Petrus bekering van de romantiek van het Jood-zijn… (II)

(…) 13 Erken omwille van de ​Heer​ het gezag van de bestuurders die door de mensen zijn aangesteld: van de ​keizer, de hoogste autoriteit, 14 en van de gouverneurs, die hij heeft afgevaardigd om misdadigers te straffen en om te belonen wie het goede doen. 15 God wil namelijk dat u door het goede te doen onwetende dwazen de mond snoert. 16 Leef als vrije mensen, en verschuil u niet achter uw vrijheid om u te misdragen, maar handel als dienaren (slaven!) van God. 17 Houd iedereen in ere, heb uw broeders en zusters lief, heb ontzag voor God en eerbiedig de ​keizer. (Uit 1 Petrus 2)

(…) 33 Zij antwoordden Hem: Wij zijn ​Abrahams​ nageslacht en zijn nooit ​slaaf​ van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden? 34 Jezus​ antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de ​zonde​ doet, is een ​slaaf​ van de ​zonde. 35 En de ​slaaf​ blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig. 36 Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn. (Uit Johannes 8)

(…) Wij weten uit de eerste brief van Petrus, dat hij inderdaad tot bekering gekomen is en zijn broeders versterkt heeft. Dat blijkt n.l. uit 1 Petrus 2 : 13—17. Tot tweemaal toe gebruikt Petrus hier het woord basileus, koning, ter aanduiding van den keizer, die geëerd moet worden. Aan het begin en aan het eind van het stuk wordt de koningstitel genoemd; de vermaning tot onderwerping en gehoorzaamheid is door dit tweevoudig gebruik van deze titel als het ware ingelijst. Petrus heeft geleerd, dat wij “om des Heeren wil” de overheid hebben te gehoorzamen, ook al weten wij zeer wel, dat die overheid in veel gevallen wereldmacht is.

De houding uit het derde Maccabeeën-boek, die in de vorst de kwaaddoener ziet, die tot alles in staat is en tegen wiens boze plannen God door een wonder moet ingrijpen, is hier afgelegd. Wie zulk een verhaal omtrent wereldvorsten verzint en wie in zulke romantiek zwelgt, die staat niet recht tegenover de „menselijke instellingen” (1). Als men in de gelegenheid is op zo’n manier de haat tegen de overweldiger(s) te voeden, dan gebruikt men zijn vrijheid als een dekmantel van kwaadwilligheid, 1 Petrus 2:16.

Zien wij dat woord in den eerste brief van Petrus in het licht van Christus’ opdracht in Lucas 22 : 32, dan wordt ons de Joodse houding ook duidelijker. In het volgende hoofdstuk zullen wij deze houding als levensbeschouwing aanduiden met den term „Judaïsme”. Het Judaïsme is die wereldbeschouwing, die in het zaad van Abraham “de ware mens” ziet, de vrije, die nooit iemand gediend heeft (Johannes 8 : 33) en die op deze wijze het schepsel eert boven den Schepper. Want eigenlijk is God in het Judaïsme — zoals ook uit het verhaal in het derde Maccabeeën-boek blijkt – een werktuig van het Jodendom, dat dienst moet doen om deze mensen wonderlijk te verlossen, wanneer zij in het nauw gebracht worden door de verachte niet-Joden.

En zo groot is hun behoefte aan de romantische situatie, waarin God moet optreden om de Joden te verlossen, dat zij ter wille van het effect een Jodenvervolging hebben uitgedacht, die nooit werkelijk heeft plaats gevonden. Het verhaal in het Maccabeeën-boek is een romantische droom van de heerlijkheid van het Jood-zijn, waarin de zelfbeschouwing van de zelfgenoegzame zoon van Abraham, die het leven meent te hebben in zichzelf, zich op eigen heerlijkheid concentreert.

Petrus was in die droom gevangen, hij hechtte aan die romantiek. Totdat bleek, dat zij niet bij machte was om hem krachtig te doen optreden op het kritieke moment en wat hem zelfs deed afglijden tot verraad aan zijn Meester. Toen is deze romantiek Petrus tot zonde geworden en hij kon daarna nuchter en rustig spreken over de plichten tegenover de koning. Hij spreekt daar van een vrijheid, die een andere is, dan die, waarover de Joden het hadden in Johannes 8 : 33.

De vrijheid om de overheid gehoorzaam te zijn als slaven van God, in tegenstelling tot de vrijheid, die als dekmantel gebruikt wordt voor kwaadwilligheid: het vermoeden ligt voor de hand, dat Petrus hier denkt aan de vrijheid, die hij zelf eenmaal gebruikte om te zwelgen in de romantiek van het derde Maccabeeën-boek, toen hij in onvruchtbare dromerij zijn haat de vrije teugel liet… (…)

(1) Zoals de overheid (dus ook) als een menselijke instelling gezien en genoemd kan worden. De Here Jezus is ons voorgegaan in het erkennen van zulke “menselijke instellingen” (zie o.a. Matteüs 22 : 15-22), en dus ook wanneer dat als een bezettende macht kan/moet worden beschouwd (zoals de Romeinse overheersing ten tijde van Jezus leven) en later geven de apostelen ons daar (dus/daarom) ook onderwijs over (o.a. Romeinen 13 en 1 Petrus 2)

Bron tekst:  “Evangelie contra evangelie – Joden en Grieken in het Nieuwe Testament” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986).

Bron afbeelding:  Patheos

Romeinen 13 - Let every person - Patheos

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s