel, Zondag 1-13 – van ds. B. Holwerda (1909-1952), bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool te Kampen.

Nee, ik ben stil geworden,
ik heb mijn ziel tot rust gebracht.
Als een kind op de arm van zijn moeder,
als een kind is mijn ziel in mij.
Israël, hoop op de Heer,
van nu aan tot in eeuwigheid.
(Uit Psalm 131, Een pelgrimslied van David, de verzen 2-3)

Bij de afbeelding: Mother with Child sculpture by Fritz Nuss, Psalm 131 Song of Ascents, with plaque quoting verse 2, “Lord, my heart is not haughty” in Schorndorf, Germany

Bron afbeelding: Wikipedia

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Het ontzaglijke van een mensenleven…’

Vrees niet voor het lijden dat u zult ondergaan. Sommigen van u zullen door de duivel in de gevangenis worden geworpen, en zo op de proef worden gesteld, en u zult tien dagen verdrukt worden. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven schenken.’ (Uit Openbaring 2 de vers 10)

Uit een preek die gehouden werd op Zondag 30 mei 1943

Geciteerd: Hier in Smyrna is dus de gemeente van Jezus Christus, de levende God én de eeuwig levende mens. En zo heeft de gemeente zelf in Hem het leven. Want dat leven van haar Heer en Heiland is geen abstractie, Hij openbaart de kracht van Zijn leven in de kerk. Ze is met Hem gestorven en weer opgewekt. En zo heeft ze in gemeenschap met Hem het eeuwig leven. (…) Hier in Smyrna staat dus de kerk van het leven, hier in de omgeving van Joden en Romeinen, in deze stad die pronken kan met haar levensrijkdom…

We zouden kunnen zeggen: deze kerk heeft in Smyrna grote mogelijkheden. Smyrna is immers de stad van de synthese, de stad waar scherpste tegenstellingen worden opgelost, de stad van de verbroedering, waar men elkaar te vinden weet, waar bruggen worden gebouwd, dan kunnen we toch veilig zeggen, dat de meest onverzoenlijke vijanden en machten de verzoening tot stand hebben gebracht.* Als deze geest van verbroedering en synthese de geest van Smyrna is, dan kan de kerk in dit klimaat zich rustig ontplooien.
* Romeinen en Joden gunden elkaar daar alle vrijheid en levensruimte.

Maar dan vergissen we ons, want het eerste woord van Christus is: Ik weet uw verdrukking. En, ‘verdrukking’ is in de Bijbel een heel diep woord. Het betekent niet maar, dat er wat moeite is en tegenstand, niet maar dat er een last op het leven ligt, niet maar, dat het recht wordt gekrenkt; neen; verdrukking is in de Bijbel altijd de openbaring van de macht van de dood. Als de Schrift van verdrukking spreken gaat, dan denkt ze altijd aan Hem die het geweld van de dood heeft, de duivel, die zijn vijandschap vertoont in de vernieling van het leven.

Het geweld van de dood is er allereerst economisch. Het was immers de stad van de grote rijkdom. En zelfs de Joden, die berooid en haveloos uit Jeruzalem waren gevlucht, en zonder een cent zich hier hadden gevestigd, ze waren in enkele jaren rijk geworden en deelden in de algemene welvaart. Maar de Christenen daar zijn arm. Dat is geen toevalligheid, zoals in een welvarende omgeving altijd wel enkelen aan de grond blijven zitten; neen, dit is een openbaring van de verdrukking, van de macht van de dood. Men gaf die Christenen economisch geen kans.

O ja, ik weet het wel en Christus zegt het ook met nadruk: maar jullie zijn rijk; deze mensen hebben een schat in de hemel; ze bezitten het waarachtige leven in Christus Jezus en dat is meer dan alle schatten van Smyrna. Het is allemaal waar, maar waar het leven door Christus hersteld is, daar verlangt men toch ook Zijn volle glorie; waar innerlijk het leven vernieuwd is, daar zoekt men toch ook uitwendige levensbloei.

Niet alleen in de armoe, maar ook door smaad, verdachtmaking en valse aanklacht ondervindt de gemeente te Smyrna de verdrukking. Het is maar niet alleen venijn van de kant van de Joden, het is de satan, die door zijn ‘synagoge te Smyrna’ aan de gemeente levensontplooiing ontneemt. Armoede betekent stoffelijk geen levensmogelijkheid hebben; laster wil zeggen, dat ze ook geestelijk en zedelijk geen levensmogelijkheid hebben; de pas wordt hen aan alle kanten afgesneden. De gemeente van het leven moet bukken voor de dood.

Laten we maar eerlijk bekennen, wat daar in Smyrna gebeurde maakt ons wel bang. En het verbaast ons dat Christus zeggen kan: Vreest geen van die dingen, die ge lijden zult. Notabene de enige zekerheid die ze in Smyrna hebben is dat het nog benauwder gaat worden, maar overigens weten ze niets, noch van de maat nog van de duur van het lijden. Is dat niet vreselijk irriterend, dat zinnetje: vreest niet…?

Dat is juist het ontzaglijke van een mensenleven: als er slechts mensenkrachten in het spel waren, en mensenfactoren, zouden we de spanningen kunnen verdragen; het zou alles binnen onze maat en daarom in onze macht zijn. Maar dit is het geweldige en overweldigende: in gewoon menselijke verhoudingen, zakenrelaties, buurpraatjes, doodgewone dingen van elke dag, botsen bovenmenselijke krachten op elkaar, krachten van Christus én van satan, krachten van de hemel en krachten van de hel; mensenzenuwen krijgen nu spanningen te verwerken waar ze niet op berekend zijn…

U zegt: dan wordt het voor ons niet uit te houden. Dat is het ook niet. Maar Christus stelt ons aan die hoogspanning bloot, om ons te beproeven, dus om te doen uitkomen, wat in ons eigenlijk de doorslag geeft: het leven, dat uit Hem is dan wel de schatten die de duivel biedt. Nog eens: daar zijn we niet tegen bestand. Maar het gaat er ook niet om, of wij bestand zijn tegen die spanning, maar of het leven van Christus bestand is tegen het geweld van de duivel…

En omdat het daarom gaat, vraagt Christus niet naar de grenzen van ons uithoudingsvermogen. Hij gaat als het moet ver buiten de perken daarvan. Hij stelt Zijn kracht zo onvermengd mogelijk tegenover het geweld van de satan. Zoals daar in Smyrna. Eerst zijn ze arm, en ondergaan ze de laster. Maar ze houden vol. En dat betekent al heel wat. (…) In die eerste krachtmeting overwint Christus.

Maar toch was dit nog niet de uiterste krachtsproef. Er moet nog blijken of Christus zónder vrijheid en zónder leven, dus de pure onvermengde genade van God zonder iets daarbij, hun genoeg is; of het wegvallen van de laatste restjes levensvreugde nóg in hun keus geen verandering brengt. En zo beproeft Hij ons ook vandaag… (zie de datum van deze preek)

Slot citaat: Zullen wij leven? Het leven is ons Christus. Moeten we sterven? Ook dat is ons tot winst. Hij heeft de dood overwonnen. Hij gebruikt hem slechts om de glorie van Zijn leven in ons te openbaren.

Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.’ Amen.

(1) Gebeurde zoiets niet ook in Hitler-Duitsland waar veel voorgangers in de kerken de kant van Hitler kozen en/of liever zwegen over wat er werkelijk zich aan het ontwikkelen was in het zichzelf verheerlijkende Duitsland. En waar degenen, die die alleen in Christus hun Koning wilden erkennen en belijden, levensgevaar liepen.

Zie ook van deze prekenserie uit Openbaring:

Bron citaten: Boek ‘Een levende hoop – In de wereld, niet van de wereld’ (deel I, Openb. 1-3) – serie preken van B. Holwerda, bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool te Kampen.

Bron afbeelding: Bible

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Verlossing door kracht of door recht? (vervolg en slot)

Uit een preek gehouden op Zondag 4 juli 1943

Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint zal Ik van het verborgen manna geven, en die zal ik ook een witte steen geven en op die steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent, dan wie hem ontvangt.‘ (Uit Openbaring 2 vers 17)

Geciteerd: Pergamum belijdt de verlossing door kracht, maar de kerk weet slechts van verlossing door recht. Pergamum ken de mooie Psalm: die al uw krankheden geneest, die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden; en de kerk van Christus zingt die Psalm ook, maar toch anders, want in die gaat bij haar vooraf het eerste en het grootste: die al uw ongerechtigheden vergeeft.

De kerk weet ook van verlossing van het leven, verlossing niet maar van de ziel, maar ook van het lichaam, maar die komt slechts op uit dat eerste: de vergeving van de zonden door het kruis. De heiden en de christen in Pergamum, ze spreken beide van verlossing van het vlees, maar de christenen daar funderen die alleen in de vergeving van Christus.

Dus dát is het conflict in Pergamum: levensverlossing door het kruis dan wel buiten het kruis, genezing en welvaart en levensruimte door recht dan wel door kracht.

Als Jezus Christus hier had willen binnen komen als duivelsbanner, als opwekker van doden, als geneesmeester van zieken, men had hem zondermeer een plaats geboden en een tempel aan hem gewijd; als hij maar krachten had willen doen zondermeer, net als de andere Pergameense goden, maar Hij blijft de zonde de grote ellende noemen. Hij vraagt allereerst geloof, Hij maakt Zijn discipelen wel tot heersers over het leven en Hij belooft dat ze zullen zitten in Zijn troon, maar Hij maakt ze toch allereerst tot priesters voor God, tot knechten, die de wil van de Vader doen, want niet bij Hem is het grote dat ze met het leven klaarkomen, maar dat ze voor God op hun plaats komen.

Slot: Wat is nu die witte steen met een nieuwe naam, welke niemand kent dan die hem ontvangt? We dienen hier uit te gaan van het gebruik van de steen als amulet, want die kende men ook in de dienst van Asclepius, die in Pergamum zo centraal stond: de zieken kregen een witte steen met een naam erop geschreven in geheimzinnige tekens. Niemand kon die tekens ontcijferen, dan alleen de persoon in kwestie. Want in bijgeloof meende men, dat zo’n steen zijn werking verloor, als boze geesten wisten wat er op stond…

Christus zegt hier dus in beeldspraak, die iedereen in Pergamum begreep, dat zo iemand onaantastbaar is voor alle gevaren. Ze begrepen allen, dat Hij hun de immuniteit verleende, als ze getrouw bleven. En nu moet u eens zien, wat deze belofte voor hen betekende. Ze wisten dat hun trouw aan Christus hen in conflict bracht met heel de macht van Pergamum, met alle priesters van Asclepius en met Athene en de keizer. Met de satan, die daar zijn residentie had. Ze werden door gevaren omringd. Maar nu komt daar de belofte: wees getrouw, en Ik maak u onaantastbaar.

En als zij en u bezwaren opperen, dit risico en dat gevaar, dan zegt Christus: IK maak u onaantastbaar tegen elk gevaar: IK geef u die steen met een naam, die alleen gijzelf kent. Levensgarantie en levensonaantastbaarheid, ze zijn er alleen in Christus Jezus.

Daar is er maar één verlosser en dat is Hij. Asclepius niet, Athene niet, de keizer niet.
Alleen Hij. Amen.

Zie ook:Verlossing door kracht of door recht?

Bron citaten: Boek ‘Een levende hoop – In de wereld, niet van de wereld’ (deel I, Openb. 1-3) – serie preken van B. Holwerda, bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool te Kampen.

Bron afbeelding: Peace Be With U

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Verlossing door kracht of door recht?

En schrijf aan de Engel der gemeente die in Pergamum is: Dit zegt Hij die het tweesnijdend scherp zwaard heeft: Ik weet uw werken, en waar gij woont, namelijk daar waar de troon van satan is; en gij houdt vast aan Mijn naam, en hebt het geloof in Mij niet verloochend, ook niet in de dagen van Antipas, mijn getrouwe getuige, die gedood werd bij u, waar de satan woont.‘ (Uit Openbaring 2 de verzen 12-13)

Uit een preek gehouden op Zondag 4 juli 1943

Geciteerd: De kerk te Pergamum woont waar de satan troont. Maar ze houden er vast aan de naam van Christus, ze hebben het geloof in Hem, het geloof in de verlossing door récht niet verloochend, al werden ze aan alle kanten omring door mensen die de verlossing door kracht beleden.

Ze hebben daar niet gezegd zoals veel anderen: we zoeken tenslotte allemaal de verlossing. (…) Ze hebben volgehouden: het is een andere naam, want het is een andere zaak. De verlossing van het leven ligt in Christus, en niet in Asclepius (de medische wetenschap) en niet in Athene (menselijke wijsheid en vernuft) en niet in de keizer (met zijn politieke en militaire macht). Ze hebben beleden: Asclepius, Athene, de keizer, dat is wat anders dan Christus, dat staat er vierkant tegenover, dat is geen Christus, maar Satan.

Satan vindt het best als men hem de bondgenoot van Christus in de verlossing noemt, als men Christus de ziel laat, maar Asclepius het lichaam. Hij verdraagt het heel goed, als men van Christus de hemel verwacht, maar van Athene de verlossing op aarde. Hij verdraagt het zeker als men de zaligheid zoekt bij Christus, maar de welvaart bij de keizer.

Eén van de leden van de gemeente heeft het met de dood moeten betalen, zijn belijdenis van Christus als dé tegenstelling (antithese) tot de goden van Pergamum. Toen vertoonde satan zich in zijn ware gedaante, toen Antipas hem bij de ware naam durfde noemen; en toen zag de satan, die zogenaamd het leven verloste, er niet tegen op om Antipas te breken in de dood.

Maar de gemeente werd niet bang. (…) Ze hielden ook in de dagen van vervolging vol: met lichaam en ziel, met zaligheid en welvaart, met het leven van de Zondag en met het leven van de week, met de verwachting van de hemel én in alle verhoudingen hier op aarde zijn we het eigendom van Jezus Christus, onze enige Zaligmaker, die ons niet door Zijn kracht, maar door Zijn recht, immers door Zijn bloed verlost heeft, verlost uit álle macht van de duivel, uit de macht van Asclepius, uit de macht van Athene en die ons ook in de dingen van de keizer tenslotte alleen doet buigen voor God.

En toch is men in Pergamum bezig om die tegenstelling te verdoezelen. Het gebeurd nog niet heel erg opvallend en uitgesproken en daarom zegt Christus dat ook, dat Hij slechts weinig tegen de gemeente heeft. In vergelijking met de grote trouw en standvastigheid daar is het nog gering. Maar het is er dan toch, en het is een dodelijk gevaar…

Maar ik heb enkele dingen tegen u, dat gij daar sommigen hebt, die vasthouden aan de leer van Bileam, die Balak leerde om de kinderen van Israël een val op te zetten, waardoor ze heidens offervlees zouden gaan eten en ontucht zouden plegen. Zo is het ook bij u: sommigen houden op dezelfde manier vast aan de leer van de Nikolaïeten. Breek toch met het leven dat u nu leidt, anders kom ik binnenkort naar u toe en zal ik hen met het zwaard uit Mijn mond bestrijden.‘ (Uit Openbaring 2 de verzen 14-16)

Bron citaten: Boek ‘Een levende hoop – In de wereld, niet van de wereld’ (deel I, Openb. 1-3) – serie preken van B. Holwerda, bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool te Kampen.

Bron afbeelding: JeffRandleman-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Elke dag een feest- en dankdag?

Laat uw klederen te allen tijd wit zijn, en laat op uw hoofd geen olie ontbreken.‘ (Uit Prediker 9 vers 8)

Geciteerd 1: Volgens het Nieuwe Testament is de gemeente van Christus de enige godsdienstige gemeenschap in de wereld zonder cultus en daarom ook zonder feesten. Het Nieuwe Testament kent geen feestkalender meer, want alle dagen zijn feestdagen geworden.

Helaas heeft de christelijke kerk dit nieuwtestamentische niveau niet lang weten te handhaven. Al gauw begon de cultus de kerk weer binnen te dringen. Dwars tegen heel de teneur van het Nieuwe Testament in kwamen er weer heilige, gewijde plaatsen, priesters, altaren, erediensten, liturgische gewaden, processies, wierook, kaarsen, bijzondere dagen en feesten. De kern van de godsdienst werd weer van het praktische, dagelijkse leven overgeheveld naar een sacraal gebeuren in en rondom een heilige ruimte.

Als ik voor de televisie of in werkelijkheid indrukwekkende godsdienstige plechtigheden zie, word ik gefascineerd door heel dat cultische gebeuren met al zijn praal, symboliek en esthetische rijkdom. Het boeit me mateloos. Tegelijkertijd kan ik wel huilen en zeg ik: hoe is het mogelijk dat men de doorbraak van het Nieuwe Testament weer helemaal ongedaan heeft gemaakt…

De Reformatie heeft uit dit sacrale bos wel het een en ander weggekapt, maar is er niet in geslaagd het nieuwtestamentische niveau weer te bereiken. Ook in de protestantse kerken worden de gemeentelijke samenkomsten – in afwijking van het nieuwtestamentische spraakgebruik – nog steeds als erediensten getypeerd. En wat in die samenkomsten gedaan wordt, heet ook daar nog steeds liturgie. Daarmee zetten we het nieuwtestamentische spraakgebruik volledig op de kop. Ook onder ons wordt een kerkgebouw Gods huis genoemd, terwijl God volgens het Nieuwe Testament niet meer, zoals nog wel in het Oude Testament, in een gebouw maar in mensen, in de gemeente van Christus woont (zie Efeziërs 2 de verzen 19-22 en 1 Timoteüs 3 vers 15).

Geciteerd 2: In protestantse kerken wordt steeds vaker weer gesproken van een liturgisch centrum. Steeds meer predikanten dragen toga’s en stola’s te dragen in de kleuren van het kerkelijk jaar. De kerkelijke kalender – ook een cultisch gegeven van de eerste orde – schrijft voor welk soort Schriftgedeelten er gelezen worden en welk soort liederen er gezongen worden. En het herhalingsmotief krijgt bij de feestdagen een steeds sterker accent.

Veel christenen beleven de adventsweken, de Kerst, de lijdensweken, Goede Vrijdag en Pasen op zo’n manier, dat de gebeurtenissen zich voor hen opnieuw voltrekken. In de adventstijd leven ze met behulp van adventskaarsen, naar de geboorte van Christus toe. En op eerste Kerstdag is het dan zover: dan is Jezus weer geboren en ligt Hij weer als een kind in de kribbe.
We hebben hier te maken met een oeroud herhalingsmotief uit de heidense religies, waarvan de cyclische herhaling van de geboorte en dood van de godheid een wezenlijk element vormde. Die geboorte en dood werden in cultische feesten en riten opnieuw voltrokken en tegenwoordig gesteld.

Geciteerd 3: Betekent dit nu dat we alle christelijke feestdagen zouden moeten afschaffen? Die eis zou ik niet willen stellen. Het Nieuwe Testament geeft duidelijk ruimte aan diversiteit in geloofsbeleving (zie bijv. Romeinen 14 ver 1vv). Wie denkt dat hij door het onderhouden van christelijke feestdagen de Heer beter kan dienen, moet dat maar doen. Wie meent dat God dat niet van hem vraagt, dient de ruimte te hebben om dat niet te doen.

Het is echter wel nodig en zelfs geboden de christelijke feestdagen te ontdoen van pertinent onBijbelse elementen. Zoals Israël ongezuurde broden moest eten, zo zouden wij ongezuurde christelijke feestdagen moeten hebben, waaruit de zuurdesem van onBijbelse elementen is weggezuiverd, namelijk alles wat met het herhalingspatroon en met de cultus te maken heeft. Dergelijke elementen kunnen wel erg stichtelijk zijn voor de religieuze beleving, maar voeren in werkelijkheid van het Evangelie af.

Slot: Voor zulke gekuiste feestdagen biedt het Nieuwe Testament mijns inziens ruimte. Toch zou ik persoonlijk de voorkeur geven aan geven ze af te schaffen. Want ik reken mezelf graag tot degenen die, naar de woorden van Romeinen 14 vers 5, alle dagen gelijk stellen, dat wil zeggen: voor wie elke dag een sabbat, een feestdag is.

NB. De bovenstaande tekstgedeelten zijn geselecteerd uit het hoofdstuk ‘Excurs: Godsdienstige feesten bij Israël en bij ons’.

Bron citaten: Bron citaten: Boek ‘Als de kerk ter sprake komt’ van ds. M.R. van den Berg (1928-2001) – Uitgeverij VandenBerg Kampen.

Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd. Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij. Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank Hem in al uw gebeden. Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren.‘ (Uit Filippenzen 4 de verzen 4-7)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Waar en wanneer de schoen knelt…

En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land.‘ (Uit Handelingen 7 het 33e vers)

Ds. M.R. van den Berg (1) spreekt in zijn boek ‘Als de kerk ter sprake komt’ (1993) aan het slot daarvan over de alsmaar doorgaande en toenemende secularisatie, juist ook binnen de kerken.

Geciteerd: Die schoen knelt trouwens al zeer geruime tijd. Dat heeft funeste gevolgen voor de voeten. Laten we proberen de knelpunten op te sporen. Wie weet, misschien moeten we de schoen wel weggooien om de voet te behouden. Het omgekeerde zou natuurlijk ook kunnen, maar het leven is nog altijd meer dan het voedsel.

Van een voet springen de gedachten makkelijk over naar Voetius, de toonaangevende gereformeerde theoloog uit de 17e eeuw. Toen hij de strijd aanbond met de carthesiaanse nieuwlichterij, was hij zich er terdege van bewust dat de filosofie van Descartes de dood betekende voor het geloof. Maar het is nooit tot hem doorgedrongen, dat zijn eigen denken doortrokken was van diezelfde gifstof die Descartes’ filosofie zo gevaarlijk maakte. Hij liep met de dood in zijn schoenen zonder het te weten. Hij danste een dodendans, denkend dat hij voor de ark uit huppelde.

… Pascal heeft beseft dat de God van de filosofen en theologen niet meer de God van Abraham, Izak en Jakob was…

Geciteerd 2: De ellende is dat een godsidee iets anders is dan de levende God Zelf. (…) Dat deze godsidee omhangen wordt met de vadernaam, blaast er nog geen leven in. (…) Ook de Bantoe in Zuid Afrika kan met zo’n godsidee niets beginnen. Isaiah Shembe, de legendarische stichter van de Nazarenen onder de Zoeloes, heeft de ontoereikendheid van deze godsidee scherp aangevoeld. (…) Shembo’s zoon zei eens, toen zijn vader al vele jaren dood was: ‘Mijn volk, er werd jullie een God verkondigd die geen armen heeft en geen benen, die niet kan zien en die liefde noch medelijden kent. Maar Isaiah Shembe toonde jullie een God die loopt op zijn voeten, die geneest met zijn handen en die gekend kan worden door de mensen, een God die liefheeft en erbarmen kent.’

… Isaiah Shembe was een valse profeet. Hij ging op de plaats van Christus staan. Maar hij heeft scherp het manco van de theologische godsidee gezien.

Geciteerd 3: De God van Israël is echter een concrete levende God, onvergelijkbaar met een speculatieve idee. Hij sprak van mond tot mond met Abraham. Hij daalde neer op de Sinaï. Hij ging als een krijgsheld voor Zijn volk uit. Hij had berouw dat Hij Saul koning gemaakt had. Hij is een levende, handelende God die concreet tastbaar aanwezig is. Dié God is onze God.
Het komt me voor dat we de dreiging van het geseculariseerde denken alleen kunnen weerstaan, als we weer heel duidelijk gaan inzien, dat deze God van de Hebreeën vandaag nog bestaat en dat Hij vandaag niet minder dan in de oud-testamentische tijd actief is en zich manifesteert in het natuurgebeuren en in de geschiedenis en in ons persoonlijk leven. Een God met handen die Hij gebruikt en met ogen die alles waarnemen, met een stem waarvoor de dieren in het oerwoud sidderen en met een Vaderhart dat warm klopt voor zijn kinderen. Wie die God kwijt is, is zijn (Bijbelse) geloof kwijt.

(1) Meint R. van den Berg (1928-2001) begon zijn loopbaan als predikant in de Nederlandse gereformeerde kerk van Maastricht. Van 1961 tot 1968 was hij zendingspredikant in Zuid-Afrika, daarna diende hij de gemeenten van Oegstgeest, Groningen en Utrecht. Op 1 september 1993 ging hij met emeritaat. Hij was een productief schrijver. Tientallen boeken verschenen van zijn hand, zowel op het gebied van de (pastorale) theologie als de literatuur.

Bron citaten: Boek ‘Als de kerk ter sprake komt’ van ds. M.R. van den Berg – Uitgeverij VandenBerg Kampen

Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven; en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God.‘ (Uit Efeziërs 6 de verzen 14-17)

Bron afbeelding: SlideToDoc-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Als Christus dit met ons aandurft…

En schrijf dit aan de Engel der gemeente van die van Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is en weer levend is geworden: Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (maar u bent rijk), en de lastering van degenen die zeggen dat ze Joden zijn en het niet zijn, maar een synagoge van de satan. Vrees geen van de dingen die gij lijden zult. Zie, de duivel zal enigen van jullie in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt, en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot de dood, en ik zal u geven de kroon van het leven.‘ (Uit Openbaring 2 de verzen 8-10)

Uit een preek gehouden op Zondag 30 mei in 1943

Geciteerd 1: We zijn vele jaren Christen geweest. Wij hadden een schat in de hemel, maar vele andere dingen daarbij: een goede boterham, een plaats in de maatschappij, ook wat kapitaal misschien; we hadden zekere rechten, vrijheid van handelen, vrijheid van beweging, we bepaalden zelf wat we zouden doen, velen hadden een rustig en vol gezinsleven.
Toen waren we Christen, en moeilijk was het niet zolang het leven in Christus bij ons gepaard ging met vele rijkdommen, teveel om op te noemen. Maar waarom waren we Christen? Wat gaf de doorslag? Dat ene, dat we Christus hebben, of al dat andere, dat om Christus’ wil als toegift daarbij kwam?

Zo langzamerhand zijn die extra’s en meer weggevallen: de boterham werd dunner, de welvaart verdween, rechten en vrijheden werden beperkt; we hebben zelf niet meer te beslissen, anderen bevelen over ons, het gezinsleven werd bij velen gebroken…

… Als het hier op aarde zou gaan om ons levensgeluk, dan kunnen we dit niet begrijpen, maar het gaat hierom: dat de kracht van Christus in ons geopenbaard wordt. Of die alléén ons beheerst. We hebben vaak Psalm 73 gezongen: ‘nevens u lust mij niets op aarde‘; maar we zongen het terwijl ons gezin compleet aan tafel zat, en die tafel welvoorzien was. Maar nu zijn er in de meeste gezinnen lege plaatsen, en de kinderen die aan tafel zitten zijn vermagerd; en nu zegt Christus: zing nog eens deze Psalm…

En als de kwestie zo gesteld wordt, slaat de schrik ons om het hart. We vrezen voor al die dingen die ons benauwen, maar we vrezen nog meer voor Christus die ons blootstelt aan een bovenmenselijke krachtproef. Hij zegt niet eens wat wij nog zullen ondergaan; alleen dat het heel wat zal zijn…

Geciteerd 2: Maar nu dit: als Christus dit aandurft met ons, wat dan? Als Christus in onze zwakke krachten de alleenheerschappij van Zijn leven tegenover de macht van de duivel openbaren wil, zoals Hij eens deed in Smyrna, wat dan? Dan hebben we niet te vrezen. Want onze zenuwen houden het niet vol, onze moed niet, onze veerkracht niet, ons geloof niet; ze zijn niet tegen dit geweld bestand. Maar Christus’ kracht is ertegen bestand.

Geciteerd 3: Tenslotte spreken we nog over het einde van deze crisis tussen leven en dood. Dat het einde komen ging, wisten de gelovigen te Smyrna. Want Christus had gesproken over een verdrukking van 10 dagen. Ze mochten dan niet weten, hoe lang dit leed precies duren zou, dit ene wisten ze toch zeker, dat de beproeving een einde nemen zou; ze wisten ook dat niet de duivel de duur van hun verdrukking bepaalde, en niet de Joden, maar Christus. Ze waren ook in het uur van de grote verdrukking niet overgeleverd aan de willekeur van mensen, want Christus was getrouw, en Hij liet niet toe, dat de ellende een dag langer duurde, dan Hij het nodig vond om Zijn kracht te doen blijken.

Ik weet wel het is moeilijk zo te leven. Want de kwesties van leven en dood omringen ons dagelijks, en dat van de tweede dood is zover weg. En zo verteert de spanning ons, en blijven we ongetroost.

Geciteerd slot: Wat we nodig hebben vandaag? Zolang we maar weten wat de Zondag betekent, zolang blijven we alle dagen staan. Want elke dag verkondigt levensafbraak, ondergang in de eerste dood. Maar de zondag verkondigt doorbraak van het eeuwige leven. Leven of sterven: het is de vraag voor ons allen. Maar wie de belofte gegrepen heeft, dat hij of zij onaantastbaar is voor de tweede dood, die dringt de grote vraag van de dag weer tot haar eigen proporties terug.
Zal ik leven? Het leven is mij Christus. Moet ik sterven? Ook dat is mij gewin. Hij heeft de dood overwonnen, en Hij gebruikt hem slechts om de glorie van Zijn leven in ons te openbaren.

Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.Amen.

Bron citaten: Boek ‘Een levende hoop – In de wereld, niet van de wereld’ (deel I, Openb. 1-3) – serie preken van B. Holwerda, bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool te Kampen.

Bron afbeelding: SlideServe

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie