Petrus bekering van de romantiek van het Jood-zijn… (I)

(…) 4 Toen ontstond er onder hen onenigheid over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 25 Jezus​ zei tegen hen: ‘Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener (1) noemen. 26 Laat dat bij jullie niet zo zijn! De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar. 27 Want wie is belangrijker, degene die ​aanligt​ om te eten of degene die bedient? Is het niet degene die ​aanligt? Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient.
(…) 31 Simon, ​Simon, zie, de ​satan​ heeft verlangd jullie te ziften als de tarwe, 32 maar Ik heb voor jullie ​gebeden, dat jullie geloof niet zou bezwijken. En jij, als jij eenmaal tot bekering gekomen bent, versterk dan je broeders. (Uit Lucas 22)

(…) Bovenstaande  woorden zijn vol van genade en waarheid.

Men heeft zich wel eens afgevraagd, hoe het toch mogelijk, was, dat Jezus enerzijds Petrus een gelovige noemde : „Ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet bezwijken zou”, en in één adem door verklaart, dat hij niet bekeerd is : „als je eenmaal tot bekering gekomen bent, versterk dan je broeders”. Wanneer wij onze dogmatische begrippen laten heersen over de Bijbel dan is hier een grote tegenstrijdigheid: want óf Petrus is gelovig, maar dan is hij niet onbekeerd, of hij is nog niet bekeerd, maar dan is hij ook niet een gelovige.

Wie op deze manier dogmatische kennis tegen de Schrift uitspeelt, verduistert het Woord van God en berooft zich van de genade en waarheid, die in deze uitspraak van de Heiland liggen. Men heeft wel getracht de moeilijkheid te ontzeilen, door aan te nemen, dat men niet moet vertalen „wanneer je tot bekering gekomen bent”, maar dat men het werkwoord hier overgankelijk moet nemen : „Jij moet je broeders versterken door hen tot bekering te brengen”. Dit is echter in strijd met het verband van dit Bijbelgedeelte.

De discipelen en met name Petrus worden inderdaad vermaand tegen een zonde, waarvan zij zich klaarblijkelijk nog niet hebben bekeerd, Dat zij zich nog bekeren moesten blijkt uit hun twist over de vraag, wie van hen de meeste was. Petrus en de andere discipelen zitten, al zijn zij gelovigen, nog vast in een echte Joodse zonde: de zelfoverschatting en zelfwaardering, die het kwaad wel ziet in Ptolomaeus Philopatoor (2), maar niet in zich zelf. Zij waren zo van hun eigen waarde overtuigd, dat zij zelfs een verzonnen verhaal omtrent een heidense koning voor waar aannamen, een verhaal omtrent Jodenvervolging en uitredding geloofden, dat niet de waarheid van God, maar de Joodse zelfverheerlijking tot openbaring bracht.

Christus ziet hoe Zijn discipelen in deze geest verstrikt zijn en Hij ziet ook, hoe ernstig dit is, want daardoor zal Petrus straks komen tot zijn verraad. Hij verklaart zich bereid, net als de nationale helden van oudtijds in de gevangenis en in de dood te gaan, wellicht denkt hij bij het uitspreken van deze woorden aan het lot van de Joden in Alexandrië, die op last van Ptolomaeus werden geboeid en in de arena gebracht, om door olifanten te worden vertrapt. Maar Jezus zag scherp, dat deze romantiek niet een grondslag kan zijn om staande te blijven, als het werkelijke gevaar komt: „Ik zeg je, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, voordat je driemaal zult geloochend hebben, dat jij Mij kent.”

Jezus ziet over dit alles heen naar de toekomst, waarin Petrus zich van deze zonde bekeerd zal hebben. En dan zal Petrus de geschikte man zijn, om zijn broeders, die in dezelfde zonde verstrikt zijn, te versterken. Hij zal dan zelf aan den lijve hebben gevoeld, dat de Joodse nationale romantiek geen basis geeft, en hij zal weten, dat Christus’ verwerping van de euergetès-titel (1) nog iets anders betekent, dan de Joodse beschimping daarvan. (…)

(1) De euergetès-titel is die van “weldoener”. Zie meer bij (2).
(2) In het fantastische verhaal omtrent de Jodenvervolging, die de Hellinistische koning Ptolomaeus Philatophoor, opvolger van Ptolomaeus Euergetès, zou hebben beraamd komt een brief voor, die deze vorst aan zijn stadhouders zou hebben gezonden. In de brief wordt van de Joden gezegd dat zij het enige van alle volken zijn die zich verheffen tegen hun  koningen en weldoeners.  Het feit dat hier koning en euergetès vrijwel als synoniemen worden gebruikt doet ons vermoeden dat Christus in het gesprek, kort voor Zijn sterven (zie Bijbeltekst bovenaan), aan deze passage kan hebben gedacht. Het verhaal betreffende Ptolomaeus Philatophoor moet in Joodse kring bekend zijn geweest. Het zal behoord hebben tot de romantische Vaderlandse Geschiedenis, die de Joodse kinderen in het schemeruur te horen kregen. Het was voor hen even boeiend als voor ons het verhaal van Jan van Schaffelaar.

Bron tekst:  “Evangelie contra evangelie – Joden en Grieken in het Nieuwe Testament” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986).

Bron afbeelding:  Psalms Quotes

Psalm 89-1-2 - faithfulness - Psalms Quotes

 

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s