Paulus strijd tegen de “Judaïstische interpretatie” van het OT… (I)

(…) 4 Ik sta ten dienste van alle volken (1): van beschaafde en niet beschaafde, geletterde en ongeletterde, 15 en daarom is het mijn wens het ​evangelie​ ook aan u in Rome te verkondigen. 16 Want ik schaam mij het ​evangelie​ niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de ​Jood, maar ook voor de Griek. 17 Want ​gerechtigheid​ Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven. (Uit Romeinen 1)

(…) In Romeinen 2 komt de tegenstelling Jood-Griek nader aan de orde. De Joden als het enige aan zijn roeping getrouwe volk van de oude wereld, dat nu echter als geheel ook afvallig geworden was – vooral sinds de stichting van de ‘Christelijke kerk’ – meer en meer de trouw gebleven individuele gezinnen van het oude volksleven losmaakte; de Griek als vertegenwoordiger van heel de Hellenistische cultuur. Het opmerkelijke is daarbij, dat Paulus hier in zijn geschiedenisbeschouwing Joden en Grieken over één kam scheert, daarmee aanduidend, dat de Joden door hun afval opgenomen zijn in het geheel van het Hellenistisch culturele erfgoed.

In dit verband spreekt de apostel van het voorrecht van de Jood.
Dat begint al eerder: in Romeinen 1 wordt van het evangelie gezegd, dat het een kracht Gods is tot behoud voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. Eigenlijk zijn dat twee uitdrukkingen dooreen: de woorden „zowel de Jood als de Griek” en „eerst de Jood en dan de Griek” worden tegelijk uitgesproken. En het is met bedoeling, dat Paulus twee dingen tegelijk zegt. Want beide manieren van zeggen hebben dezelfde graad van belangrijkheid.

Dat Jood en Griek in zeker opzicht gelijk staan, en dat dit gezegd moet worden omdat de Joodse zelf-interpretatie op dit punt nogal pleegt te dwalen, is juist van evenveel belang als de erkenning van het voorrecht van de Jood. En dit voorrecht is zo belangrijk, dat de schrijver het woord Jood gebruiken kan als aanduiding voor de gelovige: Romeinen 2 : 28, 29: niet hij is een Jood die het uiterlijk is, maar hij die het in het verborgen is, en de (eigenlijke) besnijdenis is die van het hart. Hier wordt het woord Jood in pregnante zin gebruikt, en dit is mogelijk juist omdat het voorrecht van de Jood, en de roeping van het Joodse volk van bijzonder belang zijn.

Het kan zijn nut hebben hier even vooruit te grijpen op enkele gegevens, die in het vervolg aan de orde zullen komen. Romeinen 2 : 28 en 29 lopen gemakkelijk kans verkeerd te worden begrepen, doordat hier de Hellenistische exegese de dingen kan verwarren. Want Paulus, schijnt – en dat hij dit ons toeschijnt hangt samen met onze eigen instelling, waarin belangrijke elementen Hellenisme zijn verwerkt – hier een innerlijkheidsgedachte te poneren, die verwantschap zou bezitten met een bepaalde Griekse opvatting. Reeds voor het aanbreken der Hellenistische periode werd de gedachte geuit, dat iemand, alhoewel niet van Griekse afkomst, toch zeer wel een echte Griek kan zijn, vanwege zijn Griekse geestesgesteldheid. En tijdens het Hellenisme horen we van Joden, van wie getuigd wordt, dat ze, alhoewel Joden, naar de ziel toch Grieken zijn. Dit is dan als een loffelijk getuigenis bedoeld.

Verder schijnt de innerlijkheidsgedachte samen te hangen met een zekere voorkeur voor het „geestelijke“, waar het toch maar op áán komt, en een zekere minachting voor het lichamelijke, dat er zoveel niet toe doet. Het eigenaardige is nu, dat wanneer de gangbare tegenstelling ziel<=>lichaam hier buiten staat de werkelijke situatie te benaderen is. Want het is nu wel gemakkelijk het zo voor te stellen, alsof iemand een Joods lichaam zou kunnen hebben en een Griekse ziel, maar de werkelijkheid is nu eenmaal een beetje meer gecompliceerd. Paulus spreekt over de “eigenlijke Jood”, en ziet het voorrecht van den Jood vanuit de verkiezing en roeping door de soevereine God. Dat is heel wat anders dan een lichaam-ziel schema, waarbij het lichaam en het lichamelijke er weinig toe zouden doen. Geest en letter geven hier ook niet iets, dat een parallel zou vormen met de Griekse constructie van ziel en lichaam, zoals we die bijvoorbeeld in den Phaedo van Plato aantreffen, en die we de orphische dichotomie plegen te noemen.

Verschillende motieven zijn hierbij betrokken. Ten eerste de Judaïstische opvatting van het ware mens-zijn, dat met het Jood-zijn zou samenvallen, en een vorm van rassenwaardering vertoont. Ten tweede de waardering van het verborgene als het niet-zichtbare, in tegenstelling tot het zichtbare; de voorkeur voor het zichtbare hangt zeer waarschijnlijk samen met die rassenwaardering, die het Joodse bloed als het echt menselijke ziet, en het niet-Joodse als het onreine. Daartegen polemiserend vervalt Paulus werkelijk niet in een overwaardering van de geest. Hij weet, dat het Joodse bloed waarde heeft, al ligt de functie van dit bloed als voertuig van genade binnen de eerste periode van de geschiedenis, die hij elders als die van de onmondigheid kenschetst.

Paulus weet even goed, dat de Joodse geest waarde heeft, maar eveneens als voertuig van genade. Als fundament van levensbouw is het even onbruikbaar en nutteloos als elk ander schepsel: dit fundament is alleen de trouw van God.

En ten slotte komt in “geest en letter” de bestrijding aan het woord, die Paulus zijn leven lang heeft gevoerd tegen de Judaïstische interpretatie van het Oude Testament. Natuurlijk minacht Paulus de letter niet, dat bewijzen zijn talrijke citaten uit het OT. Maar hij noemt hier de letter, omdat daarmee kan worden aangeduid de Heilige Schrift van het OT, zoals die door de Judaïstische interpretatie is losgemaakt van zijn eigenlijke betekenis.

We hopen op de verschillende elementen, die we hier bijeen vinden, nog afzonderlijk terug te kunnen komen. Wie dit “te ingewikkeld” en daarom verwerpelijk mocht achten, die maakt het zich wel wat gemakkelijk in een goedkoop simplicisme. Want als we zien, dat de strijd der geesten met grote intensiteit gevoerd werd, zowel van Judaïstische als van Hellenistische kant, dan zullen we ook begrijpen dat een apostel, die tegen beide fronten tegelijk positie kiest, niet altijd in ongecompliceerde termen kan spreken. (…)

(1) Dat was ook de bedoeling van God met het volk Israël: als “Gods knecht” dienstbaar (worden/zijn) aan alle volken. (AJ)

Zie ook:  Paulus strijd tegen de “Judaïstische interpretatie” van het OT… (II)

Bron tekst:  “Evangelie contra evangelie – Joden en Grieken in het Nieuwe Testament” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986).

Bron afbeeldingen:  aviesplace en SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Paulus strijd tegen de Judaïstische interpretatie van het OT… (II)

(…) 1 Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt. 2 Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden. (Uit Matteüs 7)
(…) 1 Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd. 2 Voor zulke beheerders is dit tenslotte het vereiste: betrouwbaar te blijken. 3 Nu raakt het mij zeer weinig, of ik al door u of door enig menselijk gericht beoordeeld word. Ja, ook mijzelf beoordeel ik niet. 4 Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; Hij, die mij beoordeelt is de Here. (Uit 1 Korintiërs 4)

(…) Paulus’ geschriften getuigen van zijn doorlopende strijd tegen de afvallige Hellenistische cultuur. Juist omdat hij zelf Hellenist is, en kenner van het Hellenisme in de diepste zin, is in zijn geschriften de sleutel tot het Hellenistisch leven te vinden.

Hij ziet deze Hellenistische cultuur als poging tot wereldcultuur, tot eenheid in afvallige zin: daarom scheert hij alles over één kam en zegt: zowel Jood als Griek. Maar hij weet ook zeer goed, dat in dat Hellenisme sterke innerlijke spanningen zijn. Zo kent hij behalve de onderscheiding – vaak toegespitst tot tegenstelling – Jood-Griek ook een andere: Griek-barbaar. In de gemeente te Rome zijn zowel „Joden” als „Grieken” ; zowel de een als de ander wil Paulus tot Schriftuurlijke zelfkennis brengen. En de zelfkennis kan niet bestaan zonder een levendig en levenskrachtig historisch besef. Beiden, zowel Joden als Grieken, moeten hun plaats in de historie kennen; daarom moeten beiden de geschiedenis als geheel overzien.

Daartoe biedt Romeinen 1 : 18-32 een leidraad meer speciaal voor de „Grieken”; daarop volgt in Romeinen 2 de betuiging, dat Joden en heidenen – „O mens, wie gij ook zijt” – een soortgelijke zelfkennis moeten hebben, omdat beider afval verwant is. Daarna komt een beschouwing, meer speciaal bestemd voor de „Joden”. Zij worden getekend als degenen, die „steunen op de wet en roemen op God en weten te onderscheiden waarop het aankomt”, vers 17-18. Zij achten zich „een licht voor degenen die in duisternis zijn”: zo wordt ons duidelijk de houding geschilderd van de Judaïst in zijn verhouding tot de heidenen; de Jood steunt op zijn Jood-zijn, op zijn kennis van de wet, dat is op zijn subjectief geloofsleven: ook hij eert dus het schepsel boven de Schepper.

En nu wijst Paulus het zwakke punt aan in dit geloof: als iemand op zijn eigen geloofsleven vertrouwt, dan steunt hij op een wankel fundament; dan bouwt hij zelfs op een ondeugdelijk fundament. Wánt het leven zelfs van de gelovige Jood is niet zo, dat hij er op steunen kan – en de gelovige Jood zal zich dan ook vroeg of laat van die zonde bekeren. Indien het geloofsleven als leidend element in heel het leven volmaakt was, dan zou hij er op kunnen steunen, bij wijze van spreken. Natuurlijk zou hij het juist dan niet doen, want de volmaaktheid van het geloof komt juist daarin uit, dat het niet op zich zelf vertrouwt.

Het geloof, dat uitmondt in de belijdenis van de tegenstelling Jood-Griek of Griek-barbaar, maakt de mens zelf tot maatstaf, verheft het subject-zijn tot wet. De Judaïst meet immers het mens-zijn af naar de maat van het Jood-zijn; en de Hellenist doet hetzelfde naar de maat van het Griek-zijn. Beiden, Judaïst en Hellenist, meten de mens af naar de mate van de in hun ogen normatieve mens, in het ene geval de Jood, in het andere geval de Griek. En in beide gevallen oordelen ze over anderen. Daarom zegt Paulus in Romeinen 2 : 1: daarom zijt gij niet te verontschuldigen, о mens! wie gij ook zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij anderen oordeelt, veroordeelt gij uzelf, want gij die anderen oordeelt, doet… dezelfde dingen. (…)

Zie ook:  Paulus strijd tegen de “Judaïstische interpretatie” van het OT… (I)

Bron tekst:  “Evangelie contra evangelie – Joden en Grieken in het Nieuwe Testament” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986).

Bron afbeelding:  DailyVerses.net en SlideShare

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Petrus bekering van de romantiek van het Jood-zijn… (slot)

(…) 25 Jezus​ zei tegen hen: ‘Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener noemen. 26 Laat dat bij jullie niet zo zijn! (…) 32 maar Ik heb voor jullie ​gebeden, dat jullie geloof niet zou bezwijken. En Petrus, als jij eenmaal tot bekering gekomen bent, versterk dan je broeders. (Uit Lucas 22)

(…) Reeds eerder blijkt Petrus de les van zijn Meester te hebben verstaan.

Tweemaal gebruikt dezelfde Petrus in het boek Handelingen een woord, dat rechtstreeks is afgeleid van het vroeger zoo gehate euergetès. De eerste maal betreft het de genezing van den kreupele, waarvan hoofdstuk 3 de beschrijving geeft: „zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, geef ik u : in de naam van Jezus Christus, de Nazarener, wandel!”.
In zijn verantwoording aan den raad noemt Petrus die daad een euergesia, weldaad. Het woord hangt rechtstreeks samen met het woord, dat in Lucas 22 : 25 door de Heiland gebruikt was: euergetès. Wij zien hier, dat Petrus uit Jezus’ woorden deze lering heeft getrokken: de enige werkelijke Euergetès is Jezus Christus, de Nazarener.

Petrus heeft begrepen, dat Jezus’ woorden niet slechts negatieve strekking hadden en waarschuwden tegen het haat blijven voeden tegen hen, die zich den euergetès-titel aanmatigden, alhoewel hun daden met de betekenis van dit woord vloekten.

Even goed als Christus, de Sootèr, de Heiland is, — zoals dit woord in het Nieuwe Testament meer dan 20 maal voor de Christus gebruikt wordt, o.a. door Petrus in Handelingen 5 : 31  – en dat niettegenstaande het feit, dat de Hellenistische vorsten in hun gewaande goddelijkheid, zichzelf die titel toekenden (wij merkten reeds vroeger op, dat de sootèr-titel reeds in het klassieke Hellas nauw met den euergetès- titel verwant is), – even goed gebruikt Petrus in zijn verantwoording aan den raad het woord euergesia, om een daad te typeren, die door hem volbracht is in de naam van Jezus Christus de Nazarener.

Het komt ons zeer waarschijnlijk voor, dat de woorden van onzen Heiland in Lucas 22 door Hem in het Grieks gesproken zijn. Het woord euergetès is zulk een typisch Griekse term – hij was tot het Joodse bewustzijn immers vanuit de Hellenistische cultuurinvasie doorgedrongen – dat wij geneigd zijn aan te nemen, dat deze gesprekken in het Grieks gevoerd zijn. Ook Petrus’ verantwoording tegenover den raad kan dit worden aangenomen. En indien in deze beide gevallen al Aramees gesproken mocht zijn, dan is toch het gebruik van den term weldoener en weldaad een vertaling uit het Grieks. In het Grieks is deze term oorspronkelijk.

Het derde Maccabeeën-boek, waarin wij den term aantroffen, geldt als een oorspronkelijk Grieks geschrift. En als de Heiland spreekt van koningen, die heersen en machthebbers, die weldoeners worden genoemd, spreekt Hij een scherp oordeel uit over het Hellenistisch geloof, dat in den euergetès-titel tot uitdrukking komt. Maar daarbij blijft het niet. Het Nieuwe Testament bewijst ook daarin een plant van Griekse bodem te zijn, dat de bekering en het ‘versterken van de broeders’ die Griekse term opeist voor het Koninkrijk Gods. De taal is eigendom van de soevereine God en als het afvallig geloof de taal gebruikt om dat geloof te belijden, dan spreekt zij daarmee geenszins het laatste woord.

Volstrekt noodzakelijk is het gebruik van Grieks in de rede, die Petrus – het is alweer Petrus! – spreekt tot Cornelius en zijn huisgezin. Wij zien daar de groei van Petrus’ bekering van zeer nabij. In een visioen was Petrus meegedeeld, dat hij wat God voor rein verklaard had, niet onheilig mocht achten, en daarop komt de boodschap van Cornelius. In de rede tot deze Romein en zijn huisgezin gebruikt Petrus het woord weldoen, euergetein, Handelingen 10:38, eveneens een rechtstreekse afleiding van het woord euergetès. Dit is de conclusie, die Petrus trekt uit het visioen, waarin hij gewezen werd op een laatste rest van zijn zondige houding tegenover niet-Joden. De onzekerheid omtrent de betekenis van het visioen, waarvan in vs. 17 nog sprake is, als nu voorbij. De bekering van Petrus was voltrokken en hij was bekwaam en wel toegerust om zijn broeders, ook zijn broeder Cornelius, te versterken.

Bron tekst:  “Evangelie contra evangelie – Joden en Grieken in het Nieuwe Testament” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986).

Bron afbeelding:  SlidePlayer en ericngala.wordpress.com (HC in Kiswahili)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Verneder u en vrees…

“Ik vrees, dat ik mij wellicht tevergeefs voor u ingespannen heb.” (Galaten 4 : 11)

HET IS BETER om niet te zeggen: Ik ben volmaakt, ik kan niet vallen. Verneder u en vrees! Vernedering en vrees zorgen ervoor dat u, die vandaag staat, morgen niet gevallen bent. Ik ben doctor in de theologie en heb nu al een reeks van jaren Christus verkondigd en tegen de duivel en zijn valse leraars gestreden, maar ik ben er wel achter gekomen, hoeveel dat mij te doen heeft gegeven. Ik kan de satan nu nog niet verdrijven zoals ik graag zou willen; ik kan ook Christus niet vasthouden zoals de Schrift mij voorhoudt. Steeds opnieuw wil de duivel mij weer een valse Christus opdringen.

God moet gedankt worden, Die ons in Zijn Woord, in geloof en in gebed staande houdt, zodat wij weten hoe wij ootmoedig en nederig voor God moeten wandelen. Wij mogen ons niet verheffen op onze eigen wijsheid, gerechtigheid, geleerdheid of standvastigheid, maar roemen in de kracht van Christus, Die machtig is als wij zwak zijn, en door onze zwakheid altijd strijdt en triomfeert.

Hij alleen moet geloofd en gedankt worden in eeuwigheid!

Maarten Luther: In epistolam S. Pauli ad Galatas Comm., 1531, vgl. WA 40.1,32.1,26-39

(…) 12 Want wij durven ons niet te rekenen onder, of te vergelijken met sommigen die zichzelf aanbevelen; maar door zichzelf af te meten aan zichzelf, en zichzelf te vergelijken met zichzelf, zijn zij bepaald niet verstandig. 13 Wij echter zullen niet onbegrensd roemen, maar overeenkomstig de grens van wat God ons toebedeeld heeft, om ook u te bereiken. 14 Want wij overschrijden onze grenzen niet, alsof wij u niet hadden mogen bereiken; wij zijn immers bij u gekomen met het ​Evangelie​ van ​Christus. (Uit 2 Korintiërs 10)

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” – samengesteld, vertaald en ingeleid door H.C. van Woerden (Uitgever Den Hertog B.V., Houten)

Bron afbeelding:   Pinterest

Psalm 138 6-8 - English - Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Petrus bekering van de romantiek van het Jood-zijn… (II)

(…) 13 Erken omwille van de ​Heer​ het gezag van de bestuurders die door de mensen zijn aangesteld: van de ​keizer, de hoogste autoriteit, 14 en van de gouverneurs, die hij heeft afgevaardigd om misdadigers te straffen en om te belonen wie het goede doen. 15 God wil namelijk dat u door het goede te doen onwetende dwazen de mond snoert. 16 Leef als vrije mensen, en verschuil u niet achter uw vrijheid om u te misdragen, maar handel als dienaren (slaven!) van God. 17 Houd iedereen in ere, heb uw broeders en zusters lief, heb ontzag voor God en eerbiedig de ​keizer. (Uit 1 Petrus 2)

(…) 33 Zij antwoordden Hem: Wij zijn ​Abrahams​ nageslacht en zijn nooit ​slaaf​ van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden? 34 Jezus​ antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de ​zonde​ doet, is een ​slaaf​ van de ​zonde. 35 En de ​slaaf​ blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig. 36 Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn. (Uit Johannes 8)

(…) Wij weten uit de eerste brief van Petrus, dat hij inderdaad tot bekering gekomen is en zijn broeders versterkt heeft. Dat blijkt n.l. uit 1 Petrus 2 : 13—17. Tot tweemaal toe gebruikt Petrus hier het woord basileus, koning, ter aanduiding van den keizer, die geëerd moet worden. Aan het begin en aan het eind van het stuk wordt de koningstitel genoemd; de vermaning tot onderwerping en gehoorzaamheid is door dit tweevoudig gebruik van deze titel als het ware ingelijst. Petrus heeft geleerd, dat wij “om des Heeren wil” de overheid hebben te gehoorzamen, ook al weten wij zeer wel, dat die overheid in veel gevallen wereldmacht is.

De houding uit het derde Maccabeeën-boek, die in de vorst de kwaaddoener ziet, die tot alles in staat is en tegen wiens boze plannen God door een wonder moet ingrijpen, is hier afgelegd. Wie zulk een verhaal omtrent wereldvorsten verzint en wie in zulke romantiek zwelgt, die staat niet recht tegenover de „menselijke instellingen” (1). Als men in de gelegenheid is op zo’n manier de haat tegen de overweldiger(s) te voeden, dan gebruikt men zijn vrijheid als een dekmantel van kwaadwilligheid, 1 Petrus 2:16.

Zien wij dat woord in den eerste brief van Petrus in het licht van Christus’ opdracht in Lucas 22 : 32, dan wordt ons de Joodse houding ook duidelijker. In het volgende hoofdstuk zullen wij deze houding als levensbeschouwing aanduiden met den term „Judaïsme”. Het Judaïsme is die wereldbeschouwing, die in het zaad van Abraham “de ware mens” ziet, de vrije, die nooit iemand gediend heeft (Johannes 8 : 33) en die op deze wijze het schepsel eert boven den Schepper. Want eigenlijk is God in het Judaïsme — zoals ook uit het verhaal in het derde Maccabeeën-boek blijkt – een werktuig van het Jodendom, dat dienst moet doen om deze mensen wonderlijk te verlossen, wanneer zij in het nauw gebracht worden door de verachte niet-Joden.

En zo groot is hun behoefte aan de romantische situatie, waarin God moet optreden om de Joden te verlossen, dat zij ter wille van het effect een Jodenvervolging hebben uitgedacht, die nooit werkelijk heeft plaats gevonden. Het verhaal in het Maccabeeën-boek is een romantische droom van de heerlijkheid van het Jood-zijn, waarin de zelfbeschouwing van de zelfgenoegzame zoon van Abraham, die het leven meent te hebben in zichzelf, zich op eigen heerlijkheid concentreert.

Petrus was in die droom gevangen, hij hechtte aan die romantiek. Totdat bleek, dat zij niet bij machte was om hem krachtig te doen optreden op het kritieke moment en wat hem zelfs deed afglijden tot verraad aan zijn Meester. Toen is deze romantiek Petrus tot zonde geworden en hij kon daarna nuchter en rustig spreken over de plichten tegenover de koning. Hij spreekt daar van een vrijheid, die een andere is, dan die, waarover de Joden het hadden in Johannes 8 : 33.

De vrijheid om de overheid gehoorzaam te zijn als slaven van God, in tegenstelling tot de vrijheid, die als dekmantel gebruikt wordt voor kwaadwilligheid: het vermoeden ligt voor de hand, dat Petrus hier denkt aan de vrijheid, die hij zelf eenmaal gebruikte om te zwelgen in de romantiek van het derde Maccabeeën-boek, toen hij in onvruchtbare dromerij zijn haat de vrije teugel liet… (…)

(1) Zoals de overheid (dus ook) als een menselijke instelling gezien en genoemd kan worden. De Here Jezus is ons voorgegaan in het erkennen van zulke “menselijke instellingen” (zie o.a. Matteüs 22 : 15-22), en dus ook wanneer dat als een bezettende macht kan/moet worden beschouwd (zoals de Romeinse overheersing ten tijde van Jezus leven) en later geven de apostelen ons daar (dus/daarom) ook onderwijs over (o.a. Romeinen 13 en 1 Petrus 2)

Bron tekst:  “Evangelie contra evangelie – Joden en Grieken in het Nieuwe Testament” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986).

Bron afbeelding:  Patheos

Romeinen 13 - Let every person - Patheos

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Ons vluchten voor God…

“Toen bad Jona tot God vanuit het ingewand van de vis…” (Jona 2 : 1)

Lectures on Jonah – 1525/1526 (10)

(…) “Niemand zal geloven hoe zwaar en moeilijk het is om te roepen en om te bidden zoals Jona deed vanuit de buik van de vis. Het roepen en klagen, beven en twijfelen, en het kruipen en krimpen, dat gaat ons gemakkelijk genoeg af – gebeden zullen echter niet over onze lippen komen. Ons slechte geweten en onze zonden knijpen onze keel dicht en vormen een zware last. Bovendien voelen we dat God woedend is. Dit zijn lasten die het gewicht van de hele wereld overstijgen.

Kortom, het is onmogelijk voor de menselijke natuur of voor een goddeloos persoon om dergelijke belemmeringen van zich af te werpen en tegelijkertijd dezelfde God te aanbidden, Die boos is en Die straft en tegelijkertijd weerhoudt dat men naar iemand anders vlucht. Zo verklaart Jesaja (9:13): ‘De mensen hebben zich niet bekeerd tot Hem die hen heeft geslagen.’

De natuurlijk mens is veel te bedreven in het van God wegvluchten wanneer Hij boos is en wanneer Hij straft, laat staan dat hij in staat is om zich tot Hem te (be)keren en Hem aan te roepen. De natuurlijke mens streeft altijd naar hulp uit andere bronnen en zal (kan) niets van deze God ontvangen en verdraagt het niet te verkeren in Zijn nabijheid.

Daarom vlucht de menselijke natuur voor altijd, en toch ontsnapt ze niet, maar moet dus voortdurend verkeren onder Gods toorn, en in zonde, dood en hel. Hier krijg je een indruk van wat de hel is. Hier zie je hoe het de zondaars na dit leven vergaat, namelijk, ze vluchten voor Gods toorn maar ontsnappen er nooit aan, en toch roepen ze niet tot God en ze smeken Hem ook niet(s).

Aan de andere kant horen we Jesaja’s verklaring in Jesaja 28:16: ‘Hij die zijn vertrouwen vestigt op de kostbare hoeksteen, zal niet vluchten.’ Het is alsof hij zei: ‘Alle goddeloze mensen vluchten voor eeuwig van God en Zijn toorn weg, en toch kunnen ze er niet aan ontkomen.

De gelovigen worden echter door Christus bewaard voor dat vreesbevangen vluchten.“

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 222, 25 – 223,11

(…) 3 …en wij stonden van nature ​bloot aan Gods toorn, net als ieder ander. 4 Maar God, Die rijk is in ​barmhartigheid, en omdat de ​liefde​ die Hij voor ons heeft opgevat zo groot is, 5 heeft Hij ons, die dood waren door onze ​zonden, samen met ​Christus​ levend gemaakt. Ook u bent nu door Zijn ​genade​ gered. (Uit Efeziërs 2)

If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com. Or, they can use our web-form located on the homepage of www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. Our emails are free of charge and you are not ask for donations.

 Bron afbeelding:  SlidePlayer

Jesaja 28-16 A precious cornerstone - SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Petrus bekering van de romantiek van het Jood-zijn… (I)

(…) 4 Toen ontstond er onder hen onenigheid over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 25 Jezus​ zei tegen hen: ‘Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener (1) noemen. 26 Laat dat bij jullie niet zo zijn! De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar. 27 Want wie is belangrijker, degene die ​aanligt​ om te eten of degene die bedient? Is het niet degene die ​aanligt? Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient.
(…) 31 Simon, ​Simon, zie, de ​satan​ heeft verlangd jullie te ziften als de tarwe, 32 maar Ik heb voor jullie ​gebeden, dat jullie geloof niet zou bezwijken. En jij, als jij eenmaal tot bekering gekomen bent, versterk dan je broeders. (Uit Lucas 22)

(…) Bovenstaande  woorden zijn vol van genade en waarheid.

Men heeft zich wel eens afgevraagd, hoe het toch mogelijk, was, dat Jezus enerzijds Petrus een gelovige noemde : „Ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet bezwijken zou”, en in één adem door verklaart, dat hij niet bekeerd is : „als je eenmaal tot bekering gekomen bent, versterk dan je broeders”. Wanneer wij onze dogmatische begrippen laten heersen over de Bijbel dan is hier een grote tegenstrijdigheid: want óf Petrus is gelovig, maar dan is hij niet onbekeerd, of hij is nog niet bekeerd, maar dan is hij ook niet een gelovige.

Wie op deze manier dogmatische kennis tegen de Schrift uitspeelt, verduistert het Woord van God en berooft zich van de genade en waarheid, die in deze uitspraak van de Heiland liggen. Men heeft wel getracht de moeilijkheid te ontzeilen, door aan te nemen, dat men niet moet vertalen „wanneer je tot bekering gekomen bent”, maar dat men het werkwoord hier overgankelijk moet nemen : „Jij moet je broeders versterken door hen tot bekering te brengen”. Dit is echter in strijd met het verband van dit Bijbelgedeelte.

De discipelen en met name Petrus worden inderdaad vermaand tegen een zonde, waarvan zij zich klaarblijkelijk nog niet hebben bekeerd, Dat zij zich nog bekeren moesten blijkt uit hun twist over de vraag, wie van hen de meeste was. Petrus en de andere discipelen zitten, al zijn zij gelovigen, nog vast in een echte Joodse zonde: de zelfoverschatting en zelfwaardering, die het kwaad wel ziet in Ptolomaeus Philopatoor (2), maar niet in zich zelf. Zij waren zo van hun eigen waarde overtuigd, dat zij zelfs een verzonnen verhaal omtrent een heidense koning voor waar aannamen, een verhaal omtrent Jodenvervolging en uitredding geloofden, dat niet de waarheid van God, maar de Joodse zelfverheerlijking tot openbaring bracht.

Christus ziet hoe Zijn discipelen in deze geest verstrikt zijn en Hij ziet ook, hoe ernstig dit is, want daardoor zal Petrus straks komen tot zijn verraad. Hij verklaart zich bereid, net als de nationale helden van oudtijds in de gevangenis en in de dood te gaan, wellicht denkt hij bij het uitspreken van deze woorden aan het lot van de Joden in Alexandrië, die op last van Ptolomaeus werden geboeid en in de arena gebracht, om door olifanten te worden vertrapt. Maar Jezus zag scherp, dat deze romantiek niet een grondslag kan zijn om staande te blijven, als het werkelijke gevaar komt: „Ik zeg je, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, voordat je driemaal zult geloochend hebben, dat jij Mij kent.”

Jezus ziet over dit alles heen naar de toekomst, waarin Petrus zich van deze zonde bekeerd zal hebben. En dan zal Petrus de geschikte man zijn, om zijn broeders, die in dezelfde zonde verstrikt zijn, te versterken. Hij zal dan zelf aan den lijve hebben gevoeld, dat de Joodse nationale romantiek geen basis geeft, en hij zal weten, dat Christus’ verwerping van de euergetès-titel (1) nog iets anders betekent, dan de Joodse beschimping daarvan. (…)

(1) De euergetès-titel is die van “weldoener”. Zie meer bij (2).
(2) In het fantastische verhaal omtrent de Jodenvervolging, die de Hellinistische koning Ptolomaeus Philatophoor, opvolger van Ptolomaeus Euergetès, zou hebben beraamd komt een brief voor, die deze vorst aan zijn stadhouders zou hebben gezonden. In de brief wordt van de Joden gezegd dat zij het enige van alle volken zijn die zich verheffen tegen hun  koningen en weldoeners.  Het feit dat hier koning en euergetès vrijwel als synoniemen worden gebruikt doet ons vermoeden dat Christus in het gesprek, kort voor Zijn sterven (zie Bijbeltekst bovenaan), aan deze passage kan hebben gedacht. Het verhaal betreffende Ptolomaeus Philatophoor moet in Joodse kring bekend zijn geweest. Het zal behoord hebben tot de romantische Vaderlandse Geschiedenis, die de Joodse kinderen in het schemeruur te horen kregen. Het was voor hen even boeiend als voor ons het verhaal van Jan van Schaffelaar.

Bron tekst:  “Evangelie contra evangelie – Joden en Grieken in het Nieuwe Testament” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986).

Bron afbeelding:  Psalms Quotes

Psalm 89-1-2 - faithfulness - Psalms Quotes

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

(Alweer) Uitgegleden?

U, Heer, bent goed en tot ​vergeving​ bereid, uw trouw is groot voor ieder die U aanroept. (Psalm 86 : 5)

IK WEET NATUURLIJK NIET hoe sterk anderen met hun geest zijn – anderen mogen van zichzelf denken wat ze willen – maar zo heilig, geleerd en sterk van geest ben ik niet! Want het overkomt mij altijd weer, als ik buiten de Heilige Schrift om wil bidden, dat Christus niet thuis is en ik Hem nergens vinden kan, ja, dat ik dan zelfs helemaal geen zin heb om te bidden. Echter, zo spoedig ik een Psalm of tekst uit Gods Woord voor mij neem, dan wordt het licht en warm in mijn hart, zodat ik opnieuw moed en verlangen krijg om te bidden.
De oorzaak is – zoals wij allen wel zouden kunnen weten – dat onze zinnen en gedachten zo onzeker, slibberig en verward zijn, dat als wij buiten Gods Woord om iets ernstigs willen bidden of denken, wij zeker in een oogwenk wel honderd mijl van onze eerste gedachte verwijderd zijn. Je probeert het zelf maar en vertel dan eens aan mij hoelang je bij een bepaalde gedachte kan blijven, of neem er een uurtje voor en beloof mij al je gedachten te vertellen. Wat gebeurt er? Je zult je moeten schamen en bang voor jezelf worden, als je alles zou moeten zeggen wat je soms te binnen valt. Ik ervaar het ook zo, zelfs als ik met de ernstigste en heiligste dingen bezig ben. Zo’n jammerlijk verscheurd ding is een mensenhart! Het waggelt, beweegt en wankelt. Geen wind of water is zo onbestendig als een mensenhart.

Maarten Luther: Wochenpredigten über Johannes г 6-го, 152,8/1529, vgl. WA 28,76,15 – 77,11

Waar is de wijze? (waar de Schriftgeleerde?)

Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderkens geopenbaard.
(Matteüs 11:25)

ALS WIJ EENS GOED WILLEN WETEN wat ons gebed is, dan is het niets anders dan het stamelen van een kind dat bij een tafel met eten staat en niet weet of het om brood (1) of om vlees vraagt, want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort. De giften en gaven waarom wij bidden zijn ver boven ons begrip en verstand verheven, en Hij Die hoort is nog veel hoger. Dan zijn vanzelf ook Zijn giften en gaven hoger en groter dan wij met ons kleine hart zouden kunnen bevatten.
Dit zeg ik allemaal om jullie en mijzelf moed in te spreken, zodat wij niet zouden twijfelen vanwege onze onwaardigheid of anders wel vanwege Gods hoge majesteit. De dingen waar wij Hem om bidden – zoals ik zeg – zijn te groot en worden vanwege hun grootheid door ons niet verstaan of begrepen. Abraham heeft meer ontvangen dan hij ooit heeft gebeden. Dit mag ons tot voorbeeld strekken, zodat wij het gebed niet zullen opgeven of denken dat het geheel nutteloos en vruchteloos is. God ziet het binnenste van het hart en verstaat het onuitsprekelijk zuchten dat in ons is. Wij zijn als de kinderen die voor de tafel staan te stamelen en nog niet goed uit hun woorden kunnen komen.

Maarten Luther: Vorlesungen üben. Mose von 1535/1545, vgl. WA 42, l.Mose, Kap. 17:19-22]

(1) Wij weten door het gebedsonderwijs van Jezus wel dagelijks te bidden om het hemelse brood: dat is bidden om Jezus Christus – die onze Wijsheid is en Die ons wijsheid schenkt – door de kracht van de heilige Geest, die werkt met en door het Woord (onze Bijbel) en zó zal Gods Woord Zich levend en krachtig betonen  in ons leven.  (AJ)

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” – samengesteld, vertaald en ingeleid door H.C. van Woerden (Uitgever Den Hertog B.V., Houten)
Bron afbeelding:   DailyVerses.net

Psalmen 86-5 - U Heer bent goed en tot vergeving bereid - DailyVerses.net

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Gebedsverhoring…

Verhoor mij niet, o God!

En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg. (2 Korintiërs 12:9)

HEERE, BARMHARTIGE VADER, ik wil zijn maar ook niet zijn, sterven maar ook leven, weten maar ook niet weten, overvloed hebben maar ook gebrek lijden, indien slechts Uw wil geschiedt. Ik zoek niet het Uwe, ik moet Uzelf hebben. U bent me niet meer lief als het goed met mij gaat, ook niet minder lief als het slecht met mij gaat. Het is eerlijk en goed, als U mij tegen bent, want U hebt recht op mij en het mijne, maar ik niet op U en het Uwe.

Als iemand zich zo diep vernedert dat hij van God niets meer bidden of begeren wil, dan alleen dat wat uit genade en naar Gods wil is, die kent zijn onwaardigheid, die weet dat hij niets van wat hij van God ontvangt, verdiend heeft en dat al zijn woorden en werken enkel zonde en dwaasheid zijn. Zulke mensen maken het voor de duivel en de wereld niet gemakkelijk, want niets kan hen schaden. Zij vertrouwen alleen op God. Wáármee de duivel hen ook aanvecht, zij overwinnen dat door het geloof – waardoor alle dingen overwonnen worden – zoals Paulus spreekt van hen die door het geloof koninkrijken overwonnen hebben. Dat zijn de echte kinderen van God, zoals hij ergens anders zegt: Want zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. (Romeinen 8:14).

Maarten Luther: Von zweierlei Menschen, 1523, vgl. WA 11,468,15-469,8

Open wijd uw mond, eist van mij vrijmoedig!

Bidt, en u zal gegeven worden ; zoekt, en gij zult vinden;
klopt, en u zal opengedaan worden. (Matteüs 7:7)

WIE NIETS ONTVANGT en ook niets vindt, die heeft vast niet gebeden en ook niet gezocht. Wie niet opengedaan wordt, die heeft vast niet geklopt. Daarom moet het zonder twijfel aan ons liggen als ons iets ontbreekt; aan God kan het niet liggen, God is gewillig en genegen genoeg om te geven. Hij belooft niet alleen verhoring aan degenen die tot Hem bidden – Hem ijverig zoeken en vol vertrouwen aankloppen – maar Hij zweert het ook met een dure eed door Zijn eniggeboren Zoon, Die Hij ons als Middelaar en Voorbidder heeft aangewezen.

Hij zegt: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Welke Ik Mijn welbehagen heb. Die moet u horen (vgl. Mattheüs 3:17). Wel, hoort Hem De Zoon van God spreekt: Amen, amen, Ik zeg u: Al wat u de Vader bidden zult in Mijn Naam, dat zal Hij u geven (vgl. Johannes 16:23).

O God, geef geen voorspoed aan luie handen die hier niets aangrijpen!

Maarten Luther: Bibel- und Bucheinzeichnungen, vgl. WA 48,108,3-15

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” – samengesteld, vertaald en ingeleid door H.C. van Woerden (Uitgever Den Hertog B.V., Houten)
Bron afbeelding:  Schuilen bij God

Uit Psalm 85

9 Ik wil horen wat God ons zegt.
De HEER spreekt woorden van ​vrede
tegen zijn volk, zijn getrouwen.
Laten zij niet weer vervallen in dwaasheid!

10 Voor wie hem eren is zijn hulp nabij:
zijn ​glorie​ komt wonen in ons land,
11 trouw en waarheid omhelzen elkaar,
recht en ​vrede​ begroeten elkaar met een kus,
12 uit de aarde bloeit de waarheid op,
het recht ziet uit de hemel toe.

13 De HEER geeft al het goede:
ons land zal vruchten geven.
14 Het recht gaat voor God uit
en baant voor Hem de weg.

Psalm 16 1-2 Bewaar mij o God ik schuil bij U - Schuilen bij God

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Waar(in) ligt onze geloofszekerheid verankerd?

(…) 32 Wij verkondigen u het goede nieuws dat God zijn belofte aan onze voorouders 33 in vervulling heeft doen gaan ten behoeve van hun ​kinderen​ – ten behoeve van ons – doordat Hij ​Jezus​ tot leven heeft gewekt. Daarover staat in de tweede Psalm geschreven: “Jij bent Mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt.”  
(Uit Handelingen 13: “het bemoedigende Woord” van Paulus in de synagoge te Antiochië)

‘Hoe kom ik tot zekerheid van het geloof?’.

(…) Een praktisch geschrift is het Doopboekje van dr. G. Oorthuys (1876-1959). Hierin is een lezing opgenomen met de bovenstaande titel. (…) Deze lezing is ook uitgegeven in boekvorm.  Hij wijst erop dat deze vraag op twee manieren gesteld kan worden.

  • Enerzijds, hoe kom ik tot de vaste overtuiging, dat het Evangelie, de leer van de Christelijke kerk, wezenlijk de waarheid is?
  • En anderzijds, hoe kom ik tot de zekerheid, dat ik een kind van God ben; hoe kom ik daartoe, dat ik het vast geloof en op goede gronden weet, dat al mijn zonden vergeven zijn en dat God mij tot Zijn kind aangenomen heeft.

Oorthuys geeft dan als antwoord: ‘Door in de Heere Jezus te geloven! Er is geen andere weg dan u gelovig toevertrouwen aan Hem.’ Maar mag ik wel geloven? Wat voor grond heb ik nu om te geloven, dat het ook voor mij is?

Dan wijst Oorthuys op het Woord en op het sacrament van de doop: ‘Eerst het Woord, maar daar laat God het niet bij’. De boodschap van genade en vergeving heeft Hij bovendien nog verzegeld door het sacrament: “Wanneer ge in de nood van uw zonde niets ontdekken kunt, dat u recht geeft een kind van God te wezen, leg dan uw hand op uw voorhoofd (1) en spreek (2): ‘Heere, daar hebt Gij geschreven: dit kind is van Mij en Gij wist toch wel, welk een goddeloos hart ik had en Gij hebt gezegd: zo zeker, kind, als Ik je met water was, zo zeker was Ik jou van alle zonden met het bloed van het Lam. Heere, daar houd ik U aan.’ Dan hebt u beteren grond dan duizend bevindingen en duizend woorden’.

(1) (…) 21 en dat water is een voorafbeelding van het water van de doop, waardoor u nu wordt gered. De doop wast niet het vuil van uw lichaam, het is een vraag aan God om een zuiver geweten. Hierom kunt u vragen dankzij de opstanding van ​Jezus​ ​Christus, 22 Die de hemel is binnengegaan en nu aan Gods rechterhand zit, terwijl de ​engelen, machten en krachten aan hem onderworpen zijn. (Uit 1 Petrus 3)

(2) Daarom is het – buiten onze wil en keus om – als baby/jong kind al gedoopt zijn – op het verlangen en gebed van de ouders en in het midden van de gemeente van onze Heer Jezus Christus – het eenvoudigst te zien en aanvaarden als een ons van God gegeven zichtbaar teken ter bevestiging van het aan heel Zijn gemeente verkondigde Woord! (AJ)

Bron tekst: “Dr. G. Oorthuys (1867-1959) (II, slot) – Ecclesia nr 15/16 – juli 2017

Bron afbeelding: SlidePlayer

Psalm 105 - God zal zijn waarheid nimmer krenken - SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie