Over Reformatie en secularisatie…

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon
een bruiloft bereid had.‘ (Uit Matteüs 22 vers 2)

Geciteerd 1: Luther en de Reformatie hebben bijgedragen aan de secularisatie door een scherpe scheiding te maken tussen de profane en de religieuze wereld, en dat betreur ik zeer. De Canadese filosoof Charles Taylor laat zien dat secularisatie niet zozeer een gevolg is van ontwikkelingen van de wetenschap, maar vooral van de Reformatie en de verlichte wetenschapsfilosofie.

Geciteerd 2: Vanuit het standpunt van Erasmus gezien is Luther het ongeduld in hoogt eigen persoon, een ongezeggelijke monnik, die niets geleerd heeft van de geschiedenis en een bedreiging vormt voor de zaak van vroomheid en ontwikkeling. Hij zaait immers twijfel met betrekking tot de zedelijke aanleg van mensen en tot de mogelijkheid om zich te verbeteren. Dat kan (immers) langzaam, maar zeker, want goede dingen hebben tijd nodig.
Tijd heeft de man uit Wittenberg echter niet. Niet voor een programma op lange termijn dat voorziet in een politiek van ontwikkeling en evenmin kan sprake zijn van een stapsgewijze overwinning van de barbarij die de vrede bedreigt. De oprichting van scholen en universiteiten is volgens hem een ‘goed ding’. Het behoort immers ontegenzeggelijk tot de plicht van een christelijke overheid in kerk, staat of stad zijn onderdanen te verzorgen, zodat zij met recht en reden een plaats kunnen vinden in hun wereld en geen willoze speelbal worden van hun machthebbers. Maar geen enkel ontwikkelingsprogramma zal in staat zijn een maatschappij zo te veranderen dat op aarde het vurig verlangde rijk van vrede en gerechtigheid politiek gestalte zal krijgen. Integendeel, in zijn profetie ziet Luther de donkere wolken van Gods gericht over een wereld opkomen, die naar het einde toegaat en die op duizend manieren in zichzelf verstrikt en verslaafd is, die vasthoudt aan eigen zelfstandigheid tegenover God, waagt te speculeren over de ‘zin der geschiedenis’ en te spreken over de vrije wil, zonder zich te kunnen bevrijden van de verlammende oerangst, machteloos opgesloten zit in de kerker van de wereldgeschiedenis die niet te doorgronden is.
Luther en Erasmus – twee werkelijkheden: niet Middeleeuwen hier en moderne tijd daar, maar interpretaties van mens en geschiedenis met uiteenlopende perspectieven en ervaringen treden aan de dag, waarvan geen van beiden duidelijk ‘achterhaald’ of ‘vooruitstrevend’ is.

Geciteerd 3: ‘God en de Schrift zijn twee dingen’ – Deze onderscheiding van Luther klinkt de middeleeuwse mens net zo vreemd en gewaagd in de oren als zijn volgelingen in het tijdperk van Renaissance en Reformatie. (…) Luther waagt het de distantie te accentueren: het zijn twee dingen – zoals de Schepper en het schepsel. (…) ‘De onvrije wil’ uit het jaar 1525 richt zich tegen de belangrijkste vertegenwoordiger van de Renaissance ten noorden van de Alpen – maar niet alleen tegen hem en zijn aanhangers toen en nu. Op dezelfde wijze worden die Schriftgelovigen aangesproken die de zijde van de Reformatie hebben gekozen en zich de leuze ‘Sola Scriptura’ eigen gemaakt hebben.
Het is een smalle richel die Luther hier bewandelt. Wie hem volgen wil wordt ingeleid in een leven tussen God en duivel, het vitale probleem van zijn theologie (beter: Schriftverstaan) waar Schrift, genade en geloof in hun alleen geldigheid zich steeds opnieuw tegenover elkaar verzekeren en verklaren.

NB. Lees heel hoofdstuk VII ‘Leven tussen God en duivel’ om bij de inhoud van de citaten 2+3 meer toelichting te krijgen.

Leestip: Matteüs 23 : 1-11.

Bron citaat 1: RD Cultuur & boeken | Huwelijk en seksualiteit – ‘Kardinaal Eijk: Diepe crisis rond huwelijk en seksualiteit’ – door Maarten Stolk

Bron citaat 2: ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – hoofdstuk VII ‘Leven tussen God en duivel – Luther en het verlicht humanisme’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001), verkreeg een doctoraat in de theologie in Utrecht (1957) en was hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (Arizona, USA).

Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen de Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader.‘ (Uit Romeinen 8 vers 15)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Leven van de geef…

Wij (…) wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Jezus Christus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit werken der wet.’ (Uit Galaten 2 uit de verzen 15-21)

Geciteerd 1: Paulus schrijft aan de Galaten: Toen ik bij jullie was, waren we door mijn verkondiging samen aan de voet van Jezus’ kruis, op Golgotha, waar we onze Heiland hoorden roepen: ‘Het is volbracht!‘ Maar toch zijn jullie inmiddels druk met wat een mens allemaal moet. Rijke beloften worden bij jullie nu omgesmeed in geboden…

Geciteerd 2: Paulus verkondigt het Evangelie van Jezus Christus op een wijze die wij niet zouden bedenken, laat staan, publiceren: ‘Wij worden niet gerechtvaardigd door de werken der wet, maar door het geloof ván Jezus Christus.’
Mocht ik soms denken dat hier sprake is van een ‘slip of the pen’, een schrijffout, dan lees ik verder en constateer tot mijn verbazing, eigenlijk verwondering, dat deze woorden nog eens worden herhaald. Dit is in de Statenvertaling duidelijker dan in de andere vertalingen. In de Griekse brontekst staat inderdaad: ‘het geloof ván Jezus Christus‘. Dit getuigenis wordt bevestigd in het laatste Bijbelboek. Jezus zegt tegen de aangevochten kerk: ‘U hebt het geloof ván Mij niet verloochend‘ (Openbaring 2 vers 30) en ‘omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking.’ (Openbaring 3 vers 10).

Aanvechting en afgrond

De Heere roept ons op Zijn onvoorwaardelijke beloften te geloven. Maar in de aanvechting kan zich een afgrond openen. Een afgrond zo diep dat je – wat je ook gehoord en gelooft en ervaren hebt van de Heere – alles kwijtraakt, zelfs je geloofshouvast. (1) Houd ik dan niets over? Niemand die ‘zorgt voor mijn ziel’? Zeker wel: Jezus, ‘de Leidsman en Voleinder van het geloof‘ (Hebreeën 12). Hem ‘omhelzen’ wij door het geloof, zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hij rekent ons toe al Zijn verdiensten en alle heilige werken die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan.’ Christus en wat Hij heeft volbracht is ‘meer dan voldoende om ons vrij te spreken’ (NBG, artikel 22).

Ongelooflijk geloofwaardig

Deze en andere kostbare woorden hebben wij leren verstaan vanuit de Reformatie. Wij maken ons op om ze te onderstrepen, ons los te zingen uit de betovering. Wij zien op Jezus. Die door het geloof heeft vertrouwd op de belofte van Zijn Vader. ‘Heb je geen geloof? Dan doe je het maar zonder’, zei ooit een vriend tegen mij. Wie het vatten kan, die vatte het. ‘Als ik naar mezelf kijk, kan ik niet behouden worden. Als ik naar Jezus kijk, kan ik niet verloren gaan.’ (Luther) ‘Ik ben met Christus gekruisigd (…) en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof ván de Zoon van God.’ (Paulus) ‘Door Zijn geloof heeft Christus het voor ons verworven dat wij ons vertrouwen mogen stellen op de verzoenende God.’ (Kohlbrugge). Alles wat er moet, heeft Hij volbracht. Dat gaan wij ‘vieren’, DV 31 oktober. (2)

(1) Mijn oom – die predikant was – zei me, toen hij me opzocht omdat ik mijn geloofshouvast kwijt was (naar mijn idee/gevoel kwijt was): als je dan maar niet door de grond van het Verbond zakt. Later pas ben ik gaan beseffen dat dit gelukkig helemaal niet mogelijk is, want die grond, dat is onze Heer en Heiland Zelf, de Rots van ons behoud. En ik begreep toen ook dat mijn oom me daar over heeft willen laten nadenken om dat te gaan zien en begrijpen.
(2) En als het goed is ‘vieren’ we dat zelfs dagelijks, als door de kracht van de heilige Geest gelovige en dankbare kinderen van een ons in Jezus Christus genadige God en Vader.

Bron citaten: De Waarheidsvriend – ‘Voor rekening van Jezus’ – door dr. M. Verduin (uit Zeist is emeritus predikant)

Maar toen zijn de goedheid en mensenliefde van God, onze Redder, openbaar geworden en Hij heeft ons gered, niet vanwege onze rechtvaardige daden, maar uit barmhartigheid. Hij heeft ons gered door het bad der wedergeboorte en de vernieuwende kracht van de heilige Geest, Die Hij door Jezus Christus, onze Redder, rijkelijk over ons heeft uitgegoten. Zó zijn wij door Zijn genade als rechtvaardigen aangenomen en krijgen we deel aan het eeuwige leven waarop wij hopen. Deze boodschap is betrouwbaar. Ik wil dat je hierover met overtuiging spreekt, opdat zij die op God vertrouwen zich erop toeleggen het goede te doen. Daar heeft iedereen baat bij.’ (Uit Titus 3 de verzen 4-8)

Bron afbeelding: Scripture Images

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Preken voor een ‘Verbondsgemeente’…

We zeggen dit nu wel, geliefde broeders en zuster, maar we zijn ervan overtuigd dat u op de goed weg bent en dat u gered zult worden. (…) Het is onze vurige wens dat ieder van u dezelfde ijver aan de dag blijft leggen, totdat alles waarop wij hopen verwezenlijkt zal zijn, en dat u niet achterblijft, maar in het spoor treedt van hen die dankzij hun standvastig geloof ontvangen hebben wat hun beloofd was.‘ (Uit Hebreeën 6 uit de verzen 9-12)

Geciteerd: Ds. C. Koster, predikant van de DGK-gemeente Lansingerland, een combinatie van de gemeenten Bleiswijk, Bergschenhoek en Berkel en Rodenrijs, raadde zijn mede-ambtsbroeders aan de lezing van dr. Van Vlastuin te gebruiken als een voorgehouden spiegel. „Misschien was broeder Van Vlastuin nog te lief voor ons. (1) Ikzelf heb door zijn lezing duidelijk ingezien waaraan het schort in onze prediking. Wij zijn door onze achtergrond te veel geneigd de gemeente in zijn geheel als verbondsgemeente te beschouwen. Gingen wij er in onze prediking niet te veel vanuit dat wij preekten voor een vergadering van wedergeboren mensen? Wij moeten in prediking en bezoekwerk oog hebben voor het onderscheid in de gemeente.”
Ds. Koster hield een pleidooi voor het onderscheidenlijk preken. „Preken moeten zijn afgestemd op verschillende gradaties. In de gemeente zijn ook verbondskinderen die echt tot verbondskinderen moeten worden gemaakt (2), er zijn ook huichelaars, afgedwaalden, ingezonkenen en wettische werkheiligen. Die onderscheiden in de preek moeten worden aangesproken.”

Opgemerkt 1: Hier wordt ik echt heel verdrietig van. Preekte en preekt ds. Koster voor een gedoopte gemeente, dan preekt(e) hij voor een Verbondsgemeente en van hem wordt helemaal niet verwacht dat hij een oordeel moet hebben over het al of niet wedergeboren zijn van deze mensen. Heel zo’n gemeente – jong en oud! – behoort hij heel Gods Woord te verkondigen en dat verkondigde Woord dát is levend en krachtig (Hebreeën 4 de verzen 12-13) en brengt mensen op de knieën (1 Korintiërs 14 de verzen 24-25) of het doet mensen vertrekken (1 Johannes 2 vers 19).

Opgemerkt 2: Er is werkelijk haast niets zo verdrietig stemmend dat, nadat Gods Woord verkondigd is, de predikant dan nog komt met een ‘toepassing’ waarin hij dan onderscheidend gaat spreken tot de wedergeborenen en ook goedwillende nog niet wedergeborenen en wat ik nu maar noem de kwaadwilligen, die zelfs niet verlangen om wedergeboren te worden, maar dan hopelijk door de woorden van de predikant alsnog verlangend worden gemaakt…
Een dramatischer bewijs van gebrek aan vertrouwen op de kracht van Gods Woord en het werk van de heilige Geest daarmee — waar toch om gebeden is aan het begin van de dienst, al blijf ik erbij dat het (eerder/tevens) een dankgebed behoort te zijn, wij weten namelijk op grond van Gods Woord dat de heilige Geest naar Gods belofte in die heilige vergadering aanwezig en werkzaam is en zal zijn en dat de aanwezigen – en dus niet de heilige Geest! – gevraagd/gemaand moeten worden om werkzaam (beter hoorzaam en gehoorzaam) te zijn en Zijn werk aan ons niet te weerstaan door onverschilligheid of wat dan ook — kan een predikant ons toch niet geven?!

(1) De Bijbel spreekt ook waarschuwend over ‘voorgewende/gespeelde nederigheid’ en vleierij. (3)
(2) Wat een zelfoverschatting van deze predikant. Moeten zijn manier(tjes) van preken op de kansel en spreken tijdens de huisbezoeken dit ‘maakwerk’ straks (wel) gaan doen?
(3) Zie eventueel ook dit artikel: https://verdiepingenaansporing.nl/artikelen/ware-nederigheid-van-hart-en-valse-gewilde-nederigheid

Leestips: Hebreeën 10 : 19-39 en 1 Petrus 3 : 13-22.

Bron citaat: RD Kerk & religie – ‘Prof. Van Vlastuin voor ambtsdragers GKN en DGK: Toepassing van het heil is geen extraatje’ – door RD-correspondent

Broeders en zusters, dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom* binnengaan in het heiligdom, omdat hij voor ons met Zijn lichaam een weg naar nieuw leven gebaand heeft, door het voorhangsel heen. (…) …laten we dan God naderen met een oprecht hart en een vast geloof, nu ons hart gereinigd* is, wij van een slecht geweten bevrijd* zijn en ons lichaam met zuiver water* is gewassen.’ (Uit Hebreeën 10 uit de verzen 19-25)
* Zie 1 Petrus 3 de verzen 21-22.

Bron afbeelding: dailyverse-knowing-jesus-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Waarom Christus’ gemeente een Paracleet nodig heeft…

Ik laat jullie niet als wezen achter, Ik kom bij jullie terug.’ (Uit Johannes 14 vers 18)

Geciteerd 1: Maar het Griekse woord voor trooster heeft een nog meer bepaalde betekenis. Een paracleet wordt te hulp geroepen vooral als er een schending van het recht heeft plaatsgevonden, en als men een pleiter, een advocaat nodig heeft, die iemand verdedigt om vrijspraak te verkrijgen. Zo wordt de bijstand tot rechts-bijstand. Het is inderdaad een rechtsbijstand die de gelovige nodig heeft. Het valt ons op hoe dringend en altijd maar weer de Heer juist in deze afscheidshoofdstukken het houden aan Zijn geboden, het zich houden aan het goddelijk recht, het respect voor Zijn Woord van ons eist: “Indien jullie Mij liefhebben, houd je dan aan Mijn geboden”. “Die Mijn geboden heeft, en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft”. “Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woorden bewaren; die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet”.

Kunnen wij, gemeente, zulke woorden horen, zonder onmiddellijk te beseffen dat wij hier aangeklaagd zijn? Dat is de gemeente van Christus: Ze ziet zich in de beklaagdenbank, aangeklaagd door het woord en gebod van God. Zij is niet in staat zich te verontschuldigen. Het is onmogelijk zich aan het “zaakje’ (van menselijke schuld in deze wereld) te onttrekken. Dat is de grootste nood van de Christelijke gemeente, niet maar in deze dagen, maar in de dagen van de grote afrekening in het bijzonder. De Christenen te midden van de volken kunnen zich niet onschuldig zien en dit bijzonder duister van onze tijd als niet verdiend lot aannemen. Zij weet, dat hier niet een niet-verdiend lot is, dat hier blinde machten woeden, nee, hier regeert een ontstellend-goed ziende gerechtigheid. Wat nu (weer) op aarde zichtbaar wordt is de rijpe vrucht van veel onrecht, dat in de afgelopen decennia onverzoend en niet vergeven zich onder ons opgetast heeft, dat is de som van de overtredingen en rechtsverkrachtingen, die in het klein en zeer klein gepasseerd zijn, in het groot en in het geheel. Er geschiedt nu geen onrecht, nee, nu geschiedt er recht. Er voltrekt zich nu ondanks alle onbegrijpelijkheden een stuk goddelijke gerechtigheid. Dit kan alleen Christus’ gemeente onderkennen. De wereld ziet er niet doorheen. In geloof doorzien dat kunnen alleen zij, bij wie de “andere Trooster” woning heeft gemaakt. en die zich laten leiden door deze “Geest der waarheid”, zoals Jezus Hem noemt.

Geciteerd 2: Hier heeft de gemeente de Paracleet nodig. Zij is niet te vertroosten en daarom is zij ten volle op Gods troost aangewezen. Want zij weet zich schuldig, schuldig voor alle anderen. Wij christenen hebben niets ter verontschuldiging van ons aan te voeren. Wij zijn metterdaad hulpeloos als weeskinderen. We zijn aan de aanklager overgeleverd en volkomen op onze verdediger en advocaat aangewezen, die waarlijk gezegd heeft – en waar zouden wij zijn, als Hij het niet had gezegd! – “Ik kom (weer) tot jullie; ik zal jullie geen wezen laten.” De dood hebben wij verdiend, en het is geen dood zonder zin, als wij moeten sterven. Het is de rechtvaardige doodstraf, die wij schuldig zijn. Er is maar één verdediger, en dat is Hij, Die komt en zegt: Gij zult niet sterven, “Ik leef en jullie zullen leven.”

Deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige Geest, Die ons gegeven is.’ (Uit Romeinen 5 vers 5)

Bron citaat: ‘Het Evangelie van Johannes in de wereld van heden’ – door Walter Lüthi – T. Wever, Franeker
Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

Bron afbeelding: AllMomDoes

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over de arglistigheid van ons hart…

Hoe kunt u geloven, u, die eer van elkaar aanneemt? En de eer die alleen van God is, zoekt u niet!‘ (Uit Johannes 5 vers 44, weergave DB 1545)

Geciteerd: Alle gaven die God ons geeft, zijn goed, zuiver en rein, maar zo spoedig wij ze ontvangen, laten we ze niet rein blijven, maar maken daaruit afgoden en hangen daaraan met ons hart. Bijvoorbeeld, zoals we zeggen: Goed maakt moed! Wanneer je rijk wordt, word je een ander mens. Dan kan een rijke zich tegen een arme bedelaar heel nederig gedragen. In werkelijkheid is hij dat toch niet, tenzij hij een echte christen is. Dat kun je zien wanneer de bedelaar brutaal of onbeleefd is, dán zou hij immers zijn nederigheid eens écht kunnen bewijzen – maar hij jaagt hem weg of laat hem staan. Dat speelt broeder penning klaar, die toch maar de geringste van alle gaven is. Als de rijke tóch wat aan de bedelaar geeft, dan kan het niet anders, dat hij, als hij géén echte christen is, opzwelt van hoogmoed, maar de bedelaar in zijn hart verafschuwt.

Precies zo is het wanneer iemand de gave van wijsheid en kennis heeft. Dat is immers iets hogers dan rijkdom. Kijk nu eens naar hem, dan zul je een echte afgod zien, hoewel hij zich verborgen houdt en zich nederig gedraagt – echter niet langer dan dat je hem bewondert en vereert, anders is het spoedig gedaan met z’n nederigheid. Idem: als iemand een opvallend heilig leven leidt, zoals in die dagen de farizeeërs deden en tegenwoordig onze monniken doen. Als hij dan ziet dat anderen niet zo vroom leven als hij, en dat de mensen hém om zíjn vroomheid prijzen, dan glimlacht hij; als je echter zijn heiligheid gering acht, dan scheldt hij je uit. “

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1529 (11. Oktober, auf der Rückreise von Marburg, WA 29, 582 ff]

Bron citaat: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan familie en vrienden? Er zijn geen kosten aan verbonden als iemand deze wekelijkse citaten zelf ook graag wil ontvangen
Aan- en afmelden: Bij voorkeur via e-mail: info@maartenluther-citaten.nl of via de homepage van http://www.maartenluther.com

Bron afbeelding: pinterest-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Al hadden we alleen maar deze bladzijden opengeslagen’…

Dit is de last, die aan de profeet Habakuk geopenbaard is. Heer, hoe lang moet ik schreeuwen, en Gij wilt niet horen? Hoe lang moet ik tot U roepen over geweld en Gij wilt niet helpen?‘ (Uit Habakuk 1 de verzen 1-2)

Geciteerd 1: Met Job en veel bidders uit de psalmen weet de profeet Habakuk zich aan die plaats, waar men alleen nog roepen en schreeuwen kan. Dat is de plaats, waar bijvoorbeeld de man van de honderd-dertigste en veel andere psalmen zich bevindt, en dat is de diepte: “Uit de diepte, O Heer! roep ik tot U.”
Habakuk is goed bekend met zijn eigen toestand en met die van zijn volk. Daarop kunnen wij ons nu juist niet beroepen. Behoort dat juist niet tot datgene, wat onze bijzondere nood typeert, waarin wij Europeanen ons heden en wie weet morgen reeds de mensen van alle delen van de wereld zich bevinden, dat we niet weten waar we aan toe zijn, dat we de richting kwijt zijn. Waar komen wij vandaan? Waar gaan wij heen? Hoe staat Europa er voor? En de wereld? En ons land? Welk standpunt neemt, wat vroeger het ‘Christelijk Avondland’ heette, in? Hoe staat de kerk van ons land er voor? Ja, welk standpunt nemen wij in? Zag men maar zo duidelijk als de man, die zich daar weet, waar men alleen maar roepen, om hulp roepen kan.
Er waren immers tijden, toen wij er zeker van waren, toen we rijk waren, toen wisten we het maar al te goed. Wat waren we toen vlug klaar, wanneer het ging om onze beslissende en toch altijd weer niet als maatstaf dienende oordelen uit te spreken! Wat ging het ons toen altijd makkelijk af commentaar te geven! Wij gaven wachtwoorden (schibboleths) uit, stelden marsroutes vast, wezen fronten aan, gaven zelfs opgewekt hier en ginder doelen aan. Och, hoe vreselijk goed waren wij georiënteerd en daarom zogenaamd meester van de toestand.
Vandaag echter wordt het aantal mensen steeds groter, dat, naar mening en oordeel gevraagd, zuinig is met woorden. Wij weten klaarblijkelijk niet meer waar we zijn; en daarom is de man Habakuk goed beschouwd zo benijdenswaardig. Ook wanneer hij zich in de diepte weet, in de plaats van roepen en schreeuwen, hij weet in ieder geval toch de plaats van waaruit hij roept en schreeuwt, hij heeft in ieder geval toch dit ene vaste punt: de diepte. Hij, die weet, dat hij aan de plaats van het roepen om hulp gekomen is – dat is niet weinig – die is de richting al niet langer meer kwijt. Al hadden we alleen maar deze bladzijden van onze Bijbel opengeslagen om van Habakuk dit ene te horen en te leren, dan was in ieder geval onze armoede, dan was onze onzekerheid niet zo erg meer; in tegendeel, gezegende armoede, gezegend Europa, gezegend geslacht, dat zou beginnen te roepen met de profeet Habakuk: “Heer, hoe lang moet ik schreeuwen, en Gij wilt niet horen?“.

Maar hoe weet Habakuk dat hij hulp nodig heeft? Waaruit kent hij zijn grootste nood? (…) “Heer!” zegt hij. Dit ene woord is het nu juist dat hem tot profeet maakt.: “Heer!”. Habakuk heeft de Heer ontmoet. Eerst door deze ontmoeting is hij profeet geworden en heeft hij een opdracht ontvangen. Door deze ontmoeting werd hem de toestand duidelijk. Niemand anders dan de Heer heeft hem de weg gewezen. Dus niet op zichzelf en zijn toestand, niet op zijn omgeving en haar omstandigheden heeft Habakuk gezien, maar op de Heer. En niet uit zichzelf en uit zijn omgeving is Habakuk tenslotte tot inzicht gekomen, waar hij zich bevindt en hoe het met hem en zijn tijd gesteld is, maar door de Heer.

Geciteerd 2: De nood die de profeet dringt tot schreeuwen en roepen, wordt door de hele Heilige Schrift heen, met een bepaald woord aangeduid, het verschrikkelijkste dat er bestaat – laten we het niet te dikwijls zeggen – het woord – zonde. De goddeloosheid, de zonde is het, die Habakuk door zijn God leert zien. Zij is het die hem drijft om te roepen en te schreeuwen als profeet en priester: “Hoe lang moet ik tot U roepen over geweld, en Gij wilt niet helpen?“. Heil Europa, heil ons geslacht, wanneer het eens zou beginnen de zonde te zien als de eigenlijke oorzaak van de nood! Op de dag, waarop wij beginnen van de profeet Habakuk te leren wat het betekent over onze zonden tot God te roepen, is ons en ons huis grote zaligheid ten deel gevallen. Want God wil niet de dood van hem, die heeft gehoord en ingezien dat hij een zondaar is, maar dat hij zich bekeert en leeft. Daarover zullen wij van de profeet spoedig nog meer horen.

Hier sta ik op mijn wachttoren en ga op de uitkijk staan om nauwlettend te zien op wat mij gezegd zal worden en wat het antwoord zal zijn op mijn klacht.’ (Uit Habakuk 2 vers 1)

Geciteerd slot: Die ‘wachttoren’ van Habakuk moeten wij ons evenwel niet hoog in de lucht voorstellen. Gods wachttorens liggen, zoals we gezien hebben, in de diepte. Gods wachttorens verheffen zich niet trots boven de steden van de mensen en zijn niet getooid met vrolijk wapperende vlaggen en wimpels. Sions wachters zijn gevangenen en hun wachttorens zijn kerkers met een zware grendel en een klein venster. (…) Habakuk staat eenzaam. Dat wil zeggen met de ‘uitkijkpost’ en met de wachttoren’. Om hem heen wacht men niet. Voor zijn omgeving is hij met zijn wachten blijkbaar een dwaas en tot spot. Maar wij beluisteren iets als van een heilige vasthoudendheid uit de woorden: “Hier sta ik op mijn wachttoren.” Zeg wat U wilt, denk wat U goeddunkt, doe wat U moet doen, ik sta hier in ieder geval op mijn wachttoren: Hier sta ik, ik kan niet anders.

Bron citaten: ‘Habakuk twist met God’ – door Walter Lüthi (1) – T. Wever, Franeker

(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant

‘Heer, ik heb uw aankondiging gehoord.
Voor wat U gaat doen heb ik ontzag.
Breng het in deze tijd tot stand,
maak het in deze tijd bekend,
maar toon Uw ontferming
als het tumult losbarst.’
(Uit Habakuk 3 vers 2)

Bron afbeelding: etsy-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De doop als teken van eenheid…

U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed.’ (Uit Galaten 3 vers 27)

Geciteerd: De discussie van de afgelopen maanden heeft mij ervan overtuigd dat er sterke raakvlakken zijn tussen kinderdoop en volwassenendoop, zoals het goddelijke initiatief in bekering én het belang van een bewuste beaming van de doop. Het erkennen van deze raakvlakken opent de deur voor verder gesprek.

Opgemerkt: De doop van onze kleine kinderen is wel vergeleken met het ontvangen van een verzegelde (waarde)cheque die dan blijft liggen tot de ontvanger die cheque ook aanvaardt en verzilverd bij de bank.
Wat ik inmiddels uit Gods Woord begrepen heb over onze doop, dat is dat wij die dan maar beter kunnen vergelijken met een persoonlijke pinpas. Een pinpas die ons direct toegang geeft tot het onmetelijke kapitaal waarover onze Heer de beschikking heeft. Ook een kind dat gedoopt wordt ontvangt al een eigen pinpas en daarmee toegang tot het kapitaal dat hij of zij (dagelijks) nodig heeft. Ze leven dus niet op de pinpas van hun ouders en van het kapitaal dat zij pinnen en dan voor een deel afstaan aan hun kind(eren). Nee, ouders kunnen voor een (gedoopt) kind alleen met zijn of haar pas pinnen en zodra dat kind het zelf kan, dan zullen zij het kind die pinpas ook zelf laten gebruiken.
Nu kunnen ouders de opvatting hebben dat hun/een kind nog helemaal geen recht heeft op zo’n pinpas, of, wanneer ze die pinpas desondanks wel ontvangen, doen alsof het kind nog helemaal niet gebruik kan/mag maken van die pinpas en dat zij dat voor hem of haar dat ook niet zullen doen. Arme kinderen! Maar bevoorrecht zijn die kinderen die merken dat hun ouders die pinpas van hen wel gebruiken om hen alles te gunnen en geven wat ze nodig hebben en die hen ook z.s.m. leren die pinpas zelf te gebruiken. Zo zullen ze leren hoe Royaal dat hemelse kapitaal ook hen toekomt en ten goede komt.
Helaas zijn er ook kinderen die op een gegeven moment menen dat zij best zelf wel in hun eigen onderhoud kunnen voorzien en dat het heus niet nodig is dat ze leven van dat hemelse kapitaal. En dat ze die persoonlijke pinpas als een onnodige en/of overbodige luxe gaan zien, die ze ook wel kunnen missen…
Toch verliest die pinpas nooit z’n geldigheid en hoe de hemelse Bankier daar uiteindelijk mee om zal gaan… Laten we dat maar aan de Bankier over laten. Hij heeft zich garant gesteld!
NB. Voor volwassenen die (voor het eerst) gedoopt werden of worden (zoals indertijd de bekeerlingen onder de Joden en de heidenen en hun huis) geldt natuurlijk hetzelfde verhaal. Maar overdopen is nog een keer de al uitgereikte pinpas gaan ophalen en dat is dus niet nodig.

Opgemerkt slot: Het mag duidelijk zijn dat bij deze doopopvatting het doen van belijdenis een minder markant punt wordt. Bij volwassenwording zal dan eerder de vraag* luiden: Jij/jullie willen toch niet je pinpas niet meer gebruiken? Vergelijk dit met Jezus’ vraag aan Zijn door Hem geroepen discipelen: Willen jullie ook niet weggaan van Mij? Waarop Petrus z’n geloof in Jezus als Gods Zoon belijdt en geen van de discipelen besluit om weg te gaan, hoe moeilijk de weg ook blijkt in de navolging van Hem. Hij heeft voor hen gebeden dat hun geloof niet zou ophouden.

Bron citaat: ND Opinie – ‘Ik hoop en bid dat de doop het teken van eenheid wordt’ – door ds. Mark de Jager

De doop wast niet het vuil van uw lichaam, het is een vraag aan God om een zuiver geweten. Hierom kunt u (altijd weer – AJ) vragen dankzij de opstanding van Jezus Christus, Die de hemel is binnengegaan en aan de rechterhand van God zit, terwijl engelen, machten en krachten aan Hem onderworpen zijn.’ (uit 1 Petrus 3 uit de verzen 21-22)

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on Bible Verse)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Tak(ken) doorzagen of wegbreken…

Wees daarom niet hoogmoedig, maar heb ontzag voor God: als Hij de oorspronkelijke takken al niet gespaard heeft, zou Hij jullie dan wel sparen?‘ (Uit Romeinen 11 uit de verzen 20-21)

Geciteerd 1: ‘Waarom willen jullie je kind laten dopen?’ Het is die vraag aan de ouders waar ik ieder doopgesprek mee begin. Opvallend is dat in de antwoorden allerlei theologische aspecten van de kinderdoop die in de gereformeerde belijdenissen en de doopformulieren genoemd worden, zoals vergeving door het bloed van Jezus Christus, het afsterven van de oude Adam en opgewekt worden tot een nieuw leven, dan vaak niet als eerste worden genoemd.

Geciteerd 2: Daarnaast is het ook goed om met de doopouders door te spreken over de vraag wat voor hen de reden is om te verwachten dat God trouw blijft. Wat mij betreft is een antwoord op die vraag niet mogelijk zonder daarbij zicht te hebben op Israël. Want als God niet trouw blijft aan Israël, wat is dan de reden om te verwachten dat Hij wel trouw blijft aan de gemeente van Jezus Christus?
Terecht heeft Karl Barth eens gezegd: ‘Wie Israël vergeet, zaagt de tak door waarop hij zelf zit.’

Opgemerkt 1: De Doop is inlijving. We worden ‘ingelijfd’ in de dood en opstanding van onze Heer Jezus Christus. En die inlijving gebeurd in het midden van Christus’ gemeente, die Zijn Lichaam is, en waarvan Hij het Hoofd is, en aan wie het Woord en de Sacramenten zijn toevertrouwd, waardoor Christus’ gemeente in deze wereld ‘pijler en fundament van de waarheid’ is. Dat mag een dopeling zich altijd weer ‘voor de geest’ halen, zelfs als de ouders en/of de gemeente waarin hij of zij gedoopt werd ‘op sterven na dood’ blijken te zijn (zie Openbaring 3 de verzen 1-5).
Paulus schrijft: ‘Wij vermogen niets tegen de waarheid, alleen voor de waarheid.’ (zie 2 Korintiërs 13 vers 8 )

Opgemerkt 2:

In Romeinen 11 schrijft Paulus: U moet goed bedenken dat niet jullie de (saprijke) wortel [=Jezus Christus] draagt maar de wortel jullie. En wanneer hij het heeft over de stam waarop wij [‘heidenen’/niet Joden’] geënt zijn naast de natuurlijke takken [de afstammelingen van Abraham, het volk Israël] en over de stam (de edele olijf) die de takken draagt, dan zullen we bij die stam hebben te denken aan het geloof van Abraham, de vader van alle gelovigen en ook aan het gelovige nageslacht/voorgeslacht van/uit Israël. Door het geloof zijn wij ‘heidenen’ verbonden (geworden) met Abraham aan wie de Engel van de Heer zwoer: ‘En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar Mijn stem gehoord hebt.‘ (zie Genesis 22 vers 18).
Israël zullen we (dus) niet hebben te zien als de tak/stam waarop wij (gelovigen) zitten en die we kunnen afzagen en waarbij wij onszelf dan mee wegzagen! Wij (geënte takken) kunnen wel, net zo goed als de natuurlijke takken, worden weggebroken (dat is Gods werk) door ongeloof!

Zie ook deze blog van goedbericht.nl

Leestips: Romeinen 11 en Galaten 3-4.

Bron citaten: De Waarheidsvriend – ‘De kerk kan het ‘verbond’ niet bij Israël weghalen en voor zichzelf in beslag nemen’ – door ds. C.J. Overeem.

En als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten.‘ (Uit Romeinen 11 vers 23)

Bron afbeelding: scripture-images-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Onverschilligheid en negeren is ook haten!

Maar dit zegt God, de HEER: Ik leg in Sion een fundament, een kostbare hoeksteen. Wie zijn vertrouwen daar op grondvest, hoeft geen andere toevlucht te zoeken.
Ik zal het recht als meetlint hanteren en de gerechtigheid als schietlood. De hagel vernietigt de schuilhoek van je bedrog, het water spoelt jullie schuilplaats weg.‘ (Uit Jesaja 28 de verzen 16-17)

Geciteerd: Komende zondag hebben we Israël als volk van Gods verkiezing extra in het vizier. Liefde tot dit volk mag tot het DNA van elke christen behoren. Dat is geen wet die je de ander oplegt. Het heeft te maken met ‘zicht op Israël’, zoals ooit een serie boekjes heette. Voor wie die liefde niet ervaart, kan Israël zomaar gelijk worden aan elk willekeurig land. Treffend is in dit verband dat de Joods-Amerikaanse Nobelprijswinnaar voor de vrede Elie Wiesel ons leerde dat liefde zich niet verhoudt tot haat, maar tot onverschilligheid (‘ik heb gewoon niets met Israël’), een onverschilligheid waarvan de Joden in de Tweede Wereldoorlog het slachtoffer werden. Wiesel: ‘Onverschilligheid tast alles aan, sust in slaap en doodt nog voordat het doodt.’

Opgemerkt 1: Vanwege de opdracht (Jezus gebod!) tot liefde tot God en de naaste, zullen we haten hebben te definiëren als God en de naaste niet die plaats gunnen en geven die God en de naaste volgens Gods Woord hen toekomen. En dan zullen we zowel het bewuste haten – zoals Hitler haat oppakte (uit zijn omgeving) en ontwikkelde tegen het Joodse volk en uiteindelijk geen middel schuwt om die haat in praktijk te (laten) brengen – als ook het al of niet bewust negeren van God en de naasten in allerlei (dagelijkse) levenspraktijk, hebben te zien als opstand tegen God – zoals die al in het paradijs plaatsvond – door niet gehoor te geven aan wat God ons heeft laten horen/weten.

Opgemerkt 2: Daarom zullen we bij het dagelijkse invulling geven aan wat God ons gebiedt ons laten leiden door Gods Woord en Geest. Want er is ook heel veel ‘goddeloos’ liefhebben en voortrekken van onze naasten. We mogen anderen niet vanuit allerlei belangen voortrekken of juist benadelen. Onze liefde zal oprecht zijn en is niet gediend met vleierij, terwijl kritiek uitoefenen – waar nodig en gepast – daar juist wel bij hoort. Onze Heer heeft dat in Zijn optreden onder het Godsvolk duidelijk laten zien hoe dat in praktijk te brengen.

‘Zet een wacht voor mijn mond, HEER,
een post voor de deur van mijn lippen.
Houd mijn hart ver van het kwaad,
verleid het niet tot goddeloze daden
met hen die onrecht bedrijven,
laat mij niet eten van hun overvloed.

Zou een rechtvaardige mij slaan, het was mij een weldaad,
zou hij mij straffen, het was balsem op mijn hoofd.
Zou ik lijden onder de kwaden, dan nog bleef ik bidden,
en werden hun leiders van de rotsen geworpen,
van mij hoorden ze woorden van deernis.’
(Uit Psalm 141 de verzen 3-6)

Leestips: Psalm 141 en Jesaja 28-29.

Bron citaat: De Waarheidsvriend (Gereformeerde Bond) – blog ‘Vreugde der wet‘ – door P.J. Vergunst

Bron afbeelding: pinterest-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Elke gelovige exegeet bij de gratie Gods…

Het woord van God is levend en krachtig, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden.‘ (Uit Hebreeën 4 vers 12)

Geciteerd 1: Indien men spreekt van exegese en daaronder verstaat een onderdeel van de theologische wetenschap en haar resultaat, dan doet men tekort aan het feit, dat elk gelovige, in zoverre als hij/zij gelovig is, de Schrift verstaat. Of zou men moeten zeggen, dat elke gelovige, in zoverre als hij/zij gelovig is, wetenschappelijk exegeet moet heten. Wie dat eist, wil wijzer zijn dan God, Die het wetenschappelijk werk niet aan allen, maar aan enkelen heeft opgedragen.
Heel wat moeilijkheden zouden verdwijnen, wanneer men eenvoudig de stand van zake aldus voorstelt: elke Christgelovige onderwerpt zich aan de Schrift, in die onderwerping is opgesloten dat hij/zij – al is dat altijd en bij iedereen maar ten dele – de Schrift verstaat; in dat verstaan ligt weer begrepen, dat hij/zij haar kan verklaren en toepassen op een bepaalde situatie en een bepaalde taak; derhalve is elke gelovige, als gelovige, exegeet bij de gratie Gods. (1)

Nu kan het heel goed mogelijk zijn, dat er hier of daar een prediker (predikant/voorganger) gevonden wordt, die dit met geestdrift en nadruk uitroept: elke gelovige een exegeet bij de gratie Gods! Dat klinkt dan beslist niet lelijk. En men voelt zich als het ware een beetje dronken worden, als men dit zegt en hoort. Laten we daarom oppassen. Retoriek is een gevaarlijk ding, en het is tot schade van de kerk en Christenheid, dat in Europa deze onzalige erfenis van de oudheid nog voor een goed deel in dank wordt aanvaard. (…) Want blijkt even later dat deze (kansel)retoriek in de spreekkamer (bijv. bij huisbezoek of in de studeerkamer van de predikant/voorganger) op eens niet meer geldt, en de stijlvolle prediker de eenvoudige gelovige voor hem gaat bewerken met de slavenzweep van zijn theologisch tuchtmeesterschap, dan zal die eenvoudige in het gericht opstaan tegen die welbespraakte theoloog en hem veroordelen.

Toch lijkt hier een uitwegje te zijn. Men kan immers zo redeneren: Elke gelovige vergadert zich uit Gods Woord schatten van geloofskennis, en bij gevolg is elke gelovige in zekere zin een theoloog. Deze conclusie lijkt voor de hand te liggen, maar er zijn overwegende bezwaren tegen aan te voeren.
In de eerste plaats: theologie is wetenschap, het theologisch denken is wetenschappelijk denken, dat zich op typische wijze van het niet-wetenschappelijke onderscheidt. Iets dergelijks kan men niet zeggen van de exegese: exegese is de verklaring, uitlegging, en oorspronkelijk ook toepassing van Gods Woord op een bepaalde tijd, een bepaalde situatie en een bepaalde taak.

Ongetwijfeld heeft de theologische wetenschap veel met de (geloofs)kennis van God te maken. Maar er is groot bezwaar tegen, deze wetenschappelijke kennis met geloofskennis te vereenzelvigen. (…) Want de geloofskennis wordt slechts daar verworven, waar we de wil van de Vader ten opzichte van Zijn kinderen leren verstaan en kennen. We kunnen de wil van de Vader alleen leren kennen uit Gods Woord. ‘De ogen houdt mijn stil gemoed opwaarts om op God te letten‘, dat is: Op Zijn Woord te letten. En als we op Zijn Woord letten, op de manier zoals Hij dat wil, dán zijn we bezig met Schrift-exegese. Daarom is Christus onze grote Exegeet: Hij heeft ons de wil van de Vader volkomen bekend gemaakt.

De exegese is daarom allereerst een geloofswerkzaamheid die plaatsvindt waar wij in geloof ons oor te luisteren leggen bij wat Gods Woord ons te zeggen heeft, en daarbij met het oog van het geloof ontdekken dat Hij een Beloner is van wie Hem ernstig zoeken, en met de hand van het geloof Zijn beloften aangrijpen, dat is gehoorzaam zijn aan Zijn bevel, waarin Hij ons beveelt wat we hebben te geloven (2), – dán zijn we bezig met het vergaren van geloofskennis.

Geciteerd slot: De theoloog is iemand die in zijn theologisch denken niet bezig is met geloofsoefening, maar met het onderzoek van die zijde van het geschapene die we het geloofsleven noemen. Of hij zijn taak in deze recht (op de goede manier) ziet en naar behoren volbrengt, dat hangt o.m. van zijn geloof: want met het geloof verwerven we ons een kijk op onze taak in de wereld; wie dan ook de Heere niet goed vertrouwt en op Zijn Woord niet bouwen durft (3), die moet wel een scheve kijk krijgen op z’n taak en, als hij de theologie bestudeert, een slecht theoloog worden, die het vertrouwen van mede-theologen en de eenvoudige gelovigen niet waard is.

~~~

(1) Vandaar dat we een ander altijd uitnemender zullen/kunnen achten dan wijzelf (en dat wederzijds) waar het de verklaring en toepassing van Gods Woord betreft in eigen omstandigheden, persoonlijk maar ook in de gemeente (kerken) waar wij lid van zijn. Dat is zeer bevorderlijk voor het luisteren naar elkaar, en daarmee ook bevorderlijk voor het gelegenheid geven om elkaar waar nodig en gepast terecht te wijzen (zie o.a. Romeinen 15 vers 14 en Kolossenzen 3 vers 16), maar ook om elkaar ruimte te geven om (nog) van inzicht te (blijven) verschillen. Deze bescheiden houding zal ons tot zegen zijn bij het samenleven in gezin en gemeente/kerk(en)!
(2) Denk hierbij eerst en vooral aan wat onze Heer zegt in Johannes 3 de verzen 16-19, en aan Zijn onderwijs over het bidden in Lukas 11 : 1-13 en aan wat de kerk over dat wat Gods Woord ons te geloven geeft heeft samengevat in de Twaalf Artikelen.
(3) We hebben echter ook voorgangers en theologen die hele bouwsels menen te kunnen optrekken op het fundament van Gods Woord en waarvan toch zal blijken dat ze met hun werk niet meer dan bouwsels van hout, hooi en stro hebben opgetrokken (zie 1 Korintiërs 3 de verzen 12-15).

> Lees hierbij ook: ‘De Schrift moet preek worden…

Bron citaten: Boek – ‘De vrijheid der exegese’ – door dr. K.J. Popma (1903-1986) – Uitgave van Oosterbaan & Le Cointre N.V. Goes (1944)

Bron afbeelding: Nate Stevens

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie